De koninklijke kloosters van San Millán de Yuso en San Millán de Suso

  1. Algemeen
  2. Legende van de stichting van het klooster
  3. Het klooster van San Millán de Yuso
  4. Bezienswaardigheden
  5. Het klooster van San Millán de Suso

1.Algemeen

Het koninklijk klooster van San Millán de Yuso (yuso staat hier voor «beneden» in het oude Kastiliaans) ligt in het stadje San Millán de la Cogolla, provincie La Rioja.

Het ligt op de linkeroever van de Cárdenas, in de vallei van San Millán. Dit klooster maakt deel uit van een geheel van twee kloosters en het andere klooster is het oudere Klooster van San Millán de Suso (suso staat hier voor «boven» in het oude Kastiliaans).

Foto: kloosters van Suso (beneden) en Yuso (boven)
Rafael Nieto

Dit klooster werd gesticht in 1053 door de koning van Navarro, García Sánchez III van Navarra.

De geschiedenis van de stichting gaat terug op een legende van een mirakel door de heilige Millán (of Emiliano), een jonge priester die hier als een kluizenaar leefde. Toen in 574 Millán stierf op de leeftijd van 101 jaar en zijn volgelingen hem in zijn grot begroeven stichtten zij in de omgeving het eerste klooster, dat van San Millán de Suso. San Braulio beschreef vijftig jaar later het leven van San Millán.

Graaf Fernán González was hem zeer toegewijd. Na de slag van Simancas in 923 waarin San Millán in de verdediging van de christenen verschijnt wordt hij patroonheilige van Kastilië

Na de instelling van het patronaat van Santiago met de eenwording van Kastilië en León tot gevolg bleven de Kastilianen San Millán aanroepen als hun patroonheilige en in de zeventiende eeuw bij de bespreking van de keuze van de patroonheilige voor gans Spanje bleef San Millán de patroonheilige van Kastilië maar hij werd ook mede patroonheilige van gans Spanje.

Op 4 december 1997 werden de kloosters van San Millán, zowel Suso als Yuso, opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.

2. Legende van de stichting van het klooster

Koning Garcia was San Milán zeer toegewijd. Toen men hier in de stad het grote klooster van Santa María la Real de Nájera stichtte, waar het hof van het koninkrijk was, moest men dus hier de stoffelijke resten van de heilige naar toe brengen die tot op dat moment begraven lagen in het klooster van San Millán de Suso.

Op 29 mei 1053 legde men de resten van de heilige in een kar die getrokken werd door ossen en begon men aan de reis, tot groot ongenoegen van de monniken die hun patroonheilige verloren. Toen zij de vlakte bereikten en zij dicht bij de rivier gekomen waren weigerden de ossen verder te gaan en men kon hen op geen enkele manier dwingen om verder te gaan.

De koning en de rest van zijn gevolg begrepen dat dit een wonder was en dat het San Milán was die niet verder wou gaan. Hij wilde hier begraven worden. Het was toen dat de koning het bevel gaf om het klooster hier op deze plaats te bouwen. Men noemde dit klooster Yuso (van beneden) in tegenstelling tot het klooster dat boven in de bergen (Suso) lag.

Tot ten minste in 1100 bestonden de twee abdijen, dat van boven, Suso en dat van beneden, Yuso naast elkaar. De eerste bleef trouw aan de traditie, de leidraad bleef de mozarabische afkomst en zij behield de tweevoudige gemeenschap, er bleef plaats voor zowel mannen als vrouwen.

Het tweede klooster werd hervormd naar de regels van Sint-Benedictus. In het begin van de twaalfde eeuw was er een gemeenschap van benedictijner monniken in het grote huis van Yuso.

De tiende en de elfde eeuw was de mooiste periode voor het klooster op het spirituele, religieuze, artistieke en culturele gebied.

In 1809 werden de monniken voor de eerste maal uit het klooster gedreven door een decreet van José Bonaparte maar zij keerden er terug in 1813.

Voor de tweede maal werden zij uitgedreven onder het koningschap van Fernando VII en dat was van december 1820 tot juli 1823. De apotheek van het klooster werd toen tijdens een veiling openbaar verkocht.

De derde maal dat de monniken werden uitgedreven was tijdens de onteigening van de kerkelijk eigendommen van Mendizábal. Yuso werd toen vanaf november 1835 verlaten voor een periode van 31 jaar.

Tussen 1866 en 1868 was het een klooster van de Franciscaner missionarissen van Borneo. Na tien jaar van verwaarlozing werd het terug bezet door de broeders van de Orde van Sint Augustinus. Zij richten hier een plaats van onderwijs in voor de missionarissen die naar de Filipijnen gingen.

Voor de eerste herstel werken onder de verantwoordelijkheid van deze broeders was Fray Toribio Minguella verantwoordelijk.

3. Het klooster van San Millán de Yuso

3.1 Het gebouw

Foto: klooster van Yuso
horrapics

Het gebouw werd oorspronkelijk uitgevoerd in romaanse stijl zoals het in die periode de gewoonte was. Na de vernieling van het klooster werd het terug opgebouwd in de zestiende eeuw maar toen gebruikte men een typische Spaanse stijl, de herreriano stijl.

3.2 De barok gevel en de zaal van de koningen

Men treed binnen door een barokke poort uit de zeventiende eeuw met Korinthische zuilen  en die een reliëf van San Millán op een paard draagt. Het is het werk van de architect Pablo de Basave en van de beeldhouwer Diego de Lizarraga.

Vanuit de hall komt men in de zaal van de koningen. Zij kreeg deze naam door de vier schilderijen van de vier weldoeners van de abdij. De wapenschilden zijn dat van de abdij en dat van Castilië. Zij werden uitgevoerd in 1697 en het was het laatste grote bouwwerk van de benedictijner monniken.

3.3 Het klooster

Het klooster van beneden draagt ook de gelijknamige naam van de processie. De bouw begon in 1549 door Juan Pérez de Solarte en hij koos voor een renaissance stijl met gotische gewelven. Spitsbogen, tussen steunberen bekroond met gotische siertorentjes, slank en ruw bewerkt.

De deur die toegang geeft tot de kerk is versierd in de maniëristische stijl en zij is een werk van de Italiaanse kunstenaar Andrés de Rodi. Zij werd gemaakt in 1554 en zij geeft ons een idee van de versieringen die men in de rest van het beneden klooster wilde aanbrengen maar die nooit zijn uitgevoerd.

De bovenverdieping is klassiek. Toscaanse zuilen, verbonden met pilaren met friezen en kapitelen versierd met drie rozetten en met sierlijsten. Het is verder versierd met vijfentwintig schilderijen van José Vexés die de verschillende wonderen van San Millán tonen.

3.4 De kerk

De kerk heeft drie beuken met een gewelf dat met sterren bedekt is en met een prachtige koepel. Het werk begon in 1504 tijdens het mandaat van de abt Fray Miguel de Alzaga en het werk was zesendertig jaar later voltooid. De kerk was bestemd om door de monniken gebruikt te worden en daarom was het voorste gedeelte, vanaf het centrale koor tot aan de reliekhouder helemaal voor hen bestemd. Het achterste gedeelte, vanaf de ruimte achter het priesterkoor tot aan de deur was bestemd voor de bevolking als ze naar het klooster mochten komen.

De koorbanken zijn het werk van de Vlaamse houtsnijder Matero Frabricio die het maakte in 1640 naar een ontwerp van een monnik van San Juan de Burgos.

Het heeft een altaarstuk uit de zeventiende eeuw met schilderijen van broeder Juan Ricci. Het middelste schilderij laat San Millán zien tijdens de slag van Hacinas (Burgos) tegen de Moren. Tijdens hun strijd tegen de Moren kozen de christenen San Millán als hun patroonheilige.

3.5 De ruimte achter het priesterkoor

Dit was de ruimte voor de bevolking. De ruimte is zowel voor het parochie retabel als de toegang tot het grote altaar.

Deze ruimte is een werk van Francisco de Bisou en het is gemaakt in 1767 in Franse rococo stijl. Er zijn versieringen aangebracht van ronde beeldhouwwerken die vermoedelijk het werk zijn van Pascual de Mena. Hier is er ook een preekstoel in platereske stijl uit het einde van de zestiende eeuw. De reliëfs tonen de vier evangelisten.

In het museum zijn er replica’s van de reliekschrijnen van San Millán uit de elfde eeuw.

3.6 Sacristie

Dit is een van de mooiste sacristies in Spanje. In het begin gebruikte men deze plaats als de kapittelzaal. Architectonisch is de sacristie uit de zestiende eeuw. 

Foto: sacristie van het klooster San Yuso
Rafael Nieto

Deze ruimte begon men te gebruiken vanaf het einde van zeventiende eeuw, de eeuw waaruit het schilderwerk stamt dat we nu kunnen zien. De fresco’s op het plafond en de centrale tafels dateren uit de achttiende eeuw.

De abt, Fray José Fernández (1693-1697) siert met twaalf koperen gravures de notenhouten kisten. Het retabel in barokstijl heeft een versiering van houtsnijwerk dat Onze Lieve Vrouw van de Engelen toont en zij draagt een scepter en een kroon.

3.7 De eetzaal

De eetzaal, de refter van de monniken werd gebouwd in 1580. Zij is versierd met een dorische deur, zitplaatsen met ionische pilasters en er is een preekstoel. Voor de constructie nam men in 1597 Juan de Iriarte onder de arm. De veertig tafels dateren uit 1608 en het interieur is compleet bewaard gebleven.

3.8 De zaal van de taal

Zij is in 1977 ingehuldigd ter gelegenheid van het duizendjarig jubileum van het bestaan van de Castiliaanse taal. Vandaag staat deze zaal als een symbool voor het klooster. De zaal is versierd met alle wapenschilden en vlaggen van de Spaanstalige landen en van de Filipijnen. Er staat ook een borstbeeld van Gonzalo de Berceo, de eerste dichter die in de Castiliaanse taal schreef en die de notaris van het klooster was. In deze zaal zijn alle officiële evenementen en conferenties in verband met de Castiliaanse taal.

4. Bezienswaardigheden

4.1 De wieg van de taal

Een taal wordt niet geboren op een specifieke plaats of op een specifiek moment maar in het klooster van San Millán was er een monnik die bewust en met durf de dagelijkse gebruikstaal op papier zette die de mensen in het dorp gebruikten. Het was niet de bedoeling om er een literair werk van te maken.

Dit boekwerk kreeg de naam “Glosas Emilianenses”. In dezelfde codex vinden we ook de eerste woorden die in het Baskisch geschreven werden.

Daarom vierde men in 1977 in het klooster van San Millán de Yuso het duizendjarig bestaan van de Kastiliaanse taal en staat het klooster bekend als de “Cuna de la Lengua” of “De wieg van de taal”.

In de zaal van de koningen vinden we een gedenksteen die deze gebeurtenis herdenkt en er is ook een reproductie te zien van de bewuste “Codex 60”.

4.2 Romaanse ivoor

Voor de abdijen en de kloosters was hun grootste schat de relikwieën van de heiligen en dan vooral als het een relikwie was van hun stichter.

Don Blas, abt van Yuso tussen 1067 en 1081 wou een ark voor de relikwieën van San Millán die gemaakt was van de fijnste en de kostbaarste materialen. Aan de buitenzijde is de ark belegd met goud, zilver, edelstenen en ivoren stukken. In het klooster rusten er relikwieën van San Millán en van San Felices uit de twaalfde eeuw.

Er zijn 24 ivoren kaarten, elf aan elke zijde en aan elke voor- en achterkant is er een. In 1809 hebben de soldaten van Napoleon het goud en de edelstenen van de ark weggenomen.

Vandaag is in Yuso de oude ark aanwezig en hier zien we het origineel gebruikte hout en de binnenzijde van de ark uit de elfde eeuw. In de nieuwe ark uit 1944 heeft men het originele ivoor aangebracht.

4.3 Het licht van de evenaar

Elk begin van de lente en van de herfst, op 21 maart en 21 september is er de equinox. Het zijn de twee dagen van het jaar met een gelijke periode van licht en donker en de zon projecteert zijn licht direct over de lijn van de evenaar.

Ongeveer om kwart over zes uur in de avond kan men in het klooster van Yuso in het centrale deel van de tempel een perfecte cirkel van licht zien. Dit duurt maar enkele minuten.De lichtstraal komt in de kerk door een roosvenster in de achterzijde van de kerk waar de lichtstraal de ruimte achter het priesterkoor verlicht. Dit duid niet alleen de perfecte oriëntatie van de kerk naar het oosten aan maar bovendien heeft het ook een mystieke betekenis.

4.4 De zaal van de Codexen en van de Zangboeken

Het klooster heeft ook een grote en een belangrijke bibliotheek van zangboeken uit de zeventiende eeuw. Er zijn ongeveer 30 gigantische boeken met een gewicht van tussen de 40  en de 60 kg. Het duurde 4 jaar om een boek te vervaardigen en er ging de huid in van 2.000 koeien.

De bibliotheek bevat de volledige collectie van de gezangen die de gemeenschap tijdens het ganse jaar zingt. Het is een van de vier complete collecties in Spanje.

Naast de zangboeken is er een mooie collectie reproducties. De Codex 46 uit 964, die met de woorden van de gebroeders Turza, een encyclopedie is die 20.000 artikelen bevat met al de kennis en de wetenschap van die tijd.

Dan is er nog Codex 60, de “Glosas Emilianenses” die de eerste geschreven woorden en zinnen in het Castiliaans en het Baskisch bevat. Verder zijn er de werken van de eerste dichter die in het in het Castiliaans schreef aanwezig. Deze man was Gonzalo de Berceo.

4.5 Archief en de bibliotheek van Yuso

Het archief is de erfgenaam van de oude schrijfzaal van San Millán en het archief en de bibliotheek worden beschouwd als van de mooiste monastieke bibliotheken van Spanje.

Foto: bibliotheek
Rafael Nieto

Het archief bevat twee oorkondeboeken, het Galicano en het Bulario. Verder vinden we hier ongeveer driehonderd originele documenten waaronder, rechtszaken, schenkingen, contracten, privileges en aflaten die allen verwijzen naar het klooster, de abdijen en de kerken van San Millán.

Het oudste document is in verband met de stichting van San Miguel de Pedroso in 759. Een van de andere interessante stukken dateert uit 1025 en het gaat over het Baskenland.

De bibliotheek, in Venetiaanse stijl dateert uit 1780 en ze bevat een schat aan oude boeken.

Zij heeft dezelfde opstelling als die van de abt Don Anselmo Petite in 1780. Toen de Benedictijner monniken het klooster in 1835 verlieten was de bibliotheek praktisch leeg.

Het waren de augustijner monniken die overgingen tot recuperatie van de boeken die in de omliggende dorpen waren en zij slaagden er in om ongeveer tachtig procent van de originele bibliotheek terug te krijgen.

5. Het klooster van San Millán de Suso

Het klooster van San Millán de Suso of dat van “boven” vinden wij dichtbij het stadje San Millán de la Cogolla, in de provincie La Rioja. Het klooster ligt op de linkeroever van de Cárdenas en het maakt deel uit van twee kloosters. Het ene klooster is Yuso (beneden) en het andere is Suso (boven). Beiden staan zij op de lijst van het Werelderfgoed.

Foto: klooster van Suso
aherrero

De bouw startte in de late zesde eeuw toen het een van oorsprong Visigotisch klooster was dat dicht tegen het graf van de eremiet Aemilianus (Millán) of Emiliano gebouwd werd die in 574 gestorven was.

Vanaf de volgende eeuw tot in de twaalfde eeuw waren er een aantal uitbreidingen die een invloed hadden op het monastieke leven en we kregen een verschil tussen de Mozarabische en de Romaanse stijl.

Deze wijziging is niet alleen artistiek of religieus maar ook literair en taalkundig. Hier heeft een monnik de “glosas Emilianenses” geschreven en de toelichtingen in de marge waren geschreven in het latijn.

5.1 Geschiedenis

In de eerste jaren na de komst van de Visigoten op het schiereiland trok Aemilianus (Millán) zich hier op deze plaats terug en ging hij leven als een kluizenaar. Hij was de zoon van een priester en hij was afkomstig uit Vergegium, het huidige Berceo. 

Hier leefde hij als eremiet en hij woonde er in een kleine cel. Toen hij stierf op 101 jarige leeftijd werd hij begraven in een in de rotsen uitgehouwen graf. Er is veel bekend over zijn leven omdat het neergeschreven was in het latijn door de bisschop van Zaragoza,

Braulio Gonzalo de Berceo die opgeleid was in het klooster maakte een vertaling vanuit het latijn naar de gewone spreektaal.

Het kleine klooster is gebouwd rond de cel van de eremiet. Tijdens de eerste periode, vanaf de vijfde eeuw tot het begin van de zesde eeuw, hebben zij grotten uitgegraven en die kregen twee niveaus, een voor de bewoning en een voor het monastieke leven.

5.2 Visigotisch klooster

Tussen de zesde en de zevende eeuw veranderde het eremieten leven naar het klooster leven en dat vereiste de bouw van een gezamenlijk gebouw. Het was de eerste constructie met twee delen met een gewelf die zich meer aan de rechterzijde bevinden tussen het bestaande klooster en waarvan momenteel nog de muren en verschillende Visigotische bogen bestaan.

5.3 Het Mozaraben gebouw

In het eerste deel van de tiende eeuw verliet men het Visigotisch klooster en bouwde men een Mozarabisch klooster dat in 954 ingewijd werd door García Sánchez I, de eerste koning die zich vestigde in Nájera. Uit deze tijd komt de inkom en het grote kerkschip van de kerk is gebouwd met gewelven in twee verschillende stijlen

In 1002 brandde het klooster af en alle stucwerk in de mozarabische stijl verdween.

5.4 De romaanse uitbreiding

In 1030 heeft Sancho III de Grote omwille van de heilig verklaring van san Millán het klooster gerestaureerd en hij vergrootte het klooster in westelijke richting met twee bogen met halve punten en hij veranderde de richting van het altaar naar het oosten.

In de elfde en de twaalfde eeuw kwamen er nog enkele uitbreidingen bij en men bouwde muren en poorten boven de grotten van de eremieten.

