De oude stad Salamanca

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Enkele belangrijke gebouwen
  4. Belangrijke plaatsen en gebouwen in de stad

1.Algemeen

Salamanca is een Spaanse stad en zij is tevens de hoofdstad van de gelijknamige provincie. Ze ligt in de autonome regio Castilla y León. Het is de tweede meest bevolkte stad van deze regio na Vallodolid. De stad licht dichtbij de rivier de Tormes.

Foto: zicht op de kathedralen

Santiagova

Salamanca herbergt de oudste universiteit van Spanje die gesticht is in 1218 en zij was de eerste in Europa die deze titel kreeg en zij kreeg de titel door een edict in 1253 van Alfonso X van Castilla y León.

Tijdens de volgende eeuw was het een van de meest prestigieuze universiteiten van het westen.

Salamanca kreeg een plaatsje in de geschiedenis door een aantal van zijn inwoners zoals: Antonio de Nebrija, Cristóbal Colón, Francisco de Vitoria en de Escuela de Salamanca, Fray Luis de León en Miguel de Unamuno.

In 1988 werd de stad opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco door zijn belangrijk architectonisch patrimonium waaronder zijn twee kathedralen, de Oude Kathedraal en de nieuwe Kathedraal, la Casa de las Conchas, de Plaza Mayor, het Klooster van San Esteban en de Escuelas Mayores.

2. Geschiedenis

2.1 De Oudheid
In de derde eeuw vóór Christus kwam Hannibal naar het Iberisch schiereiland en hij belegerde en nam vervolgens Helmantica (Salamanca) in. De legende gaat dat de mannen de stad zonder weerstand te bieden overgaven en dat zij daarna de stad verlieten. Maar de vrouwen van de stad droegen de wapens van hun mannen onder hun kleding en later belegerden zij de Carthagers.

Met de val van de Carthagers door de Romeinen behielden deze laatsten de bezetting van de stad en Salamanca kreeg vanaf dan een zekere belangrijkheid. 

De stad werd snel een belangrijke handelsplaats door zijn gunstige ligging aan de río Tormes, en door zijn ligging aan een van de belangrijkste Romeinse wegen door Spanje, de Vía de la Plata. Voor deze weg bouwde men hier in de eerste eeuw de Romeinse Brug.

2.2 De Middeleeuwen
Met het einde van het Romeins Imperium vestigden de Alanen zich in Lusitania (Portugal) en de stad werd een deel van deze regio.

Later veroverden de Visigothen de stad en zij annexeerden de stad in hun grondgebied. Er zijn weinig gegevens bekend van tijdens de Visigotische periode over Salamanca. We weten alleen dat in de vierde eeuw de Romeinse muur vergroot werd met torens. Wat we ook weten is dat in 589 de stad een bisschopszetel werd omdat de stad een afvaardiging stuurde naar het concilie in Toledo.

Met de invasie in 712 van het schiereiland door de Moren veroverde Musa ibn Nusair de stad.

Tijdens de middeleeuwen was het een waardeloos land en een groot deel van de dorpen werden vernield door de veelvuldige invallen van de Moren. Salamanca werd een plaats zonder belang en de stad was praktisch verlaten.

De opeenvolgende pogingen van de katholieke koningen om dit gebied terug in handen te krijgen botsten met de Moorse pogingen om verder naar het noorden te gaan. Het gebied bleef praktisch verlaten tot aan een belangrijke christelijke overwinning in de slag van de Simancas in 939 en het gebied werd terug door de christenen bevolkt niettegenstaande de nog steeds grote macht van het Kalifaat.

Na de verovering van Toledo in 1085 door Alfonso VI kwam de herbevolking van Salamanca goed op gang. In 1102 komt Raimundo de Borgoña op bevel van zijn schoonvader Alfonso VI naar de stad met grote groepen mensen van diverse afkomst.

Elk van deze groepen werden in een verschillend deel van de stad geïnstalleerd. Fransen, Portugezen, Galiciërs, Castilianen, mozaraben en Joden kregen hun eigen kerken en parochies. Men bracht het diocees terug in voege en men herbouwde de kathedraal.

In 1230, onder de regering van Fernando III El Santo verenigde men de twee koninkrijken van Castilië en León.

Koning Alfonso IX van León kende in 1253 aan de scholen van de kathedraal de rang toe van Algemeen Onderwijs en deze scholen zouden later de Universiteit van Salamanca worden. Dit gebeurde met een koninklijk besluit en het werd later gerectificeerd door paus Alejandro IV. De universiteit had in die tijd een zeer groot prestige.

Op 12 augustus 1311 werd in de stad de enige koning van Castilië en León geboren, het was Alfonso XI, de Rechtvaardige. Hij besteeg de troon toen hij veertien jaar was en hij veroverde Gibraltar aan het hoofd van de milities uit Castilië en León.

Tijdens de vijftiende eeuw was Salamanca het toneel van een grote rivaliteit tussen de adellijke families in de stad. Deze rivaliteit verdeelde de stad in twee gedeelten. Het ene deel was San Benito en het andere deel was Santo Tomé.

2.3 Moderne geschiedenis
Zoals de rest van de historische plaatsen behorend tot de Kroon en die vertegenwoordigd waren in de Cortes was Salamanca toegetreden tot de Comunidades van Castilla. Dit was een beweging tegen de belastingen van Carlos I. Zij verdedigden ook de belangen van de textielbedrijven tegen de privileges die de exporteurs van wol hadden. Na de nederlaag van de Comuneros liet koning Carlos I alle torens van de paleizen verwijderen van de edelen die hadden meegedaan aan de opstand.

De zestiende eeuw was de periode van de grootste pracht van de stad . Dit kwam vooral door de universiteit. Salamanca had op een bepaald moment 24.000 inwoners waarvan 6.500 studenten maar daarna kwam er een terugval in het aantal inwoners en in de welstand.

In de achttiende eeuw was er een belangrijke heropleving op economisch en cultureel gebied en door deze heropleving kon men de werken aan de nieuwe kathedraal beëindigen. Deze werken hadden meer dan een eeuw stil gelegen. Men begon in 1729 ook aan de indrukwekkende barokke plaza mayor en dat liet toe om aan een heropbouw te werken van monumentale gebouwen aan het plein die vernield waren door de aardbeving van Lissabon in 1755.

2.4 Hedendaagse geschiedenis
Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog werd Salamanca in 1809 bezet door de troepen van maarschalk Soult en de stad bleef in Franse handen tot aan de slag van Arapiles in 1812 toen de Fransen verslagen werden door de troepen van Wellington.

Tijdens de bezetting bouwden de Fransen verdedigingswerken en voor de bouwmaterialen vernielden de Fransen een groot aantal gebouwen in de stad, vooral in de wijk Caídos. Hier bevonden zich een aantal gebouwen van de universiteit.

Het ergste moment voor de stad kwam er toen Fernando VII de Spaanse universiteiten liet sluiten. Na de heropening was Salamanca nog enkel een provinciale universiteit.

En 1873, na de afkondiging van de Eerste Republiek had Salamanca te leiden onder een opstand die onderdrukt werd.

Tijdens de rest van de negentiende eeuw kwam er een heropleving in de stad en Salamanca werd de hoofdstad van de provincie. Er kwam ook een spoorweg die Frankrijk met Portugal verbond.

De militaire opstand tegen de Tweede Republiek lukte in Salamanca vanaf het begin. Tijdens de burgeroorlog, tussen oktober 1936 en november 1937 was het bisschoppelijk paleis het hoofdkwartier van Franco. Salamanca was ook de zetel van de falangistische organisaties en van de ministeries van de opstandelingen.

In 1940 stichtte paus Pius XII de Pauselijke Universiteit van Salamanca als een voortzetting van de oude theologische studies.

In 1988 werd Salamanca uitgeroepen tot Werelderfgoed van de Unesco.

3. Enkele belangrijke gebouwen

3.1 Het College van Sint Jacobus de Zebedeüs – Colegio Mayor de Santiago el Zebedeo

Het College van Sint Jacobus de Zebedeüs dat beter bekend is onder de naam van College van Aartsbisschop Fonseca of het College van de Ieren is een van de vier grote universiteits colleges van Salamanca. Het werd opgericht in 1519 door Alonso de Fonseca, aartsbisschop van Santiago de Compostela, voor de studenten afkomstig uit Galicië die aan de universiteit studeerden.

De andere populaire naam, het College van de Ieren, komt door het feit dat toen de vervolging van de katholieken in Ierland op zijn hoogtepunt kwam er veel Ieren hier kwamen studeren.

In 1813, na de Onafhankelijkheidsoorlog keerden de Ieren terug naar hun college en toen zij dit vernield terug vonden kregen zij de toelating om hier in het college verder te studeren.

Het is een van de weinige gebouwen uit de oude colleges die bewaard zijn gebleven. Het werd ontworpen door de architecten Diego de Siloé, Rodrigo Gil de Hontañón en Juan de Álava. Het werk aan het gebouw eindigde in 1578.

Het is een gebouw in platerescostijl en het is gebouwd rond een klooster. Het heeft een eenvoudige voorgevel en de enige versiering is aan de deur. Boven de deur is er een beeld van de heilige Jacobus in de slag van Clavijo. We zien hier ook nog het klooster en de kapel met een retabel van Alonso Berruguete.

3.2 De Kerk van San Marcos – Iglesia de San Marcos

De Kerk van San Marcos is een kapel in romaanse stijl die we kunnen vinden in de zone van de oude stadsmuur in de calle Zamora. Zij werd gebouwd aan het einde van de elfde of het begin van de twaalfde eeuw en zij werd ontworpen als een parochiekerk. De kerk is uniek omwille van zijn ronde vorm en door zijn kleine afmetingen, zij heeft een diameter van maar 22 meter.

Ondanks zijn ronde vorm aan de buitenzijde heeft de kerk binnenin niet de typische vorm van een ronde kerk, er zijn drie kerkschepen die uitkomen op drie apsissen zoals in een kathedraal.

Na een aantal verbouwingen aan de kerk doorheen de eeuwen werd er een grote restauratie uitgevoerd die de kerk terug bracht naar zijn meest pure romaanse vorm. Er werden toen ook muurschilderingen gevonden die tot op dat moment onbekend gebleven waren.


3.3 De Kerk van de Sancti Spiritus – Iglesia de Sancti Spiritus

De Kerk van de Sancti Spiritus is een kerk uit de late gotiek en het is een overblijfsel van een oud onteigend klooster.

Het klooster werd gesticht in1190. Alfonso IX gaf het klooster op 22 juli 1223 aan de Orde van Santiago die het op hun beurt aan don Martín Alfonso (zoon van Alfonso IX) schonken. Hij gaf het dan weer verder aan de nonnen van het klooster van Santa Ana.

De kerk werd gerestaureerd in het midden van de zestiende eeuw, de restauratie was in gotische stijl maar met plateresco versieringen. Binnenin de kerk zien we het koor en de kapel met een mudéjar plafond uit de vijftiende en de zestiende eeuw. Verder is er het groot retabel, een werk van Antonio de Paz en de graven van Martín Alfonso en van María Méndez.

Aan de buitenzijde, boven de renaissance poort staat er een belangrijke sculptuur die de zes belangrijke overwinningen van Petrarca uitbeelden. We zien hier ook enkele medaillons van San Pedro en San Pablo en er is een afbeelding van Santiago tijdens de slag van Clavijo.

Na de onteigening van Mendizabal werd het klooster een gevangenis en na verloop van tijd werden er meer diensten in ondergebracht zoals de gemeentelijke politie en het gerechtsgebouw. In 1972 werd het gebouw afgebroken.

3.4 De kerk van San Juan van Barbalos – Iglesia de San Juan de Barbalos

De kerk van San Juan Bautista van Barbalos is een romaanse kerk die gesticht werd in 1150 door de Caballeros de la Orden del Hospital de San Juan de Jerusalén. Het dankt zijn naam omdat het onder de bescherming staat van San Juan Bautista en van de bevolking van Barbalos, waar de orde eigen bezittingen had.

De kerk heeft een belangrijk deel behouden van zijn oorspronkelijke romaanse vorm zoals de apsis met de drie ramen en met de kroonlijst met zijn sculpturen.

Binnen in de kerk is er een kerkschip en een koor dat bedekt is met een origineel gewelf. Er zijn afbeeldingen van de Maagd met het Kind en een van Johannes de Doper.

Deze kerk had een grote verandering in de achttiende eeuw en de oorspronkelijke romaanse stijl werd omgezet naar een barok stijl.

Tussen de kunstwerken in de kerk zien we Cristo de la Zarza uit de twaalfde eeuw, het beeld is twee meter hoog en het is gemaakt uit notenhout.

Men zegt dat in deze kerk San Vicente Ferrer predikte.

3.5 De Kerk van San Cristobal – Iglesia de San Cristóbal

De Kerk van San Cristobal is een romaanse kerk en zij werd gesticht in 1145 door de Ridders van de Orden de San Juan de Jerusalén. De kerk heeft een kerkschip dat gebouwd is in de twaalfde eeuw maar er zijn verbouwingen gebeurt in latere eeuwen.

Van de oorspronkelijke bouw is het apsis bewaard gebleven, aan de buitenzijde van de kerk het gedeelte dat uitsteekt boven de kraagstenen en aan de binnenzijde van de kerk is de decoratie met plantaardige motieven bewaard gebleven evenals het dwarsschip van de kerk.

Uit de zeventiende eeuw is een reliëf bewaard gebleven van de Begrafenis van Christus, het is een werk van Pedro Hernández.

Door de staat waarin de kerk zich een hele tijd bevond werd ze een hele tijd niet gebruikt maar tussen 1985 en 1994 voerde men een grondige restauratie uit.

4. Belangrijke plaatsen en gebouwen in de stad

Omdat Salamanca een zo groot monumentaal patrimonium heeft gaan we nu verder met een kort overzicht van deze gebouwen en plaatsen.

4.1 Pleinen en andere openbare plaatsen

Foto: Plaza Mayor

xiquinhosilva

Plaza Mayor: dit plein is gebouwd in barokstijl en het werd ontworpen door de architecten Alberto en Nicolás Churriguera. De eerste steen werd gelegd op 10 mei 1729 en de werken werden beëindigd in 1755. Het plein is gebouwd in een perfecte symmetrie.

Plaza del Corrillo: een klein plein naast de plaza mayor. Aan de linkerkant is er de romaanse kerk van San Martín en aan de rechterkant staat er een reeks huizen met een overdekte galerij met stenen kolommen die eindigen op sokkels die de dagen van de week voorstellen.

Huerto de Calixto y Melibea: tuin dichtbij de twee kathedralen waar volgens sommigen het plot van het boek La Celestina van Fernando de Rojas zich afspeelt.

4.2 Religieuze gebouwen

Kapel van Vera Cruz – Capilla de la Vera Cruz: barokke kerk met een renaissance voorgevel. Ze herbergt tal van kunstwerken.

Kathedralen: Salamanca heeft twee kathedralen, de oude kathedraal uit de twaalfde eeuw in romaanse stijl werd tussen 1140 en 1150 gebouwd op initiatief van Don Berengario. De nieuwe kathedraal is veel groter en men begon hier aan te bouwen in 1513. Hij is in gotische stijl en de werken werden beëindigd in de achttiende eeuw. De plaats waar zij samen komen is bekend als Patio Chico en het is een van de meest pittoreske plaatsjes van de stad.

La Clerecía: momenteel is het de zetel van de universiteit. Men begon in 1617 met de bouw en 150 jaar later werd het het Colegio Real del Espíritu Santo, van de Compañía de Jesús geopend. Het is gebouwd in de barokstijl. We onderscheiden het college met een interessant klooster en de kerk met een indrukwekkende gevel met twee torens van 50 meter hoogte en een enorme koepel.

Colegio de Calatrava: gebouwd in de achttiende eeuw door de Orde van Calatrava, momenteel herbergt het het Casa de la Iglesia.

Augustijner klooster en de Kerk van de Onbevlekte Ontvangenis – Convento de las Agustinas e Iglesia de la Purísima: in de kerk zien we een schilderij van de Onbevlekte Ontvangenis dat geschilderd werd door José de Ribera. Het is de enige ruimte in Spanje waarvan de bouw en de decoratie volledig Italiaans is.

Convento de las Dueñas: het is een gebouw uit de vijftiende eeuw en het renaissance stijl.

Convento de San Antonio el Real: uit 1736, het gebouw is in barok stijl, de stoffelijke resten van San Antonio bevinden zich in het Teatro Liceo en een winkel waar men ze kan bezoeken.

Convento de San Esteban: van de paters dominicanen is gebouwd in de zestiende eeuw.  De gevel is in platerescostijl met zijn triomfboog en het is een juweel van de renaissance bouwkunst in Salamanca. Er is een indrukwekkend barok retabel van José Benito Churrriguera.

Convento de la Encarnación: het is gesticht door aartsbisschop Fonseca in 1512. Het apsis aan de buitenzijde is opvallend en het is in gotische stijl. Binnenin de kerk is er een barok retabel en het graf van de stichter is in renaissance stijl, dat graf is een werk van Diego de Siloé.

Ermita de Nuestra Señora de la Misericordia: uit de zestiende en de zeventiende eeuw. Het is een kleine barok kapel waaraan men begon te bouwen in 1389 op de Plaza de San Cristóbal. Momenteel is het erg beschadigd.

Oude Kerk van de Bernardas – Antigua iglesia de las Bernardas: dit is een werk van Rodrigo Gil de Hontañón en het is een typisch voorbeeld van de bouwstijl die in Salamanca in de zestiende eeuw gebouwd werd. Vandaag de dag ligt het in het colegio de San José de Calasanz.

Kerk van Santo Tomás Cantuariense – Iglesia de Santo Tomás Cantuariense: het is een romaanse kerk die opgericht is ter ere van Santo Tomás, aartsbisschop van Canterbury in 1175. Het heeft drie apsissen en een kerkschip dat bedekt is met een houten plafond.

4.3 Gebouwen van de universiteit

Universiteit: een verzameling gebouwen die behoorden bij de oude universiteit van Salamanca. Deze gebouwen bevinden zich in de nabijheid van de plaza Patio de Escuelas. Op dezelfde plaza vinden we het huis van dokter Álvarez Abarca of van de Dokters van de Koningin – Doctores de la Reina. De voorgevel is in gotische stijl maar met renaissance invloeden. Vandaag is het gebouw in gebruik als het Museum van Salamanca.

Casa-museo de Unamuno: uit de achttiende eeuw. Het is het oude huis van de rectoren van de universiteit. De woning is behouden gebleven zoals Miguel de Unamuno hier in het huis woonde.

Colegio de San Ambrosio: het is een gebouw uit 1719. Momenteel is hier het groot archief van de Spaanse Burgeroorlog gehuisvest. We vinden hier documenten en voorwerpen die in beslag genomen werden door de troepen van Franco tijdens en na de burgeroorlog.

De oorspronkelijke bedoeling was om informatie te verzamelen over mogelijke tegenstanders van het regime om hen alsnog later te kunnen oppakken.

Na het verdwijnen van het regime werd het een groot en belangrijk archief over de ganse Tweede Republiek inclusief de Spaanse Burgeroorlog. Het heeft zo een grote historische waarde gekregen over deze periode. In het archief bevinden zich veel documenten en voorwerpen die in verband staan met de vrijmetselarij.