5.5 Beschrijving van het klooster

Er zijn drie belangrijke zaken die we eerst onder ogen moeten zien:

  1. Het metselwerk aan de achterzijde van de toegangspoort heeft een kern van het oude Visigotische werk.
  2. De versiering van de vloer heeft grijze keien en rode bakstenen en zij vormen rozetten en swastika’s. Deze vorm staat bekend als het portalejo tapijt. Het is een mozarabisch werk uit het begin van de elfde eeuw en het gaat over Gonzalo de Berceo en het Leven van Santa Oria Het beschrijft de kamer waar de tombes zijn van beroemde personen die hierna beschreven worden.
  3. Aan de linkerkant van de galerij zijn de sarcofagen van de zeven kinderen van Lara en in het midden is de sarcofaag van de leermeester, Nuño. In deze ruimte vinden we ook de graftombes van Toda, Ximena en Elvira, koninginnen van Navarra. Van hieruit heeft men een prachtig zicht over de vallei van Cárdenas. Als zijsteunen zijn er kolommen er zij hebben enkele interessante kapitelen.

Daarna gaat men door een deur en komt men in het heiligdom die een rustieke en primitieve poort zonder sleutel heeft, iets wat typisch is voor de Visigoten. 

Foto: binnenzijde van het klooster
Rafael Nieto

Tegenover deze poort zijn de drie heiligdommen die uitgegraven zijn in de rotsen. De meest oostelijke grot is vermoedelijk een van de oudste grotten en men denkt dat het de grot van de heilige zelf is.

Dit is het oude Visigoten klooster en het bevat een reeks grotten die verdeeld zijn over twee verdiepingen. San Millán lag hier begraven tot zijn stoffelijke resten in 1053 overgebracht werden vaar het klooster van Yuso.

In het klooster van Suso is zijn praalgraf achter gebleven dat gemaakt is in romaanse stijl en het standbeeld toont hem in liggende houding.

De steunen voor de kroonlijst van dit gebouw zijn de de meest luxueuze die we kennen uit de traditionele bouwstijl en zij zijn gelijk aan die aan de gevel van de moskee van Córdoba. Zij zijn gebaseerd op de klassieke swastika’s, rozetten en zespuntige sterren.

Er is een driehoekig aanhangsel toegevoegd in het centrum van het vooraanzicht, bewerkt en versierd met een zonnerad en met driehoekige lijnen. Men kan zeggen dat hier de echte barokke – mozarabische stijl gevonden wordt. De kerk heeft twee beuken.

5.6 De nieuwe cultuur

De geografische ligging van dit kleine klooster is van een groot belang voor de relaties met andere vormingscentra. Hier vinden we Castiliaanse en Franse invloeden maar er zijn ook invloeden van de monniken van Silos en Albelda.

Het klooster ligt dicht tegen de Weg naar Santiago en er zijn mozarabische en Visigotische invloeden.

Nationaal Museum het Huis van Cervantes

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Het incident
  4. Het huis

1.Algemeen

Het Museum, Huis van Cervantes, in Valladolid was de originele woning waarin in 1605 Miguel de Cervantes Saavedra woonde. Het museum ligt in de calle del Rastro.

Foto: Huis van Cervantes
Lourdes Cardenal

Het huis maakt deel uit van een reeks van vijf huizen die opgetrokken werden door Juan de las Navas, stadhouder van de stad in het begin van de zeventiende eeuw. Het huis is gebouwd in baksteen en op de voorgevel komen er ramen en balkons uit. In de tuin waren er overblijfselen van de oude voorgevel van het Hospitaal van de Verrijzenis dat in de tijd van Cervantes zich in de buurt van de woning bevond.

In 2005 werden er ter gelegenheid van de vierhonderdste verjaardag van de eerste uitgave van Don Quijote de la Mancha een reeks hervormingen uitgevoerd aan de woning waaronder een opfrissing van de binnenzijde van het gebouw en van de tuin.

Een deel van het pand is het hoofdkantoor van de Real Academia de Bellas Artes.

Het is een Nationaal Museum verbonden is aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Sport en het wordt exclusief beheerd door de Algemene Directie van Schone Kunsten en Cultureel Erfgoed.

2. Geschiedenis

In 1600 werd het hof van Felipe III naar Valladolid overgebracht maar het keerde terug naar Madrid in 1606. Tijdens deze zes jaren onderging Valladolid een aantal verbeteringen en de stad kende ook een grote vooruitgang op cultureel en financieel gebied. In 1602 begon, in wat men noemde Acera del Rastro, de bouw van 5 woningen en in een van hen kwam Cervantes in 1605 wonen. De opdrachtgever van de bouw was Juan de las Navas, stadhouder van de stad.

Foto: Toegang in de calle del Rastro
User:Nicolás Pérez

De huizen werden tegenover de houten brug over een zijarm van de Esgueva gebouwd. Op de rechteroever van de Esgueva was het openbaar slachthuis dat bekend stond als de carnecerías. Hier was ook de verkoopplaats van het vlees.

3. Het incident

Tijdens zijn verblijf in Valladolid speelde er zich een incident af waarin Cervantes vermeld werd. Daardoor kreeg hij en zijn familie te maken met de politie en justitie.

In de nacht van 27 juni 1605 kreeg de ridder don Gaspar de Ezpeleta een woordenwisseling met een onbekend persoon. Don Gaspar werd hierbij zwaar gewond maar hij overleed twee dagen later. De verdachten waren alle personen die in de buurt woonden waaronder Cervantes en zijn familie. De schrijver en zijn familie werden evenals buren en vrienden gearresteerd. Na enkele dagen werd iedereen vrijgelaten omdat er geen bewijs tegen hen gevonden werd.

De geschiedenis van het proces is bewaard gebleven en de schriftelijke stukken liggen nu in de Koninklijke Academie van Spanje. Door deze documenten kon men de juiste plaats bepalen waar de schrijver gewoond heeft.

4. Het huis

Het was reeds langer geweten dat Cervantes in Valladolid heeft gewoond, hij was hierheen gekomen omwille van zijn werk en omdat het hof van Felipe III naar deze stad was overgebracht. Cervantes was een ontvanger van de belastingen en deze taak kwam hij hier uitvoeren. Lange tijd was men enkel zeker dat hij hier gewoond had maar men wist de juiste plaats niet. Door het bovenstaande incident kan men de exacte plaats bepalen waar Cervantes gewoond had.

In de documenten over het incident stond dat de gewonde man was overgebracht naar het huis naast dat van Cervantes en hij, samen met zijn familie, moesten getuigenis afleggen.

Deze uitgebreide documentatie over het onderzoek en het proces lieten dus gemakkelijk toe om de exacte plaats te bepalen van zijn woning.

Sinds dat moment en tot op heden is het huis niet wezenlijk veranderd maar ook aan de nevenstaande woningen werden geen veranderingen aangebracht. Op een bepaald moment wilde men de woningen moderniseren maar na de tussenkomst van de Markies van Vega Inclán, de beschermheer van Cervantes, werden er enkel herstellingen aan de woning uitgevoerd. De markies kreeg hiervoor steun van koning Alfonso XIII en van de president van de Sociedad Hispánica de Nueva York, Archer Milton Huntington.

In deze woning werden werken zoals El coloquio de los perros, El casamiento engañoso, La ilustre fregona, El licenciado Vidriera geschreven.

Vandaag wordt het Museo Casa de Cervantes beheerd door het ministerie van Cultuur en is het goed onderhouden. Naast het ontvangen van nieuwsgierigen en toeristen geeft men maandelijkse literaire lezingen en elke 23 april is er een hulde aan de grote schrijver, Cervantes.

De flamenco

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Palos
  4. Muziek
  5. Vormen van flamenco
  6. Cante (zang)
  7. Baile (dans)

1.Algemeen

Flamenco is een muziek en dansstijl die afkomstig is uit verschillende regio’s in zuidelijk Spanje. Naast zijn Roma oorsprong zijn er ook Spaanse, Byzantijnse, Sefardische en Moorse invloeden in de oorsprong van de flamenco te vinden.

Foto: Ángeles Gabaldón
Graham Stanley

Deze invloeden komen in de vijftiende eeuw bij elkaar op het einde van de Reconquista (herovering) maar de oorsprong van het woord flamenco is onduidelijk. Wat wel duidelijk is is dat het woord voor de achttiende eeuw niet voorkwam.

Een populair beeld van de flamenco is dat het de muziek van de Andalusische zigeuners “gitanos” is maar historisch gezien ligt de oorsprong van deze muziek in de “gewone” Andalusische maatschappij uit de tweede helft van de achttiende eeuw.

Andere regio’s zoals Extremadura en Murcia hebben ook bijgedragen aan de ontwikkeling van de flamenco en veel beroemde flamenco artiesten zijn zelfs geboren buiten de traditionele zigeuner gemeenschap. Latijns Amerikaanse invloeden en dan vooral Cubaanse invloeden kunnen we ook terug vinden in de moderne flamenco.

Op 16 november 2010 heeft de Unesco de flamenco muziek op de lijst van het cultureel Werelderfgoed gezet.

George Borrow zei dat het woord “flemenc” synoniem is voor “zigeuner”. Volgens Blas Infante in zijn boek “Orígenes de lo flamenco y secreto del cante jondo” komt het woord van het Andalusisch Moorse woord “fellah mengu” wat “ontsnapte boer” betekende.

Andere veronderstellingen zijn: Vlaming, een inwoner van Vlaanderen en de flamingo. Spanje heeft lang geregeerd over Vlaanderen en koning Carlos I bracht zelfs een gans Vlaams hof naar Madrid. De “flamingo” zou een verband suggereren tussen de kleurrijke vogel en de kleurrijke kledij van de zigeuners

2. Geschiedenis

2.1 Oorsprong

De mediterrane invloed in de streek gaat terug tot in de klassieke oudheid maar het is onmogelijk om vast te stellen wat de invloed is in de flamenco. Het is zeer waarschijnlijk dat de honderden jaren Moorse bezetting hun invloed in de muziek hebben gebracht. In die periode werd de Moorse en de Joodse muziek dikwijls gehoord en er zijn zeker invloeden terug te vinden in de Spaanse muziek.

Maar er zijn ook West-Europese invloeden in de flamenco terug te vinden, het gebruik van de gitaar en de structuur van de muziek zelf wijzen hierop. De middeleeuwse katholieke kerkmuziek, die men ook wel onterecht Mozarabische koorzang noemde kan ook aanzien worden als een invloed op de flamenco.

2.2 De invloed uit de Nieuwe Wereld

Tijdens de drie eeuwen (vier in Cuba) van Spaanse kolonisatie in Amerika pikten de Spanjaarden een aantal invloeden op die hun eigen Spaanse muziek en dans zouden beïnvloeden. Het lijkt er op dat de fandango een aantal danspassen heeft opgepikt die ongepast geacht werden voor Europeanen.

Dansen zoals de fandango, de chacon en de zarabanda werden uiteindelijk allemaal verboden in Europa. Verwijzingen naar Gitano dansers kunnen gevonden worden in sommige van de teksten zoals bij de chacon. Gitano dansers worden dikwijls genoemd in de Spaanse literatuur en muziekwerken vanaf de zestiende eeuw. Alhoewel, de zarabandas en de jácaras zijn de oudste geschreven muziek vormen in Spanje die de twaalfde maat gebruiken.

De soleá en de Seguidilla zijn variaties op de vorige ritmes, zij startten de maat in een verschillend ritme. Als dit gebruikt wordt dan heeft men een dramatische impact.

2.3 De opkomst van de Flamenco

De vroege onderzoekers van de flamenco waren in feite amateurs en zij hadden weinig historische bronnen ter hunner beschikking, zij hadden enkel het werk van de antropoloog Demófilo en beschrijvingen van buitenlandse reizigers.

In de jaren 1980 begon men de flamenco in conservatoriums te bestuderen en professionele musicologen en historici zoals Rios Ruiz en Álvarez Caballero begonnen met hun onderzoek.

De eerste vermelding van de flamenco in de literatuur was in 1774 in het boek Cartas Marruecas van José Cadalso. Eerdere onderzoekers zoals Molina en Mairena, noemden de periode 1780–1850 “De Gesloten Periode”, de flamenco werd toen in het geheim gedanst in de woningen van de Gitanos in de buurt van Sevilla en Cádiz.

Álvarez Caballero trekt deze theorie in twijfel, volgens hem is het niet bestaan van teksten of vermeldingen van de flamenco het bewijs dat de flamenco gewoon niet bestond.

José Blas Vega denkt ook dat er nooit een “gesloten periode” is geweest door het totale gebrek aan bewijs ervan.

Vandaag weten we dat er honderden en honderden gegevens zijn die ons toelaten om in detail te weten wat er met de flamenco gebeurde tussen 1760 en 1860. Het gebruik van de sainetes (eenakters) en tonadillas (satirische liedjes) in het theater, de populaire liedjesboeken en zangbladen, de vermeldingen en de beschrijvingen van reizigers die de muziek en dans beschreven, de partituren, de dagbladen, de grafische elementen in schilderijen en etsen gaven aan dat er een constante evolutie gebeurde tussen het ritme, de teksten en de sfeer.

Er was nog een verschil van mening of er in de vroege flamenco gebruik gemaakt werd van muziekinstrumenten. De vroege onderzoekers beweerden dat de vroege flamenco niet begeleid was en dat het enkel Roma zang (cante) was.

Later werd de zang begeleid door de flamenco gitaar (toque), ritmisch handgeklap (palmas), ritmisch voeten gestamp (zapateado) en dans (baile).

Andere onderzoekers zeggen dan weer dat sommige zang niet begeleid (a palo seco) was maar het is waarschijnlijk dat als er instrumenten beschikbaar waren dat men ze ook gebruikte.

De negentiende eewse schrijver, Estébanez Calderón, beschreef een flamenco feest als zang die begeleid werd door gitaren maar ook met de bandurria (mandoline) en de tamboerijn.

2.4 De gouden jaren

Tijdens de gouden jaren van de flamenco, tussen 1869–1910, evolueerde de flamenco snel in de zo gezegde “cafés cantantes”, een nieuw type van openbare betalende optredens. Dansers werden een publiekstrekker.

Gitaristen die de dansers begeleiden kregen ook een reputatie en de flamenco gitaar als kunstvorm was geboren. Silverio Franconetti, een zeeman van Italiaanse afkomst, was de eerste die alle palos aankon en die zich niet specialiseerde in een specifieke vorm die toen de gewoonte was.

Hij opende zijn eigen “café cantante” waar hijzelf zong en andere artiesten uitnodigde om er op te treden. Later kwamen er meer en meer van dergelijke zaken in Andalusië en in gans Spanje.

Volgens een aantal onderzoekers zoals Demófilo luidde dit de commerciële neergang van de flamenco in. Een traditioneel flamenco feest was klein (minder dan 20 mensen) en niet geregeld. Er was geen begin- en einduur en men moest wachten en zien of de artiesten wel langs kwamen en op welk uur ze zouden optreden.

Het contrast met een café cantante kon niet groter zijn. Hier traden de artiesten op op een afgesproken uur en ze kregen er een contract aangeboden. Voor sommigen was dit allemaal plat commercialisme maar voor anderen stimuleerde dit systeem juist de artistieke vrijheid en de technische vaardigheden.

In feite, de meeste flamenco stukken die nu als “traditioneel” bekend staan werden in die periode van de “café cantantes” gemaakt door artiesten zoals El Loco Mateo, El Nitri, Rojo el Alpargatero, Enrique el Mellizo, Paquirri El Guanté, of La Serneta.

Tijdens de negentiende eeuw, op het hoogtepunt van de Romantische Beweging bereikte de “romantische” flamenco de Europese middenklasse. Componisten uit gans Europa maakten muziekstukken waarvan zij dachten dat ze flamenco invloeden hadden en dat was onlosmakelijk verbonden met de Gitanos.

Naar een flamenco optreden gaan werd als een essentieel onderdeel beschouwd bij een bezoek aan Spanje, ook in gebieden buiten Andalusië die normaal een totaal andere muzikale traditie hadden.

In 1922 organiseerde een van Spanje’s grootste en beroemdste schrijvers, Federico García Lorca, samen met de componist Manuel de Falla het Concurso de Cante Jondo. Dat was een festival voor cante jondo (“diepe zang”) en het moest de niet commerciële vormen van flamenco bekender maken. Het initiatief maakte geen verschil.

2.5 De “Theatrale” periode

De periode na het Concurso de Cante Jondo in 1922 is beter bekend als Etapa teatral (Theatrale periode) of de Ópera flamenca periode. Deze periode kreeg deze naam omdat de impresario Vedrines zijn shows opera’s noemde. Hierdoor moest hij lagere belastingen betalen omdat de belastingen voor de zogenaamde “grote” cultuur lager lagen.

De cafés cantante werden langzaam aan vervangen door grotere zalen zoals theaters en zelfs arena’s van het stierengevecht. Flamenco werd immens populair maar in de ogen van puristen werd de muziek ook over gecommercialiseerd. In de nieuwe shows werd de flamenco gemengd met andere genres en werden er ook zogenaamde pittoreske taferelen opgevoerd door Gitanos en Andalusiërs.

De meest gebruikte flamenco ritmes (palos) in deze periode waren de persoonlijke fandango, de liedjes van de rondtrekkende personen “cantes de ida y vuelta” en liedjes in de buleria stijl.

Persoonlijke fandango’s waren gebaseerd op de traditionele muziek uit Huelva aangevuld met vrije ritmes (cante libre) en met een nadruk op virtuoze variaties. De liederen (Canción por bulerías) werden aangepast aan het ritme van de bulería.

Deze periode zag ook het begin van een nieuw genre dat men ook copla andaluza (Andalusisch couplet) of canción española (Spaans lied) noemde. Het was een ballade waarin men zarzuela, Andalusische folk en flamenco vermengde en die meestal met orkestbegeleiding was.

De belangrijkste artiest in deze tijd was Pepe Marchena, hij zong met een zoete falset stem die deed denken aan belcanto. Een ganse generatie zangers was door hem beïnvloed en sommige zoals Pepe Pinto of Juan Valderrama bereikten een zeer grote populariteit.

Veel zangers die voorheen in de café cantante zongen geraakten in de vergetelheid maar anderen zoals Tomás Pavón en Aurelio Sellé vonden nog werk op private feestjes. De rest ging over naar de nieuwe populaire stijl en zij namen deel aan de shows maar zij probeerden nog enkele van de oude stijlen te bewaren. Enkele van deze artiesten waren La Niña de los Peines, Manolo Caracol, Manuel Vallejo en El Carbonerillo.

Traditionalisten zoals Álvarez Caballero beweerden dat de opera flamenca een “dictatuur” werd waarin de niet authentieke dansen de oude dansen bijna hadden laten verdwijnen.