Colegio Trilingüe – het Drietalig College: dit werd gesticht in 1554 voor het onderwijs in het latijn, het Grieks en het Hebreeuws. Een deel van de originele binnenplaats is bewaard gebleven en sinds 1829 is er de Faculteit Fysica gevestigd.

Palacio de Anaya: dit was de laatste zetel van het Colegio Mayor van San Bartolomé of van het Colegio de Anaya. Het werd gesticht in de vijftiende eeuw door don Diego de Anaya, maar het verdween aan het begin van de negentiende eeuw. Momenteel is er de Faculteit in de Filologie gevestigd. Dichtbij het gebouw zien we de kerk van San Sebastián, dat was de oude kapel van het college en van het logementshuis. Het is een werk van Joaquín de Churriguera.

Colegio Santa Cruz de Cañizares: het is een gebouw uit de zestiende eeuw en nu is hier het Muziek Conservatorium. Er zijn nog resten van de oude kapel die ingebouwd is in het auditorium. Ook de voorgevel in platerescostijl is bewaard gebleven.

Colegio de San Pelayo: het is opgericht in het midden van de zestiende eeuw. Vanaf 1990 is er een grondige restauratie geweest en momenteel is hier in het gebouw de Faculteit van Geografie en Geschiedenis.

4.4 Paleizen

Casa de las Conchas – Het Huis met de Schelpen: het werd gebouwd omstreeks 1490 voor Don Rodrigo Arias Maldonado.

Foto: Casa de la Conchas

Alurín

De bouwstijl is burgerlijke gotiek en de gevel heeft een versiering met ongeveer 350 sint-jacobsschelpen, het symbool van de militaire orde van Sint-Jakob waarvan Don Rodrigo lid was.. De smeedijzeren tralies voor de ramen zijn prachtig versierd. Momenteel is er een openbare bibliotheek in ondergebracht.

Casa de doña María la Brava: een gebouw in gotische stijl uit de vijftiende eeuw en het is een voorbeeld van de gebruikte bouwstijl uit die periode. De eigenares María de Monroy stond aan het hoofd van een van de twee groepen die de stad in de vijftiende eeuw in twee verdeelden. Nadat haar zonen gedood waren door de andere groep liet zij de moordenaars van haar kinderen onthoofden. We vinden het huis aan de plaza de los Bandos.

Casa Lis: dit is een modernistische grote woning uit 1905 met een gevel van ijzer. Het is gebouwd op de muur en het herbergt art nouveau en art deco collecties die geschonken zijn door Manuel Ramos Andrade.

Casa de las Muertes: dit is een woning uit de zestiende eeuw. Het werd gebouwd door de architect Juan de Álava voor de belangrijke familie Ibarra. De naam van de woning “Huis van de Doden” komt door de 4 doodshoofden die als kraagstenen gebruikt werden voor de sokkels van de bovenste ramen in de gevel.

Casa del Regidor Ovalle: dit is een woning uit de achttiende eeuw en hier overleed Miguel de Unamuno.

Casa de Santa Teresa: dit is een woning uit de zestiende eeuw en hier logeerde Santa Teresa toen zij Salamanca in 1570 bezocht om er een klooster te stichtten. Hier schreef zij het gedicht “ Vivo sin vivir en mí”.

Casa de la Tierra: dit is een woning uit de vijftiende eeuw met een monumentale toegangspoort en gotische ramen met raamwerk. Het is nu de zetel van de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Salamanca.

Casa de las Viejas: dit is een woning uit de zeventiende eeuw. Het is een oud tehuis voor armen en momenteel is het de Regionale Filmotheek van Castilië en León. Er is een permanente tentoonstelling van filmapparatuur en die is eigendom van de filmmaker uit Salamanca, Basilio Martín Patino.

Fonda Veracruz: dit is een binnenplaats met een galerij in hout in de vorm van een doodlopende straat. Momenteel is het de school voor het hotelbedrijf.

Palacio de Abrantes: dit is een paleis uit de vijftiende eeuw en het is gebouwd in burgerlijke gotische stijl. Het heeft boogvensters met een middenzuil en een binnenplaats met drie zijden. Gedurende jaren was het de zetel van het Instituto de Estudios de Iberoamérica en Portugal van de Universidteit van Salamanca.

Palacio de Arias Corvelle: dit is een paleis uit de vijftiende eeuw. De gevel is gelijkaardig ingesneden zoals dat van de San Boal.

Palacio de Castellanos: dit is een paleis uit de vijftiende-zestiende eeuw. Het is het paleis van de Markiezen van Castellanos en men begon aan de bouw op het einde van de vijftiende eeuw. De voorgevel dateert uit de negentiende eeuw en hij combineert de gotiek en de neoklassiek. Er is binnenin een grote gotische binnenplaats en momenteel is dit een hotel.

Palacio de Garci Grande: uit de zestiende eeuw. De deuropening is in renaissance stijl en de ramen zijn afschuinend en dat is uniek in de stad. Momenteel is het de zetel van een spaarbank, Caja Duero.

Palacio de Monterrey: het is een gebouw uit de zestiende eeuw en het is gebouwd in platerescostijl voor Don Alonso de Acevedo y Zuñiga door Rodrigo Gil de Hontañon en Martin de Santiago. Het hoort bij het huis van Alba en we onderscheiden de torens en de schoorstenen.

Palacio de Orellana: het is een gebouw uit de zestiende eeuw in de klassieke bouwstijl met maniëristische invloeden. Bijzonder is de binnenplaats in L vorm en de trap.

Palacio de Rodríguez de Figueroa: het is een gebouw uit 1545 en het heeft interessante gevels in de straten Concejo en Zamora, er is ook een interessante binnenplaats. Vandaag is hier het casino van Salamanca.

Palacio de la Salina: het is een gebouw uit 1546 in renaissance stijl. Het is ontworpen door Rodrigo Gil de Hontañón voor Don Rodrigo de Messia. Vanaf 1884 is het de zetel van de Provinciale Deputatie.

Palacio de San Boal: het is een gebouw uit de vijftiende eeuw en het heeft een voorgevel die snijwerk heeft als versiering. Vanaf 1999 herbergt het gebouw het Centro Cultural Hispano-Japonés van de Universiteit van Salamanca. Op dezelfde plaats vinden we de kerk van San Boal uit de zeventiende eeuw.

Palacio de Solís: het is een gebouw uit de vijftiende eeuw. In dit gebouw was het huwelijksfeest van Felipe II en María Manuela van Portugal in 1543. Momenteel is het de zetel van Telefónica.

Torre del Aire: deze toren is het enige dat overgebleven is van het paleis van de hertogen van Fermoselle. Hij werd gebouwd in de vijftiende eeuw. De toren bezit prachtige gotieke ramen en momenteel is hij een residentie voor studenten.

Torre del Clavero: dit is een toren uit de vijftiende eeuw. Het is een overblijfsel van een paleis dat gebouwd werd voor Francisco de Sotomayor. Het beneden gedeelte is rechthoekig en het is versierd met een prachtig mudejar traliewerk. Het bovengedeelte is achthoekig en het is versierd met acht kleine torentjes..

Casa de Don Diego Maldonado: het is een paleis in platerescostijl uit de zestiende eeuw. Momenteel herbergt het de Fundación Cultural Hispano-Brasileña en het Centro de Estudios Brasileños van de Universiteit van Salamanca.

4.5 Andere bezienswaardigheden

Foto: de Romeinse brug

Ziegler175

Romeinse brug: vijftien van zijn bogen dateren uit de eerste eeuw. In de buurt van de brug vinden we nog de romaans-mudejar kerk van Santiago (met een moderne heropbouw) en de stenen stier van El Lazarillo de Tormes.

Grot van Salamanca: op de helling van Carvajal waar naar men zegt de duivel de zwarte kunst beoefend.

Mercado de Abastos – Markt voor levensmiddelen: men kan ze vinden op de oude plaza de la Verdura. De constructie is uit ijzer.

Casa Museo de Zacarías González: dit is het huis waar Zacarías González leefde en schilderde in de calle Alarcón.

Medina Azahara, de schitterende stad

  1. Algemeen
  2. Ligging
  3. Geschiedenis
  4. Restauratiecampagnes (2001-2004)
  5. Architectuur
  6. Wegennet
  7. Meubelkunst
  8. Museum

1.Algemeen

Medina Azahara, het Castiliaans voor het Arabische, مدينة الزهراء Madīnat al-Zahrā “de schitterende stad”, was een palatine (paleis van het staatshoofd) dat gebouwd werd door de eerste kalief van Cordoba, Abderramán III. Dit paleis lag op ongeveer 8 km in westelijke richting van de de buitenwijken van Córdoba, aan de voet van Sierra Morena.

Foto: plan van de opgraving van het paleiscomplex

Ricardo Velázquez Bosco (1844-1923)

De belangrijkste redenen voor de bouw van het paleis ervan zijn van politiek-ideologische aard: de waardigheid van de kalief vereist de oprichting van een nieuwe stad, een symbool van zijn macht, in navolging van andere oostelijke kalifaten en vooral om zijn superioriteit te tonen ten opzichte van zijn grote vijanden. Dat is het kalifaat van de Fatimiden Ifriqiya, in het noordelijke deel van het Afrikaanse continent.

Naast politieke tegenstanders waren het ook religieuze tegenstanders aangezien de Fatimi’s sjiieten waren en dat waren vijanden van de Umayyaden, die aanhangers zijn van de soennitische tak van de islam.

De archeologische vindplaats Medina Azahara is sinds 1923 uitgeroepen tot een site van cultureel belang in de categorie monumenten. Daarna is de vindplaats op 1 juli 2018 door de Unesco officieel uitgeroepen tot werelderfgoed. In 2019 ontving het meer dan 285.672 bezoekers en daarmee is het een van de meest bezochte culturele ruimtes in Andalusië.

2. Ligging

Het paleis ligt ongeveer 8 kilometer ten westen van Córdoba, in de laatste uitlopers van de Sierra Morena, op de helling van Yabal al-Arus. Het heeft uitzicht op de Guadalquivir-vallei en het is van noord naar zuid gericht, op een uitloper van de sierra, tussen twee ravijnen. Hier vinden we Medina Azahara of Madínat al-Zahra.

Het is geclassificeerd als het Versailles van de middeleeuwen. De ligging werd gekozen vanwege de buitengewone waarden van het landschap, waardoor er een hiërarchisch bouwprogramma kon worden ontwikkeld, zodanig dat de stad en de vlakte eronder fysiek en visueel werden gedomineerd door de gebouwen van het Medina Azahara. De inplanting ervan in het gebied genereerde een wegennet en hydraulische en bevoorradingsinfrastructuren voor de constructie ervan, die tot op heden gedeeltelijk bewaard zijn gebleven in de vorm van overblijfselen van wegen, steengroeven, aquaducten en bruggen.

De paleisstad Medina Azahara, die optimaal profiteerde van de oneffenheden van het terrein, was verdeeld in drie terrassen; de stadsomheining heeft een rechthoekige lay-out, tegenover het labyrintische en chaotische idee dat kenmerkend is voor de stadsplanning van moslims, het is alleen aan de noordkant vervormd vanwege de noodzaak om zich aan te passen aan de moeilijke topografie van het terrein.

De topografie speelde een bepalende rol in de configuratie van de stad. De ligging op de hellingen van Sierra Morena maakte het mogelijk om een stedelijk programma te ontwerpen, waarbij de locatie en de fysieke relatie tussen de verschillende constructies de rol van elk van hen in het complex waarvan ze deel uitmaken uitdrukten: het paleis bevindt zich in het hoger gedeelte in een situatie van duidelijke superioriteit over het stedelijke gebied en de grote moskee.

Na de opstelling in terrassen zien we dat de eerste overeenkomt met de woonwijk van de kalief, gevolgd door de officiële ruimte (legerhuis, wachtkorps, administratie ruimtes, tuinen …) om eindelijk de stad te huisvesten (huizen, ambachtslieden …) en de aljama-moskee (grote moskee), gescheiden van de twee voorgaande terrassen door een andere specifieke muur om het palatijncomplex te isoleren.

Foto: voorbeeld uit Medina Azahara

Wwal

Het onderzoek heeft een stedelijke morfologie aan het licht gebracht die wordt gekenmerkt door het bestaan van grote onbebouwde gebieden, holtes die overeenkomen met het hele zuidelijke front van het paleis, waardoor de isolatie ervan wordt gegarandeerd en de visuele openheid over het landelijke landschap behouden blijft, waardoor een landschap ontstaat dat idyllisch is en aangelegd is met bloembedden, zoals de Cordobaanse dichter Ibn Zaydun het omschrijft.

In feite zijn de enige ruimtes die op dit lagere niveau zijn gebouwd, twee brede stroken: de westelijke, met een orthogonale stedelijke indeling, en de oostelijke, met een minder rigide stedelijke planning.

3. Geschiedenis

3.1 historische context

Het kalifaat van Córdoba was een Andalusische staat die door Abderramán III, van de Umayyad-dynastie, in 929 werd uitgeroepen. Dat leidde tot de grootste politieke, sociale en economische macht van het islamitische Spanje. Daardoor werd de stad Córdoba de meest geavanceerde in Europa en het wonder van de wereld.

In 750 werd de Umayyad-dynastie door de Abbasiden van het Damascus-kalifaat omvergeworpen. Abderramán I, als een overgebleven lid van de Umayyaden, vluchtte naar Al-Ándalus en riep in 756 het emiraat Córdoba uit, onafhankelijk van de nieuwe Abbasiden-hoofdstad Bagdad. Abderramán I riep zichzelf niet tot kalief uit, maar een van zijn opvolgers, Abderramán III, deed dat wel, na het beëindigen van de politieke instabiliteit van het emiraat (voornamelijk door de opstand van Omar ben Hafsún). De oprichting van het kalifaat betekende dat het gebied steeg naar hetzelfde niveau van het kalifaat van Bagdad met alles wat dit met zich meebracht, zowel religieus als politiek, in concurrentie met het Abbasiden kalifaat.

Onder de regering van Abderramán III (929-961) en zijn zoon en opvolger Al-Hakam II (961-976) werd de staat Cordova geconsolideerd. Het is nu dat Abderramán III een symbool van zijn religieuze en politieke macht mist dat het kalifaat vertegenwoordigt, aangezien het een paleisachtige stad is waar hij met zijn hof verbleef. Na de mislukte poging om al-Madina op te wekken, beval hij in 936 om het weelderige Medina Azahara te bouwen naast de hoofdstad Córdoba. Uit het niets concentreert de koninklijke stad alle politieke macht van het kalifaat.

De diplomatieke betrekkingen waren gericht op de christelijke koninkrijken van het schiereiland, met intense dialogen en enkele oorlogszuchtige confrontaties, in Noord-Afrika, tegen de Fatimiden die de belangrijkste handelsroutes naar Sub-Sahara Afrika controleerden van waaruit het goud arriveerde; en de Middellandse Zee waar de diplomatieke betrekkingen met Byzantium werden onderhouden.

Onder het bewind van Hisham II (976-1016) werd het echte protagonisme gehouden door de “hayib” of premier Almanzor, een militair genie in zijn strijd die de christelijke koninkrijken van het noorden in bedwang hield en León, Pamplona, Barcelona of Santiago de Compostela waar de klokken van de pre-romaanse tempel gewijd aan Santiago naar Córdoba werden gebracht.

Toen Almanzor in 1002 stierf, leidden de successieproblemen in 1010 tot een “fitna” of burgeroorlog die duurde tot in 1031. Toen werd besloten om het kalifaat te beëindigen, en Al-Andalus werd nu een compendium van verschillende kleine koninkrijken of taifa koninkrijken. Daardoor verloren de kleine koninkrijken de hegemonie en dat gaf aanleiding tot een grotere druk door de christelijke koninkrijken.

Het was tijdens de “fitna” toen Medina Azahara zichzelf in de steek liet en zijn progressieve vernietiging begon met plundering om uiteindelijk in de totale vergetelheid te geraken. De Almoraviden, die in 1086 vanuit Noord-Afrika Al-Andalus bestormden en de Taifa-koninkrijken onder hun macht verenigden ontwikkelden hun eigen architectuur. Maar sinds de volgende invasie, die van de Almohaden, bleef er heel weinig gespaard van de bestaande architectuur en zij legden het ultraorthodoxe islamisme op en vernietigden praktisch alle belangrijke Almoravid-gebouwen, samen met Medina Azahara en andere constructies uit de kalifaat periode.

3.2 Stichting van de stad

De eerste kalief van Al-Ándalus, Abd al-Rahman al-Násir (891–961) ofwel Abderramán III gaf de opdracht, als onderdeel van het politieke, economische en ideologische programma dat werd gelanceerd nadat het kalifaat was opgericht om Madīnat al-Zahrā te bouwen. De basis zou verband houden met een favoriet van de kalief die de naam al-Zahrá (Azahara) zou gehad hebben, maar de belangrijkste redenen voor de constructie zijn eerder van politiek-ideologische aard: de waardigheid van de kalief vereist de oprichting van een nieuwe symboolstad om zijn kracht in navolging van andere oostelijke kalifaten aan te tonen en ook om zijn superioriteit te tonen ten opzichte van zijn grote vijanden, de Fatimiden van Ifriqiyya, uit het noordelijke deel van het Afrikaanse continent.

Wat de oorsprong van de naam betreft, deze kan, zoals hierboven vermeld, afkomstig zijn van de naam van zijn meest geliefde vrouw Azahara, wat ‘De Bloem’ betekent. Die suggereerde dat hij een prachtige stad zou bouwen buiten de muren van Córdoba, een stad die de naam van de geliefde zou dragen. en het zou de “stad van al-Zahrá” worden, de “stad van de oranjebloesem”. Maar dit is meer legende dan de realiteit, aangezien al-Zahrá ook “de heldere” betekent, een woord dat verwant is aan andere dat in die taal “Venus” of dezelfde “bloem” betekent, dus het kan eenvoudig verwijzen naar de schitterende nieuwe stad van de kalief zelf.

Hoewel de oorsprong van de stad niet aan legendarische elementen ontbreekt, is bekend dat de bouw begon aan het einde van 936, waarbij de werken geleid werden door de werkmeester Maslama ben Abdallah, en deze werd voortgezet gedurende de volgende veertig jaar en bereikte de tijden van zijn zoon en opvolger in het kalifaat, al-Hákam II.

In 945 verhuisde de rechtbank naar deze stad, die op dat moment al de Aljama-moskee (941) huisvestte, hoewel de munt pas in 947-948 naar Medina Azahara kwam. Door deze majestueuze stad op te richten, probeerde de Cordoba-kalief de oostelijke Abbasiden-kaliefen, en vooral de beroemde stad en het hof van Samarra, te overtreffen.

De literaire en historische teksten weerspiegelen de enorme bedragen die aan de constructie zijn gewijd, de enorme werken die hiertoe zijn uitgevoerd, de monumentaliteit en artistieke pracht – tot in het kleinste detail – en de luxe en uiterlijkheid die de kalief vertoonde op recepties en in ceremonies die daar vaak werden gehouden, aangezien de administratie en de rechtbank in feite naar het nieuwe hof verhuisden.