Andere critici zijn het hiermee niet eens, grote figuren van de traditionele zang zoals La Niña de los Peines of Manolo Caracol hadden groot succes en palos zoals siguiriyas en soleá werden nooit volledig verlaten, zelfs niet door de meest typische zangers van de ópera flamenca zoals Marchena en Valderrama.

2.6 Flamenco vandaag

Traditionele flamenco artiesten kregen nooit een formele training, zij leerden door te luisteren en te kijken naar familie, vrienden en buren. Sommige artiesten leerden het zichzelf maar vandaag de dag is het meer de gewoonte dat de dansers, gitaristen en zangers een professionele training krijgen.

Sommige gitaristen kunnen zelfs muziek lezen en zij bestudeerden andere muziekstijlen zoals de klassieke gitaar en de jazz. Veel dansers volgen een opleiding in vrije dans en ballet.

Flamenco kan men vinden op drie verschillende plaatsen, eerst is er de traditionele juerga, in een klein cabaret en in het theater. De “juerga” is een informele, spontane gitano samenkomst zoals in de jazz muziek, een “jam session”. Dit kan met dansen, zang en palmas (handgeklap). Flamenco, in deze context, is organisch en dynamisch en het past zich aan aan het lokale talent, aan het beschikbare instrumentarium en de aard van het publiek. De flamenco in deze vorm doet denken aan een andere muziekvorm, de blues.  Een traditie blijft steeds behouden, de cantadores (zangers) zijn het hart en de ziel van het optreden.

Een “Peña Flamenca” is een ontmoetingsplaats van flamenco muzikanten en artiesten. Er zijn ook nog de “tablaos”, plaatsen die in de jaren 1960 doorheen Spanje de “café cantante” vervingen. Deze lokalen hadden voor elke show hun eigen groep met artiesten. Veel internationaal bekende artiesten zoals de bekende zanger Miguel Poveda begonnen hun carrière in een “tablaos flamenco”.

Een professioneel concert is meer formeel. Een traditioneel zang optreden heeft enkel een zanger en een gitaar maar een dansoptreden heeft twee of drie gitaren, een of twee zangers (die om beurt zingen, een flamenco zanger zingt altijd solo) en een of meer dansers. Een van de zangers mag de cajon bespelen, indien er geen cajon speler is kunnen alle spelers in de handen klappen.

De zogenoemde Nuevo Flamenco Nieuwe flamenco gebruikt fluiten, saxofoons, piano’s en zelfs basgitaren en elektrische gitaren. Camarón de la Isla was een van de eerste artiesten die deze instrumenten ging gebruiken.

Tenslotte is er de theatrale presentatie van de flamenco, die flamenco techniek en muziek gebruikt, maar met haar presentatie dichter bij een balletvoorstelling staat.

3. Palos

De gebruikte stijlen binnen de flamenco muziek noemt men palos. Liederen zijn ingedeeld in palos en daarvoor gebruikt men criteria zoals het basis ritme, mode, de vooruitgang van de akkoorden, de vorm van de strofes en de geografische oorsprong.

In de flamenco muziek zijn er meer dan vijftig verschillende palos alhoewel sommige hiervan zelden worden gebruikt.

Er zijn tradities verbonden met elke palo. Sommige worden onbegeleid gezongen en bij een andere gebruikt men als begeleiding een gitaar. Sommige palos worden gedanst en andere niet. Sommige zijn voorbehouden voor mannen en andere zijn dan weer geschikt voor vrouwen. In deze moderne tijd vallen enkele tradities stilletjes aan weg. Zo wordt de Farruca nu ook door vrouwen gedanst.

Palos zijn traditioneel ingedeeld in drie groepen. De meest ernstige palos zijn de “cante jondo” of cante grande, terwijl een lichtere, frivolere vorm de naam kreeg van “cante chico”. Muziek die niet in een van de twee vorige vormen past noemt men “cante intermedio”.

4. Muziek

4.1 Harmonie

In moderne westerse muziek is het gewoonlijk alleen de majeur en de mineur toonladder die door componisten gebruikt worden maar in de flamenco kennen wij ook nog de Dorische en de Frygische toonladder.

De experten in de flamenco muziek Hipólito Rossy en Manolo Sanlúcar zien de flamenco toonladder als een direct gevolg van de Griekse Dorische toonladder. Zij komen tot deze conclusie omdat in oude Griekse muziek de melodie in dalende lijn gaat en dit kan men ook horen in de flamenco.

4.2 De maat

Compás is het Spaanse woord voor “maat” en de maatsoort in de klassieke muziek theorie. Het verwijst ook naar de ritmische cyclus.

De maat “compás” is fundamenteel in de flamenco want zonder deze maat is er geen flamenco.

Compás wordt meestal vertaald door ritme maar het vraagt veel meer in de interpretatie dan bij andere westerse muziek. Als er geen gitarist beschikbaar is dan wordt het ritme aangegeven door handgeklap (palmas) of door met de knokkels op het tafelblad het ritme aan te geven.

5. Vormen van flamenco

5.1 Toque (gitaar)

Een flamenco gitaar is een gitaar die lijkt op een klassieke gitaar. De Andalusische gitaarbouwers maken instrumenten in een breed scala aan prijzen en die prijzen zijn afhankelijk van de gebruikte materialen en de aangebrachte versieringen.

Foto: Paco de Lucia
Cornel Putan

De goedkoopste gitaren zijn eenvoudige gitaren die gemaakt zijn van de plaatselijke houtsoorten zoals cipres, de duurdere gitaren zijn gemaakt van palissander hout. Antonio de Torres, een van de beroemdste gitaarbouwers maakte geen verschil tussen de klassieke en de flamenco gitaar. Men begon met  een verschil te maken nadat Andres Segovia en anderen de klassieke gitaarmuziek populair hadden gemaakt.

5.2 De bouw

De traditionele flamenco gitaar is gemaakt van Spaanse cipres, plataan of palissander hout voor de achter en de zijkant en men gebruikt spar voor de voorkant. Dit hout, cipres en palissander, is kenmerkend voor de klankkleur. Flamenco gitaren zijn lichter in gewicht dan de klassieke gitaar die een helderder en meer percussief geluid produceert.

Bouwers verkrijgen dit lichtere gewicht door een vermindering van het aantal interne steunpunten en het dunnere hout van de gitaar. De top is gemaakt uit spar of ceder alhoewel vandaag de dag ook andere houtsoorten gebruikt worden.

Het volume is traditioneel zeer belangrijk voor de flamenco gitaristen omdat men hen nog moet horen boven het geluid van de dansers met hun typische schoenen. Om het volume te verhogen kunnen er hardere houtsoorten gebruikt worden zoals palissander.

Anders dan bij de klassieke gitaar heeft de flamenco gitaar dikwijls een plaatje of een (golpeador). Dit plaatje is gemaakt uit doorzichtig plastiek en de functie van dit plaatje is dat het de gitaar moet beschermen tegen de vingeraanslagen. Bij een flamenco gitaar moet dit plaatje regelmatig vervangen worden.

Origineel werden alle gitaren gemaakt met houten stem pennen en zij waren vergelijkbaar met die die gebruikt werden in een oud, een viool of een luit. Vandaag gebruikt men bij de moderne gitaren een stemmechanisme. Flamenco gitaarspelers en bouwers blijven de houten pennen wel gebruiken.

De “action” of de hoogte van de snaren boven de toetsen is in het algemeen lager bij een flamenco gitaar dan bij een klassieke gitaar. Deze lagere hoogte maakt het gemakkelijker om snel te spelen en het verminderd de vermoeidheid van de linker hand tijdens lange optredens.

5.3 Geluid

Een goed gemaakte flamenco gitaar reageert snel en zij heeft minder steun dan de klassieke gitaar. Het geluid van de flamenco gitaar wordt meestal beschreven als percussief maar zij heeft de neiging om helderder, droger en soberder te klinken dan een klassieke gitaar.

Sommige jazz muzikanten geven ook de voorkeur aan een flamenco gitaar en men heeft ontdekt dat deze gitaren ook gebruikt kunnen worden bij de vertolking van renaissance en barokmuziek.

5.4 Technieken

De flamenco gitaar wordt ietwat anders bespeeld dan de klassieke gitaar. De speler heeft een andere positie en hij gebruikt andere technieken. Flamenco gitaristen zijn bekend als “tocaores” (van het Andalusische “tocadores” = spelers).

Waar een klassieke gitarist de gitaar steunt op het linker been en de gitaar in een schuine stand houd zal de flamenco gitarist zijn benen kruisen en de gitaar wordt ondersteund op het bovenste been. Zij houden hun gitaar evenwijdig met de vloer. Deze verschillende posities brengen verschillende technieken met zich mee.

Naast de technieken die we bij de klassieke gitaar vinden zijn er nog een aantal technieken die bij de flamenco gebruikt worden:

  • Golpe: het tikken met de vingers op de klankkast van de gitaar en dat gebeurt juist boven of onder de snaren. Dit vereist een “golpeador”, een beschermplaatje om de gitaar te beschermen.
  • Picado: Het afwisselend met de wijs en de middelvinger spelen waarbij de andere vingers op de snaar boven de aangeslagen snaar staan.
  • Rasgueado: pingelen met de vingers van de rechter hand die uitgevoerd worden in een grote verscheidenheid.
  • Alzapúa: een duim techniek die zijn wortels heeft in de oude plectrum techniek. De duim van de rechter hand wordt gebruikt voor het tokkelen op een aantal snaren.
  • Tremolo: snelle herhaling van een enkele noot, vaak na een basnoot.

Met de flamenco gitaar gebruikt men een breed scala van percussieve en ritmische technieken die de muziek zijn karakteristiek geluid geven. Meer in het algemeen kan men spreken van:

  • Toque airoso (“elegant”): levendig, ritmisch met een bijna metaalachtig geluid
  • Toque gitano o flamenco (“zigeuner” of “flamenco”): diep en zeer expressief
  • Toque pastueño (de term komt uit het stierengevecht en is een beschrijving voor een rustige onverschrokken stier): traag en vredig
  • Toque sobrio (“sober”): zonder franjes
  • Toque virtuoso: met een uitzonderlijke beheersing van de techniek van het gitaarspel
  • Toque corto (“kort”): maakt enkel gebruik van de basistechnieken
  • Toque frío (“koud”): het omgekeerde van de “gitano or flamenco”, weinig uitdrukking

6. Cante (zang)

De “cante flamenco” zang is een van de drie basis elementen van de flamenco naast het gitaarspel en de dans. Omdat de danser tijdens een optreden in het middelpunt staat denken buitenlanders vaak dat de dans het belangrijkste onderdeel van de flamenco is maar dat is het niet. Het belangrijkste onderdeel van de flamenco is de zang.

De cante flamenco is een deel van de muzikale traditie uit de zuidelijke regio Andalusië. Zoals met veel volksmuziek het geval is is de herkomst onzeker. Men kan wel een aantal invloeden onderscheiden zoals de Perzische Zyriab zang, de klassieke Andalusische zang van tijdens de Moorse overheersing, de Joodse zang uit de synagoge, de Mozarabicsche zangvorm, de Arabische zayal (welke de basis is voor de Fandango) en de Andalusische volksmuziek.  Naast al deze vormen zijn er dan nog invloeden uit West-Afrika en Zuid-Amerika.

Veel van de eerste flamenco liederen waren eerder donker en diepzinnig van aard en ze waren dikwijls verbonden aan een bloedige gebeurtenis, aan een gewelddadige dood, aan verraad, ziekte en verlies. Het was ook een uitdrukking van een bezet Andalusisch volk door de Moren.

6.1 Soorten zang

Er zijn veel variaties van zang mogelijk (palos)  en allemaal drukken zij een unieke emotie uit. De flamenco zang kan vandaag ingedeeld worden in drie grote categorieën: cante grande, cante intermedio enr cante chico.

Cante Grande (ook bekend als cante jondo)
De betekenis hiervan is diepzinnig en diep. Deze intense droevige vorm van zingen gaat vooral over de dood, angst, wanhoop en religieuze sentimenten en het is een zang zonder begeleiding van een gitaar.
Cante Intermedio
Dit is een zang die in het midden staat tussen cante grande en cante chico. De muziek is levendiger dan bij de cante grande.
Cante Chico
Dit is het “kleine lied” en hier zingt men over lichtere onderwerpen zoals de liefde, humor en geluk. Deze zang gebeurt met de begeleiding van een gitaar.

6.2 Andere indelingen van de flamenco zang

Cante Flamenco Gitano
Cante gitano of het zigeuner lied gaat terug naar de originele liedjes die gezongen werden door de zigeuners toen zij in de vijftiende eeuw in Spanje aankwamen Hier vinden we de tona, soleá, seguiriya, tango en buleria in terug.
Cante Flamenco Andaluz
Cante andaluz begon zich te verspreiden in het midden van de negentiende eeuw. Het is een combinatie van de andere vormen met Andalusische volksmuziek. In de cante andaluz vinden we vooral de fandango en de cantinas.
Cantes Folkloricos Aflamencados
Volgens de puristen maken de stijlen die gebruikt worden in de cantes folkloricos aflamencados geen deel uit van de flamenco muziek. Voorbeelden van deze muziek zijn sevillanas, farruca, garrotin en de Cubaanse Rumba.

7. Baile (dans)

De flamenco dans staat bekend voor zijn emotionele intensiteit, fiere houding, expressief gebruik van de armen en het stampen van de voeten. Tijdens de jaren zijn er verschillende vormen van de dans ontwikkeld.

In zijn meest authentieke vorm werd hij in Spanje gedanst op zigeunerhuwelijken en andere feesten. Er is minder virtuositeit in de gitano flamenco maar de muziek en de passen zijn fundamenteel gelijk. De armen worden merkbaar anders gehouden dan bij de klassieke flamenco , zij draaien meer rond het hoofd en het lichaam.

“Flamenco puro” wordt beschouwd als de flamenco die het dichtst bij zijn zigeuner oorsprong staat. In deze stijl wordt er alleen solo gedanst en is hij meer geïmproviseerd. Sommige puristen fronsen de wenkbrauwen bij het gebruik van de castagnetten maar men kan deze al zien op afbeeldingen van voor de twintigste eeuw.

Het soort van dans dat de meeste Europeanen flamenco noemen is een commerciële vorm die speciaal voor de toeristen ontwikkeld is. Om er afwisseling in te brengen werden er nieuwe dansen gemaakt. De volumineuze jurken die men hierbij draagt zijn een afleiding van de jurken die men kan zien op de jaarlijkse “Feria” in Sevilla. De originele jurken zijn denkelijk te nauw aansluitend op er in te kunnen dansen.

“Classical flamenco” is de stijl die vandaag gebruikt wordt in de Spaanse flamenco dansgezelschappen. Hij wordt gekenmerkt door een trotse rechte houding waarbij de vrouwen hun rug kaarsrecht houden. Anders dan bij de gitano flamenco is er hier weinig beweging van de heupen en de armen worden hier meer gehouden zoals in het ballet. Veel van deze dansers beoefenen beide stijlen, zowel ballet als flamenco.

De moderne flamenco is een zeer technische dans die jaren van training vergt. De nadruk ligt op, zowel voor de mannelijke als de vrouwelijke dansers, op een zeer snel voetwerk dat uitgevoerd met een absolute precessie. De dansers kunnen gebruik maken van castagnetten, sjaals en waaiers.

“Flamenco nuevo” is een nieuwe vorm van flamenco die gekenmerkt is door een verandering in de gedragen kledij, mannen dansen in ontbloot bovenlijf en vrouwen dragen gewone jurken. Castagnetten, sjaals en waaiers worden zelden of nooit gebruikt.

In de traditionele flamenco worden jonge dansers beschouwd als niet volwassen genoeg om de “ziel” van de flamenco te vertolken. Anders dan in andere dansvormen waar dansers zo vroeg mogelijk met de dans beginnen, om gebruik te kunnen maken van hun jeugdige kracht, bereiken flamenco dansers hun hoogtepunt nog niet in hun dertiger jaren maar komt dit hoogtepunt eerst in hun vijftiger jaren.

De Koninklijke Plaats El Escorial en het klooster El Escorial

  1. Algemeen
  2. De grenzen
  3. Geschiedenis
  4. Cultureel en natuurlijk erfgoed
  5. Het klooster
  6. Het Museum voor de Schilderkunst
  7. Architectuurmuseum
  8. Tuinen van de broeders
  9. Relikwieën

1.Algemeen

De Koninklijke Plaats El Escorial is een kruising tussen een kroondomein en een abdij die gebouwd is in het laatste deel van de zestiende eeuw op verzoek van koning Felipe II.

Foto: overzicht op het El Escorial
Hans Peter Schaefer

Het strekt zich uit rond de abdij met de gelijknamige naam over de huidige gemeenten San Lorenzo de El Escorial, El Escorial, Zarzalejo en Santa María de la Alameda en het ligt op de zuidelijke helling van de Sierra de Guadarrama, in de Communiteit van Madrid.

Dit gebied en dan voornamelijk de gemeenten San Lorenzo de El Escorial en El Escorial heeft een bloeiende toeristische industrie.

Het is een verbinding van het klooster van Escorial en andere artistieke gebouwen, historische panden en natuur gebieden die sinds de zestiende eeuw met de koninklijke huizen van Asturias en Borbon verbonden zijn. Sommige van de gebieden werden eveneens,tijdens de veertiende en de vijftiende eeuw, gebruikt door de dynastie van Trastámara.

Het Nationaal Erfgoed, een organisatie die het beheer heeft over de bezittingen die in handen zijn van de Spaanse Kroon geeft uitvoering aan het toeristisch beheer van het gebied. Het beheer bevat ook de Vallei van de Gevallenen (Valle de los Caídos). Dit monument, gelegen op het koninklijk domein werd gebouwd in de twintigste eeuw op initiatief van Franco.

Het klooster en het domein, maar niet de Vallei van de Gevallenen, werden in 1984 opgenomen op de Werelderfgoed lijst van de Unesco.

2. De grenzen

De historische grenzen van deze Koninklijke Plaats werden bepaald door Felipe II en de begrenzing werd afgemaakt door Carlos IV en Isabel II.

Ze loopt door de huidige gemeenten San Lorenzo de El Escorial, El Escorial, Zarzalejo en Santa María de la Alameda. Bovendien gaat het door de aangrenzende gebieden van Guadarrama, Alpedrete, Collado Mediano, Collado Villalba, Galapagar, Colmenarejo, Robledo de Chavela en Valdemorillo.