Onder andere zouden in zijn rijke salons Spaanse christelijke koningen worden ontvangen die van hun troon waren verdreven, ambassadeurs van de keizer van Germanië, afgezanten van Borrell II van Barcelona… Torres Balbás (een van de vaders van de monumentale restauratie in Spanje) verwijst naar deze ceremonies: “Na door nauwe rijen rijk geüniformeerde soldaten te zijn geklommen, uitgerust met schitterende wapens en in perfecte formatie, kwamen vorsten en ambassadeurs aan in de oostelijke hal van Madinat al-Zahara, open voor een terras, waarvan de muren met rijke tapijten bedekt waren. Op de achtergrond, zittend op kussens en omringd door alle hoogwaardigheidsbekleders van zijn schitterende hof, verscheen de kalief. Vergelijkbaar met een bijna ontoegankelijke goddelijkheid. Ze knielden voor hem op de grond, en de vorst gaf hen, met voorname ijver, zijn hand om ze te kussen.”

Het schilderij van de Catalaanse schilder Dionisio Baixeras, in het Auditorium van de Universiteit van Barcelona, is bedoeld ter herdenking van een receptie door ambassadeurs van Byzantium in Medina Azahara, gebaseerd op de middelen en conventies die typerend zijn voor de oriëntalistische schilderkunst van die tijd. Het schilderij toont het publiek van de monarch van Córdoba met de Byzantijnse afgezanten vergezeld van monniken, die allen overweldigd worden door de pracht en praal van het weelderige hof van de kalief dat zich in zo’n buitengewone ommuring bevond.

3.3 Vernietiging en achterlating van de stad

Iets minder dan honderd jaar na de oprichting van de stad werd dit hele monumentale en weelderige complex herleid tot een immens veld van ruïnes, aangezien het in 1010 werd vernietigd en geplunderd door de Berbers als gevolg van de burgeroorlog (of fitna) die einde betekende van het kalifaat van Córdoba. Plunderen, vechten en vuur verwoestten de mooiste stad van het Westen. Almanzor gaf rond 988 de opdracht aan Al Medina Al Zahira, gebouwd aan de rand van Córdoba, om Medina Azahara te vervangen, maar zijn stoffelijk overschot is nog niet gevonden.

Na de burgeroorlog (“fitna”), die de vernietiging van het paleis veroorzaakte, ging de plundering en ontmanteling van de Palatijnse stad in de opeenvolgende eeuwen door, aangezien het werd gebruikt als kunstmatige steengroeve voor de bouw van andere gebouwen in de stad Córdoba. Zo geraakte Medina Azahara geleidelijk in verval en in de vergetelheid totdat het op een onnauwkeurige datum uit de collectieve ideologie verdween.

3.4 Herontdekking en opgravingen

Vóór de herontdekking van Madínat al-Zahra stond de heuvel waarop de site zich bevindt bekend als Córdoba la Vieja, omdat men in de middeleeuwen dacht dat het eerste Romeinse Córdoba op deze plaats gebouwd werd door Praetor Claudius Marcelo maar dat hij om gezondheidsredenen later naar de oevers van de Guadalquivir zou verhuizen. De reden voor deze oorspronkelijke overtuiging over het oude Córdoba was te wijten aan het grote aantal architecturale stukken die verspreid over de heuvel lagen.

Het zou in de 16e eeuw zijn, midden in de Renaissance, toen de humanisten begonnen te praten over de ware oorsprong van wat bekend staat als Córdoba la Vieja. Het was wel in de 17e eeuw dat Pedro Díaz de Rivas aanvoelde dat er te veel Romeinse overblijfselen werden gevonden in het huidige Córdoba en datC.

Romeinse overblijfselen bij het manoeuvreren over een terrein dat zijn Latijnse oorsprong bewijst, en dat wat daarom echt onder de grond lag van wat ze Córdoba la Vieja noemden, geen Romeinse stad was, maar het moslimkasteel van Abderramán III.

Ondanks dit slimme bewijs was het debat niet gesloten. In de afgelopen jaren ondergaat de Medina Azahara-site intensieve restauratiewerkzaamheden, ondanks het grote verlies van materialen door de middeleeuwse plundering (als voorbeeld is er de zogenaamde “Medina Azahara-boog” die momenteel wordt bewaard in het Museo Diocesano de Tarragona). Zo wil men de verloren pracht herstellen waarmee het iedereen verbaasde die het bezocht tijdens de middeleeuwen, toen Medina Azahara de zetel was van een van de belangrijkste overheidscentra ter wereld.

3.5 20ste eeuw

Het zou niet eerder zijn dan in de eerste jaren van de 20ste eeuw, met name in 1911, tijdens het bewind van Alfonso XIII, toen de eerste opgravingen officieel begonnen.

Vanaf dit moment, en tot de lange onderbreking veroorzaakt door de burgeroorlog, voerde men regelmatig opgravingen uit. De werken begonnen op de punten waar de ruïnes het duidelijkst waren, wat werd begrepen als de centrale as van het complex.

Vanaf dit moment en tot de dood in 1923 van Ricardo Velázquez Bosco, architect verantwoordelijk voor de opgraving, werden proef opgravingen uitgevoerd die bestaan uit parallelle greppels van noord naar zuid om de omtrek van de stad af te bakenen, een ambitieus doel dat echter niet werd bereikt.

In februari 1939, aan het einde van de burgeroorlog, ontdekte de republikeinse luchtmacht het gebruik van een deel van Córdoba la Vieja (bekend als Suerte Chica) als een Francistisch concentratiekamp.

Het was open tot eind november 1939 en er werden ongeveer 4.000 gevangenen vast gehouden. Het gebied is sindsdien door de lokale bevolking omgedoopt tot Geluk van de Gevangen.

Vanaf 1944, na het einde van de twee wereldoorlog, werden de archeologische campagnes, na een paar jaar onderbreking hervat. De belangrijkste campagne was die van de architect Félix Hernández, die het centrale deel van het alcázar, met een oppervlakte van ongeveer 10,5 hectare uitgroef. Deze opgraving definieert de basislijnen van de stedenbouwkundige planning van het paleis en voerde ook belangrijke restauraties uit, zoals die uitgevoerd is in de Salón Rico van Abderramán III.

In 1985, na de oprichting van de autonome regio’s, kwam het beheer van de site in handen van de Junta de Andalucía, een organisatie die vanaf dat moment de taak zou hebben om de graaf- en bergingswerkzaamheden verder te zetten.

3.6 21e eeuw

Momenteel is slechts 10% van de totale intramurale oppervlakte van de stad opgegraven, wat overeenkomt met de centrale kern van het fort, hoewel de laatste graafwerkzaamheden die de afgelopen jaren op de site zijn uitgevoerd, zich voor het eerst richten op gebieden die niet overeenkomen met dit paleisachtig complex.

In het bijzonder zijn de nieuwe archeologische campagnes die in april 2007 zijn gestart, gevolgd door nieuwe bevindingen die de afmetingen van het complex hebben heroverwogen, met name dan die gericht zijn op de zuidelijke sector van de stadsmuren.

Campagne na campagne verandert de nieuwe morfologie en opvatting die over de stad werd gehouden dus beetje bij beetje. In november 2007 verscheen er een uitzonderlijke vondst, een moskee op meer dan een kilometer van het nobele deel van de stad.

Later werd een indrukwekkende islamitische weg gevonden, uniek in zijn soort in Spanje, evenals de delen die intuïtief zijn zoals wijken van huizen bestemd voor de volksklasse, waarnaast talloze fragmenten van keramiekresten voor dagelijks gebruik werden gevonden.

Het probeert ook met de grootst mogelijke nauwkeurigheid de echte uitbreiding van de stad te achterhalen, een uitbreiding die intuïtief is, maar die specialisten door middel van deze onderzoeken definitief willen afsluiten.

4. Restauratiecampagnes (2001-2004)

Een van de meest opvallende ingrepen is gebeurt in het zogenaamde Alcazar-gebied. Het huis van Yafar, waar wordt verondersteld dat de premier van de kalief heeft gewoond, was een van de meest succesvolle uitgebreide restauraties die op de locatie zijn uitgevoerd.

De afbakening van het huis is tot stand gekomen na een uitgebreid onderzoek naar marmer, waar meer dan 200 straatstenen, muurschilderingen, een bassin en vooral de monumentale overkapping zijn teruggevonden.

Er werd ook gewerkt aan het zogenaamde zwembad, waar wordt aangenomen dat het het pand van de kroonprins zou kunnen zijn geweest, en waar de badkamer met grote precisie is bestudeerd voor toekomstige restauratie.

4.1 Restauratie van de Salón Rico (sinds 2009)

De geplande restauratie in de Salón Rico bestaat uit drie fasen. De eerste fase werd door de Andalusische regering toegekend aan het bedrijf Estudio Methodos de la Restauración SL met een budget van 1.099.400 euro. Deze eerste fase begon in februari 2009 en vanaf die datum was dit gedeelte niet toegankelijk voor het publiek.

Het doel hiervan was om het vochtprobleem van het gebouw op te lossen, dat in 2001 al was geprobeerd om op te lossen met de beglazing van de toegangshal. Ook inbegrepen in deze fase was de vervanging van een betonnen vloer door een marmeren vloer uit de groeve in Estremoz (Portugal) zoals deze oorspronkelijk was. Deze fase werd opgeschort wegens onregelmatigheden bij de gunning van de werken.

In maart 2014 begon de tweede fase, zonder de eerste te hebben afgewerkt, met als doel het catalogiseren, schoonmaken en consolideren van de meer dan 5.000 arabesken voor hun latere vervanging op de muren in hun oorspronkelijke posities. Het Wereldmonumentenfonds heeft 600.000 euro bijgedragen om deze werken uit te voeren. Deze tweede fase is ook niet voltooid wegens een gebrek aan budget.

Momenteel is, in afwachting van de voltooiing van de interventies, de Salón Rico gesloten voor het publiek. Ook het voor de hal gelegen zwembad wordt teruggewonnen, waaraan na restauratie het karakteristieke Andalusische water wordt toegevoegd, waarmee het eerste hydraulische complex van de Palatijnse stad wordt hersteld.

5. Architectuur

Vanwege de topografie van het gebied, dat op een helling ligt, is de stad gebouwd op drie overlappende terrassen, die overeenkomen met drie delen van de stad die gescheiden zijn door muren.De residentie van de kalief domineerde het hele gebied vanaf het bovenste terras in het noorden. De middelste esplanade huisvestte de administratie en de huizen van de belangrijkste gerechtelijke ambtenaren. De onderste was bedoeld voor de stedelingen en de soldaten, er waren de moskee, de markten, de baden en de openbare tuinen.

Er is ook een opmerkelijke scheiding tussen openbare en privéruimtes, hoewel beide sectoren een soortgelijk schema bieden: een open ruimte, een portiek die fungeert als een monumentale gevel met een kleine deur waarin een straat of gang begint om de verscheidene kamers te bereiken. De meest oogverblindende ruimtes zijn die die geïntegreerd zijn in het officiële gebied en bedoeld voor politieke activiteiten en de ontvangst van buitenlandse persoonlijkheden waarvan er twee zijn, de westelijke hall en de oostelijke hall, beide geassocieerd met hun bijbehorende tuinen.

5.1 Grote Poort

De Grote Poort was de oostelijke ingang van de omheining van het fort, gelegen voor het paradeplein. Oorspronkelijk bestond het uit vijftien bogen, de centrale boog was een hoefijzerboog en de andere veertien waren segmentbogen. Het werd later verbouwd, waarbij verschillende van de meest noordelijke bogen uit de portiek werden verwijderd. De portiek was ongeveer 111,27 meter lang, 2,92 meter breed en 9,46 meter hoog.

5.2 De Hogere en de Beneden Tuin

Foto: de hogere tuin
Ana Rey

Het Medina Azahara fort heeft twee aangelegde behuizingen met een axiale planimetrie en die aan elkaar grenzen, de Hogere Tuin en de Beneden Tuin. De meest oosterse, de Hogere Tuin, bevindt zich recht tegenover en op dezelfde hoogte als de Salón Rico. In het midden staat een gebouw dat bekend staat als het Centrale Paviljoen, dat wordt omringd door vier alberca (wateropslagplaatsen) voor zowel decoratief als functioneel gebruik voor het besproeien van de tuinen. Deze tuin is omgeven door muren aan de oost-, zuid- en westzijde.

Naast de westelijke muur, maar op een hoogte van enkele meters lager, ligt de Beneden Tuin, die nog niet volledig is uitgegraven.

5.3 Noorderpoort

De noordelijke poort opent in het midden van de noordelijke muur en het is het aankomstpunt van de zogenaamde Camino de los Nogales, de manier van communiceren met de stad Córdoba in het kalifaat tijdperk. De deur heeft een gebogen opstelling om de verdediging te vergemakkelijken, waaraan het wachthuis werd toegevoegd van waaruit de toegang werd gecontroleerd. Zowel de noorddeur als de rest van de muur bestaan uit goedgevormde stenen parementen.

5.4 Bovenste Basiliek Gebouw

De functie van dit gebouw is onduidelijk en daarom krijgt het veel namen: militair of legerhuis (Dar al-Yund), huis van de viziers (Dar al-Wuzara) of, meer algemeen, het bovenste basiliek gebouw. Dit gebouw, gelegen in het oostelijke deel van het fort, heeft een basiliekplan bestaande uit vijf beuken, plus een zesde schip loodrecht op de vorige aan de zuidkant.

De vloer van de behuizing, die nog steeds bewaard is, was van baksteen. De muren waren wit geverfd en de plint in het rood, beide kleuren werden ook gebruikt bij de decoratie van de bogen.

5.5 Salón Rico

De zogenaamde Abd al-Rahman III hall, de oostelijke hal of gewoon de rijke hal vormt het meest waardevolle deel van de hele archeologische vindplaats. Dat is zowel vanwege zijn artistieke kwaliteit als vanwege zijn historisch belang. Zonder twijfel kan deze plaats beschouwd worden als het authentieke symbool en embleem van het hele complex van Madínat al-Zahra.

Foto: voorgevel

Superchilum

Niemand betwijfelt momenteel of deze zaal de centrale as was van de paleisachtige behuizing, door specialisten unaniem beschouwd als dé zaal van de grote palatijnse ceremonies, festivals, ceremonies, ontvangst van buitenlandse ambassadeurs en troonzaal. We zouden dus niet verrast moeten zijn door de weelderigheid en rijkdom van de decoraties, waaraan het de naam van rijke woonkamer heeft ontleend.

Als liefhebber van hoofse praal, maakte Abd al-Rahman III graag indruk op zijn bezoekers, die hij hier over het algemeen verwelkomde, en daarom bereiken de luxe en virtuositeit van de kunst hun hoogtepunt in deze kamers.

De bouw van de hal duurde slechts drie jaar, zoals onderzoekers hebben kunnen achterhalen uit de epigrafische inscripties die op de bases en pilasters van het interieur verschenen. Die geven ons een chronologie die gaat van 953 tot 957. Aan de andere kant, de chronologische beknoptheid en het kortstondige leven van Madínat al-Zahra verzekeren ons niettemin dat we in de aanwezigheid zijn van een zeer unitair decoratief en architectonisch ensemble, dat ons in deze kamer, zonder verdere toevoegingen, de Umayyad-kaliefkunst in al zijn glorie laat zien uit de regering van Abd al-Rahman III.

De rijke kamer is niet echt een enkele ruimte, zoals de naam doet vermoeden, maar in feite is het een reeks gecompartimenteerde ruimtes en kamers, die allemaal samen de morfologie vormen van een enkele kamer gedeeld door hallen.

Structureel heeft de kamer een basiliekplan met drie longitudinale beuken met een andere transversale beuk bij de ingang die dienst doet als portiek, met buitenafmetingen van 38 × 28 meter.

De koppen van deze drie longitudinale beuken worden bekroond door blinde hoefijzervormige bogen en in een daarvan, de centrale, wordt verondersteld dat de troon zich zou bevonden hebben van waar de kalief het paleiselijke ceremonieel leidde.

De centrale as van het complex is het longitudinale middenschip, gescheiden van de andere zijbeuken door een set van zes hoefijzerbogen aan beide zijden, terwijl de transversale wordt gescheiden door drie hoefijzerbogen. Naast deze drie centrale beuken en parallel aan beide zijden, zijn er twee externe beuken verdeeld in drie kamers van ongelijke grootte.

Als de rijke lounge ergens in opvalt, zoals we al hebben gezegd, is het vanwege zijn weelderige decoratie. Ten eerste is er het constante gebruik van de hoefijzerboog met tweekleurige polychromie en met de zo karakteristieke afwisseling van roodachtige en vlezige tinten uit de originele zandsteen die bestemd is voor de bouw, vergelijkbaar met die in de moskee (huidige kathedraal) van Córdoba. De bogen worden op hun beurt ondersteund door marmeren zuilen van topkwaliteit die roze en lichtblauwe tinten afwisselen, waardoor een merkwaardig kleurenspel ontstaat. De schachten van de kolommen worden bekroond door de karakteristieke kapitelen van de ‘avisperos’ (dat zijn kapitelen die de vorm hebben van een wespennest.)

De rest van het muuroppervlak was volledig bedekt met fijne decoratieve panelen uitgehouwen in marmer. Het thema dat voor de panelen werd gekozen, had een hoge kosmologische symboliek, iets wat erg in overeenstemming was met het houten dak dat de kamer bedekte, waar de sterren werden weergegeven in een duidelijke toespeling op de lucht.

Het motief dat op de panelen stond was uitgesneden, vertegenwoordigde de levensboom, een motief dat uit het Oude Oosten werd geëxporteerd. De borden zijn symmetrisch op een as uitgevoerd. Aan de andere kant gaf het verticaal gesneden reliëf de decoratie een abstracte grafische kwaliteit, terwijl de interne decoratie, ook hard gesneden, bestond uit facetten en knoppen van bladeren, evenals bloemkelken, wat zeer typische motieven zijn van de Spaanse-Umayyaden kunst.

5.6 Aljama-moskee

De aljama-moskee bevindt zich buiten het ommuurde gebied, ten oosten van de Hoge Tuin. Volgens verschillende bronnen werd de constructie uitgevoerd tussen 941 en 945.

Het gebouw is rechthoekig, circa 25 meter lang en 18 meter breed. In tegenstelling tot de moskee van Cordoba was deze tempel goed gericht op Mekka. De ruimte is verdeeld in twee grote delen, de gebedsruimte en de binnenplaats. De gebedsruimte bestaat uit vijf longitudinale beuken, gescheiden door bogen die elk worden gevormd door acht hoefijzerbogen die loodrecht op de kibla muur staan.

De muur geeft de richting voor het gebed aan. De binnenplaats is aan drie zijden voorzien van een portiek. De minaret heeft, van buiten gezien, een vierkant plan en een achthoekig plan van binnen en die ligt naast de noordelijke deur van de toegang tot de patio.

5.7 Zwembad

Het zwembad ligt ten westen van het huis van Ya’far en ten zuiden van de binnenplaats van de pilaren. De kern van het gebouw is een centrale binnenplaats met een zwembad, waaraan het gebouw zijn naam dankt. Twee van de bogen die uitkijken op de binnenplaats zijn bewaard gebleven, elk bestaande uit drie hoefijzerbogen die rijkelijk versierd waren met arabesken.