De grens ging ook rond het gehucht La Fresneda, maar dat is totaal verdwenen en opgenomen in het koninklijk domein. Navalquejigo, een dorp dat verlaten werd in de negentiende eeuw is nu ook een onderdeel van El Escorial.

Vanuit natuurkundig oogpunt gezien is er de uitbreiding met de bossen die op de hellingen en de uitlopers van het zogenaamde “Circo del Escorial”, die we vinden op de Monte Abantos en Las Machotas.

De bovenste vallei van de rivier de Aulencia, de voornaamste afvoer van de Guadarrama, is geïntegreerd in het domein evenals de bron van de Perales. Deze plaats is voor het grootste deel beschermd door de Communiteit van Madrid. Het ministerie voor Cultuur en Toerisme heeft het gebied benoemd als belangrijk cultureel gebied, en dat is gebeurt met het decreet 52/2006. In het decreet zijn de gemeenten San Lorenzo de El Escorial, El Escorial, Zarzalejo en Santa María de la Alameda ook opgenomen evenals de volgende plaatsen die specifiek opgenomen zijn in het decreet:

  • Het Klooster van El Escorial, met zijn tuinen en bijgebouwen
  • De aangehechte gebouwen uit de zestiende eeuw
  • De gebouwen uit de achttiende eeuw
  • Verscheidene monumenten in de stedelijke gebieden van San Lorenzo de El Escorial en El Escorial
  • De gebouwen voor de watervoorziening die gebouwd zijn in de zestiende en de achttiende eeuw

De Unesco heeft in zijn declaratie voor het Werelderfgoed een veel kleiner gebied opgenomen dan in dit decreet staat. Voor de Unesco gaat het voornamelijk over het klooster en het huis van de kroonprins in San Lorenzo de El Escorial, evenals het huis van de kroonprins in El Escorial.

In 2007 hebben de Spaanse autoriteiten getracht om de Unesco te bewegen om de declaratie te herzien en het gebied te vergroten maar deze poging is mislukt en alles is bij het oude gebleven.

3. Geschiedenis

Uit het handvest van de stichting van het klooster van El Escorial kan men afleiden dat Felipe II het gebouw en zijn omgeving juridisch wou beschermen door middel van een juridische structuur die het midden hield tussen een priorij, een kroondomein en een abdij.

Vandaag de dag komt deze constructie, volgens de Spaanse Grondwet, overeen met een Koninklijk Domein.

De oorsprong van deze koninklijke site gaat terug tot in 1562, een jaar voor de eerste steenlegging van het klooster van El Escorial.

Koning Felipe II begon met het verwerven van gronden rondom het gebouw en deze uitbreiding moest dienen om een plaats te creëren van rust, ontspanning, jacht, landbouw en veeteelt. Deze laatste twee punten waren nodig om in het onderhoud te kunnen voorzien van de monastieke gemeenschap in het klooster.

Tussen de verkregen gebouwen is er “El Campillo” dat uit de periode van Enrique IV van Castilla stamt. Het proces van het verwerven van gronden duurde tot in 1595.

De koninklijke site werd juridisch beheerd door drie belangrijke instanties en dat zijn:

  • Het beheer van de jachtterreinen valt onder het beheer van het koninklijk huis
  • De prior van het klooster heeft het beheer heeft over de gronden die gebruikt worden voor de landbouw en de veeteelt.
  • De derde partij in het beheer van het domein is de burgemeester van El Escorial die het beheer heeft over de gemeente El Escorial. Deze gemeente heeft een eigen onafhankelijk statuut.

Het was een complexe administratieve structuur wat dan weer resulteerde in tal van conflicten. Het grootste conflict kwam er in de achttiende eeuw, tijdens de regeerperiode van Carlos III. De monniken en de gemeentelijke overheden van El Escorial stonden tegenover elkaar om de controle te krijgen over de gronden die geschikt waren voor residentieel gebruik.

De vraag naar woningen voor rekening van de functionarissen en het dienstpersoneel waren een delicate zaak op dat moment toen de koninklijke familie deze plaats veelvuldig bezocht. De reden dat de koninklijke familie deze plaats zo frequent bezocht was de bouw van de huizen voor de kroonprins en de prinses. Deze woningen waren een werk van Juan de Villanueva.

Carlos III kwam tussen in het conflict en hij besloot in 1782 om een figuur te creëren die verantwoordelijk zou zijn voor het beheer van het gebied. Deze gouverneur van de koninklijke site nam een deel van de verantwoordelijkheden van de prior en de burgemeester op zich.

Op dat moment stichtte men een nieuw territoriale eenheid die moest dienen om de ontwikkeling van een gehucht mogelijk te maken aangrenzend aan het koninklijke klooster maar verder afgelegen dan de gemeente El Escorial.

De woningen die gebouwd werden waren het begin van de huidige gemeente San Lorenzo de El Escorial. De gemeente werd officieel opgericht op 26 september 1836 als een afsplitsing van El Escorial.

Tijdens de regeerperiode van Carlos IV werd de afsplitsing ongedaan gemaakt. De onteigening van Juan Álvarez Mendizábal en Pascual Madoz was in private handen evenals de geannexeerde gebouwen in de zestiende eeuw. Onder deze gebouwen was de La Granjilla de La Fresneda, waar Felipe II een paleis liet bouwen en er een renaissance tuin liet aanleggen. Dit paleis kwam in het gehucht La Fresneda en dat moest hiervoor afgebroken worden.

La Granjilla de La Fresneda ligt buiten het toeristische circuit samen met andere plaatsen die van een groot historisch belang zijn. Deze plaatsen zijn opgenomen in het Nationaal Patrimonium.

4. Cultureel en natuurlijk erfgoed

Hierna volgt er een beschrijving van de artistieke, culturele, historische en de natuurkundige waarden van de belangrijkste plaatsen die uit de periode van Felipe II komen. De ruimtes die opgenomen zijn op de lijst hebben een grote culturele waarde voor de communiteit Madrid en dit omvat een grotere ruimte dan die is opgenomen door de Unesco in het verklaring van het Werelderfgoed.

4.1 Gebied van San Lorenzo de El Escorial

  • Klooster van El Escorial: werd gesticht in de zestiende eeuw volgens een bouwkundig plan van de architect Juan Bautista de Toledo. Het integrale karakter had een invloed op de ganse omgeving en het gebouw was de centrale kern. Na de dood van Juan Bautista de Toledo nam de architect Juan de Herrera het werk over en hij voltooide de bouw. Hij bracht wel een nieuwe architecturale stijl in die achteraf naar hem genoemd werd.
  • Dienstwoningen: de eerste twee werden tussen 1587 en 1596 gebouwd door de architect Juan de Herrera als woning voor het personeel van het koninklijk klooster. De derde woning werd twee eeuwen later opgericht door Juan de Villanueva. Zij hangen af van de gemeente San Lorenzo de El Escorial die de huizen verder gebruikt voor culturele en opvoedkundige activiteiten. In een van de huizen is het conservatorium “Conservatorio Profesional de Música Padre Soler” opgericht. Zij omringen de Lonja del Monasterio samen met het Casa de la Compaña dat opgericht is in de zestiende eeuw door Francisco de Mora.
  • Huizen van de prinsen: deze huizen waren een project van de architect Juan de Villanueva en zij dateren uit de achttiende eeuw. Zij werden opgericht in de herreriano bouwstijl. Zij deden dienst als residentie van de graaf van Floridablanca.
  • Huisje van de prins: Hier is de architect Juan de Villanueva verantwoordelijk voor. Het werd gebouwd voor de prins Gabriel de Borbón, zoon van Carlos III.
  • De smidse: dit historische pand noemde men vroeger “Dehesa de las Ferrerías de Fuentelámparas” en er staan eikenbossen rond. Het is beschermd door de communiteit Madrid.
  • Stoel van Felipe II. Volgens de traditie is dit gebouwd voor Felipe II om hem toe te laten de werken aan het klooster te volgen. Recent onderzoek heeft echter uitgewezen dat het een pre Romeins altaar kan zijn. Dit soort altaren komen meer voor op het Iberische schiereiland. Volgens andere onderzoekers is het opgetrokken in de negentiende eeuw voor recreatieve doeleinden.
Foto: de stoel van Felipe II
Esetena

4.2 Gebied van El Escorial

  • La Granjilla de La Fresneda: dit geheel van klooster en paleis is toegeschreven aan Juan Bautista de Toledo. Felipe II beval de bouw ervan in 1563, hetzelfde jaar dat men de eerste steen heeft gelegd van het klooster. Het had recreatieve doeleinden en het moest dienen als contrapunt voor het klooster. Het ligt op een landgoed dat momenteel is terug gebracht tot 148 hectare, tien keer minder dan het oorspronkelijk was. Het is geïntegreerd in een renaissance tuin die ontworpen is zoals de tuin van het Casa de Campo in Madrid. Momenteel is het in private handen maar het is beschermd door de communiteit van Madrid sinds 2006.
  • Monasterio de Prestado: in dit groot huis dat veel ouder is dan het koninklijk klooster woonde Felipe II gedurende 21 jaar tijdens de duur van de werken aan het koninklijk klooster.
  • Paviljoen van de Prins (Casita del Príncipe o de Abajo): is een van de belangrijkste constructies van Juan de Villanueva die voor zijn ontwerp tekeningen gebruikte die oorspronkelijk gebruikt werden in het Prado, het meesterwerk van deze architect. Het dateert uit 1772 en het werd gebruikt als recreatief paviljoen door Carlos IV, toen prins van Asturias.
  • Versterkte woning van El Campillo. Het is een versterkt herenhuis en het is veel ouder dan het klooster. Felipe II heeft er een jachtslot van gemaakt. Het is eigendom geweest van Rodrigo Manrique, vader van dichter Jorge Manrique.
  • Navalquejigo: dit verlaten dorp, van middeleeuwse oorsprong bevat tussen zijn ruïnes enkele gebouwen met een historische waarde. Dit is het geval voor de versterkte kerk die vermoedelijk gebouwd werd op het einde van de twaalfde of het begin van de dertiende eeuw.

4.3 Gebied van San Lorenzo de El Escorial, El Escorial, Zarzalejo y Santa María de la Alameda

  • Omheining van Felipe II: dit hek, dat opgetrokken is om de koninklijke site af te bakenen is nauwelijks voldoende om de 36 delen van de site die verspreid liggen over de gemeenten El Escorial, San Lorenzo de El Escorial, Zarzalejo en Santa María de la Alameda te omsluiten. Het hek is ongeveer 55 km lang en het had 10 toegangspoorten. Het is gemaakt van graniet en het heeft een hoogte van 1 tot 1,5 meter hoogte en een breedte tussen de 50 en 60 centimeter.
  • Natuurgebieden: Het monumentale complex van de koninklijke site van San Lorenzo de El Escorial y El Escorial wordt aangevuld met en rijk milieu en landschapspatrimonium. We vinden hier de landgoederen van El Campillo, dat dikwijls bezocht werd door Enrique IV van Castilië, van El Dehesón en van El Castañar. Bovendien is hier de prachtige natuur met zijn bergachtige formaties van Abantos, Las Machotas en de Cuerda de Cuelgamuros naast de vallei van de rivier de Aulencia.

4.4 Toeristische routes

Rondom de koninklijke site zijn er vijf toeristische routes die een aantal waarden combineren in verband met cultuur, natuur en geschiedenis.

  1. Monasterio-Casita del Príncipe-Monasterio de Prestado-Iglesia de San Bernabé-La Granjilla de La Fresneda;
  2. Monasterio-Casita del Infante-La Herrería-El Castañar-Silla de Felipe II-Las Machotas;
  3. Monasterio-Monte Abantos-Cordel del Valle de la Cañada Real Leonesa-Valle de los Caídos;
  4. La Granjilla de La Fresneda-El Campillo-Monesterio;
  5. La Granjilla de La Fresneda-El Dehesón-Navalquejigo.

4.5 Toegang

De site San Lorenzo de El Escorial en El Escorial kan men bereiken langs de M-505 en M-600 en die zijn toegankelijk vanaf de autostrade A-6 (Madrid-La Coruña). Bovendien is er het treinstation van El Escorial langs de spoorweg Madrid -Avíla.

5. Het klooster

Het klooster van El Escorial is een klooster van de Augustijner orde, het is de historische residentie van de Spaanse koninklijke familie en het is ook de begraafplaats van de Spaanse koningen. Het beheer van het complex ligt in de handen van een publiek orgaan, het Nationaal Patrimonium.

Het is een van de meest unieke architecturale werken uit de renaissance in Spanje en in Europa. Het bevindt zich in San Lorenzo de El Escorial op de zuidelijke helling van de berg Abantos op 1.028 meter hoogte in de Sierra de Guadarrama en het bezet een oppervlakte van 33.327 m².

Het klooster werd in de tweede helft van de zestiende eeuw ontworpen door koning Felipe II en zijn architect Juan Bautista de Toledo. Later werden de werken verder gezet door Juan de Herrera, Juan de Mijares, Gian Battista Castello El Bergamasco en Francisco de Mora.

De koning bedacht een groot multifunctioneel complex, dat zowel een monastiek als een paleisfunctie zou hebben en dat door Juan Bautista de Toledo vorm werd gegeven. Het was tevens de oorsprong van een nieuwe bouwstijl waarvan Juan de Herrera de bedenker was en hij gaf er ook zijn naam aan.

Het werd sinds het einde van de zestiende eeuw beschouwd als het achtste wereldwonder en dat was voor omwille van zijn omvang als ook voor zijn functionele complexiteit. Zijn architectuur markeerde de stap van de platereske renaissance naar de klassieke simpelere specifiek Spaanse renaissance stijl.

Het is niet alleen een gebouw met een perfecte aanblik, het is in feite een enorm reservoir van de andere kunsten.

Zijn schilderkunst, beeldhouwkunst, zangboeken, perkamenten, liturgische ornamenten en de overige luxe ornamenten, zowel heilig als werelds maken van het El Escorial ook een museum.

Het El Escorial is de kristallisatie van de ideeën en de wilskracht van zijn schepper, Felipe II.

5.1 Geschiedenis van het Koninklijk Klooster van San Lorenzo De El Escorial

  • 1557. Overwinning op de Fransen in de slag bij San Quintín.
  • 1558. Keizer Carlos V overleed in Yuste. Hij had zijn testament veranderd, eerst wou hij Granada begraven worden maar zijn wens aan zijn zoon was om in een nieuw op te trekken gebouw te worden begraven. Felipe II richtte een commissie op die een zoektocht moest houden naar een geschikte plaats en men vond die in de Sierra de Guadarrama, het geografisch centrum van het Iberisch schiereiland.
  • 1559. Op 15 juli benoemde de koning Juan Bautista de Toledo uit Gent tot koninklijk architect en belast hem met alle werken voor de kroon. Een commissie onderzoekt alternatieven voor de ligging van het nieuw te bouwen klooster en men heeft de keuze tussen Guisando, Aranjuez, Manzanares en de Alberquilla y la Fresneda in de omgeving van het El Escorial. In november maakt men dan zijn keuze en het is de huidige plek, op ongeveer 50 km van Madrid die de voorkeur krijgt. In het gebied was er voldoende ruimte en mogelijkheid voor de jacht en er was voldoende brandhout. Er was water en lucht van goede kwaliteit en er waren graniet en leisteen groeven in de nabijheid.
  • 1561. Dit jaar is een sleutel moment voor het El Escorial:De koning verplaatst de hoofdstad van Spanje van Toledo naar Madrid. De koning draagt het klooster over aan de monniken van Sint-Hieronymus. Traditioneel is de Spaanse monarchie sterk verbonden met de Orde van Sint Hieronymus. De architect Juan Bautista de Toledo begint aan het ontwerp voor het El Escorial.
  • 1562. Felipe II begon met de verwerving van de gronden.
  • 1563. Op 23 april is het de feestdag van San Jorge en legt men de eerste steen van het klooster, op de fundering van de refter van het convent, onder de zetel van de prior in de zuidelijke gevel.
  • 1567. Felipe II ondertekend op 22 april het handvest van de stichting en de schenking van het klooster. Weinige dagen later, op 19 mei, na de voltooiing van de gevel aan de Tuin van de Broeders, van een groot deel van de gebouwen van het klooster en van de Patio van de Evangelisten sterft Juan Bautista de Toledo. Tussen 1567 en 1569 werd de leiding van het project gedaan door Gian Battista Castello El Bergamasco, de maker van de hoofdtrap.
  • 1572. Juan de Herrera werd een steeds grotere hoofdrolspeler met een groter wordende invloed en hij neemt de reorganisatie van het project op zich.
  • 1575. De Cantabrische meester steenhouwer Juan de Nates komt samen met Diego de Sisniega en Francisco del Río in het project.
  • 1576. Herrera werd benoemd tot koninklijk architect, ontwerper, wiskundige en ingenieur voor alle werken van de kroon, inclusief het klooster van El Escorial. Hij begon het oorspronkelijk plan te veranderen en hij neigde daarbij naar een grotere vereenvoudiging met een geometrisch ontwerp van het gebouw. De voornaamste veranderingen waren een verdieping meer in de voorgevel, de vermindering van het aantal torens in de gevels en de sluiting van de Patio van de Koningen met een “dubbele gevel” van de kerk.
  • 1584. De beelden van David en Salomon worden in de voorgevel van de basiliek geplaatst. Op 13 september beëindigde men officieel de werken niettegenstaande de basiliek niet voltooid was. De werken duurden nog tot 1586 nadat men 11 jaar aan de basiliek gewerkt had onder de leiding van Francisco de Mora.
  • 1814. Na het overwinnen van de wisselvalligheden van de Onafhankelijkheidsoorlog kwamen de monniken terug na hun verwijdering.
  • 1820. Met het herstel van de grondwet van 1812 verliet de meerderheid van de monniken opnieuw het klooster maar zij kwamen terug in 1824.
  • 1837. Het vertrek van de 150 monniken op 1 december na het in werking treden van de op de onteigening van kerkelijke eigendommen.
  • 1869. De paters Escolapios zorgen voor de school. Tussen 1872 en 1875 hadden zij ook de zorg voor het klooster.
  • 1885. Koning Alfonso XII geeft het klooster aan de Orde van Sint Augustinus. Deze monniken verblijven tot op vandaag de dag in het klooster.