De badkamer van het huis, van ongeveer 80 vierkante meter, is ook bewaard gebleven. Er wordt aangenomen dat de kalief Alhakén II in dit huis woonde.

5.8 Het huis van Yafar

Het huis van Yafar is vernoemd naar Ya´far ibn Abd al-Rahman, benoemd tot premier (Hayib) in 961. Ondanks de naam weten we nog steeds niet zeker of het hier echt de residentie van Yafar was. De naamgeving is uitsluitend gebaseerd op in de intuïties en onderzoeken van specialisten.

De structuur ervan is gearticuleerd rond drie ruimtelijke gebieden, georganiseerd rond de bijbehorende binnenplaatsen, allemaal met een ander karakter: één publiek, één intiem en de andere dienst.

De officiële ruimte bestaat uit een gebouw dat kan worden gelijkgesteld met de basiliek, die drie longitudinale beuken heeft die met elkaar communiceren via deuren met hoefijzervormige bogen. Daarnaast is er een dwarsbeuk die openstaat naar de binnenplaats.

De gevel is georganiseerd door een drievoudige hoefijzerboog. Wat betreft de decoratie van het gebouw, het was geplaveid met dikke witte marmeren platen, behalve op de binnenplaats, waar violette kalksteen werd gebruikt. Bovendien valt de versiering van de gevel met arabesken met een plantaardig en geometrisch thema op, dat ook aanwezig is in de communicatie van de dwarsbeuk en de middenbeuk.

5.9 Koninklijk huis

Het Koninklijk Huis, of Dar al-Mulk, bevindt zich op het hoogste terras van het paleis en draagt deze naam omdat wordt aangenomen dat deze kamers de kamers waren waar de kalief Abd al-Rahman III woonde.

Het gebouw bestaat voornamelijk uit drie crujias (architectonisch voor een ruimte tussen twee draagmuren en pilaren) die evenwijdig aan elkaar zijn en een voorste deel in het zuidelijke deel, dat momenteel niet bewaard is gebleven, met aan elk uiteinde een trap waardoor men naar het lagere terras van het achterdek kon gaan.

Ondanks de geleden plunderingen is de overvloedige steendecoratie met arabesken aan de muren nog steeds bewaard gebleven, evenals de gebakken kleivloeren.

6. Wegennet

Na de oprichting van Madínat al-Zahra en als gevolg daarvan wordt een reeks verwezenlijkingen uitgevoerd die de nieuwe stad een eigen en onafhankelijk wegennet hebben opgeleverd. Ze richten zich op het westelijke grondgebied van Córdoba en zijn:

  • Camino de las Almunias: een directe weg tussen Córdoba en Madínat al-Zahra, die op zijn beurt de paleisstad ook verbindt met de weg naar Sevilla langs de noordelijke oever van de Guadalquivir (Cañada Real Soriana en Camino Viejo de Almodóvar), en met de routes die starten vanaf de brugpoort naar het zuiden, oosten en westen.
  • Camino de Media Ladera: een directe en onafhankelijke verbinding van Medina Azahara naar de weg naar Córdoba – Badajoz (Yadda). Een stuk van ongeveer 1 km blijft behouden, met een wegbreedte tussen 4 en 7 meter.
  • Camino de los Nogales-Carril de los Toros: Een verbinding tussen Madínat al-Zahra en de belangrijkste routes naar het oosten (Mérida,Toledo en Zaragoza) zonder Córdoba te passeren.
  • Camino del Oeste: een secundaire weg die Madínat al-Zahra verbond met de belangrijkste steden in het westen, zoals de stad Alamiriya.

7. Meubelkunst

Madínat al-Zahra is niet alleen architectuur, maar het huisvestte op zijn momenten van grote pracht ook een prachtige collectie meubelkunst in de vorm van stukken van klein formaat. Momenteel zijn de meeste stukken verspreid over collecties en musea over de hele wereld, omdat ze vanwege hun schoonheid en exotisme zeer gewilde stukken zijn van verzamelaars. Enkele van de meest bekende en representatieve voorbeelden van decoratieve kunst staan hieronder.

7.1 De Hinde Madinat al-Zahra

De hinde van Medina Azahara is een klein bronzen stuk dat gemaakt is als een kleine fontein om een van de vele fonteinen te decoreren die de Palatijnse stad unaniem beschouwde als het meesterwerk van de Spaanse beeldhouwkunst uit de Umayyad-periode.

Foto: de hinde

Ángel M. Felicísimo

Wat de chronologie betreft is het meestal gebruikelijk om het te dateren tussen de laatste decennia van de 10e eeuw en de eerste jaren van de 11e eeuw, zonder zelfs vandaag een preciezere datum te kunnen geven.

Er zijn drie replica’s van zeer vergelijkbare morfologieën van hetzelfde stuk, een in het Nationaal Archeologisch Museum van Madrid, een ander in het Medina Azahara Museum en een laatste in het Nationaal Museum van Qatar dat door een Arabische sjeik op een internationale veiling is gekocht voor vier miljoen dollar.

7.2 Madinat al-Zahra’s zoomorfe aardewerk

Zoomorfe is een woord waarmee men, in de periode van het kalifaat, een figuur van een dier bedoeld.

Dit merkwaardige stuk, dat volgens de onderzoekers deel uitmaakte van het galadiner van een van de paleiscomplexen in de stad Medina Azahara, werd in april 2003 namens de Andalusische regering door de Spaanse staat verworven voor een bedrag van € 220.000 in een veilingzaal in Londen.

Vanwege zijn morfologische kenmerken hebben experts intuïtief aangenomen dat dit kleine stuk misschien een giraf zou kunnen zijn. Met betrekking tot het specifieke gebruik wordt gedacht dat het kan worden gebruikt om een soort vloeistof te gieten.

De decoratie is gebaseerd op wit glazuur, maar ook op kleine stukjes groen en mangaan. Wat betreft de chronologie is het door bijna alle experts gedateerd in de centrale jaren van de 10e eeuw.

7.3 De aquamanil in het Louvre

Het is een zoomorf stuk dat Spanje moet hebben verlaten na de Franse plunderingen tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog en wordt momenteel gevonden in het Parijse Louvre, waar het een van de sterren is van de kamers van de islamitische oudheden.

Het is een schenkkan waarin de figuur van een pauw duidelijk te onderscheiden is.

Over het gebruik van dit stuk, zoals de naam al aangeeft, is men duidelijk en is het een container voor het opslaan van water voor het daaropvolgende handen wassen.

Het is merkwaardig om op het oppervlak een tweetalige inscriptie (in het Arabisch en Latijn) te vinden die de naam van de kunstenaar en de datum van uitvoering aangeeft, zodat we het stuk zonder problemen in 972 kunnen dateren.

8. Museum

Op 9 oktober 2009 opende koningin Sofia het Medina Azahara-museum, dat tot doel heeft de site diensten aan te bieden die in verhouding staan tot het historisch-artistieke belang ervan. Deze moderne infrastructuur, onder het Ministerie van Cultuur en Sport van de Andalusische regering, bevindt zich vlakbij de site en bestaat uit een gebouw met drie verdiepingen, waarvan er twee ondergronds zijn.

Foto: tentoonstellingszaal

Edmundo Sáez

Het centrum heeft meer dan 7.700 vierkante meter aan parkeerplaatsen en een tuin. Binnen is er ruimte voor uiteenlopende toepassingen zoals de ontvangst van bezoekers, de restauratie van archeologische stukken, een auditorium, voldoende ruimtes voor de opslag van archeologische overblijfselen van het complex zelf, historisch-artistieke onderzoeksbureaus, een bibliotheek voor wetenschappers, een cafetaria , een boekwinkel gerelateerd aan de site en moslimkunst, en een tentoonstellingsruimte waar de meest spectaculaire stukken van de site worden tentoongesteld, nadat veel van hen, zoals het beroemde reekalf in Medina Azahara, zijn overgebracht van het Archeologisch Museum van Córdoba.

In 2010 ontving dit Madínat al-Zahra Museum de Aga Khan-prijs voor architectuur, een prestigieuze internationale prijs die wordt toegekend aan of gerelateerd zijn aan belangrijkste architecturale, stedelijke of landschapsprojecten in de moslimwereld.

Dit museum is ontworpen door de architecten Fuensanta Nieto en Enrique Sobejano.

In mei 2012 ontving het de prijs “Europees museum van het jaar” van het European Forum of Museums. Elk jaar worden met deze prijs nieuwe musea erkend die vooruitgang en innovaties op museumgebied hebben gemaakt. Het bekroonde museum herbergt een jaar lang het standbeeld van Henry Moore “The Egg”, wat de prijs symboliseert.

Het museum heeft ook een website en die kan je vinden Museum Medina Azahara.

Het mijnbouwkundig museum in Madrid

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Architectuur en indeling
  4. Collectie
  5. Website

1.Algemeen

Het Mijnmuseum in Madrid herbergt collecties van mineralen, rotsen en fossielen uit Spanje en zijn vroegere kolonies en uit belangrijke vindplaatsen uit de rest van de wereld. De doelstellingen van het museum zijn de studie en de verspreiding van kennis over de Spaanse geologie, mineralogie en paleontologie. Tot 1989, het jaar waarin het museum zijn huidige benaming kreeg werd het dikwijls het Nationaal Geologisch Museum genoemd. Het museum is in een gebouw van het Instituto Geológico y Minero de España gevestigd, een instituut waarvan het administratief afhankelijk is.

2. Geschiedenis

De collecties die aan de oorsprong van het museum zijn liggen in het verzameld materiaal tijdens de aanmaak van de geologische kaart van Spanje. Deze werken begonnen in 1849, na de oprichting van de Commissie voor de aanmaak van de geologische kaart dat aan de oorsprong ligt van het huidige Instituto Geológico y Minero de España.

De collecties werden achtereenvolgens bewaard op verschillende plaatsen. Oorspronkelijk, in 1849 werden ze bewaard in het paleis van de hertog van San Pedro, de toenmalige zetel van het Directoraat-generaal van de Mijnen. Daarna waren er nog enkele andere verplaatsingen.

Momenteel is het museum gevestigd in een gebouw dat gebouwd werd door de architect Francisco Javier de Luque als de zetel van het Geologisch en Mijn Instituut . De werken begonnen in 1921. Het ontwerp van het museum en de overbrenging van de collectie gebeurde in een samenwerking tussen de architect de Luque en de mijningenieur Primitivo Hernández Sampelayo, de eerste directeur van het museum.

De grote zaal van het museum werd ingehuldigd door koning Alfonso XIII op 24 mei 1926 ter gelegenheid van het veertiende Internationaal Geologisch Congres. Het gebouw was klaar in 1927.

Na een tijdelijke sluiting van het museum werd het heropend op 2 maart 1989 door koning Juan Carlos I en het kreeg officieel de naam Museo Geominero.

We vinden het museum in de c/ Ríos Rosas 23, 28003 Madrid

3. Architectuur en indeling

3.1 Bordes en inkom

Men komt binnen in de grote hal van het museum via een monumentale trap van marmer uit Macael (Almería).

De inkomgangen worden geflankeerd door glazen kasten uit de permanente tentoonstelling en kasten met motieven die gebaseerd zijn op geologische onderzoeken.

3.2 Centrale zaal

De centrale zaal herbergt het grootste deel van de collectie en het is een rechthoekig transparent schip met afgeronde hoeken met een oppervlakte van 712 m² en een hoogte van 19 m. De zaal bevat drie galerijen rondom voor tentoonstelling en opslag. Men krijgt toegang tot deze galerijen langs de grote zaal en langs wenteltrappen.

Foto: grote zaal
PePeEfe

Het vals plafond wordt gevormd door een groot veelkleurig glazen horizontaal vlak. Dat ligt op een verticale strook, ook met ramen en het wordt geflankeerd door een gewelf. Dit alles werd gemaakt door het Huis Gebroeders Maumejean uit de Madrid.

De bewerkte houten expositiekasten zijn de originele kasten die gerestaureerd werden in 1980.

Enkele originele zetels verspreid doorheen de zaal verbergen verwarmingsradiatoren.

4. Collectie

Het museum heeft zijn collectie thematisch gerangschikt in:

  • Mineralen
  • Minerale hulpbronnen
  • Mineralen uit de autonome regio’s
  • Rotsen (inclusief meteorieten)
  • Fossielen van Spaanse planten en ongewervelde dieren
  • Fossielen van gewervelde dieren
  • Buitenlandse fossielen
  • Paleontologische ongewervelden
Foto: De originele overblijfselen van de olifantachtige Anancus arvernensis.
PePeEfe

In de centrale zaal staat er ook een reproductie van de vindplaats Las Higueruelas (Ciudad Real) waar stukken gevonden zijn uit het plioceen en omvat originele overblijfselen van de olifantachtige Anancus arvernensis. Verder zijn er nog vitrinekasten met fossielen en mineralen die speciaal zijn omwille van de staat van bewaring of van de originaliteit. In de toegang van het museum kan men ook enkele vitrinekasten zien met oude gereedschappen.

5. Website

Het museum heeft een website op Museo Geominero, de site is eentalig Spaans.

De oude stad Segovia en zijn aquaduct

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Plaatsen en gebouwen
  4. Religieuze architectuur
  5. Burgerlijke bouwkunst
  6. Parken en tuinen

1.Algemeen

Segovia is een stad in het zuidelijk deel van de autonome regio Castilla en León. De stad is ook de hoofdstad van de provincie met dezelfde naam. Zij ligt aan de samenvloeiing van de rivieren Eresma en Clamores aan de voet van de bergketen Guadarrama.

De naam is van Keltisch Iberische oorsprong. De eerste bewoners noemden de stad Segobriga en dat is dus duidelijk Keltisch Iberisch, de taal van een deel van de Keltische familie. De naam van de stad bevat het deel “Sego” wat “Overwinning” betekend. We vinden dit voorvoegsel ook in de steden Segeda en Segonta. Het laatste deel “briga” heeft de betekenis van “stad” of “fort”. Als we de beide delen samenvoegen komen we op “Stad van de Overwinning”.

Onder de Romeinse en Arabische overheersing werd de naam langzaam veranderd in Segovia voor de Romeinen en Šiqūbiyyah in het Arabisch.

2. Geschiedenis

Segovia is al lang bewoond. Op de plaats waar het Alcázar staat was er vroeger een Keltische burcht. Tijdens de Romeinse periode viel de stad onder het juridische bestuur van het klooster van Clunia.

Men denkt dat de stad verlaten werd na de islamitische invasie. Na de herovering van Toledo door Alfonso VI van León en Castilië kwam de herbevolking van Segovia op gang. Hiervoor kwamen er christenen uit het noorden van het schiereiland en zelfs uit de Pyreneeën naar de stad.

Tijdens de twaalfde eeuw had de stad te leiden onder belangrijke onlusten tegen zijn gouverneur, Álvar Fáñez en later tijdens de strijd tegen het koningschap van Doña Urraca.

Ondanks deze onlusten was de ligging op de wegen van de rondtrekkende veeteelt blijvend belangrijk en maakte het van de stad een belangrijk centrum in de wolhandel en van de textiel bedrijven die hier al in de twaalfde eeuw aanwezig waren.

Het einde van de middeleeuwen was een gouden tijd, de stad herbergde een belangrijke joodse wijk en men legt dan de basis voor een machtige stoffen handel. Er ontwikkelt zich een prachtige gotische architectuur en men is afgesneden en dus onafhankelijk van het koninklijk hof van Trastámara.

Uiteindelijk, in de kerk van San Miguel de Segovia is Isabella de Katholieke uitgeroepen tot koningin van Castilië op 13 december 1474.

Zoals alle Castiliaanse textielsteden verenigde de stad zich in de opstand van de gemeenten (Comunidades) die onder leiding stond van o.a. Juan Bravo uit Segovia.
Ondanks het verlies van de “gemeenten” bleef het economisch hoogtepunt van de stad duren tot in de zestiende eeuw, in 1594 had de stad 27.000 inwoners.
Daarna kwam het verval zoals in de meeste steden in Castilië en nauwelijks een eeuw later had de stad nog maar 8.000 inwoners.

In het begin van de achttiende eeuw probeerde men de textielindustrie te laten heropleven maar dat gebeurde zonder veel succes. In het tweede deel van deze eeuw en onder de impuls van Carlos III begon men in 1763 met de Koninklijke Maatschappij van de Textielbedrijven (Real Compañía Segoviana de Manufacturas de Lana). Door het gebrek aan concurrentievermogen van deze plaatselijke industrie trok in 1779 de koning zijn steun terug in.

In 1764 kwam er in Segovia de Koninklijke Artillerie School, (Real Colegio de Artillería), het was de eerste militaire school in Spanje. Tot op vandaag is deze school hier in de stad aanwezig.

In 1808 werd de stad door de Franse troepen tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog geplunderd. Tijdens de eerste Carlistische Oorlog vielen de troepen van de pretendent Don Carlos de stad tevergeefs aan.

Vanaf de negentiende eeuw begon er een demografisch herstel van de stad.

3. Plaatsen en gebouwen

In 1985 werd de oude stad van Segovia opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco. Binnen de omgeving van de oude stad vinden we een grote diversiteit aan historische gebouwen, sommige zijn van burgerlijke aard en andere zijn van religieuze aard. De laatsten zijn niet alleen van christelijke oorsprong maar er zijn ook gebouwen van Joodse oorsprong.

Een van de belangrijkste voorbeelden van deze diversiteit vinden we in de oude synagoge die momenteel de Kerk van het Lichaam van Christus is (iglesia de Corpus Christi) en met de joodse begraafplaats in “El Pinarillo”. Abraham Seneor, de belangrijkste rabijn in Castilië werd na zijn overgang naar het christendom, onder de naam Fernán Núñez Coronel, wethouder van de stad en hij had belangrijke functies in het koninkrijk.

3.1 De aquaduct van Segovia

Deze aquaduct op het Azoguejo plein is een belangrijk symbool van de stad maar men kent de exacte datum niet wanneer de bouw hiervan begonnen is. Men denkt dat het begin der werken begonnen is op het einde van de eerste eeuw of het begin van de tweede eeuw onder keizer Domitianus.

Foto: aquaduct

Manuel González Olaechea y Franco

Deze aquaduct is het belangrijkste Romeinse werk op het Iberische schiereiland. Voor het bouwwerk werden er 25.000 bewerkte granieten stenen gebruikt die zonder mortel op elkaar gezet zijn.

De aquaduct is 728 meter lang, heeft meer dan 167 bogen en is 28 meter hoog.
De aquaduct diende om de wateraanvoer uit de rio Acebeda te regelen tussen de Sierra de Fuenfria en de bovenstad.

De bijnaam van de aquaduct is “duivelsbrug” en aan deze naam hangt er een legende. Elke dag deed een jong meisje veel moeite om water te putten uit een bron. De duivel werd verliefd op haar en stelde voor om een aquaduct voor haar te bouwen. Als hij dit bouwde dan wou hij er wel haar ziel voor. Door de tussenkomst van de Heilige Maagd was het werk sneller klaar en de duivel was verrast. Hierdoor kon hijzelf de laatste steen niet leggen en het meisje was gered. Men zegt dat de gaatjes in de stenen afdrukken van de duivel zijn die achtergelaten werden tijdens het heffen van de stenen.

3.2 Het Alcázar de Segovia

We vinden dit koninklijk paleis op de hoogte van een rots tussen de rivieren Eresma en Clamores. Het wed gebouwd tussen de twaalfde en de zestiende eeuw en er waren een groot aantal verbouwingen en restauraties. De werken gebeurden vanaf Alfonso X tot Felipe II en deze laatste is verantwoordelijk voor het huidig uitzicht, voor het silhouet van het kasteel dat het uniek maakt tussen de andere Spaanse kastelen.

Foto: alcázar

Luis Antonio Fernández Corral

Het was een van de favoriete kastelen van de koningen en het heeft zowel romaanse als gotische invloeden. In de salon vinden we mudejar versieringen terug.
We komen het gebouw binnen door twee binnenplaatsen en er zijn twee torens.
Het was de favoriete verblijfplaats van Alfonso X en van Enrique IV, Isabel de Katholieke werd tot koningin van Castilië gekroond op de Plaza Mayor.

Het militair archief van Segovia is in het Alcázar gevestigd en ook het museum van de Koninklijke Artillerie School vinden wij hier.

3.3 De kathedraal van Santa Maria

Het is de laatste kathedraal die in gotische stijl gebouwd is in Spanje en deze kathedraal wordt beschouwd als het meesterwerk van de gotische Baskisch-Castiliaanse bouwstijl. De kerkstaat bekend als “De koningin onder de kathedralen” (La Dama de las Catedrales). 

De kathedraal is de derde kathedraal in de stad en het klooster van de tweede kathedraal is behouden in de derde. Deze tweede kathedraal werd vernietigd tijdens de oorlog van de gemeenten in 1520 en die kathedraal stond tegenover het Alcázar.
De opdracht om een nieuwe kathedraal te bouwen werd gegeven aan de architecten Juan en Rodrigo Gil de Hontañón.

De kathedraal werd ingewijd in 1618 en zijn afmetingen zijn 105 meter lengte, 50 meter breed en 33 meter hoogte. De toren heeft een hoogte van 88 meter. Er zijn 18 kapellen in de kathedraal en men heeft toegang door middel van drie toegangspoorten, de poort van vergiffenis ( la puerta del Perdón), de poort van San Frutos (la puerta de San Frutos) en de poort van San Geroteo (la puerta de San Geroteo), de eerste bisschop van diocees.

In de eerste kapel bevindt zich het retabel met de Graflegging van Juan de Juni. De koorstoelen en de vijftiende eeuwse kloostergang van Juan Blas zijn afkomstig uit de oude kathedraal.

Men kan ook nog een prachtig retabel in edelsmeedkunst bekijken, het is het Sacra de la consecración uit 1575 van Benvenuto Cellini.

4. Religieuze architectuur

De stad herbergt een belangrijke verzameling romaanse kerken, zowel gebouwd met baksteen als met natuursteen. We zien hier de kerken van San Esteban, San Millán, San Martín, la Santísima Trinidad, San Andrés, San Clemente, Santos Justo y Pastor, la Vera Cruz en San Salvador.

Er zijn ook verscheidene kloosters en abdijen bewaard gebleven zoals dat van San Antonio el Real, dat van Parral en dat van San Vicente el Real.

4.1 De kerk van San Justo (Iglesia de San Justo )

De kerk van San Justo ligt kort bij de plaza del Azoguejo aan de andere zijde van de aquaduct. Het is een romaanse kerk uit de twaalfde eeuw die gebouwd is op de resten van een kapel.

De kerk is gebouwd in metselwerk en zij heeft veel typische kenmerken van de romaanse architectuur. Zij heeft een mooie toren met daarin verschillende nissen.

Er zijn twee toegangen tot de kerk maar het belangrijkste aan deze kerk zijn de romaanse schilderingen.

Na de restauratie die uitgevoerd werd in de jaren 1960 vond men de romaanse muurschilderingen die een groot deel van de apsis bedekten.

De thema’s van de schilderingen zijn de meest voorkomende in de romaanse periode, we zien er Bijbelse voorstellingen en afbeeldingen van de kruisiging, de afneming van Christus en het laatste avondmaal. Maar ze zijn ook oosters geïnspireerd geweest, we zien er afbeeldingen van olifanten, vogels en arabesken.

Er is nog een merkwaardig kunstwerk in de kerken dat is een liggende Christusfiguur met beweegbare armen uit de elfde eeuw.

4.2 Kerk van San Martin (Iglesia de San Martín)

De kerk van San Martin is een katholieke kerk die binnen de muren van de stad ligt. Zij stamt uit de twaalfde eeuw en zij ligt aan de huidige plaza Juan Bravo, in het midden tussen de kathedraal en de aquaduct.

De kerk heeft originele mozarabische invloeden maar met romaanse kenmerken. Zij verschilt voor een deel van de originele kerk omdat sommige delen vernietigd of gerestaureerd zijn. Dat is o.a. het geval met het centrale apsis. De kerk bezit 3 beuken en een kruis met een bakstenen koepel.

Wat nog opvalt aan de kerk is de klokkentoren die gebouwd is in romaanse-mudejar stijl, hij bezit bakstenen bogen om stenen kolommen. Wat ook mag benadrukt worden is de galerij met zijn zuilengang die bijna rond gans de kerk gaat. Het portiek heeft halve bogen die op kolommen rusten met romaanse kapitelen.

De poort en zijn ornamenten aan de westelijke zijde is een van de grootste poorten in de Spaanse romaanse stijl. Het portiek heeft vijf bogen die versierd zijn met plantaardige motieven. Dat beschut het portiek door het atrium dat bedekt is door een grote verzameling bogen die ondersteund zijn door standbeelden met menselijke figuren uit het Oude Testament.

4.3 Kerk van San Millan (Iglesia de San Millan)

De kerk van San Millan is een kerk die buiten de stad ligt en die ook een grote invloed uitoefende op de kerken in Aragon. De plattegrond van de kerk is een verkleinde weergave van de kathedraal van Jaca.

Foto: kerk van San Millán

Selbymay

Het is een romaanse kerk met mudejar invloeden en ze is gebouwd tussen 1111 en 1124, daardoor is het een van de oudste kerken van de stad.

De kerk heeft 4 apsissen die behoren bij de kerk beuken en de vierde apsis is later bijgevoegd aan de sacristie. De kerk heeft een pre-romaanse toren in mudejar stijl wat haar onderscheid van het andere klokgelui in de stad.

Binnen de kerk vinden we drie beuken met een dakbedekking in vervanging van de originele mudejar bedekking.

De zuilen en de kapitelen zijn groot in vergelijking met de grootte van de kerk. Tussen de kapitelen vinden wij thema’s zoals de drie koningen en de vlucht uit Egypte.

4.4 De kerk van Santísima Trinidad (Iglesia de la Santísima Trinidad)

Dit is een kerk met slechts een kerkschip dat afgedekt is door een tongewelf en met een gebogen apsis. Op de zuidkant opent het atrium zoals het de gewoonte is in de romaanse kerken in Segovia. 

Op de noordkant zien we een gotische kapel en twee barokke sacristieën.
Binnen in de kerk vinden we twee verdiepingen met elk een bogen galerij, met versierde kapitelen. Er zijn versieringen met slangen en planten en deze hebben een grote waarde door hun sculptuur en iconen. Hier en daar zijn er sporen overgebleven van de oorspronkelijke schilderingen.

De kerk heeft twee voorgevels en de westelijke gevel is van eenvoudige makelij. Bovenaan deze gevel zien we een raam die het licht doorlaat naar de centrale beuk. De zijdelingse gevel geeft toegang naar het atrium en is van een grote schoonheid.

De kerk is gebouwd in de twaalfde eeuw en zij volgt op een andere kerk uit de elfde eeuw. Hiervan zijn er resten gevonden in 1984 bij de afbraak van een kapel aan de zuidelijke kant.

Het oudste deel van de kerk komt overeen met het hoofd gedeelte, zonder de westelijke gevel en het atrium.

In 1513 heeft men een kapel bijgebouwd (capilla de los Campo) met een voorgevel in gotische stijl. Tijdens de zeventiende eeuw heeft men binnenin de kerk restauraties uitgevoerd om de kerk aan te passen aan de stijl van de tijd, de barok.

5. Burgerlijke bouwkunst

Het Castiliaans paleis Ayala Berganza uit het einde van de vijftiende eeuw is uitgeroepen tot historisch-artistiek monument en hier is momenteel de toeristische dienst gevestigd. Omdat hier een meervoudige moord werd gepleegd op het einde van de negentiende eeuw staat het paleis bekend als “het huis van de misdaad”.

De burgerlijke bouwkunst in de stad met zijn rijkelijke middeleeuwse paleizen met zijn voorgevels, de patio’s, de torens en de wapenschilden zijn veelvoudig in de stad aanwezig. Enkele van deze huizen zijn: het Huis van de Stempel (Casa del Sello), het Huis met de Pieken ( Casa de los Picos) en het Huis van de Graaf van Alpuente (Casa del Conde Alpuente).

De typische bouwstijl uit Segovia vinden we vooral in de stijl van de daken en de sgraffito decoraties op de muren. Sgraffito is een techniek die erin bestaat om de pleisterlaag weg te krabben volgens een op voorhand bepaald grafisch ontwerp. De gebruikte motieven kunnen zowel geometrische motieven als historische taferelen zijn.

5.1 Het Huis met de Pieken ( Casa de los Picos)

Dit is de meest opmerkelijke residentie uit de vijftiende eeuw. Dit opmerkelijke komt vooral door zijn gevel met diamantkop versiering. De 365 pieken staan symbool voor de 365 dagen van het jaar. Een andere naam voor deze residentie is “het Huis van de Moor”.

In de residentie is momenteel een school gevestigd.

5.2 Het Huis van de Graaf van Alpuente (Casa del Conde Alpuente)

Dit is een fraaie vijftiende eeuwse woning in Italiaanse stijl. Het gebouw bezit een voorgevel met sierlijke sgraffiti versieringen die de Visigotische zonneschijf verbeelden.

6. Parken en tuinen

6.1 De tuinen van het Alcázar

Zij bevinden zich op een vlak terrein tussen de oude kathedraal en het bisschoppelijk paleis en de tuin werd aangelegd naar aanleiding van het huwelijk in het Alcázar tussen Felipe II met Anna van Oostenrijk in 1750.

Het verwijderen van ruïnes uit de tuin die er tot dan toe stonden hebben tot in de negentiende eeuw geduurd en ze werden verwijderd naar aanleiding van het bezoek van Fernando VII. Tussen 1816 en 1817 kwamen de eerste bomen in het park. De tuin werd vernield bij een brand in het Alcázar in 1862 en hij was hersteld in 1882.

6.2 De tuin van Genade (El Jardín de la Merced)

Deze tuin was de eerste publieke tuin in de stad en hij lag binnen de muren van de stad. Momenteel is het een van de mooiste tuinen in Segovia. De naam van de tuin komt van een klooster dat voordien op deze plaats gelegen was. In de negentiende eeuw begon men met de aanplanting van bomen en met de installatie van een fontein die later vervangen werd door de huidige.

6.3 El Paseo del Salón

Dit is een van de oudste tuinen van de stad en hij werd aangelegd in 1786 door het “Economisch Genootschap der Vrienden van het Land van Segovia” (Sociedad Económica de Amigos del País de Segovia) en twee jaar later begon men met de aanleg van de bomen. In 1846 was er dan de aanleg van verschillende fonteinen en de aanplanting van verschillende plantensoorten.

De koninklijke botanische tuin in Madrid

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Tentoonstelling van de levende planten
  4. Wetenschappelijke verzamelingen
  5. Wetenschappelijke departementen
  6. Website

1.Algemeen

De Koninklijke Botanische Tuin in Madrid is een onderzoekscentrum van de Hoge Raad voor Wetenschappelijk Onderzoek. De tuin werd op 17 oktober 1755 in Soto de Migas Calientes, dichtbij de rivier Manzanares door koning Fernando VI opgericht.

Carlos III liet in 1781 de tuin verplaatsen naar zijn huidige locatie, naast het Museum voor Natuurwetenschappen in Madrid. In deze botanische tuin zijn er drie terrassen en daar kan je planten uit Europa maar ook uit Amerika en het gebied in de Stille Oceaan vinden.

2. Geschiedenis

2.1 Het begin

Felipe II creëerde de botanische tuin, naast het koninklijk paleis van Aranjuez, op verzoek van de medicus Andrés Laguna. Veel later bracht Fernando VI de botanische tuin naar de hoofdstad en meer bepaald in de Huerta de Migas Calientes (momenteel de Puerta de Hierro, op de oever van de Manzanares). In 1755 creëerde hij er de Koninklijke Botanische Tuin. Er waren toen meer dan 2.000 planten die verzameld waren door de botanicus en chirurg José Quer. Hij had die planten verzameld tijdens zijn reizen doorheen het Iberisch schiereiland en Europa en dan vooral in Italië en daarnaast waren er de uitwisselingen met andere Europese botanici. De voortdurende uitbreiding van de collectie noopten Carlos III er toe om in 1774 de opdracht te geven om te tuin te verplaatsen naar de huidige locatie, de Paseo del Prado in Madrid.

De graaf van Floridablanca, de eerste minister van Carlos III, had een speciale interesse in de verplaatsing van de tuin naar het oude weiland van Atocha. Niet alleen omdat het project Salón del Prado mooier zou maken maar ook omdat het symbool zou staan voor het mecenaat van de kroon aan de kunsten en de wetenschappen. We mogen niet vergeten dat in dit gebied van de Salón del Prado er naast de Koninklijke Botanische Tuin ook nog het het Koninklijk Cabinet van Natuurgeschiedenis (het latere Prado Museum) en het Astronomisch Observatorium komen. Een van de wetenschappers die meewerkten aan het project van de Koninklijke Botanische Tuin was de wetenschapper Casimiro Gómez Ortega.

2.2 Inhuldiging

Het eerste project van de nieuwe tuin werd toevertrouwd aan de wetenschappelijke adviseur Casimiro Gómez Ortega en aan de architect Francesco Sabatini, die tussen 1774 en 1781 (jaar van de inhuldiging) het begin ontwerp maakten met een indeling in drie niveaus en een deel van de behuizing. Op deze basis realiseerde Juan de Villanueva tussen 1785 en 1789 een tweede en definitieve ontwerp dat meer rationeel en volgens de wetenschappelijke en educatieve richtlijnen aangepast was.

De tuin bezet een gebied van 10 hectare op drie terrassen die werden aangepast aan de topografie van het terrein, opgesteld in een vierkant en met in de hoeken ronde fonteinen. De twee onderste (Terraza de los Cuadros en Terraza de las Escuelas Botánicas) zijn vandaag nog altijd zoals ze ontworpen zijn terwijl het bovenste terras (Terraza del Plano de la Flor) werd gerenoveerd volgens de in de negentiende eeuw geldende tuinvoorzieningen.

Foto: koninklijke poort van de Francesco Sabatini
Luis García

De site is afgesloten met een elegant ijzeren traliehek dat gemaakt werd in Tolosa (Guipúzcoa) dat in een granieten steen staat en dat is een werk van José de Muñoz. Er zijn twee toegangspoorten, de Koninklijke Poort van Sabatini, klassiek met Dorische kolommen en fronton. De andere poort is een werk van Villanueva en zij staat tegenover het Prado Museum.

De tuin werd in deze periode de ontvanger van de zendingen van de wetenschappelijke expedities die gesponsord werden door de Kroon. In de achttiende en de negentiende eeuw waren er minstens vijf dergelijke wetenschappelijke expedities waaronder de botanische expeditie in Nueva Granada (het huidige Colombia) die onder leiding stond van de beroemde José Celestino Mutis. Daarnaast was er de botanische expeditie naar het onder koninkrijk Peru van de botanici Hipólito Ruiz en José Antonio Pavón, de botanische expeditie naar Nueva España (het huidige Mexico) van de botanici Martín Sessé en José Mariano Mociño, de expeditie rond de wereld van Alejandro Malaspina met de botanici Antonio Pineda, Luis Née en Tadeo Haenke,en de wetenschappelijke commissie van de Grote Oceaan in de negentiende eeuw waaraan de botanicus Juan Isern deelnaam.

De tuin ontving in deze periode tekeningen, zaden, vruchten, hout, levende planten en beschrijvingen van planten die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de tuin en de bibliotheek.

2.3 De negentiende eeuw

In het begin van de negentiende eeuw was de botanische tuin uitgegroeid tot een van de belangrijkste van Europa en dat was voornamelijk het werk van de directeur, de botanicus Antonio José Cavanilles, een van de belangrijkste botanici uit de geschiedenis van Spaanse wetenschap.

Cavanilles reorganiseerde de tuin, de kruidenhoek, de kweektuin en hij gaf zo de tuin een internationale uitstraling. Naast zijn wetenschappelijk gebruik werd de tuin tijdens de lente en de zomer open gezet voor de burgerij en werden er gratis medicinale planten aan het publiek uitgedeeld. Echter, tijdens de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog begon er een periode van verwaarlozing van de tuin, ondanks de inspanningen van de toenmalige directeur Mariano Lagasca.

In 1857, begon de directeur van de tuin, Mariano de la Paz Graells, zoöloog en de directeur van het Museum van Natuurwetenschappen aan belangrijke hervormingen.

Echter, in de jaren tachtig van die eeuw kromp de tuin in zoals in 1882 toen twee hectare verloren ging voor de bouw van het gebouw waar momenteel het Ministerie van Landbouw gevestigd is. In 1886 had het gebied rond Madrid te leiden onder de gevolgen van een cycloon en ook de botanische tuin had hieronder te lijden, 564 bomen werden toen ontworteld.

2.4 De twintigste eeuw

In 1939 kwam de Koninklijke Botanische Tuin onder het beheer van de Hoge Raad voor het Wetenschappelijk Onderzoek. In 1942 kreeg de tuin de naam van “Jardín Artístico”. Echter, na jaren van verwaarlozing werd de tuin in 1974 gesloten en begonnen er restauratiewerken om de tuin in zijn oorspronkelijke stijl te herstellen. De werken aan het gebouw gebeurden in 1980 en 1981, en zij werden uitgevoerd onder de leiding van de architect Antonio Fernández Alba en de architect Guillermo Sánchez Gil, samen met de landschapsarchitect Leandro Silva die aan de tuin werkten

Er zijn nu ongeveer 5.000 verschillende soorten bomen en planten in de collectie en zij komen van over de ganse wereld. In februari 2005 vergrootte de Koninklijke Botanische Tuin zijn tentoonstellingsoppervlakte met 1 hectare.

3. Tentoonstelling van de levende planten

De levende planten worden tentoongesteld op vier terrassen en gebruik makend van de bodem oneffenheden.

3.1 Terraza de los Cuadros (Het beneden terras)

Dit terras bevindt zich onderaan en het is het grootste van de vier. Hier vinden we collecties met sierplanten, geneeskrachtige planten, oude rozenstruiken, aromatische planten in de tuin en de fruitbomen. Die liggen allemaal binnen geometrische rechthoeken die afgelijnd zijn met hagen van buxus rond kleine fonteinen in het midden van de rechthoeken. Aan het einde van de centrale gang van dit terras vinden we een rotstuin.