5.2 De aanleiding van de oprichting

Het klooster van San Lorenzo de El Escorial werd gesteund door Felipe II om zijn zege op de Fransen te herdenken in San Quintín op 10 augustus 1557.  Deze slag markeerde het begin van het planningsproces voor de eerste steenlegging op 23 april 1563. De architect was Juan Bautista de Toledo. Zijn opvolger na zijn dood in 1567 was de Italiaan Gian Battista Castello El Bergamasco en later kwam dan zijn leerling Juan de Herrera. De laatste steen werd 21 jaar later op 13 september 1584 gelegd.

Het gebouw komt er uit noodzaak om een klooster te bouwen die de koninklijke familie van een cultus rond zich zou verzekeren door de bouw van een nieuw familiegraf zoals het opgenomen is in een nieuw testament van Carlos V na zijn overlijden in 1558.

De keizer wilde begraven worden met zijn echtgenote Isabel van Portugal en zijn nieuwe dynastie maar dat moest op een andere plaats gebeuren dan bij de gebruikelijke begraafplaatsen van de vorige Trastamara dynastie.

Er zijn nog andere beweegredenen om het klooster van El Escorial op te richten zoals de viering van de eerste overwinning van Felipe II in de functie van koning op de Fransen in San Quintín en de verering van de Spaanse martelaar San Lorenzo. In deze, tijd toen er door de reformatie een aanval was ingezet op de heiligen en zijn relikwieën was er de noodzakelijk om een centrum te creëren dat het nieuwe geloof zou volgen van het concilie in Trente.

5.3 Oorsprong van het gebouw

Juan Bautista de Toledo werd door Felipe II naar Spanje geroepen om een reeks werken uit te voeren die een groot belang zouden hebben in de symboliek van de grootsheid van Spanje.

Deze grootsheid zou vanaf nu de nieuwe opvatting zijn van de moderne staat en deze grootsheid had een nieuw gebouw nodig waarmee het zich kon identificeren. Juan Bautista wordt beschouwd als de eerste architect van het klooster van El Escorial en zijn ontwerpen blijven de basis van waaruit de Spaanse bouwstijl het herreriano is gegroeid.

5.4 De eerste ontwerpen

In eerste instantie tonen de eerste ontwerpen die bewaard gebleven zijn van Juan Bautista de Toledo een gebouw dat een totaal verschillend beeld laat zien van wat er uiteindelijk gebouwd is.  Torens in het midden van de zijgevels en twee torens bij de hoofdingang, waar de patio van de koningen open bleef en die gezien kon worden vanaf het einde van de ingang van de basiliek. We weten van de overgebleven documenten van de priors van het klooster dat er oorspronkelijk plaats was voor 50 monniken en dat dat later opgetrokken is naar honderd.

Wat de kerk betreft, werd het ontwerp opgelost door enkele kerkschepen met een kleinere grootte dan de huidige en die afgesloten werd met een kapel met een halfronde absis. Felipe II was niet tevreden met deze oplossing en hij vroeg raad aan Francesco Paciotto die de vorst moest adviseren.  Deze gaf de raad om een vlakke absis te plaatsen.

Uiteindelijk kwam de definitieve oplossing van Juan de Herrera die een kerk bouwde in en vierkante vorm, gebaseerd op de plannen van het Vaticaan die op een traditionele basiliek gebaseerd is. Het altaar staat aan het einde van het voornaamste kerkschip.

Het was Herrera ook die verantwoordelijke is voor het uiteindelijke beeld van de gevels met minder torens en zonder spreiding ervan wat uiteindelijk het machtige uitzicht aan het gebouw heeft gegeven.

Het definitieve plan van het gebouw met enkel vier torens op de hoeken herinnert aan de vorm van een grill en daarom denkt men dat dit ter ere is van San Lorenzo, die in Rome de martelaarsdood stierf op een grill.

5.5 Monastieke voorgeschiedenis

Fernando Chueca Goitia zet uiteen waarom de algemene inrichting van het gebouw zo belangrijk was en waarom de orde van de hiëronymieten een zo grote invloed had op de eerste ontwerpen van het gebouw. Deze monniken stonden een ontwerp voor met een kern van de kerk en het klooster.

De belangrijkste bijdrage van Juan Bautista de Toledo is geweest dat hij de publieke en de private paleizen integreerde in een symmetrisch renaissance ontwerp. Dit ontwerp met een koninklijk paleis dat tegen een klooster gebouwd is, is een gewoonte bij de middeleeuwse Spaanse koningen die de kloosters gebruikten als plaatsen voor retraites, rouw en rust. Wij vinden nog meer van deze voorbeelden in Santo Tomás de Ávila, Guadalupe, Poblet, Santa Creus of Yuste. Momenteel is het klooster in gebruik door de orde van de Augustijnen.

5.6 Een voorbeeld uit de bijbel: de tempel van Salomon

In werkelijkheid is de architectonische oorsprong iet of wat controversieel. Aan de ene zijde is er het verhaal van San Lorenzo en de grill maar dat verhaal verscheen voor de eerste maal toen Herrera de voorgevel sloot.  Aan de andere zijde is er de beschrijving van het gebouw dat het lijkt op de tempel van Salomon. Deze beschrijving komt van de joods-romeinse historicus Flavio Josefo.

Dit idee moet aangepast worden door de wijzigingen (vergroting) die aan het gebouw aangebracht worden en de functies die Felipe II in het gebouw wou zoals: een basiliek, een klooster, een bibliotheek, een paleis, een grafkelder en een school.

Dit verdubbelde de oorspronkelijke omvang van het project. De standbeelden van David en Salomon flankeren de toegang tot de basiliek en zij symboliseren de krijger, Carlos V en de wijze Salomon, Felipe II.

Er staat ook een fresco van salomon in het midden van het gewelf in de bibliotheek en dat toont het beroemde gebeuren met de Koningin van Sheba.

5.7 Delen van het gebouw

5.7.1 De bibliotheek

De bibliotheek is een werk van de architect Juan de Herrera die ook de boekenkasten en de boekenrekken ontwierp die in de bibliotheek staan. De fresco’s op het plafond zijn het werk van Pellegrino Tibaldi. In de bibliotheek is er een collectie van 40.000 boeken en er bevinden zich manuscripten in van een onschatbare waarde. Van deze manuscripten zijn er 2.700 aanwezig in de bibliotheek waaronder Arabische geschriften, een poëtisch werk van Alfonso de Wijze en een Beatus uit de elfde eeuw.

Foto: de bibliotheek
Xauxa Håkan Svensson

Zij bevinden zich in een grote zaal van 54 meter lengte, 9 meter breedte en 10 meter hoogte. De vloer is van marmer en de boekenkasten zijn gemaakt van de kostbaarste houtsoorten.

Arias Montano maakt zijn eerste catalogus en selecteert hiervoor enkele van de belangrijkste werken in de collectie.

De boeken staan op een opmerkelijke manier in de rekken, ze staan namelijk met de rugzijde naar binnen om ze op deze manier beter te kunnen bewaren.

Het plafond van de bibliotheek is versierd met fresco’s die de zeven vrije kunsten tonen en dat zijn: welsprekendheid, dialectiek, muziek, grammatica, rekenkunde, meetkunde en astrologie.

Daarnaast zijn er nog mooie portretten aanwezig van Spaanse koningen zoals die van Keizer Carlos V, Felipe II en Felipe III die geschilderd zijn door Pantoja de la Cruz.

5.7.2 Het paleis van koning Felipe II

De residentie van koning Felipe II is gevormd door een reeks sobere kleine kamers. Zij bevinden zich nabij het groot altaar van de kerk. Er is hier een raam dat de koning toeliet de mis te volgen toen hij het bed moest houden met zijn jicht aanvallen. Op de muren staat er een Heilige Christoffel van Patinir geschilderd en we zien eveneens een portret van de oude koning dat geschilderd werd door Pantoja de la Cruz. De troonzaal geeft een mooi uitzicht op de tuinen en zij is aangekleed met Brusselse wandtapijten. De zaal naast de troonzaal, de zaal der portretten is behangen met beeltenissen van vroegere koningen.

5.7.3 Basiliek

De architect Juan de Herrera liet zich inspireren door een aantal Italiaanse architecten. In het atrium is er een architecturale nieuwigheid in de vorm van een plat gewelf. Binnenin lijkt de basiliek op Sint-Pieter in Rome met zijn grondplan in de vorm van een Grieks kruis, een hoge koepel van 92 meter hoog die ondersteund is door vier kolossale zuilen. De fresco’s in de koepel werden geschilderd door Luca Giordano en zij tonen onder andere de dood, de begrafenis en de hemelvaart van de maagd.

Grote treden in rood marmer leiden naar het sanctuarium waar de koepel beschilderd is door Cambiasso met scènes uit het leven van Maria en Jezus.

Het enorme, 30 meter hoge retabel werd ontworpen door Juan de Herrera en omvat vier verdiepingen waartussen 15 bronzen beeldhouwwerken van Leone en Pompeo Leoni staan.

De monstrans is ook een werk van Herrera.

Het koor wordt geflankeerd door de mausolea van Keizer Carlos V en van koning Felipe II, zij werden door Pompeo Leoni al biddend tussen hun familie voorgesteld.

In de eerste kapel hangt het Martelaarschap van de Heilige Mauritius van Romulo Cincinato en in de aangrenzende kapel staat een gebeeldhouwde Christus van Benvenuto Cellini.

5.7.4 Zaal van de veldslagen

Foto: zaal van de veldslagen
Quenoteam

Deze zaal is versierd met fresco’s die de belangrijkste gewonnen veldslagen tonen van het Spaanse leger. De fresco’s aan de zuidkant tonen de veldslag waarin Higuerela de Moren overwon in de vijftiende eeuw en die aan de noordkant de slag van Saint-Quentin tonen.

5.7.5 Crypte

Deze crypte werd gebouwd door Juan Gómez de Mora volgens plannen van Juan Bautista Crescenzi. De bouw van de kapel is gestart in 1617 en de werken waren voltooid in 1654.

Zij bevat de 26 marmeren graftombes waar de stoffelijke resten begraven liggen van de koningen en koninginnen van de huizen van Oostenrijk en Borbón, met uitzondering van Felipe V en Fernando VI, die respectievelijk begraven liggen op La Granja de San Ildefonso en de Salesas Reales.

Ontbreken hier ook de stoffelijke resten van Amadeo I, vanhet huis van Savoye en José I Bonaparte, die respectievelijk begraven liggen in de Basíliek van Superga in Turíjn en in de Invaliden kerk in Parijs.

5.7.6 Kapittelzalen

Dit waren de twee zalen waar de monniken hun kapittelen hielden om de puurheid van de congregatie te behouden maar die nu gebruikt worden om een aantal schilderijen te tonen. De plafonds zijn versierd met fresco’s van Italiaanse schilders en zij vormen een waar museum van religieuze kunst.

Vanaf de tijd van Velázquez, is er hier een groot aantal belangrijke schilderijen aanwezig. In de eerste zaal zien we werken van El Greco en Ribera en “Het Kleed van Jozef” van Titiaan is hier ook te vinden. De tweede zaal bevat werken van Tintoretto, Veronese en Titiaan.

6. Het Museum voor de Schilderkunst

Dit bestaat uit werken uit de Duitse, Vlaamse, Venetiaanse, Italiaanse en Spaanse school uit de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw. Er zijn hier werken aanwezig van Titiaan, Ribera, Rogier Van der Weyden en van El Greco. Een van de doeken van El Greco, Het Martelaarschap van de Heilige Mauritius, was besteld door Felipe II maar het werd door hem geweigerd omdat hij gechoqueerd was door de originaliteit en de gebruikte kleuren van het doek.

7. Architectuurmuseum

In zijn elf zalen toont men de gereedschappen, takels en andere gereedschappen die men nodig had voor de bouw van het klooster. Men kan er ook reproducties bekijken van de tekeningen van Herrera en van ander documenten die men gebruikt heeft tijdens de bouw.

8. Tuinen van de broeders

De tuinen werden gebouwd door Felipe II en zij waren een plaats voor de liefhebbers van de natuur. Het was een ideale plaats voor rust en bezinning.. Manuel Azaña, die aan het college in het klooster studeerde schreef in zijn memoires en in zijn werk “El jardín de los frailes” over deze plaats die een plaats was voor studie en vermaak voor de studenten.

9. Relikwieën

Volgens een van de voorschriften die werden goedgekeurd op het Concilie van Trente in verband met de aanbidding van de heiligen gaf Felipe II aan het klooster een van grootste collecties relikwieën van de christelijke wereld.

De collectie bevat 7.500 relikwieën die bewaard worden in 507 dozen of beeldhouwwerken die voor het grootste deel ontworpen zijn door Juan de Herrera en die gemaakt werden door de zilversmid Juan de Arfe y Villafañe.

Deze relikwieën hebben de meest verschillende vormen: hoofden, armen enz. Zij liggen verspreid over het ganse klooster maar de belangrijkste liggen in de basiliek.

De Intocht van de Stieren en de Paarden

  1. Algemeen
  2. Beschrijving van het feest
  3. Oorsprong en historische evolutie
  4. Het feest bestaat uit verschillende onderdelen

1. Algemeen

Foto: intocht van de stieren
User:Embolat

De Intocht van de Stieren en de Paarden is een populair feest dat doorgaat in Segorbe (Comunidad Valenciana) en het staat op de lijst van Feesten van Internationaal Toeristisch Belang.

Deze intocht is de belangrijkste activiteit van de ganse feestweek en zij gaat door in Segorbe tijdens de week van de tweede zaterdag van september. Tijdens de intocht worden er zes stieren en ongeveer twaalf paarden binnengebracht.

2. Beschrijving van het feest

De eerste verwijzingen naar dit feest dateren uit de veertiende eeuw en het was de gewoonte om de stieren naar het plein te brengen waarna ze later gebruikt werden voor het stierengevecht. De kralen bevonden zich naast de rivier op meer dan een kilometer van het dorp. Het uitzonderlijke aan dit feest is het feit dat paarden helpen om de stieren te leiden en de afwezigheid van afsluitingen. Het is hier een levende muur van toeschouwers die de stieren verhinderen om uit te breken. Dit maakt wel dat de ren van de stieren niet zonder gevaar is.

3. Oorsprong en historische evolutie

De exacte datum waarop dit feest in Segorbe is ontstaan, is onbekend, hoewel de tot nu toe uitgevoerde onderzoeken gegevens vinden die het bestaan van festivals met stieren in de gemeente in 1386 bewijzen en die gestructureerd zijn rond de inwijding van San Juan in San Pedro.

Deze festivals werden in de volgende eeuwen voortgezet, een feit dat wordt gecrediteerd door de talrijke documentaire bronnen die rekeningen van reparaties van de omheiningen waarin de stieren verblijven vertellen en van scènes die plaatsvonden op het plein waar de festiviteiten plaatsvonden.

Het eerste fotografische beeld dat bekend is van een stiereningang in de gemeente komt uit 1894 en is blijkbaar gemaakt door de Franse fotograaf Julio Derrey.

Wat het doel van deze gewoonte betreft, dit was om een selectieproces uit te voeren en de stieren over te brengen naar het plein, voor hun volgende gevecht, vanuit de hokken aan de rivier, meer dan een kilometer van de stad.

Deze handeling is vergelijkbaar met die in andere delen van Spanje, zoals het geval is bij Soria, met de beroemde overdracht van het vee uit Valonsadero op “donderdag van de Saca”.

Deze traditie ontwikkelde zich tot een geritualiseerd spektakel en werd een symbool en een toeristische attractie van de gemeente.

4. Het feest bestaat uit verschillende onderdelen

  • Subida del Rialé: Tijdens de middag begint de gang van de kudde vanaf de kraal in de buurt van Peñalba naar de andere kant van de rivier naar een tijdelijke kraal op het einde van de calle del Argén. Daarvoor loopt de kudde over een weg die bekend staat als Rialé en hij wordt gadegeslagen door een aantal toeschouwers.
  • La tria: Aan de voet van de toren van Botxí wordt uit de ganse kudde de zes stieren gekozen die de stad die dag zullen binnenlopen.
  • La reunión: Om twee uur stipt, geeft een vuurpijl het begin van de intocht aan. De stieren gaan van de calle del Argén naar de plaza de los Mesones waar de ruiters hen opwachtten om de stieren te begeleiden tot aan de plaza de la Cueva Santa.
  • Het traject van de ren zelf is ongeveer vijfhonderd meter en de stieren lopen ongeveer één minuut over dit traject. Dit traject loopt voor het grootste deel door de calle Colón tot aan de tijdelijke arena op de plaza de la Cueva Santa. Tijdens de intocht staan de ongeveer twintig duizend toeschouwers in de straat om bij de doortocht opzij te stappen en er een levende muur te vormen. Net voor de aankomst van de stieren op de plaza de la Cueva Santa verlaten de ruiters te paard de intocht om de stieren alleen te laten aankomen op de plaza de la Cueva Santa.
  • El desfile de los caballistas: Eenmaal de intocht beëindigd keren de ruiters terug door de straten om het applaus van het publiek in ontvangst te nemen.

Zee en strandveiligheid in Spanje

  1. Algemeen
  2. Hou jezelf veilig
  3. Hou het veilig voor anderen
  4. Spaanse stranden
  5. De eilanden
  6. Stranden met toegang voor mindervaliden
  7. Regels en richtlijnen op de stranden
  8. Stranden met de Blauwe Vlag
  9. Veiligheid in de zon en in zee

1.Algemeen

Alhoewel dit een site is die de culturele en de natuurlijke rijkdom van Spanje onder de aandacht wil brengen kunnen we er niet om heen dat veel mensen naar hier komen voor zon, zee en strand.

Daarom heb ik dit artikel geplaatst om hier op een zo veilig mogelijke manier van te kunnen genieten.

Beveiligde Spaanse stranden hebben een systeem van gekleurde vlaggetjes om het publiek te informeren. De gebruikte codes zijn:

  • Groen Veilig om te zwemmen
  • Geel Opgelet
  • Rood Verboden te zwemmen
  • Witte vlag met kwallenpictogram: informatieve waarschuwing voor een hoge concentratie kwallen
  • Zwart: totaal zwemverbod vanwege buitengewoon en ernstig risico voor de veiligheid van mensen en hun fysieke integriteit, met de mogelijkheid tot afzetting van het strand en een ingrijpen door de veiligheidsdiensten
  • Blauw kijk hieronder

Hierna volgen enkele raadgevingen die opgesteld werden door de International Life Saving Federation:

2. Hou jezelf veilig

  • Leer zwemmen en bekwaam u in waterveiligheid.
  • Zwem nooit alleen maar altijd met andere mensen.
  • Volg alle veiligheidsberichten op borden en vlaggen.
  • Ga nooit in het water na het drinken van alcohol.
  • Weet wanneer en hoe men een reddingsvest moet gebruiken.
  • Zwem enkel aan bewaakte stranden.
  • Weet wat de water en de weercondities zijn voordat je in het water gaat.
  • Ga altijd eerst met de voeten in ondiep of onbekend water.

3. Hou het veilig voor anderen

  • Help en moedig anderen en vooral dan kinderen aan om te leren zwemmen en om de veiligheidsregels te leren gebruiken.
  • Zwem enkel aan bewaakte stranden.
  • Let op de veiligheidsvoorschriften.
  • Geef altijd voldoende aandacht aan kinderen in de nabijheid van water.
  • Weet wanneer en hoe je een reddingsvest moet gebruiken, vooral met kinderen en mensen die niet kunnen zwemmen.
  • Leer Eerste Hulp Bij Ongevallen (EHBO)
  • Leer veilige manieren om mensen uit het water te redden zonder jezelf in gevaar te brengen.
  • Volg alle veiligheidsberichten op borden en vlaggen.

4. Spaanse stranden

Spanje heeft een kustlijn van ongeveer 8.000 km. Er zijn geen private stranden in Spanje en recente wetten verbieden de bouw van woningen dichtbij het strand. Dat betekend dat de ganse kustlijn toegankelijk is voor iedereen. Het bord “Acceso público a la playa”, betekend “openbare toegang tot het strand” en geeft mensen toegang over privaat land tot het strand.

De Atlantische kust
710 km kust met stranden met natuurlijke duinen, grote golven en water dat frisser is dan het water van de Middellandse Zee. Aan de Costa del Luz, in het zuiden van Spanje, zijn er lange zanderige stranden met daarachter duinen en dennenbossen. Veel stranden zijn rustig en “onontdekt”.

De Middellandse Zeekust
De Spaanse Middellandse Zeekust is 1.660 km lang. Er is hier het ganse jaar door zonneschijn en de stranden hebben er rustig, warm water. De stranden van de Costa Brava zijn lang en goudkleurig. De Costa Blanca heeft lange zanderige stranden met rotsachtige baaien. De stranden in Valencia zijn breed en open met goudkleurig zand. In Almeria kan men alles vinden, van rotsachtige baaien tot verlaten stranden. De Costa del Sol heeft grijs, grofkorrelig zand en warm, veilig water.

De Baai van Biskaje
De kust van de Baai van Biskaje (Golfo de Vizcaya) aan de noordelijke kustlijn van Spanje is onregelmatig en er zijn kliffen maar ook zandige baaien. De baai is bekend voor zijn plotse zware stormen. Het water heeft er ook sterke stromingen.

5. De eilanden

De Balearen
De vier belangrijkste eilanden van de Balearen liggen aan de Spaanse oostkust in de Middellandse Zee:

  • Majorca heeft populaire stranden met fijn zand, dennenbossen en tal van strand restaurants
  • Menorca heeft stranden met fijn wit zand, kristal helder water en tal van verborgen baaien. Zij zijn klein, idyllisch en rustgevend
  • Ibiza de stranden op Ibiza zijn druk, men kan hier uitgaan, aan watersport doen of naar het naaktstrand gaan. Naast de drukke stranden zijn er ook rustige baaien met ongerepte stranden
  • Formentera de stranden hier zijn wit en zanderig, ongerept door de bouwontwikkeling met turquoise water.

De Canarische Eilanden
De vijf belangrijkste eilanden liggen in het noordwesten van de kust van Afrika. De archipel bestaat uit vulkanische rotsen en het terrein verschilt van eiland tot eiland. Sommige stranden hebben zelfs zwart vulkanisch zand.

  • Lanzarote de stranden hier zijn geschikt voor alle soorten watersport. Alle belangrijke vakantieoorden op het eiland bieden een keuze op hun vlekkeloze zandstranden met zonnebanken en andere faciliteiten
  • Gran Canaria de stranden met hun gouden zand, met klaar, proper water gecombineerd het ganse jaar door met warm zeewater
  • Fuerteventura de stranden hier hebben wit zand en ze zijn de meest populaire van de Canarische Eilanden. Veel van deze stranden hebben hier de blauwe vlag
  • Tenerife de stranden hier zijn verschillend, met zijn stranden met zwart zand in het noorden en met gouden stranden in het zuiden
  • Westelijke Canarische Eilanden de stranden hier hebben zwart zand met een groot aantal rotsige baaien.

6. Stranden met toegang voor mindervaliden

Spanje heeft een aantal stranden voor mensen met een beperkte mobiliteit en die in een rolstoel zitten. 

7. Regels en richtlijnen op de stranden

Vanaf 2009 hebben stranden en vakantieoorden doorheen Spanje beperkingen in wat er toegelaten is op het strand of het vakantieoord. Zo zijn er beperkingen op het luisteren naar muziek zonder koptelefoon, roken, drinken, huisdieren, balspelen, urineren in het water, het bouwen van zandkastelen, barbecueën en nog een aantal andere activiteiten. Het is dus aan te raden om na te kijken wat er verboden is op het strand en dit is meestal aangegeven aan het begin van het strand.

8. Stranden met de Blauwe Vlag

Foto: blauwe vlag
Roberta F.

De Blauwe Vlag is een eco label voor stranden met een goede kwaliteit van het zeewater, waar er inspanningen geleverd worden voor het milieu en waar er voldoende veiligheid en diensten aanwezig zijn. Het eco label “Blauwe Vlag” is geïntroduceerd in 1985 in Frankrijk onder de naam “Pavillon Bleu” en het wordt nu gebruikt in 41 landen over de ganse wereld.

Om een Blauwe Vlag strand in Spanje te vinden klikt men op Blauwe Vlag.

9. Veiligheid in de zon en in zee

Als je bewust bent van de gevaren verbonden aan het zwemmen in zee dan ben je op de goede weg om ongevallen te vermijden. Kinderen moeten in elk geval onder toezicht staan.

De meest voorkomende gevaren zijn:

  • Stromingen in het water kunnen zeer sterk zijn.
  • Windvlagen kunnen hoge golven veroorzaken.
  • Ga nooit alleen zwemmen en bij voorkeur waar er redders aanwezig zijn.
  • Onderkoeling of hypothermie

In sommige gevallen, wanneer de temperatuurverschillen tussen het water en de lucht zeer groot zijn, kan snel in het water springen de oorzaak zijn van onderkoeling. De symptomen zijn rillen, duizeligheid, zichtproblemen, gehoorproblemen, koorts, jeuk, krampen en hoofdpijn.

Als dit gebeurt moet men direct uit het water gaan, u afdrogen, aankleden of u in handdoeken wikkelen en gaan rusten in de schaduw tot de symptomen verdwijnen.

Zonneslag
Een zonneslag kan optreden indien men te lang bloot gesteld is aan zonnestralen en kinderen zijn hier extra gevoelig aan. Symptomen van een zonneslag zijn hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, stijve nek en koorts. In een ernstig geval kan er nog braken en bewusteloosheid bijkomen. Meer info over een zonneslag en zonnebrand kan je vinden op Leven in Spanje, Uw Gezondheid.

Kwallen
Bij een steek van een kwal (medusa)moet men de steek afspoelen met zeewater, gebruik dus nooit zoet water. Azijn, wijn, alcohol of zelfs menselijke mannelijke urine deactiveert het gif in de steek. Voor meer informatie over kwallen en de behandeling bij een steek kan je kijken op Leven in Spanje, Dieren in Spanje.

Zee-egels
De stekels van de zee-egel (Erizo de mar) kunnen u steken en dat kan een zwelling en een infectie veroorzaken. De stekels breken gemakkelijk af en zij zijn moeilijk te verwijderen. Meer info kan je vinden op Leven in Spanje, Dieren in Spanje.

Rog, pieterman en schorpioenvis
Ondiep zanderig zeewater kan roggen en pietermannen verbergen. Een verontrustte rog (Raya) kan uithalen met zijn staart met stekel en het geeft irritatie van de huid of een infectie.
De pieterman (Trachinidae) heeft giftige stekels op zijn rugvin. Hij rust begraven in het zand maar met de rugvin omhoog. Een zwemmer die hier op trapt krijgt een enorme pijn. Meer info kan je vinden op Leven in Spanje, Dieren in Spanje.
De schorpioenvis (Scorpaenidae) ligt dikwijls op rotsachtige plaatsen verborgen. Deze vis heeft ook stekels die pijnlijke wonden kunnen maken.

Veilig met de auto naar het zuiden

  1. Algemeen
  2. Neem voldoende water mee
  3. Vermijd de spits
  4. Zet uw ramen even open na vertrek
  5. Parkeer en pauzeer in de schaduw
  6. Sta je toch langdurig in een file, zet de verwarming van de wagen op
  7. Leg een handdoek over je stuur
  8. Voorzie je toch op een panne

1.Algemeen

Terwijl Belgen en Nederlanders aan hun grote uittocht naar het zuiden beginnen, meten ze in het zuiden recordtemperaturen.

Kan het wel veilig zijn om met temperaturen van boven de 40 graden in de file te staan na een rit van meer dan acht uur?

Het antwoord op deze vraag is duidelijk nee. Vanaf 27°C kunnen vermoeidheid, concentratieproblemen en benauwdheid optreden. Rijden in een wagen met een te hoge binnentemperatuur heeft eenzelfde risicofactor als rijden onder invloed van alcohol. Een interieurtemperatuur van 35°C komt volgens diverse studies overeen met 0,5 promille alcohol in het bloed.

Hierna volgen een aantal tips om toch zo veilig mogelijk naar het zuiden te rijden.

2. Neem voldoende water mee

De belangrijkste maatregel maar toch de logica zelve natuurlijk: neem voldoende water mee in de wagen, zodat je ook voorbereid bent als je door file onverwacht langer onderweg bent. Koop eventueel een spuitbus met water (spray) om het gezicht even te verfrissen zonder u te veel nat te maken. Wie lang fris water wil, kan de flesjes thuis eerst (gedeeltelijk) invriezen.

3. Vermijd de spits

Filerijden in de hitte is nooit aangenaam en dat is het ook niet voor je auto. Kan je wachten tot zondag, doe het dan, zo vermijd je de ergste files en probeer ook om niet ’s nachts te rijden. Men kan zo wel de ergste hitte vermijden maar weinig mensen zijn gewoon om ’s nachts te werken.

4. Zet uw ramen even open na vertrek

Als je na de pauze met een hete auto vertrekt, zet je best de ramen open. Schakel de airco pas in nadat de motor gestart is, maar het mag dan wel meteen op volle kracht terwijl de ramen nog open staan. Zodra de ergste warmte uit de auto is, doe je de ramen dicht en zet je de airco op de normale stand.

5. Parkeer en pauzeer in de schaduw

Pauzeer voldoende en parkeer je auto dan best in de schaduw, anders wordt het binnen erg warm. Ikzelf rijd meestal twee uur en dan ga ik aan de kant of op een parking staan.

6. Sta je toch langdurig in een file, zet de verwarming van de wagen op

Sta je bij heet weer in de file? Dan zet je beter de airco af en zelfs de verwarming aan. Het is ook niet evident om tijdens een hittegolf de motor koel te houden. Tijdens het rijden zorgt de wind nog voor verkoeling. Maar als je stilstaat, moet de koeling gebeuren met de koelvloeistof. Door de airconditioning af te zetten en de verwarming aan te zetten, wordt het wel warmer in de auto maar kan de koelvloeistof makkelijker afkoelen.

Als de wijzer op je dashboard aangeeft dat je motor echt oververhit dreigt te raken,dan zet je de verwarming best op maximale blaasstand. Zet dan wel je ramen naar beneden, zodat de temperatuur in de auto niet te hoog oploopt.

7. Leg een handdoek over je stuur

Als het niet lukt om in de schaduw te parkeren, dek je de voorruit best af met een scherm. Anders zal de temperatuur vlug oplopen tot een stuk boven de 60 graden, Als je geen scherm hebt, kan je het stuur, tijdens je pauze, ook afdekken met een handdoek.

8. Voorzie je toch op een panne

Leg een paraplu in je kofferbak. Wanneer je pech krijgt, moet je de auto uit en met een paraplu sta je dan niet onbeschermd in de brandende zon.

Het Alhambra, Generalife en Albaicín

  1. Algemeen
  2. Alhambra
  3. Generalife
  4. Albaicin
  5. Toeristische dienst van Granada

1.Algemeen

Foto: het Alhambra
Jebulon

Dit artikel gaat enkel over de 3 plaatsen in Granada, het Alhambra = Paleis, het Generalife = tuinen en het Albaicín = een oude Moorse wijk. De stad Granada komt in een ander artikel aan bod omdat dit artikel nu al veel te groot is en omdat dit hoofdstuk enkel over het werelderfgoed gaat.

Wat kan u hier vinden:

  • Alhambra
  • Generalife
  • Albaicín
  • Adres toeristische dienst van Granada

2. Alhambra

Het Alhambra is een Andalusisch stedelijk paleis in Granada. Het is een rijk paleis complex en een fort dat de koning van het Koninkrijk der Nasriden in Granada huisvestte.

Zoals andere islamitische werken uit die tijd is het een zeer mooi paleis en het interieur met zijn inrichting is een van de hoogtepunten van de toenmalige islamitische kunst.

Een kort promofilmpje over het Alhambra van 5,43 minuten, er is een nadeeltje, de bijgaande muziek is redelijk enerverend.

2.1 Waar komt de naam vandaan?

Het woord Alhambra is Arabisch en komt van “Al Hamra”, dat is dan weer afkomstig van de volledige Arabische naam “Qal’at al-hamra” (Fortaleza Roja).of in het Nederlands “Rood fort”.

In zijn evolutie is er in het Castiliaans tussen de M en de R een B zoals in alfombra (tapijt) wat in het klassiek Arabisch betekend de “roodheid” en dat is geschreven als “humrah”.

De vorige betekenis van Alhambra is een versie maar er zijn andere bronnen die zeggen dat in die periode de kleur van het Alhambra wit was.

De naam “rood” komt volgens hen omdat men tijdens de bouw van het Alhambra ook ’s nachts werkte en als men er naar keek vanuit de verte alles rood kleurde door het licht van de gebruikte toortsen.

Nog anderen beweren dat de naam “Alhambra” simpelweg de naam is van de vrouw van de oprichter van het paleis, Abu Alahmar wat in het Arabisch de betekenis heeft van “de Rode” omdat deze vrouw roodharig was.

2.2 Geschiedenis

Het Alhambra is een ommuurde stad (medina) gelegen op het beste deel van de heuvel “La Sabika”.

De stad Granada had zijn eigen systeem van ommuring, daarom kon het Alhambra apart functioneren van de stad Granada, temeer omdat naast het koninklijk paleis alle diensten aanwezig zijn om de eigen bevolking het leven mogelijk te maken zoals een moskee, scholen en werkhuizen.

Wanneer Ben-Al-Hamar ofwel Mohamed-Ben-Nazar Granada als overwinnaar binnenkomt in 1238 ontvangt de bevolking hem met de schreeuw “Welkom aan de overwinnaar dankzij de gratie van Allah” waarop hij antwoord “Alleen Allah overwint”.

Dit is ook de wapenspreuk op het wapenschild van de Nasriden en het staat op de muren geschreven doorheen het ganse Alhambra.

Mohamed Ben-Nazar bouwde het eerste deel van het paleis en zijn zoon Mohamed II, die een vriend was van koning Alfonso X de wijze, versterkte het paleis.

De bouwstijl van het Alhambra is het hoogtepunt van de Andalusische bouwkunst in de helft van de XIVde eeuw met Yusuf I en met Mohamed V.

In 1492 met de verovering door de Katholieke Koningen van Granada is het Alhambra geen koninklijk paleis meer.

De graaf van Tendilla, van de familie Mendoza werd de eerste christelijke slotvoogd van het Alhambra. Hernando del Pulgar, kroniekschrijver uit die tijd schreef hierover:”De graaf van Tendilla en de Groot Commandeur van Léon, Gutierre de Cárdenas ontvingen de sleutels van de stad uit de handen van Fernando de Katholieke en zij gingen het Alhambra binnen en zij plaatsten bovenop de Toren van Comares het kruis en de vlag.

Op de bijeenkomst van het comité van de UNESCO op 2 november 1984 nam men het Alhambra en de Generalife van Granada op op de lijst van het werelderfgoed en 5 jaar later kwam er het El Albaicín bij, een oude middeleeuwse islamitische stad.

Het Alhambra was een van 21 laatst overgebleven kandidaten om genoemd te te worden als een van 7 nieuwe wereldwonderen maar het behaalde uiteindelijk de titel niet.

2.3 Toegang tot het Alhambra

De centrale weg die omhoog loopt door de Puerta de la Granadas (Poort van de Granaatappels) dient voor publiek transport en stopt aan het Paleis van Karel V.

Foto: Puerta de la Granadas
Harvey Barrison

Lopend kan men tot aan de Puerta de la Justicia (Poort van de Gerechtigheid) gaan. Deze poort is gebouwd in de periode van Yusuf I in 1348. Zij is ook een van de oude hoofdingangen van het Alhambra. Zoals in alle oude Moorse verdedigingswerken en hun poorten is ook deze poort gebogen.

Op de sluitsteen van de buitenste boog staat een hand, zij is met de palm naar buiten gericht. De vijf vingers van de hand verwijzen naar de 5 peilers van de islam, deze peilers zijn: het geloof in één god, het gebed, de vasten, de bedevaart naar Mekka en het geven van aalmoezen.

Deze poort komt uit op een terrein met de naam Plaza de los Aljibes, het plein met de regenbakken, omdat er hier een aantal drinkbakken staan. Aan de rechterkant is de Puerta del Vino (Wijnpoort) . Deze poort had geen enkele defensieve functie en zij dateert uit de XIVde eeuw maar de naam komt uit de christelijke periode toen de wijnhandelaars hier de wijn afzetten voor de bewoners van het Alhambra. De poort is de verbinding tussen het Alcazaba en de paleizen.