3.2 Terraza de las Escuelas Botánicas (Terras van de Botanische scholen)

Dit tweede terras is een beetje kleiner dan het vorige. In dit terras vinden we de taxonomische collectie van de planten. De planten zijn geordend volgens de fylogenetische ordening van de plantenfamilies en ze liggen rond twaalf fonteinen. U kan hier een rondleiding krijgen doorheen het plantenrijk vanaf de meest primitieve planten tot aan de meest geëvolueerde planten.

3.3 Terraza del Plano de la Flor

Dit terras ligt hoger maar het is een beetje kleiner en is het is aangelegd in romantische stijl Het is verdeeld in vijfentwintig figuren of bloemperken, afgezet door schuttingen, vier prieeltjes en een centraal prieel met een vijver en een buste van Carlos Linneo. Dit terras is beplant met een grote variëteit aan bomen en struiken. Op de oostelijke grens staat het Villanueva paviljoen dat in 1781 gebouwd werd als een oranjerie en dat momenteel gebruikt werd als tentoonstellingsruimte voor tijdelijke tentoonstellingen. Het terras wordt begrensd door een hekwerk van gesmeed ijzer en dat werd gemaakt in 1786 en het bied ondersteuning aan diverse soorten wijnstokken waarvan sommige met een aanzienlijke leeftijd.

Aan de noordzijde van dit terras vinden we de broeikas Graells en dat is een structuur uit de negentiende eeuw. Hier vinden we tropische planten, waterplanten en mossen. Samen met het voorgaande vinden we hier de grootste en de meest moderne serre. Binnenin is deze serre verdeeld in drie omgevingen met verschillende vereisten aan temperatuur en vochtigheid (tropisch, gematigd en woestijn).

3.4 Terraza alta o de los Laureles (Hoog Terras)

Dit terras is toegevoegd tijdens de uitbreiding van de tuin in 2005 en het is aanzienlijk kleiner dan de vorige terrassen en het ligt achter het Villanueva paviljoen. Het is aangelegd om bijzondere collecties te ontvangen en zo vinden we hier de collectie Bonsai boompjes die geschonken werden door de Spaanse oud eerste minister Felipe González. Het terras werd ontworpen door de landschapsarchitect Fernando Caruncho.

4. Wetenschappelijke verzamelingen

4.1 Herbarium

Men beschouwd deze tuin als de belangrijkste van Spanje met zijn bijna 1 miljoen planten waarvan sommige uit de achttiende eeuw stammen. De verzameling wordt gevormd door de verzameling van Fanerogamen, de verzameling Criptogamen en de historische collectie. In de laatste verzameling zijn de planten opgenomen die verzameld werd in de achttiende en de negentiende eeuw door de plantkundigen in Amerika Ruiz en Pavón, Mutis, Sessé en Mociño, Neé, Boldo en Isern en door de plantkundigen die op de Filipijnen werkten zoals Blanco, Llanos en Vidal.

4.2 Bibliotheek en archief

De bibliotheek werd opgericht in dezelfde tijd als de oprichting van de tuin. In 1781 bevatte de bibliotheek 151 werken waarvan er 83 over plantkunde gingen, 19 over natuurgeschiedenis, en 49 hadden chemie als onderwerp. In 1787 bevatte de bibliotheek 1.000 boeken en dat was dankzij de toevoeging van de boeken van José Quer; in 1801 bereikte men dankzij de toevoeging van de boeken van Antonio José Cavanilles de 1.500 boeken en veel later kwamen er nog de boeken bij van Simón de Rojas Clemente, Mariano Lagasca, etc.

Momenteel bevat de bibliotheek ongeveer 30.000 boeken die in verband staan met plantkunde,

2.075 tijdschrifttitels, 26.000 folders of losse bladen, 3.000 titels op microfiches en 2.500 kaarten. Verder zijn er voorzieningen om het internet en de boeken te consulteren en gebeurlijk af te drukken op papier, men kan de microfiches en de microfilms, consulteren en men kan gebruik maken van een scanner..

4.3 Zaadbank

Sinds de oprichting van de tuin onderhoud men een uitwisseling van zaden met andere instellingen verspreid over de ganse wereld. De zaden die kunnen uitgewisseld worden verschijnen jaarlijks in een publicatie met de naam “Index Seminum” en die wordt verspreid onder 500 tuinen en onderzoeksinstellingen. In het begin van 1987, met de bouw van een koude kamer verbeterden de mogelijkheden voor de bewaring van de zaden.

5. Wetenschappelijke departementen

5.1 Departement van de Biodiversiteit en de Bewaring

Men werkt hier op alles wat met de plantaardige diversiteit en dan vooral met de vaatplanten uit het gebied van de Middellandse Zee, de tropen en de subtropen te maken heeft. Verder werkt men aan de evolutie van de kruising en de biologie van de waterplanten.

5.2 Departement van de paddenstoelkunde

Men ontwikkelt onderzoek met onderzoekers die werken op taxonomie, namenlijst, distributie, bewaring en ecologie van zwammen.

6. Website

De botanische tuin heeft een website en die kan men vinden op Real Jardin Botanico, de site is Spaans en Engelstalig.

Het Spoorwegmuseum van Madrid

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Het gebouw
  4. De collectie
  5. Website

1.Algemeen

Foto: voorgevel spoorwegmuseum in Madrid
Barcex

Het Spoorwegmuseum van Madrid is gewijd aan de bescherming en de studie van de Spaanse spoorwegen vanaf zijn begin tot in de huidige tijd. Het museum wordt beheerd door de “Fundación de los Ferrocarriles Españoles” en het wordt gesponsord door Adif, Renfe en de Regio Madrid. Het museum is te vinden in het station Delicias.

2. Geschiedenis

Tijdens de jaren 30 van de vorige eeuw bestonden er diverse spoorwegmaatschappijen in Spanje en zij begonnen met het verzamelen van locomotieven en andere voorwerpen die verbonden zijn aan de spoorweg. Dit werk werd in 1936 gestopt door het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog.

In 1948 vierde men de 100 jarige verjaardag van de eerste spoorweg op het Iberische schiereiland die liep van Barcelona naar Mataró. Men organiseerde toen een herdenkingstentoonstelling waarop er verschillende voorwerpen en locomotieven werden tentoongesteld. Toen ontstond er ook het idee voor de oprichting van een museum. In 1964 toen men de 100 jarige verjaardag vierde van de lijnen tussen Madrid en Zaragoza en Madrid en Irún begon ook Renfe belangstelling te tonen voor het idee.

In 1967 opende men dan het eerste spoorwegmuseum in Spanje. Dat museum kwam in het Palacio de Fernán Núñez in Madrid (de huidige zetel van de Stichting van Spaanse Spoorwegmuseum). Verdeeld over vier zalen herbergde het museum modellen, gravures en kleine voorwerpen die verbonden waren aan de geschiedenis en uitbating van de spoorweg.

Het museum bleef in dat gebouw tot in 1983 toen het verhuisde naar het Madrileens station Delicias. Dit station was gesloten in 1971 maar in 1969 was het al gesloten voor passagiers. Deze nieuwe ruimte liet toe om de collectie van het museum te vergrootten waaronder het tentoonstellen van echte treinen in het grote schip van het station.

Als gevolg van een storm op 10 september 2008 werd het station Delicias beschadigd aan het dak en in verschillende zalen. Uit voorzorg werd er besloten om het museum tijdelijk te sluiten. Tijdens deze periode werden er een technische studie uitgevoerd naar de staat van het station en werd de aktiviteit van het museum verder gezet in het Nationaal Museum voor de Wetenschap en Techniek. Momenteel is het museum terug open.

3. Het Gebouw

Het station Delicias maakt zelf ook deel uit van de geschiedenis van de spoorweg in Spanje. Het is een duidelijk voorbeeld van architectuur met ijzer zoals hij gebruikt werd in de negentiende eeuw. Het station werd ingehuldigd in 1880 en het was het eerste station in Madrid dat een metalen structuur had.

Het werd ontworpen door de Franse architect Émile Cachelièvre en de bouw duurde slechts 14 maanden.

Foto: binnenin het museum
Apfel51

Het belangrijkste element is de grote luifel die toeliet om de passagiers te beschermen tegen de stoom van de stoomlocomotieven. Aan beide zijden van de luifel zijn er twee ruimtes, aan de linkerzijde bevinden zich kantoren, twee wachtzalen en de hal. Aan de rechterzijde bevinden zich de aankomstruimte, kantoren en rijtuigen.

4. De Collectie

4.1 De tractie zaal

Stoomtractie

Het materiaal uit de stoomperiode overheerst de andere soorten tractie maar dat is te wijten aan de lange levensduur van het stoommateriaal in Spanje (1848-1975). We zien hier verschillende soorten locomotieven:

  1. Mikado.
  2. Pacific.
  3. Confederación.

Elektrische tractie

Er worden locomotieven tentoongesteld uit de periode 1907-1963. We zien hier locomotieven uit de reeksen 6100, 7300, 7400, 7500 en 10000.

Diesel tractie

Onder de tentoongestelde locomotieven vinden we de “Marilyn”, de eerste diesel – elektrische locomotief. We hebben hier ook een motorwagen TAF (Trein Automotor Fiat) welke gebouwd is in 1952.

Foto: panoramisch rijtuig van de Talgo
Panhard

In dit deel verdient de Talgo II met de diesellocomotief “Virgen de Aránzazu” een speciale vermelding. De trein werd gebouwd in 1949 voor ACF en het was de eerste Talgo samenstelling in commerciële dienst.

4.2 De andere zalen

De zaal met de klokken

Het zijn voorbeelden van de klokken die altijd worden gebruikt in de stations. Onder de stukken vinden we de klok die gebruikt werd voor het vertrek van de eerste trein op het Iberisch schiereiland.

De zaal van de reizen

Hier vinden we kastje, biljetten, treinkaartjes, reisgidsen, kaarten van Borox, enz.

De zaal Faustino García Linares

Deze zaal is gewijd aan de verschillende typische spoorwegberoepen. Men kan hier ook genieten van een hapje en een drankje.

De zaal met de modelspoorbaan

Hier is een eigen ruimte voor modeltreinen en schaalmodellen. We zien hier ook een verzameling lantaarns, klokkennaambordjes van locomotieven en andere voorwerpen die verbonden zijn met de spoorweg. Hier staat ook de kleinste stoomlocomotief die ooit in Spanje (Jerez de la Frontera) gereden heeft.

Het seinhuis van Algodor

Dit seinhuis stamt uit 1927 en het was in gebruik door de spoorwegmaatschappij MZA. Het was in dienst tot in 2000 toen het vervangen werd door een elektronisch seinhuis. Het seinhuis was in dienst op de lijnen van Toledo naar Castillejo en van Madrid naar Ciudad Real.

Er waren 110 hefbomen, 70 voor seinen en 40 voor wissels. De hefbomen werkten met waterdruk. Het is het enige seinhuis van zijn soort dat nog bewaard is in Spanje.

Zaal van de Infrastructuur

Zij werd ingewijd in december 2005. Zij toont interactief de spoorweginfrastructuur, seininrichting, communicatiemiddelen en techniek. Hier toont men de evolutie in de infrastructuur vanaf de negentiende tot in de eenentwintigste eeuw.

5. Website

De website van het museum kan je vinden op Museo del Ferrocarril de Madrid, enkel in het Spaans.

Eten en drinken in Spanje

Eten en drinken in Spanje is geen probleem, de meeste bars serveren ook altijd wel iets te eten maar denk er aan, uit eten gaan in het noorden van Spanje is iets anders dan in het zuiden of in het centrum van het land.

Als we nog maar kijken hoe de gemiddelde Spanjaard zijn dag verdeeld wat zijn voeding betreft is het totaal anders dan wij in het koude noorden gewoon zijn.

De dag start met de “desayuno”, dat is het ontbijt, en op het eerste zicht geeft dit niet voldoende energie om te overleven tot aan het middagmaal. Het ontbijt bestaat uit “cafe con leche”, koffie met zeer veel melk en brood, toast of “churros”, gefrituurde stokjes met suiker op.

Foto: churros, een favoriet Spaans ontbijt
Dominik

Omdat dit niet genoeg is tot aan het middagmaal neemt praktisch iedereen tussen 10.00 en 11.30 een tweede ontbijt. Dit ontbijt is meestal een koffie met een zoet broodje of “pan con tomate” en dat is brood met tomaat. Er is ook nog de mogelijkheid om een “bocadillo” te nemen en dat is een broodje met beleg.

Krijgt men na dit alles toch nog honger en moet men iets eten voor het middagmaal dat tussen 14.00 en 15.00 genomen wordt dan is er nog altijd nog de tapabar.

De “comida” is het middagmaal en bestaat uit minstens 3 delen, een voorgerecht, een hoofdgerecht en en een nagerecht.  Het voorgerecht is meestal een soep, een gerecht met eieren, een salade en is dan gevolgd door het hoofdgerecht met vis of vlees en met aardappelen en daarna is er nog een nagerecht dat dikwijls een stuk fruit of een pudding is.

In de late namiddag, zoiets van tussen 17.00 en 19.00 is er de “merienda”, een licht maal of een snack. Daarom lopen de tapabars terug vol tot ongeveer 20.00.

In de grote steden kan het avondmaal eerst om 23.00 geserveerd worden dus heeft men iets nodig tussen het middagmaal en het avondmaal. Behalve als men buitenshuis eet is dit maal veel lichter dan het middagmaal.

Ook de gerechten zijn verschillend, van bonenschotels in Asturië tot gerechten met nog altijd een Moorse invloed in Andalusië. Heb je interesse om Spaans te koken, kijk dan eens op Leven in Spanje, je kan hier een 300 traditionele recepten vinden van de plattelandskeuken.

Naast eten is er ook drinken en dan denken we in de eerste plaats aan de Spaanse wijn. Maar er is veel meer beschikbaar, met en zonder alcohol. Dikwijls zijn er ook verfrissende dranken beschikbaar om gemakkelijk de zomer door te komen. Meer informatie over Spaanse dranken kan je vinden op Spaanse Dranken en op Op Café.

Als we in Spanje naar een café gaan dan kan het iet of wat moeilijk zijn om de juiste bestelling te geven. Neem nu een gewone koffie, een koffie met melk is geen café con leche maar het is een cortado. Een café con leche is een koffie met véél melk. Meer informatie over op café gaan kan je vinden op Op Café.

Spanje is een groot land en er is niet één Spaanse keuken maar er zijn tal van regionale keukens. Over deze regionale keukens kan je meer lezen op de Culinaire Rondrit.

Foto: fabada asturiana
Juan J. Martínez

Een typische Spaanse drank is wijn en je kan meer informatie vinden over de Spaanse wijn op Spaanse Wijnen.

Spanje een wijnland, ja maar ook een bierland. Een korte rondrit door de geschiedenis van het bier in Spanje.

Vegetarische gerechten worden steeds populairder maar hoe pak je dit aan in een ander land en je kent de plaatselijke keuken niet zo best. Je kan meer informatie hierover vinden op overleven als vegetariër.

Bier in Spanje

  1. Algemeen
  2. Hispanië: ‘Caelia’ en ‘Cerea’
  3. Bier tijdens de Middeleeuwen
  4. Bier aan het hof van de Habsburgers en de Bourbons
  5. De negentiende eeuw
  6. De industriële productie
  7. De twintigste eeuw
  8. Industriële evolutie van bier
  9. Er zijn nieuwe bierbrouwers en bierimporteurs
  10. De toegenomen vraag en de teruggang
  11. Momenteel
  12. Het bierverbruik in Spanje
  13. De Spaanse bieren
  14. Spaanse bierfeesten

1.Algemeen

Het klinkt voor ons raar in de oren dat in een wijnland zoals Spanje er ook bier gedronken wordt en dat bier hier zelfs populair is. De meeste van mijn Spaanse vrienden drinken trouwens bier met een dagschotel in een restaurant.

Foto: biertje met een tapa
Xemenendura

Wat komt een artikel over bier dan op een toeristische site doen hoor ik u vragen, wel het antwoord is simpel, er zijn hier in Spanje tal van bierfeesten die de moeite waard zijn. Men kan hier trouwens zijn kennis van het Spaanse bier verbeteren.

De geschiedenis van het bier in Spanje begint in de dorpen van het Iberisch schiereiland en het werd beschouwd als een gefermenteerde drank (gemaakt van granen) en het het verbruik van deze drank was heel gewoon. Men noemde deze drank toen ‘caelia’.

De daarop volgende Romeinse periode op het schiereiland bracht de “caelia’ naar het tweede plan en de voorkeur ging toen uit naar gefermenteerde dranken maar dan op basis van druiven zoals de wijn. Met het verstrijken van de eeuwen geraakt de drank in de vergetelheid en het is wachten tot in de zeventiende eeuw voordat wij terug een gebruik merken van de ‘caelia’.

Vanaf het midden van de negentiende eeuw, dankzij de industrialisering van Europa, werd het bier een populaire drank. Het bier moet dan wel de concurrentie aangaan met de dranken die toen ingeworteld waren in de Spaanse maatschappij zoals de wijn, sterke drank en likeur en dan vooral de anijslikeur. Het gemak van de teelt van de wijnranken in het warme mediterrane klimaat en de mogelijkheid van een gemakkelijke bewaring van de wijn hadden als consequentie dat de productie van bier op een laag pitje stond.

Voorafgaand aan de negentiende eeuw waren er verspreid over Spanje geïsoleerde gevallen van brouwerijen. Maar het is wachten tot het midden van de twintigste eeuw vooraleer er betere technologieën beschikbaar kwamen om een hogere productie te krijgen. Dit gebeurde ook onder de druk van het toen opkomend toerisme en bier werd een populaire drank in veel Spaans bars.

Bier mag niet beschouwd worden als een vast gegeven met een uniek recept maar er bestaat een grote verscheidenheid aan bier. Het bier dat voornamelijk in Spanje geproduceerd wordt is het pilsbier en de reden hiervoor was dat tijdens het regime van Franco de prijs van het bier door het ministerie werd vastgelegd.

Die prijs was toen zo laag dat de brouwers niets anders konden doen dan het goedkope pilsbier te brouwen, bier van hoge gisting was met deze voorgeschreven prijszetting uitgesloten. Momenteel is deze reglementering al lang verleden tijd.

2. Hispanië: ‘Caelia’ en ‘Cerea’

Het proces begint met de fermentatie van een graan, meestal gerst, en er bestaan illustraties uit het oude Egypte en Babylonië over het gebruik van bier. Dit bier droeg de naam zythum en het werd gemaakt van gerst. Vanuit de Egyptische haven werd de drank verspreid over het Middellandse Zeegebied. Het bier kwam naar Europa door de Romeinen maar zijzelf beschouwden het als een drank van de barbaren en ten opzichte van de wijn was het een minderwaardige drank.

De benaming van het bier in Hispanië was zoals Plinius de Oude in zijn Naturalis Historia schreef, caelia. In zijn tekst schreef hij dat er drie soorten bier bestonden, de zythium, de caelia en de cerea maar hij beschreef niet wat de verschillen tussen die soorten waren. Het is mogelijk dat de caelia een gegiste drank was op basis van tarwe.

De schrijver en historicus Paulo Orosio beschrijft ‘caelia’ als een bedwelmende drank. De numantiërs dronken de caelia voor een gevecht en ze aten er half rauw vlees bij om hun vechtlust tegen de Romeinen op te wekken.

3. Bier tijdens de Middeleeuwen

Tijdens de Middeleeuwen is er op het Iberisch schiereiland een territoriale splitsing tussen het gebied met christelijke koninkrijken in het noorden en het musulmaanse gebied in het zuiden. Er is ook een culinaire splitsing tussen beide gebieden en bier was in geen van beide populair. Tijdens de Romeinse overheersing was de populairste drank wijn. De Visigoten handhaafden deze gewoonte tot aan de periode van Al’Andalus. Het is mogelijk dat de monniken in de abdijen ook op het schiereiland bier brouwden. Dit abdijbier verliet de traditionele formule met wilde gagel en rozemarijn en zij gingen hop gebruiken.

4. Bier aan het hof van de Habsburgers en de Bourbons

In Spanje is het bier tijdens de periode van Karel I en Filips de Schone afkomstig uit de noordelijke Europese landen. Karel I kwam in 1517 naar Spanje toen hij zeventien jaar was en hij was vergezeld van een Vlaams hof met gewoontes uit het noorden van Europa.

Foto: bier en wijn
Mover el Bigote

Het meest populaire bier in deze periode was het lagerbier en het verbruik was uitsluitend voor de behoeften van het hof. Tussen 1643 en 1791 verleende men aan bepaalde groepen de vergunning om bier te brouwen, te verkopen en te leveren. Deze productie was laag, ambachtelijk en zij diende wellicht om aan de vraag van het Habsburgse hof te voldoen. Het bier bleef in de kelders van het Koninklijk Alcazar van Madrid.

Keizer Karel I bleef ook na zijn troonsafstand bier drinken en hij liet naar het klooster van Yuste, waar hij verbleef, zijn favoriete bier, Mechelschen Bruynen brengen dat geimporteerd werd uit Vlaanderen. Ook in 1610 werd er aan het hof in Valladolid bier gedronken maar men weet niet welk bier, vermoedelijk zal het Vlaams of Frans bier geweest zijn. In 1616 heeft er een Vlaamse brouwer een brief aan het hof gericht met een kostenberekening voor het brouwen van bier.

In de kapel van de apostel Jacobus in de kathedraal van León is er een uitgehouwen fries in steen met de afbeelding van een hop bloem. De kapel werd gebouwd in de vijftiende eeuw.

In een schelmenroman uit de zestiende eeuw wordt er ook verwezen naar het drinken van bier in de plaatselijke pensions en tavernes.

Tijdens deze periode viel de verkoop van bier onder de Estanco, een winkel die het monopolie heeft op de verkoop van alcohol, tabak en postzegels, en voor dit privilege hebben Tomás de Ugarte en Daniel Morán jaarlijks 1.000 dukaten betaald. In 1712 waren er daardoor elf verkooppunten op de markten in Madrid. Koning Carlos III heeft in maart 1791 een decreet uitgevaardigd dat de toelating gaf voor de verkoop van bier uit nationale brouwerijen. Daardoor was er tijdens de achttiende eeuw een zeker verbruik van bier. Vanaf 1833 werd de markt voor het bier vrijgegeven voor bier van aangenomen brouwerijen. Tijdens de zeventiende eeuw werden er wel hoge nationale en stedelijke taksen op het bierverbruik geheven.

5. De negentiende eeuw

Tijdens de negentiende eeuw was het bierverbruik geconcentreerd in de stedelijke gebieden en het was uitsluitend de burgerij die bier dronk en dan vooral in de zomer. Dit is anders dan in de andere Europese landen waar het eerder de arbeidersklasse was die bier dronk.

De eerste plaatsen waar men bier op de traditionele manier gebrouwen schonk waren die van Felipe Costa en die van de weduwe Peter in Barcelona. De eerste brouwerijen gebruikten de technologie van de productie van ijs. Deze ijsfabrieken hielden het ijs in putten die gevuld werden in de winter met sneeuw. De technologie om ijs te maken bereikte zijn hoogtepunt in deze periode waarop ook de bierindustrie in de rest van Europa populairder werd.

In de jaren 1870 begonnen de Engelse brouwerijen gebruikt te maken van compressoren om koude te maken door middel van het Joule-Thomson effect. De kennis op het einde van de negentiende eeuw van de microbiologie ging verder en verder. In 1857 ontdekte Louis Pasteur de activiteit van gist in de fermentatie processen tijdens de productie van bier. Door deze ontdekking ontwikkeld hij iets dat een enorme invloed heeft op de bierproductie in de ganse wereld, de pasteurisatie. Dit is een methode die de levensduur van een product kan verlengen en het werd het eerst gebruikt voor bier en wijn. In 1833 kunnen Jean-François Persoz en Anselme Payen amylasa isoleren uit de mout.

De eerste brouwerijen in Spanje waren gevestigd in de buurt van havens zoals in Santander (1783) en Barcelona (1864). De noodzaak om broodnodige producten zoals hop te importeren maakte dit noodzakelijk. Bier dat industrieel gebrouwen werd kwam op een markt waar de bevolking niet gewoon was om bier te drinken en in het begin was dit geen groot succes.

De toenmalige drinkers van bier waren in die tijd voor inwoners van grote steden en het is vooral de burgerij die bier dronk in de zomer.

6. De industriële productie

Tijdens de regeerperiode van Amadeo van Saboya kwamen de eerste brouwerijen over het ganse Spaanse grondgebied en elke brouwerij geruikte de nieuwe technologieën.

In 1856 werd wat algemeen beschouwd werd als de eerste Spaanse industriële brouwerij opgericht. De stichter was de Elzasser Louis Moritz Trautmann en de brouwerij kwam in Barcelona. De productie van Moritz gaat gestadig omhoog en in 1864 bouwde men een grote brouwerij in de wijk Ensanche.

Ondertussen kwam een andere Elzasser, August Kuentzmann Damm in 1871 naar Barcelona en hij ging direct op zoek naar een aantal investeerders. In 1897 werd dan de Damm y Compañía opgericht.

Andere brouwerijen in Catalonië in die periode waren Cammany die gesticht werd in 1899 en La Bohemia werd gesticht in 1902. In 1893 stichtten Suardiaz en Bachmaier in Gijón de brouwerij “La Estrella de Gijón”. Dit bier won in 1898 de gouden medaille op de tentoonstelling van Gijón.

Diezelfde situatie deed zich voor in Madrid. De Elzasser uit Lorraine, Casimiro Mahou Bierhans verbleef in Madrid en richtte daar het bedrijf “Cerveza y Fábrica de Hielos” in 1890 op. Andere brouwerijen kwam er in de nabijheid van de havens en zo werd in 1886 de brouwerij “Cruz Blanca” in Santander opgericht. Voor 1901 waren er in Santander vier brouwerijen die hun producten ook naar Amerika exporteerden. De familie Kutz had zijn eerste brouwerij in 1888 in San Sebastián.

In de Spaanse koloniën werden ook brouwerijen opgericht en op de Filipijnen werd in 1890 door de zakenman Enrique María Barreto de Ycaza een brouwerij in de wijk San Miguel van Manilla opgericht. De wijk gaf haar naam aan de nieuwe brouwerij.

De zakenman uit Pamplona, Luis Ros richtte in 1900 de brouwerij La Cruz Azul op. Een groep van burgers begon in 1900 met de brouwerij La Zaragozana en het geld dat hiervoor nodig was kwam van hun activiteiten in de suikerhandel. In hetzelfde jaar begon Augusto Comas y Blanco in Madrid met de brouwerij “El Águila” en dat was de belangrijkste brouwerij tijdens de eerste decades van de twintigste eeuw. In Madrid waren er in het het begin van de twintigste eeuw vier brouwerijen: El Águila, Mahou, Santa Bárbara en La Princesa.

7. De twintigste eeuw

Tijdens de negentiende eeuw zijn de meester brouwers de modernste technieken gaan toepassen en kon de productie van bier met reuzenschreden vooruit gaan. Een ander belangrijk element in de twintigste eeuw was de productie van bieren met een lage gisting. Men gaf de klanten toen de keuze tussen gepasteuriseerd of niet gepasteuriseerd bier. In 1982 was de consumptie van bier gelijk aan die van wijn geworden. Sinds de jaren 1970 was er een teruggang in de consumptie van wijn ten gunste van bier.

8. Industriële evolutie van bier

In 1908 waren er in Madrid vier brouwerijen: El Águila, El Laurel de Baco, Hijos de Casimiro Mahou en Santa Bárbara. In Galicië richtten de kinderen van Rivera de brouwerij Estrella Galicia op en in 1906 was het José Rivera Corral, een immigrant die uit Mexico terugkeerde, die in La Coruña met de brouwerij “La Estrella de Galicia” begon. Het was een bedrijf dat bier en ijs produceerde.

Voorgevel van de brouwerij el Águila
Tamorlan

Als gevolg van de fusie in 1917 tussen La Cruz Blanca en La Austríaca de Cervezas kwam er een nieuwe maatschappij met de naam Cervezas de Santander, SA. Er waren twee brouwerijen in Santander en een in Valladolid. In 1924 begon de zakenman Cástor Gómez Navarro met een brouwerij in Las Palmas op de Canarische Eilanden en de brouwerij kreeg de naam, La Tropical. Door de Spaanse burgeroorlog ging de brouwerij failliet en ze werd overgenomen door een groep zakenlieden die met een nieuwe maatschappij begonnen, Sociedad Industrial Canaria: SICAL.

In Andalusië was er in 1925 een brouwerij met de naam Alhambra en in 1928 begon de zakenman Luis Franquelo Carrasco in Malaga de brouwerij Cervezas Victoria. Deze brouwerij nam een groot gedeelte van de markt in het zuiden van Spanje voor haar rekening. Zij moest deze markt delen met de de brouwerij La Cruz del Campo (CruzCampo) uit Sevilla die in 1904 gesticht was door de familie Osborne, exporteurs van wijn.

Tijdens de Spaanse burgeroorlog werden veel brouwerijen opgevorderd en ze veranderden van eienaar. De slechtste periode voor de productie van bier kwam er na het beëindigen van de vijandelijkheden. Het nieuwe regime droeg de bierindustrie geen goed hart toe. De basisingrediënten zoals gerst en hop waren soms moeilijk of soms helemaal niet te verkrijgen.

Een aantal brouwerijen zoals África Star die gesticht werd in Ceuta in 1953 door de maatschappij “Hijos de Joseph Damm” werd in zijn mogelijkheden beperkt door de onafhankelijkheid van Marokko in 1956. Het bedrijf stopte de productie in 1992. Een ander voorbeeld is de Cervezas El Alcázar die in 1921 in Jaén werd gesticht door de familie Puga. Dit bedrijf zette zijn activiteit ononderbroken voort van 1928 tot in 1985 toen het overgenomen werd door Cruzcampo.

9. Er zijn nieuwe bierbrouwers en bierimporteurs

De steeds groter wordende vraag naar bier in Spanje tijdens de laatste tientallen jaren van de twintigste eeuw trok de grote multinationals aan. Tevens werden er nieuwe vormen van verfrissing populair zoals de “claras”, een mengeling van bier en frisdrank. In 1957 tekende men het “Akkoord van Manila” met de voorzitter van de San Miguel Corporation, Andrés Soriano en zag het bedrijf “San Miguel, Fábricas de Cerveza y Malta, S.A.” het levenslicht. Verder komen er nieuwe bieren op de markt zoals het bier zonder alcohol. Op het einde van de twintigste eeuw is 7% van het bierverbruik in Spanje bier zonder alohol. De eerste brouwerij die in 1976 dit bier op de markt brengt is Cruzcampo. In Barcelona was tijdens de jaren zestig de Xibeca (fles van 1 liter) zeer populair. In 1985 kwam Spanje bij de Europese Gemeenschap maar geen enkele grote Spaanse bierbrouwer slaagde er in om een belangrijke speler op de Europese markt te worden.

In 1957 begon Carlsberg met de uitvoer van zijn bier naar Spanje. De bieren van Carlsberg worden aan het begin van de eenentwintigste eeuw in Spanje verdeeld door de tweede grootste brouwerij van Spanje: Mahou-San Miguel.

Op het einde van de twintigste eeuw hebben multinationale brouwerijen een stevige vinger in de pap in de Spaanse biermarkt. Zij hebben het grootste deel van het kapitaal in handen van Cruzcampo, (Guiness), El Águila (Heineken) en San Miguel (BSN-Danone). Enkel van de brouwerijen Damm en Mahou is de meerderheid van de aandelen nog in Spaanse handen.

In de eenentwintigste eeuw komen er brouwerijen zoals Sagra, zij brouwen in Toledo het Numancia de la Sagra. Op het einde van de twintigste eeuw verlaten de Spaanse brouwerijen hun perifere markten in Afrika en Zuid-Amerika om zich volledig te concentreren op de Spaanse thuismarkt.

10. De toegenomen vraag en de teruggang

Na een aantal moeilijke jaren tijdens de Franco periode kwam er langzaam aan een verandering in de Spaanse maatschappij. Smaken en gewoontes veranderden langzaam en tradities werden verlaten. Onder de druk van het toerisme werd in de jaren 1970 bier populairder. Door de betere technologieën in de productie en de distributie kwam bier beschikbaar in het ganse land.

De vraag naar bier groeide het sterkst tussen de jaren 70 en 90 van de vorige eeuw maar vanaf dat moment begint er een daling van de vraag. In 1996 produceert men in Spanje 5% minder dan in 1996 en de invoer kent eenzelfde teruggang. De globale tendens is dat de consumenten dranken verkiezen met een lager alcoholgehalte en met minder calorieën. Het drinken van bier in Spanje is voor een groot gedeelte nog altijd seizoensgebonden, de consumptie is het grootst tijdens de zomer en dat is anders dan in de traditionele bierlanden.

11. Momenteel

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is een van de grootste consumenten per hoofd de Tsjechische Republiek. In 2000 dronken zij 71,8 liter per inwoner maar vergeleken met de Duitsers is dat niets, de Duitsers drinken 128 liter per hoofd. Op de Spaanse markt komen er stilletjes aan andere biersoorten maar het populairste bier is nog altijd het pils bier.

Nu verschijnt er een nieuw concept op de Spaanse markt, de microbrouwerij en de brouwerijcafés. Dit zijn brouwerijen die op traditionele wijze bier brouwen en daardoor krijgt men een groter aanbod van smaken en geuren van het bier.

12. Het bierverbruik in Spanje

Elke Spanjaard verbruikte in 2009 48,3 liter bier en dat is een daling met 4,7% ten opzichte van 2009. Deze daling komt voornamelijk door de daling met 5,9% in de horeca.

Deze cijfers komen van de “Informe Socieconómico del sector de la cerveza en España”, een document van de Spaanse Brouwers (Cerveceros de España).

66% van het totale verbruik van bier gebeurt in de horeca en deze daling in het verbruik is de eerste sinds 2006 en komt volledig voor rekening van de economische recessie. Ook het verbruik in de eigen woning is voor de eerste maal in de geschiedenis gedaald met 1,9 %.

De bierindustrie in Spanje heeft in 2010 een omzet gehad van 3.126 miljoen euro. Hiermee staat Spanje op de vierde plaats in Europa na Duitsland, Groot-Brittannië en Polen. Momenteel zijn er 225.000 arbeidsplaatsen in de Spaanse bierindustrie.

In 2010 heeft Spanje bier uitgevoerd naar meer dan 70 landen waaronder Italië, Groot-Brittannië, en Portugal.

Wat de grondstoffen betreft verbruiken de Spaanse brouwerijen praktisch de ganse Spaanse productie van mout. De zeven mouterijen hebben zo een omzet van 141 miljoen euro. In het geval van de hop staat Spanje in Europa op de zesde plaats van de hop productie.

In 2010 is er 32,5 miljoen hectoliter verkocht.

Dat de achteruitgang van de bierverkoop niet groter was is te danken aan de Wereldbeker Voetbal en de lichte stijging van het toerisme in dat jaar.

De productie en de consumptie van bier zonder alcohol is in Spanje hoger dan in de rest van de Europese Unie en dat zou te wijten zijn aan de hoge kwaliteit van dit bier, de verkoopcijfers gaan rond de 10%.

13. De Spaanse bieren

Om alles overzichtelijker te maken wordt aan deze rubriek een blog, Spanje in een notendop, gekoppeld om de gegevens gemakkelijker beschikbaar te stellen. Kijk on Categorieën en daar kan je tal van rubrieken vinden over het Spaanse bier.

14. Spaanse bierfeesten

Hier komt een agenda te staan van alle bierfeesten die er in Spanje zijn zodat u ze tijdens uw verblijf kan bezoeken. Maar door de maatregelen in verband met het coronavirus gaat er momenteel geen bierfeest in Spanje door.

Surfen in Spanje

  1. Een overzicht
  2. De beste plaatsen in Spanje en Portugal om er te surfen
  3. De website

1.Een Overzicht

Foto: surfen op de Canarische Eilanden
Iván Hernández Cazorla

“Catch a wave and you´re sitting on top of the world, Neem een golf en je zit op de top van de wereld”. Dat is een stukje tekst van de Beach Boys en het zegt perfect wat surfen is en de kans is groot dat je dat gevoel aan de Spaanse kust kan vinden. Sommige van de beste surf, windsurf of kite surfplaatsen liggen aan de Spaanse noordkust tegen Frankrijk, in de zuidelijke regio Andalusië en op de Canarische Eilanden.

De Golf van Biskaje is een inham van de noordoostelijke Atlantische Oceaan die in het zuidwesten van Frankrijk en in het noordoosten van Spanje ligt. De ondiepe wateren zijn bekend voor hun uitzonderlijk ruwe omstandigheden.

In de regio Andalusië, dichtbij de Straat van Gibraltar vinden we in de provincie Cadiz het dorpje Tarifa, een prachtige Spaanse surf en windsurf bestemming. Tarifa ligt waar de Middellandse Zee in de Atlantische Oceaan overgaat en men heeft er prachtige zichten op het Rifgebergte in Marokko.

De wind is aan de zuidkust van Spanje uitzonderlijk constant en dat maakt de surfmogelijkheden ideaal voor zowel beginners als voor gevorderden. De stranden en de kustlijn van Tarifa zijn reeds een paradijs voor natuur en vogelliefhebbers maar ook paardrijden, zeilvliegen, kite-surfen, duiken en bergbeklimmen kan men hier in de streek rond Tarifa vinden.

Tenerife op de Canarische Eilanden of de Marokkaanse kust is de derde maar ook de meest exotische plaats in Spanje om er te gaan surfen. De energie die vrijkomt als de wateren van de Atlantische Oceaan op de vulkanische rotsen botsen wordt omgezet in grote golven, uitermate geschikt om er te surfen.

Een koude waterstroom aan de Canarische Eilanden samen met de jaarrond sterke winden maakt het hier een ideale plaats om er te surfen en kitesurfen. El Medano, El Cabezo en La Jaquita zijn de beste plaatsen op Tenerife. De zomer is het populairste seizoen om er te surfen of om er lessen te volgen. Er zijn hier voldoende scholen beschikbaar waar zowel beginners als gevorderden terecht kunnen.