Het Alcazaba is het oudste deel van het Alhambra en het is een burcht met zware torens en verdedigingsmuren. Deze burcht bestaat uit:

  • de tuin van de Adarves: er is een mooi panoramisch uitzicht
  • de Torre de la Vela: nog een herinnering uit het martiale verleden, het is ook hier dat de katholieke koningen de vlag hesen na de verovering van Granada. Vanaf hier heeft men een uitzicht over Granada, de Sacromonte en het Albaicín.
  • de Torre del Homenaje
  • de Torre Quebrada
  • de Torre Adarguero

De laatste drie zijn aan het grote plein. Achter de Puerta del Vino, aan de rechterkant is het Paleis van Karel V en komt men aan de paleizen.

Wanneer de katholieke koningen, Isabella en Ferdinand het koninkrijk Granada veroverden en ze daardoor de Moorse koning, Boabdil uit Granada verdreven was deze zeer triestig om wat hij had verloren, namelijk “het paradijs op aarde”. Toen hij vertrokken was naar zijn ballingsoord en nog een laatste blik op de stad wierp zou zijn moeder gezegd hebben:”Ween als een vrouw om wat je niet kon houden als een man”.

Foto: overgave van Granada door Boabdil aan Ferdinand en Isabella

Op de weg naar de kust is er een plek die nu de naam draagt van “El Suspiro del Moro” (de zucht van de Moor), een naam die een verwijzing is naar die legende. Van op deze plek kan men de stad overzien met het Alhambra in de verte en Boabdil stond hier om voor de laatste maal in bewondering te staan voor hetgeen hij verloren had.

2.4 Paleizen (met een korte beschrijving van de voornaamste verblijven)

Niets aan de buitenkant verraadt iets van de rijkdom van wat er binnenin te zien is, de variatie en de decoratieve oorspronkelijkheid van de gewelven, de koepels, de friezen en het stucwerk.

De 3 paleizen (Mexuar, Comares en Leones) zijn opgetrokken rond binnenhoven (de patio del Cuarto Dorada), de patio de los Arrayanes en de patio de los Leones.

2.4.1 Mexuar

Het is de meest oorspronkelijke zaal. Het was zowel een audiëntiezaal als rechtszaal en raadzaal. Als rechtszaal werden hier belangrijke zaken besproken. Er is hier een verhoogde kamer die afgesloten is met jaloezieën en waar de sultan kon luisteren zonder zelf gezien te worden. Er zijn hier vier zuilen en zij dragen een met stucwerk verfraaide lijst. Er is een interessante fries versierd met wandtegels en de muren zijn versierd met koninklijke blazoenen. Achteraan is er een oratorium. Gaat men verder dan komt men in een patio met fontein.

2.4.2 Patio del Mexuar of Patio del Cuarto Dorado

Met een schitterende muur die bedekt is met decoratieve elementen. De versiering bestaat uit geometrische patronen, panelen met planten motieven, stroken met inscripties, een brede rand met tegels rond beide deuren en 5 sierlijke vensters.

Ertegenover ligt het Cuarto Dorado, de ruime gouden salon met mooie tegel panelen en een prachtig houten goudkleurig plafond waaraan het salon zijn naam te danken heeft . Hier noteerden de beheerders en de secretarissen van de emir zijn orders en voerden ze ook uit. Het verblijf is ook versierd met gotisch schilderwerk en met schilden en emblemen van de katholieke koningen.

Comarres

2.4.3 Patio de la Alberca of de los Arrayanes

Het is het centrale verblijf in het Comares paleis. Aan beide zijden van het waterreservoir, dat een groot deel beslaat van de patio, zijn er aanplantingen van mirtestruiken. In deze patio kan men een van de belangrijke elementen en kenmerken van het Alhambra vinden, de aanwezigheid van water. Niet alleen gebruikt als drinkwater maar ook als een spiegel. Precies in dit waterreservoir reflecteert de indrukwekkende Torre de Comares. Aan de ene zijde is er een galerie over de ganse lengte van de patio en vanaf de galerie komt men in een wachtkamer terecht.

2.4.4 Sala de barca

Vanaf de noordelijke galerie van de patio de los Arrayanes komt men in de Sala de la Barca. Deze naam komt van het woord “baraka” wat “zegening” betekent. De rechthoekige zaal van 24,5 op 4,35 meter was kleiner in het begin en de vergroting werd gerealiseerd door Mohamed V.

In deze zaal is er een overdekking met een schitterend gewelf die vernield is in een brand in 1890. De hernieuwing was klaar in 1964. De muren dragen de wapenschilden van de Nasriden dynastie en die hebben de inscriptie “Bendición” (zegening) en zij dragen tevens het devies van de dynastie “Sólo Dios es Vencedor”, (Alleen God is overwinnaar).

Vanaf hier komt men in de:

2.4.5 Salón de Comares of het Salón de los Embajadores (Ambassadeurszaal)

Dit is de meest uitgebreide en de meest hoogstaande zaal van het paleis. Zij diende voor de privé audiënties van de sultan met andere personen. Deze personen werden geplaatst in nissen in de muren. In deze zaal was er ook de troon van de sultan.

De vloer was oorspronkelijk uit marmer maar heden ten dage zijn het vloertegels. Deze plaats is er een met een rijke poëtische inhoud, we vinden er poëzie op de muren terug die God en de Emir loven en er zijn ook fragmenten uit de Koran te vinden. Elke centimeter van de muur is bedekt met decoratieve elementen.

Een van de meest aantrekkelijke aspecten van deze zaal is de koepel. Volgens Fernández-Puertas is deze koepel een afbeelding van de zeven hemelen uit het islamitisch paradijs, met de troon van God op de achtste hemel, uitgebeeld door de centrale kubus van mocarabes en de 4 bomen van het leven zijn de diagonalen.

De koepel is een houten meesterwerk van vakmanschap. Deze koepel is gemaakt van 8.000 ceder houten stukjes, versierd met sterren en geschilderd op een dergelijke manier dat ze op zilver en ivoor lijken.  Dit salon vinden we binnen de :

2.4.6 Torre de Comares

Zijn zijbeuken bevatten 9 slaapkamers met glas in lood ramen en gesloten door houten jaloezieën. Alle muren hebben stucwerk met motieven van schelpen, bloemen, sterren en geschriften. Het is een meerkleurige kamer, goud in het reliëf en heldere kleuren in de diepte. De originele vloer was van geglazuurde keramiek in wit en blauw met wapenschilden als decoratieve motieven.

Het dak bestaat uit een afbeelding van het universum en deze afbeelding is een van de mooiste afbeeldingen uit de Middeleeuwen. Gemaakt uit cederhout en versierd met inlegwerk in verschillende kleuren die sterren afbeelden en in verschillende niveaus liggen.

In het midden en verhoogd is het Escabel. Vanaf hier gaan er geometrische figuren die het dak verdelen in 7 hemelen die opeenvolgend neerdalen tot op aarde. Nummer 7 is een van de symbolische nummers bij uitstek. Tussen hen figureert de Troon, die het symbool is van de ganse schepping.

Dit symbolisch gebruik van de kosmologie uit de Koran, met vele verwijzingen zoals de Escabel, de troon en de koning die er op zetelt hebben de duidelijke intentie om de vorst te beschouwen als de vertegenwoordiger van God op aarde.

Maar de symboliek in deze zaal stopt hier niet: de 4 diagonalen van het dak van Comares vertegenwoordiger de 4 rivieren van het Paradijs en van de Levensboom (Axis Mundi) die zijn wortels heeft vanaf het Escabel (voetbankje) en zijn verspreid over het ganse Universum.

Toch stopt de symboliek hier nog niet, de 9 slaapkamers (3 in elke muur) met 3 in de gang naar de zaal van de baraka zijn een referentie aan de 12 huizen van de zodiac. Zij corresponderen met het papier van de zevende hemel.

De muren zijn bovendien versierd met verzen en gedichten uit de Koran en gemaakt in gips. Als we aan deze zaal denken aan zijn oorsprong, met zijn versieringen, zijn spel met licht en zijn koninklijke omgeving is dit een van meest indrukwekkende paleiszalen uit de islamitische wereld.

De centrale slaapkamer was die voor de sultan, in dit geval Yusuf I, die het paleis liet bouwen. De verwarming gebeurde met vuurpotten en de verlichting gebeurde met olielampen.

Wij gaan weer naar de Patio de los Arrayanes. Aan de andere linker zijde van de patio is een kleine boog die dient als toegang naar een smalle doorgang die naar de private vertrekken van de koning gaat, de Harén (Haram betekend private plaats).  We bereiken het Palacio de los Leones (Paleis van de Leeuwen) door de:

2.4.7 Sala de los mocárabes

Er zijn hier muren met plaasterwerk waarin religieuze inscripties gemaakt zijn samen met het wapenschild van de Nasriden dynastie.

2.4.8 Leones (Het Leeuwenpaleis)

Gebouwd in 1377 door Mohamed V, zoon van Yusuf I. Het rechthoekige gebouw, dat omringd is met een galerij met 124 witte marmeren zuilen uit Almeria. Rondom zijn de slaapkamers van de sultan en zijn echtgenotes op een open hoge verdieping. De ramen hebben geen zicht naar buiten maar er is een binnentuin die in overeenstemming is met het islamitisch idee van het paradijs. Wat vroeger tuin was is nu aarde. Van elke zaal vloeit er een beek naar het centrum die de vier rivieren van het paradijs verbeelden.

Foto: Patio de los Leones
Oscarmu90

De zuilen worden samengevoegd met panelen welke het licht doorlaten. Tevens ziet men ronde zeer dunne zuilen, met ringen aan het bovenste deel met kubusvormige kapittels die inscripties dragen.

De twee tempeltjes aan de beide tegenoverstaande zijden van de patio zijn een herinnering aan de tent van de bedoeïenen. Ze zijn vierkant van vorm, versierd met houten koepels. De overstekende dakrand is een werk uit de XIVde eeuw.

2.4.9 Fuente de los Leones (Leeuwenfontein)

De meest recente studies hebben uitgewezen dat de leeuwen afkomstig zijn uit het huis van de joodse vizier Yusuf Ibn Nagrela (1066). Het is niet bekend of het gebouwd is voor zijn dood, maar het lijkt er op dat men een paleis wilde bouwen dat grootser was dan dat van de koning.

Het werd bewaard door de dichter Ibn Gabirol met een exacte beschrijving van deze bron. Zij beelden de 12 stammen van Israël uit. Twee van de leeuwen hebben een driehoek op het voorhoofd welke wijzen op de twee uitverkoren stammen: Juda en Levi. De beker draagt de inscripties met de verzen van de minister en dichter Ibn Zamrak welke de fontein beschrijven.

De bron is in 2007 weggenomen voor restauratie maar sinds juli 2012 kunnen we er terug van genieten.

De leeuwenbron heeft diverse betekenissen of symbolieke betekenissen. Voor een deel hebben de twaalf leeuwen een astrologische betekenis, elke leeuw staat dan voor een teken uit de dierenriem.

Voor een ander deel heeft het een politieke of majestueuze betekenis door zijn verband met koning Salomon (de koning architect) omdat er een inscriptie op de bron staat die hier naar verwijst. Ten laatste en tevens het belangrijkste is er een zinspeling op een symbool die voor het paradijs staat en de oorsprong van het leven en ook voor de 4 rivieren van het paradijs.

2.4.10 De zaal van de Abencerrajes

Deze zaal was de slaapkamer van de sultan. Omdat het de privaatkamer is van de sultan zijn er geen ramen naar de buitenzijde en de muren van de slaapkamer zijn hier rijkelijk versierd. Het stucwerk en de kleuren bevinden zich nog altijd in de originele toestand.

De tegelplinten zijn afkomstig uit de XVIde eeuw. De koepel is versierd met mocarabes en de vloer heeft in het midden een bron om er de koepel in te reflecteren. De licht weerspiegeling veranderde gedurende gans de dag, elk uur was het anders.

De zaal dankt haar naam aan een rivaliserende familie van koning Boabdil, namelijk de familie Abencerraje. Na de uitroeiing van deze familie werden de hoofden van de leden van de familie op spietsen gestoken en in het bassin in het midden van de zaal gezet.

2.4.11 Sala de los Reyes (Zaal van de Koningen)

Zij beslaat de ganse oostelijke kant van de patio. Deze zaal dankt haar naam aan de schildering op het gewelf van de centrale plaats. Het is de grootste kamer in de Jarén, verdeeld in 3 gelijke kamers en er zijn 2 kleine kamers welke ook kasten kunnen geweest zijn gelet op de ligging en het ontbreken van licht.

Waarschijnlijk diende de zaal voor familiefeesten. Op het centrale gewelf zijn er schilderingen die de 10 eerste koningen van Granada voorstellen sinds de stichting van het koninkrijk, een van hen heeft een rode baard en dat kan dus Mohamed ben Nazar zijn geweest bijgenaamd Al-Hamar of de Rode en ook de stichter van de Nasriden dynastie.

In de zijgewelven zijn er schilderingen die dames en heren voorstellen die gemaakt zijn op het einde van de 14de eeuw. Zij zijn een artistieke uitwisseling tussen Pedro I van Castilië, die hulp zocht bij de koningen van Granada voor de restauratie van de Reales Alcázares in Sevilla. De schilderingen zijn gemaakt met een zeer moeizame techniek.

Men nam houten platen van perenbomen, goed geschaafd en in de vorm van een ellips gebracht  Over het holle oppervlak is er nat leder geplaatst, vastgekleefd met lijm en met spijkers versierd  Over het leder is er dan een laag gips aangebracht die daarna rood geschilderd werd en waar vervolgens versieringen zijn op aangebracht.

2.4.12 Sala de las Dos Hermanas (Zaal van de Twee Zusters)

Zij komt uit op de patio van de Leeuwen en ze is tegenover de Sala de los Abencerrajes. Men komt langs een deur met inlegwerk, een van de mooiste deuren van het paleis.

Foto: Zaal van de Twee Gezusters
Gruban

De twee zusters zijn twee witte vloertegels uit marmer in het plaveisel rond de fontein. Ze hebben exact dezelfde grootte, dezelfde kleur en hetzelfde gewicht. Het zijn de twee grootste vloertegels in het Alhambra. Het is tevens een uitkijkpunt over de stad en is een directe verbinding met de baden.

Deze zaal heeft zoals alle andere zalen in het Alhambra geschreven gedichten op de muren.

In elke kamer van de harén zijn er twee deuren, een naar het hoger gelegen gedeelte en een naar het toilet. Er zijn hier geen keukens, men kookt er buiten. In de achtergrond van de zaal is er de Mirador de Lindaraja, een verbastering van Ain-dar Aicha (de ogen van het huis Aicha).

Men had hier uitzicht over de vallei van de rivier Darro en men zag in de verte de stad Granada. Het paviljoen van Karel V onderbreekt nu het zicht door de constructie van de Jardin de Lindaraja.

2.4.13 Cuarto del Emperador (Kamer van de Keizer)

Gebouwd voor Keizer Karel wanneer hij in Granada was en voor zijn huwelijksreis. In de volgende kamer is er een marmeren herinneringsplaat ter nagedachtenis aan de schrijver Washington Irving toen hij zijn werk “Cuentos de la Alhambra” schreef in 1829.

2.4.14 El Peinador de la Reina (De kapper van de koningin)

Arabische toren genoemd naar Abul-Hachach, en door de sultan gebruikt voor feestelijkheden. Hier woonde ook Keizerin Isabel.

2.4.15 Baños (Baden)

Het kroonjuweel van een Arabisch huis. Een bad is voor een islamiet een religieuze verplichting. Deze bouw is een kopie van de Romeinse termen en er zijn hier 3 zalen:

  • De eerste kamer dient voor het veranderen van kledij en voor rust, daarom zijn er bedden aanwezig om te rusten. Hier ontkleed men zich en dan gaat men naar het bad om er verder te rusten Men kan hier ook een maaltijd nemen en op de bovenverdieping bevinden zich zangers en muzikanten.
  • De tweede kamer dient voor massage.
  • De derde kamer is die met stoom, het is een zeer kleine kamer De gewelven zijn open met lichtkoepels en de vorm van sterren die gesloten kunnen worden met gekleurde ruiten. Zij worden niet hermetisch gesloten omdat de stoom nog een uitweg moet hebben.

2.4.16 Palacio de Carlos V ( Paleis van Karel V)

Het paleis is een vierkant gebouw met een ronde binnenplaats en de architect van het gebouw was Pedro Machuca, die in Italië in de leer is geweest bij Michelangelo.
Verrassend voor het jaar van de bouw van het gebouw (1527) is dat men gebruikt gemaakt heeft van karakteristieken binnen het maniërisme:

  • dorische zuilen op de beneden verdieping
  • ionische zuilen op de boven verdieping en friezen met de hoofden van stieren in de Grieks-Romeinse traditie.

De eenvoud van zijn ontwerp, een cirkel binnen een vierkant, is een ware ode aan de meetkunde. De perfecte vorm van de cirkel verwijst naar het eeuwigdurende en het hemelse. Het vierkant vertegenwoordigt het aardse en de mens.

Zijn voorgevel is volledig renaissance, op de eerste plaats de Toscaanse stijl en op de tweede plaats door het gebruik van versieringselementen uit de barok.

Boven de poort zijn er twee beelden van gevleugelde vrouwen leunend tegen het fronton. Bovenaan zijn er 3 medaillons ingelijst in groene marmer. Aan de zijkant zijn er afbeeldingen van Hercules. De ijzeren ringen aan de benedenkant zijn enkel voor de versiering.

2.4.17 Convento de San Francisco

Dit is momenteel een Parador. Vroeger was dit een huis van een aristocraat uit de Nasriden tijd. Na de herovering werd het aan de Franciscanenorde gegeven en het is het eerste convent in Granada. Het heeft een Andalusische binnentuin die zeer goed bewaard is gebleven met mocáraben, een gesloten balkon met jaloezieën en een regenbak.

2.4.18 Secano o Alhambra alta (Niet bevloeid gebied of het Hoge Alhambra)

Momenteel gebeurt er hier onderzoek door middel van opgravingen. Het is een Andalusische wijk, bewoond door zowel de gewone bevolking als door edelen. Men kan hier ruïnes vinden van het Palacie de los Abencerrajes.

2.4.19 Torre de los Siete Suelos (Toren van de 7 vloeren)

Zij zijn beroemd omdat ze voorkwamen in de avonturen in het boek Cuentos de la Alhambra, geschreven door de Amerikaanse schrijver Washington Irving. Volgens de legende is de laatste Moorse koning Boabdil van op deze plaats vertrokken naar zijn ballingsoord.