2. De beste plaatsen in Spanje en Portugal om er te surfen

Surfen in Andalusië
Tussen de steden Tarifa en Cádiz, aan de Costa Gaditana, vinden we interessante plaatsen om er te surfen en dan vooral de stranden van Yerbabuena, Barbate, El Palmar, Conil en Cádiz. 

Surfen in Portugal
Ook Portugal staat hier tussen omdat haar kustlijn volledig ingesloten ligt door de Spaanse kustlijn en de golven stoppen niet aan grenzen. Haar lange kustlijn met uitzicht op de Atlantische Oceaan en zijn stranden met steile kliffen geeft de surfer een plaats met internationale allure. 

Aan de Algarve: de stranden van Falesia-Vilamoura, Praia da Rocha en Lagos.
Van de Kaap San Vicente naar het noorden: de stranden Sagres, Carrapateira, Arrifana, Amado, Odeceixe, Malhao, Sines, Carcavelhos, Praia do Guincho, Estoril, Ericerica (prachtig), Peniche (praia de Supertubos), Nazaré, Buarcos, Praia de Mira, Da Barra, Esmoriz, Espino, Matosinhos, Leça, Aguçadoura, Viana do Castelo… Het zijn zoveel stranden dat ik er wel een aantal vergeet.

Surfen in Galicië
Hetzelfde kan ook gezegd worden van de kust in Galicië. Zijn inhammen, baaien en kliffen creëren een ideaal landschap om er golven te maken.

We vinden de stranden in Pato, Soesto, Ponte da Ria, Pantín, Peizas, Malpica, Montalvo, Valcobo, A Lanzada, San Cosme, Bastiagueiro, Campelo, Fornos, Cobas, El Seijo, Coprinos, Melide, Ponte da Ria, Rinio, Aguieira, Balieiro-Corrubedo, El Baleo, Nemiña, Praia de Traba, Sabon, Foz, enz.

Surfen in Asturië
Een groot aantal vissersdorpen en een indrukwekkende landschap, dat is Asturië. Ook hier zijn er een aantal plaatsen waar men goed kan surfen.

We vinden de stranden op Tapia de Casariego, Santa María, Espartal, Salinas, de kade van Gijón, de vermaarde Rodiles, El Mongol, Luanco, Peñarronda, Otur, Andrin, Vidiago, Ribadesella, Xagó, Los Cubos, enz.

Surfen in Cantabrië
Hier voelt men zich zeker thuis met zijn stranden en zijn golven en dat voor zowel beginners als voor gevorderden. Vriendelijke mensen, prachtige natuur en een goede keuken.

We vinden de stranden op: Playa de Merón, Oyambre, Comillas, Liencres, Ría de Suances, Covachos, El Brusco, Los Locos, Laredo, El Sardinero, Galizano, Delangre, Ajo, Berría, Matalenas, El Muro, enz.

Surfen in het Baskenland (País Vasco)
Misschien de populairste surfregio in Spanje. Hier vinden we de legendarische golf van Mundaka waarvoor surfers uit de ganse wereld naar het Baskenland komen. Ook internationale wedstrijden worden hier ingericht.

We vinden de stranden op: Sopelana, Zarautz, Gros, Aizkorri, Kamarrako, Iztiar, La Galea, Jefrys, Bakio, Deba, Meniakos, Orrua, Laida, Arrigunaga, Gaztetape, Izaro (magnífiek) en tal van andere plaatsen.

De Spaanse surffederatie heeft een aantal scholen een officiële erkenning gegeven en die kan je hier vinden.

3. De website

De website van de Spaanse surffederatie kan je vinden op FESURF.

Museum van de Marine in Madrid

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Filialen

1.Algemeen

Het marine museum van Madrid is eigendom van de Spaanse staat en het bevindt zich op de benedenverdieping van het Hoofdkwartier van de Marine, in de Paseo del Prado 5, 28014 Madrid.

Foto: gevel van het museum
Luis García

Het museum wordt beheerd door het ministerie van landsverdediging en het bestuur van het museum wordt verzekert door de Admiraal, Stafchef van de Marine en een Koninklijke Raad.

Het doel van het museum is het verwerven, bewaren, onderzoeken, rapporteren en tentoonstellen van stukken en waardevolle collecties op historisch, artistiek, wetenschappelijk of technisch gebied die in verband staan met de maritieme activiteiten van de marine.

Deze collecties hebben daarnaast ook een studie en wetenschappelijk doel maar zij moeten ook de maritieme geschiedenis van Spanje in de schijnwerpers plaatsen, het bewaren van de tradities en het maatschappelijk maritiem bewustzijn bevorderen.

2. Geschiedenis

De oorsprong van het Marine Museum gaat terug tot 28 september 1792 dankzij een initiatief van Antonio Valdés y Fernández Bazán, Secretaris van de Marine van koning Carlos IV.

Daarom werd de kapitein van de marine, Josef de Mendoza y Ríos naar Frankrijk en Groot-Brittannië gestuurd om er boeken, kaarten en andere voorwerpen voor de bibliotheek aan te kopen. De luitenanten van de marine Martín Fernández de Navarrete, José de Vargas Ponce en Juan Sanz y Barutell werden naar een aantal Spaanse archieven gestuurd om er de stukken te kopiëren die in verband stonden met de marine.

De vervanging van Valdés als hoofd van het ministerie maakte het onmogelijk om verder te werken aan het project. Het materiaal dat al verzameld was werd overgemaakt aan de Hydrografische Dienst en de wetenschappelijke instrumenten gingen naar het Koninklijk Instituut en de Sterrenwacht van de Marine.

Vele jaren later, in 1842, werd onderluitenant van de infanterie Ramón Trujillo Celari aangesteld als hulp bij de Junta del Altamirantazgo om het decreet van Valdés te actualiseren.

Het Marine Museum werd voorlopig geopend op 19 november 1843 door koningin Isabel II in het Palacio de los Consejos, in de calle Mayor de Madrid. Dit is momenteel hoofdkwartier van de Militaire Regio Centrum.

Met de toename van de fondsen werden de collecties verplaatst naar een nieuw pand, het Casa del Platero, in de calle Bailén, tussen het Koninklijk Paleis en de verdwenen kerk van Santa María de la Almudena.

Door de dreigende instorting van dit gebouw werd het museum in 1853 terug verplaatst en deze maal ging het naar het Paleis van de Ministers, het oude huis van Godoy tot in 1807 op de plaza de la Marina Española. Het museum werd voor het publiek heropend op 27 november 1853 door koningin Isabel en verschillende leden van de regering.

In moeilijke omstandigheden werd het museum nogmaals heropend in oktober 1932 in het voormalige Ministerie van de Marine, het huidige Hoofdkwartier van het Leger. Het was Schout-bij-Nacht Julio Guillén Tato, directeur van het museum tussen 1933 en 1972, die het museum nieuw leven inblies.

Foto: detail op de voorgevel van het museum
M.Peinado

De oorsprong van het museum is zeer divers en zij is grotendeels te danken aan giften van het koninklijk huis, het oude ministerie van de marine, de verdwenen academie van de zeevaart kadetten, de verscheidene departementen van de marine, de oude marinebasissen op de Filipijnen en Cuba, de Hydrografische Dienst, het Koninklijk Instituut en de Sterrenwacht van San Fernando en het Hydrografisch Instituut van Cádiz. Verder waren er nog talloze particuliere giften.

De tentoonstellingszalen van het museum zijn chronologisch gerangschikt en bevatten de collecties van de marine vanaf de vijftiende eeuw tot op heden.

Onder hen zien we de kaart van Juan de la Cosa, de oudste kaart van het Amerikaanse continent die bewaard is gebleven.

3. Filialen

Naast het museum in Madrid zijn er nog filialen van het Marine Museum en die bevinden zich op de Canarische Eilanden, in Cartagena, Ferrol en San Fernando. Verder zijn er de maritieme musea Torre del Oro in Sevilla en het Archief Museum Don Álvaro de Bazán in Viso del Marqués (Ciudad Real).

3.1 Het Marinemuseum op de Canarische Eilanden

Het Marinemuseum op de Canarische Eilanden situeert zich in het Arsenaal en men toont er sinds zijn oprichting in 1940 de geschiedenis van de zeevaart en andere scheepvaart gerelateerde onderwerpen op de Canarische Eilanden.

In 1996 is men begonnen om fondsen te verzamelen om er schepen en gebouwen mee aan te schaffen en het museum is definitief geopend op 7 maart 2002.

De tentoonstellingsruimte wordt gevormd door de centrale hal en zeven permanente zalen en daarnaast zijn er grote open ruimtes op het Militair Arsenaal. Alle zalen dragen de naam van een admiraal behalve de zaal die gewijd is aan de Infanterie van de Marine die de naam draagt van de oude kazerne in de Barranco de Guanarteme, de Soldado Manuel Lois.

De grote inkomhal is gewijd aan de geschiedenis van de Marine op de Canarische Eilanden en dan vooral op Gran Canaria, waar er vanaf 1918 het hoofdkwartier van de Marine werd ingericht op de huidige zetel op de Plaza de la Feria. Na zes jaar werken op de kade van Nuestra Señora del Pino opende in 1949 het Militair Arsenaal en kwamen er brandstoftanks in de haven van Las Palmas.

Onder de tentoongestelde stukken bevinden zich historische vlaggen van de Ayudantías de Marina de Villacisneros, El Aiún en La Güera.

In de zaal Méndez Núñez toont men pakken en duikpakken voor het werk op grote diepte. Van bijzonder belang is de machine die gebruikt werd om lucht in duikpakken te pompen en die gefabriceerd werd in Londen in 1914.

Het Korps Mariniers is vertegenwoordigd met wapens, uniformen en materiaal.

Het museum bezit scheepsmodellen uit de achttiende eeuw zoals de San Juan Nepomuceno, waarop de admiraal Churruca overleed, de Santa Ana en de San Felipe. Daarnaast zijn er modernere modellen zoals dat van de Juan Sebastián de Elcano. De zaal Jorge Juan is gewijd aan de schepen die ingezet werden op de Canarische Eilanden.

Adres: Arsenal de Las Palmas. León y Castillo, 316, 35007. Las Palmas de Gran Canaria

Openingstijden: van maandag tot vrijdag van 10:00 tot 13:00

Inkom: gratis., maar men verwacht een vrijwillige bijdrage van € 3

3.2 Het Marinemuseum van Cartagena

Het Marinemuseum van Cartagena heeft onlangs een nieuwe locatie gekregen en we vinden het museum nu in het hart van de stad. Het ligt nu in een historisch gebouw uit de achttiende eeuw en het is het oude kwartier voor dwangarbeiders en slaven, een werk van de militaire architect Mateo Vodopich. Sinds de bouw van het kwartier in 1786 had het gebouw verschillende bestemmingen zoals het Staatsgevangenis (1824), Gevangenis (1910) of tijdens de Spaanse burgeroorlog was het gebouw het hoofdkwartier van de Marine. Na een overeenkomst tussen het ministerie van Defensie, de overheid van de autonome regio Murcia en de Polytechnische Universiteit van Cartagena (2005) wordt het gebouw gedeeld tussen de universiteit en het marinemuseum. Het museum vinden we op de benedenverdieping van het gebouw.

Het museum bevat collecties van verschillende aard en uiteenlopende soorten gekoppeld aan de verschillende vakgebieden en disciplines van de militaire geschiedenis, de scheepsbouw en de arsenalen, nautische wetenschappen, artillerie, oorlog met mijnen, gezondheid, uniformen en vlaggen, muziek, schilderijen, duikboten, schepen en de geschiedenis van het gebouw.

Onder de meest onderscheiden stukken vinden we de nalatenschap van luitenant Isaac Peral, het prachtige model uit de achttiende eeuw van de Septentrión en de collectie gereedschappen uit de scheepsbouw.

Adres: Paseo de Alfonso XII, s/n Dársena Botes. 30201. Cartagena. Murcia

Openingstijden: van dinsdag tot zondag van 10:00 tot 14:00

Inkom: gratis, maar men verwacht een vrijwillige bijdrage van € 3

3.3 Het Marinemuseum van Ferol

Het marinemuseum van Ferol werd ingehuldigd op 5 maart 1986. Het museum ligt binnen de marinebasis van Ferrol, in het oude kwartier voor dwangarbeiders dat bekend staat San Campio.

In 1749 begon men met de bouwwerken voor de scheepswerf van Esteiro en in 1750 lmet de bouw van de marinewerf van Ferrol. Ondertussen bleef La Graña in functie tot de beide projecten in 1770 waren voltooid.

Tussen de modellen die bewaard zijn gebleven vinden we het fregat Santa María Magdalena, met 34 kanonnen dat van stapel liep in 1773 in Ferrol. Een zware storm veroorzaakt het zinken in de Vivero van de brik Palomo. Meer dan 500 mensen verliezen hierbij hun leven. Een aantal voorwerpen van deze gebeurtenis zijn nu te bezichtigen in de zalen van het museum.

Andere modellen met een groot belang zijn die van het opleidingsschip Galatea en die van het schip San Carlos Real van Spanje. Daarnaast is er een grote collectie van vissersschepen en schepen voor de kustvaart.

Een van de zalen is gewijd aan de School voor Elektronica en Transmissie van de Marine.

Adres: Avenida Irmandiños s/n. Cantón de Molíns, 15490. Ferrol. A Coruña.

Openingstijden: van dinsdag tot vrijdag van 09:30 tot 13:30, zaterdag en feestdagen van 10:30 tot 13:30

Inkom: gratis, maar men verwacht een vrijwillige bijdrage van € 3

3.4 Het Marinemuseum van San Fernando

Het Marinemuseum van San Fernando ligt in het oorspronkelijk gebouw van de Intendance en het College van de Marine en het is vandaag de School voor Onderofficieren van de Marine. Het museum werd ingehuldigd op 27 maart 1992, in een neoklassiek gebouw uit 1798. Aan de binnenzijde van het gebouw zien we een ronde binnenplaats We zien hier acht ionische zuilen die toegang geven tot twee wenteltrappen die versierd zijn met tegels uit Delft uit de achttiende eeuw.

In zijn 19 zalen toont het museum modellen van schepen uit verschillende periodes, nautische instrumenten, portretten, gravures, uniformen en decoraties.

Tussen de stukken bevindt zich een kanon van de vloot van Fernando VII, een kruik uit keramiek uit de vijfde of vierde voor Christus, een bronzen kanon dat in Napels in 1697 gemaakt werd en het boegbeeld van het opleidingsschip Juan Sebastián de Elcano.

Het museum toont ook portretten van zeelui en modellen van schepen die deelnamen aan de Slag van Trafalgar naast voorwerpen en documenten die verbonden zijn aan de Slag van Chiclana.

In de zalen die gewijd zijn aan de Onderzeeërs en de Luchtvaart vinden we torpedo’s, schilderijen en documenten over Isaac Peral en Narciso Monturiol en verschillende modellen van vliegdekschepen zoals de Dédalo en de Príncipe de Asturias.

Andere ruimtes van het museum zijn gewijd aan het korps Mariniers, de uniformen en de ereteks van de Marine in de twintigste eeuw

Adres: Calle Escano, 11100. San Fernando. Cádiz.

Openingstijden: van dinsdag tot vrijdag van 10:00 tot 14:00, zaterdag en zondag van 10:30 tot 14.00. Juli en augustus van woensdag tot vrijdag van 10:00 tot 13:00

Inkom: gratis, maar men verwacht een vrijwillige bijdrage van € 3

3.5 Het Marinemuseum in de Torre del Oro

Op voorstel van het Patronaat van het museum beval het Ministerie van de Zeemacht dat het museum op 21 maart 1936 naar de Torre del Oro werd overgebracht. In september 1942 begon men met de restauratiewerken en men verbeterde vooral de gevel van de toren. Daarnaast maakte men de verdiepingen op het gelijkvloers en de eerste verdieping klaar als tentoonstellingsruimtes.

Deze toren is een uitkijktoren uit de periode van Almohaden uit de dertiende eeuw en hij maakte toen deel uit van de vestingmuur van het Alcázar. Hij diende verder als bolwerk in de verdediging van de haven en van de Barcas brug.

De benedenverdieping is gewijd aan Sevilla en de rivier de Guadalquivir en zijn monding, aan de visvangst en de scheepswerven en aan de grote bedrijven die actief waren in de scheepswerven.

Op de eerste verdieping vinden we de geschiedenis van de marine uitgebeeld met olieverfschilderijen en prenten uit de achttiende en de negentiende eeuw. Het zijn afbeeldingen van figuren die verbonden zijn met de marine zoals Fernando de Magallanes, Juan Sebastián de Elcano, Dionisio Alcalá Galiano en Juan Bautista Topete.

Adres: Paseo Cristóbal Colón, s/n, 41001. Sevilla.

Openingstijden: van maandag tot vrijdag van 09:30 tot 19:00, zaterdag en feestdagen van 10:30 tot 18:45

Inkom: gratis, maar men verwacht een vrijwillige bijdrage van € 3 , studenten en gepensioneerden € 1,50, maandag inkom vrij

3.6 Het Archief-Museun Álvaro de Bazán

Het Archief-Museun Álvaro de Bazán vinden we in het renaissance paleis van de Markiezen van Santa Cruz in Viso del Marques (Ciudad Real). Het paleis had zwaar te lijden onder de Franse invasie en bezetting en het gebouw werd vervolgens gebruikt als graanschuur, school en gevangenis tot in 1948. Dankzij de relatie tussen de familie van de markiezen van Santa Cruz en de Marine werd het gebouw ter beschikking gesteld van de marine voor de symbolische prijs van een peseta per jaar voor een huur van 90 jaar. De marine restaureerde het gebouw en bracht er het Algemeen Archief van de Marine in onder. Het archief bevat 80.000 dossiers over de geschiedenis van de marine vanaf 1784 tot aan de burgeroorlog.

Het paleis werd gebouwd tussen 1564 en 1586 in opdracht van Álvaro de Bazán, de eerste Markies van Santa Cruz en Admiraal van de Marine. Door zijn lange verblijf in Italië en beïnvloed door deze periode huurde hij een groep Italiaanse artiesten om dit werk mede uit te voeren. De ligging van het paleis beantwoorde aan de wens van de admiraal om zijn paleis te bouwen op een strategische ligging en op een gelijke afstand tussen het koninklijk hof in Madrid en de basis van zijn troepen in Cádiz, Cartagena en Lissabon.

De buitenkant van dit paleis heeft niet de schoonheid en de artistieke rijkdom die binnenin het gebouw te vinden is. Het paleis heeft twee verdiepingen en de meerderheid van de kamers, evenals de galerijen boven en beneden zijn versierd met fresco’s. De muurschilderingen tonen fragmenten uit de klassieke mythologie, de Romeinse geschiedenis, familie- en religieuze taferelen.

Adres: Plaza del Pradillo, 12, 13770 Viso del Marqués, Ciudad Real.

Openingstijden: van dinsdag tot zondag van 09:00 tot 13:00 en van 16:00 tot 18:00. Juli en augustus van dinsdag tot zondag van 09:00 tot 14:00. Gesloten op 16 juli.

Inkom: gratis, maar men verwacht een vrijwillige bijdrage van € 3