2.4.20 Torre de la Cautiva (Toren van de gevangenen)

Gebouwd onder Yusuf I en de toren heeft een weelderige constructie. Hij heeft zijn naam gekregen omdat Isabel de Solis hier gevangen zat.

2.4.21 Torre de las Infantas (Prinsentoren)

Gebouwd in 1445 en hij is het best bewaard gebleven. Deze toren is een goed voorbeeld van een Andalusische woning met al zijn mogelijke geriefelijkheden. Het is een klein paleis met banken aan de ingang voor de eunuchen en er is een binnenplaats met slaapkamers.

Foto: Torre de las Infantas
Pattiz

De ingang is in een hoek, met centraal gelegen een fontein en ramen met uitzicht op een bloementuin, in dit geval op het Generalife.

Het was de woonplaats van de zusters Zaida, Zoraida en Zorahaida en hun geschiedenis in het boek “Cuentos de la Alhambra” van de Amerikaanse schrijver Irving.

3. Generalife

Her Generalife is een villa met tuinen die door de islamitische koningen van Granada gebruikt werd als een rustplaats.

Het was opgevat als een landelijke villa, waar grootse tuinen, moestuinen en architectuur een deel uitmaakten te samen met de omgeving van het Alhambra. Waar de naam vandaan komt is niet zeker. Sommigen zeggen dat de naam komt van Yannat al-Arif zoals in het Nederlands “Tuin van de architect”, hoewel het ook kan betekenen “de hoogst verheven tuin”. Deze tuin werd de standaard aan de Spaans-Arabische hoven.

Foto: Generalife
Michal Osmenda

De tuin wordt gemaakt tijdens de XIIde en de XIVde eeuw en werd veranderd door Abu I-Walid-Ismail. Het gebeurde is de stijl van de Nasriden en hij ligt aan de noordelijke zijde van het Alhambra.

Het Generalife is een geheel van gebouwen, binnenplaatsen en tuinen, en dit geheel is gemaakt tot een van de mooiste plaatsen van de stad Granada. Samen met het Alhambra is dit een van de meest onderscheiden architectonische werken van de burgerlijke islamitische architectuur.

De toegang gebeurt vandaag de dag door de zogeheten Jardines Nuevos (Nieuwe Tuinen) een vrucht van het werk van Francisco Prieto Moreno welke halverwege de XX ste eeuw een aaneenschakeling maakte van open ruimtes gevormd door cipressen.

De gesloten ruimten geven de modellen van de binnenplaatsen weer die gebruikt werden door de Nasriden in Granada.

De slimme combinatie van de historische referenties en de traditie in Granada (geplaveide vloeren, het gebruik van water, de weelderige bloemenparken,…) hebben de Nieuwe Tuinen gemaakt tot een opvallende plaats die door velen word beschouwd als onafscheidelijk met de paleizen van het Alhambra.

Onlangs is een groot deel van de tuinen vernield voor de bouw van een auditorium.
In aansluiting hierop komt men in de binnentuinen die geheel de architectonische stijl van de Nasriden uitademen, zij zijn gebouwd op een helling en die een samenstelling volgen die de basis zijn van veel mooie huizen met een tuin in Granada, met smalle stroken gescheiden door muurtjes.

Zo dus, maakten de architecten ruimtes met de nodige intimiteit en geschikt om zich even terug te trekken, dit werd veelvuldig toegepast in de islamitische architectuur, maar deze muurtjes kunnen ook gekanteld worden om een prachtig zicht te hebben op de stad en het Alhambra.

Het eerste en tevens meest symbolische aan de binnenplaatsen zijn de Acequia (bevloeiingskanalen). Het beantwoord aan het Arabisch vierdeels schema van de binnenplaats (Char-Bagh), van origine Perzisch en met een grote traditie in Andalusië, maar het is afhankelijk van de lengte van het terrein door de aanwezigheid van het Koninklijke Bevloeiingskanaal die het water brengt naar de rest van de moestuinen en naar het Alhambra.

Het bevloeiingskanaal is gestremd door 2 rijen waterstralen die zijn waterstralen kruisen op een spectaculaire wijze en die zijn toegevoegd in de XIXde eeuw.

We mogen niet vergeten dat, hoewel de Generalife, evenals het Alhambra een uitmuntend islamitisch bouwwerk is, de christelijke culturele invloed eminent aanwezig is in zijn architectonische opvatting, ook vóór 1492.

Dit komt vooral door de constante omgang met de naburige christelijke koninkrijken en door het isolement met de rest van de islam.

Later kwam er dan de invloed van de eigenaars en de bewoners bij en hun aanpassing van de ruimtes aan hun westerse opvattingen.

Op de achtergrond van de binnenplaats, en achter een portiek met 5 bogen, komt men in de Sala Regia, fraai versierd met gips en het brengt u naar een uitkijkpunt uit de XIVde eeuw.

De versiering zowel in deze zaal als in de rest van het gebouw is tegenover de zalen in het Alhambra veel soberder.

Zoals het in een landelijke villa past die gemaakt is voor rust, is de afwezigheid van pracht en praal overheersend.

Van de Sala Regia komt men via enkele trappen in de Patio del Ciprés de la Sultana, hoofdrolspeler in de legendes en mysteries in Granada. Een van deze legendes zegt dat de vrouw van de sultan Boabdil hier onder de cipres de leider ontmoette van de rivaliserende familie Abencerraje. Toen de sultan dit vernam, liet hij deze familie afslachten in de zaal die nu hun naam draagt in het Alhambra.

De binnenplaats, veranderd in de christelijke tijd, heeft zonder twijfel nog steeds de invloed van zijn vroegere bewoners.

Vervolgens en na het verder bestijgen van de trappen komen we in de Jardines Altos del Palacio.

Daarom gaan we verder langs de Escalera del Agua (Watertrap), een mooi voorbeeld van Moorse cultuur. Het belangrijkste objectief van deze trap was de mogelijkheid van communiceren van het paleis in het Generalife met een kleine kapel boven op een heuvel.

De toegang, op de helling toont een probleem dat de Nasriden architecten met wonderlijk vakmanschap wisten te overbruggen, de trap, onderbroken door verschillende overlopen van planten die overheerst worden door lagere bronnen.

Voor hen loopt het water van het koninklijk bevloeiingskanaal, abrupt en onregelmatig een symfonie producerend van stilte en rust en de omgeving vochtig makend onder een gesloten gewelf van laurier.

De ruimte dient, schaduwrijk en fris, voor de reiniging voorafgaand aan het gebed en veranderd de ruimte in een oord die elke moskee vereist.

De trap is een les in architectuur en hij is gemaakt van armzalige materialen.

4. Albaicín

4.1 Geschiedenis

Er is een begin van bevolking in de Iberische tijd, en de bevolking is verspreid geraakt in de Romeinse periode. Er zijn geen gegevens beschikbaar van een islamitische vestiging voor de aankomst van de Ziriden dynastie.

De stad was verlaten vanaf het einde van het Romeinse tijdperk tot de stichting van het Nasriden koninkrijk in 1013, toen zij de stad omringden met een stadsmuur “Alcazaba Cadima”.

Volgens meerdere taalkundigen komt de actuele naam van de bewoners van de stad van Baeza, die als balling na de “Batalla de las Navas de Tolosa” in het gebied van Granada aankwamen en zich vestigden buiten de bestaande stadsmuren.

Foto: Zicht op het Albaicín vanuit het Alhambra
Jebulon

Andere taalkundigen beweren dat de plaatsnaam komt van het Arabisch al-bayyāzīn, wat betekent “de buitenwijk van de valkeniers”.

Zonder twijfel zijn er in Andalusië meerdere wijken met die naam, in Alhama de Granada, Salobreña en Huéneia in Granada, Antequera en Villanueva de Algaidas in Málaga, Baena in Cordoba, Sabiote in Jaén en Constantina in Sevilla.

Er zijn ook andere bestaande wijken met die naam in andere delen van Spanje, zoals in Campo de Criptana in Ciudad Real, vrucht van de uitwijzing van de Moren na de Revuelta de la Alpujarras (de Opstand van de Alpujarras) of Pastrana in Guadalajara, een wijk gemaakt door Doña Ana de Eboli, om de Moren op te vangen die uit het koninkrijk Granada kwamen.

Het is zeker dat albaicin altijd verwijst naar een wijk in de hoogte (heuvel) en met een bevolking los van de rest van de stad.

Het Albaicín is samen met het Alhambra een van de oude kernen van Granada.
Voor de aankomst, van de Arabieren, op het Iberisch schiereiland, waren in wat nu de stad Granada is, 3 kleine plaatsen.

  • Iliberis (Elvira), in wat later het Albaicín en Alcazaba werd
  • Castilia, dichtbij de huidige stad Atarfe
  • Garnata, op de heuvel tegenover de Alcazaba.

In 756 zijn de Arabieren op het schiereiland en het is het tijdperk van het Onafhankelijke Emiraat. Er zijn 2 kerken waarin er een Arabische bevolking aanwezig is.

  • El Albaicín
  • La Alhambra

De wijk Albaicín heeft de grootste invloed in het tijdperk van de Nasriden.

Het Albaicin handhaaft het stedelijk weefsel uit de Nasriden tijd, met nauwe straatjes, in een ingewikkeld weefsel dat zich uitstrekt vanaf het hoogste deel (San Nicolas) tot aan de loop van de rivier Darro en tot aan de Calle Elvira die je kan vinden aan de Plaza Nueva.

De traditionele stijl van een woning is de “cármen”, een mooi huis met een tuin, samengesteld uit een vrijstaande woning omringt met een hoge muur die een afscheiding is tussen de straat en die ook een moestuin of een tuin omsluit.

Kenmerkend voor deze wijk was de kanalisering en de distributie van drinkbaar water door middel van waterreservoirs, er zouden in het totaal 28 van dergelijke reservoirs geweest zijn. Een groot aantal is momenteel nog in dienst.

4.2 Architectuur

In de wijk vinden we een groot aantal monumenten en een verzameling monumenten uit verschillende tijdperken, meestal uit de Nasriden tijd maar ook uit de renaissance.

  • Palacio de los Córdova: dit is een kopie van het originele paleis waarvan nog enkele oorspronkelijke elementen bewaard zijn gebleven zoals het portaal. Momenteel is het gebouw het gemeentearchief.
  • Casa del Chapiz: hier is de school voor Arabische studies gevestigd. Het betreft hier 2 oude Moorse huizen met hun patio uit de 15de en de 16de eeuw.
  • Mirador de San Nicolás: dit terras van de Iglesia de San Nicolás biedt een adembenemend uitzicht op het Alhambra en op de wit besneeuwde toppen van de Sierra Nevada.
  • Arco de las Pesas: deze typisch Moorse poort uit de 11de eeuw maakte ooit deel uit van de oude alcazaba. Werd een koopman op fraude betrapt dan werden zijn gewichten (pesas) hier opgehangen.
  • Iglesia de San José: deze kerk staat op een plaats waar vroeger een moskee stond en de minaret is omgebouwd tot klokkentoren.
  • Carmen de los Cipreses: de bomen waaraan de villa haar naam dankt zijn zichtbaar vanaf de straat.
  • Museo de San Juan de Dios: de stichter van de orde van de Hospitaalridders overleed in 1550 in dit paleis. Momenteel toont men hier sacrale kunst en werken die aan de orde toe behoorden.

5. Toeristische dienst van Granada

Ayuntamiento de Granada
Plaza del Carmen, s/n
18071 Granada
Telefoon: +34 958 248 280

Openingsuren:
van maandag tot vrijdag 9.00 – 18.00
zon- en feestdagen: 10.00 – 14.00


Nationaal park van de Sierra de Guadarrama

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Zones in het park
  4. De grenzen van het park
  5. Natuur en ecologie
  6. Flora
  7. Fauna

1.Algemeen

Het Nationaal park van de Sierra de Guadarrama bevindt zich in de provincies Madrid en Segovia.

Het park werd een Nationaal Park met de wet 7/2013, van 25 juni. Het beschermt een gebied van 30.000 hectare en het bevat een van de meest waardevolle gebieden aan de zuidoostelijke helling van de sierra de Guadarrama (Sistema Central). Het ligt in de comunidad de Madrid en in Castilla y León.

Het park moet de elf ecosystemen in de sierra de Guadarrama beschermen waaronder unieke mediterrane hoge bergen.

2. Geschiedenis

Foto: Romeinse weg naar Segovia
 ClémentGodbarge

Vanaf de stichting door de Romeinen van de stad Segovia is de stad altijd met het centrale gedeelte van de sierra de Guadarrama verbonden geweest door de bossen en de weilanden. Echter door de herovering, in de elfde en de twaalfde eeuw, van deze gebieden door de katholieken op de Moren (Reconquista) en de daaropvolgende herbevolking van het gebied kwamen er conflicten met de raad van Madrid en zelfs met die van Guadalajara. Dit kwam vooral door de aanwezigheid in het gebied van het Real de Manzanares en zijn kasteel dat gekoppeld was aan het Ducado del Infantado, van de familie Mendoza. In de negentiende eeuw was de provinciale verdeling van Javier de Burgos tussen Madrid en Segovia een feit en sindsdien zijn de bergtoppen de grens tussen het Nieuwe Castilië en het Oude Castilië.

Zijn natuurlijke barrière is de oorzaak van talrijke gevechten en oorlogen die hier uitgevochten werden tussen de Moorse en de katholieke legers. Door zijn eeuwenlange frontlijn kunnen we vandaag nog genieten van de ommuurde middeleeuwse steden aan beide zijden van de bergen. Voorbeelden hiervan zijn Buitrago del Lozoya in Madrid en Pedraza in Segovia en de kastelen zoals het Manzanares el Real.

Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog tegen de Fransen was er hier in 1808 de Veldslag van Somosierra die uitgevochten werd aan de bergpas van Somosierra. Deze veldslag maakte voor de Franse troepen de weg vrij naar Madrid. De naam van Somosierra is ook ingeschreven in de Arc de Triomphe in Parijs.

Tijdens de Burgeroorlog was de sierra de Guadarrama een belangrijke grens en zij bleef dit ook tijdens de ganse burgeroorlog. Als getuigen van de periode vinden we hier nog tal van loopgraven en bunkers die de bergtoppen volgen.

Ten slotte, op 13 juni 2013 hebben de volksvertegenwoordigers de wet tot oprichting van Nationaal Park van de Sierra de Guadarrama goedgekeurd. Het park heeft een oppervlakte van 33.960 hectare en die zijn verdeeld tussen Madrid (21. 714 hectare) en Castilla y León (12.246 hectare). De wet stond in het Staatsblad van 26 juni 2013.

3. Zones in het park

Om het park in zones te verdelen kan men rekening houden met verschillende criteria. Als we kijken naar de ligging dan kunnen we verdelen in een noordoostelijk en een zuidwestelijk gedeelte. De twee gedeeltes worden gescheiden door het gebied tussen de twee bergpassen van Navacerrada en Cotos, een scheiding van 5,6 km. Men kan het park ook verdelen op basis van de kanten van de rivieren. De kant van de rivier de Taag in het zuidwesten en die ligt helemaal in de regio Madrid. De andere kant is die van de rivier de Duero, die in het noordoosten ligt.

We kunnen ook het criterium hanteren van de bergketens, we hebben de belangrijkste keten, dan volgen de secundaire ketens en dan hebben we nog de heuvels en de perifere kleine bergen. Een belangrijke scheidingslijn is het stroomgebied van de Taag en Duero die een lengte hebben van 80 km en het is de scheiding tussen de regio Madrid en Castilla y León.

In het centrale gedeelte van deze sierra is een bergketen die van oost naar west gaat, die keten is bekend als Cuerda Larga. Deze uitloper vinden we in de regio Comunidad de Madrid. Hij begint aan de bergpas van Navacerrada (het uiterste westen) en hij is 16 km lang. Het is een imposante bergkam die nooit lager dan 2.000 meter komt. De hoogste bergtop van de Cuerda Larga is de Cabezas de Hierro met zijn 2.383 meter. Na de Cuerda Larga volgt de sierra de la Morcuera, een bergketen maar minder hoog dan de vorige. Hij gaat van het zuidwesten naar het noordoosten, is 18 km lang en de hoogste top is de Perdiguera met zijn 1.862 meter.

De montes Carpetanos is de naam van het noordelijk gedeelte van de voornaamste uitlijning van de sierra de Guadarrama en dat is tussen Peñalara en de bergpas van Somosierra. Het gebied dat het dichtst bij de bergpas van Somosierra ligt, het is te zeggen, in het uiterste noorden van de montes Carpetanos, staat ook bekend als de de sierra de Somosierra. Tussen de Cuerda Larga en de sierra de la Morcuera en de sierra de Guadarrama ligt de vallei van Lozoya, een van de mooiste voorbeelden van een bergachtige vallei in het Sistema Central en met een grote toeristische waarde in de winter met zijn skiën en met de bergwandelingen in de zomer.

Er is nog een andere aftakking van de voornaamste bergketen maar hij ligt niet in het nationaal park en dat is de La Mujer Muerta of de sierra del Quintanar. Deze keten begint in de heuvels van de Río Peces, bij de pas van Navacerrada en hij gaat van oost naar west. De keten ligt volledig in de provincie Segovia. Hij heeft een lengte van 11 km en verscheidene toppen komen boven de 2.000 meter hoogte waaronder de Montón de Trigo.

In aanvulling op de ketens die hierboven beschreven werden zijn er nog een aantal kleinere ketens en heuvels rond de voornaamste bergketen. De meerderheid van deze kleinere ketens liggen niet in het park maar zij behoren tot het gebied rond het nationaal park en dat is het regionaal park. Aan de Madrileense zijde zijn het van noord naar zuid de sierra de la Cabrera, de cerro de San Pedro (1,423 m), de sierra del Hoyo (1.404 m), de cerro Cañal (1.331m) en Las Machotas (1.466 m).

4. De grenzen van het park

Het nationaal park omvat 34.500 hectare in het noordwesten van de regio Madrid. De vorm van het park is in de lengterichting dat zich uitstrekt langs het centrale gedeelte van de Sierra de Guadarrama. Het meest zuidelijke punt van het park is de bergpas van Guadarrama, het noordelijkste punt is de pico de El Nevero. Het meest oostelijke punt is de bergpas van Canencia in het oosten van de Cuerda Larga.

De belangrijkste bergtoppen en de belangrijkste valleien liggen allemaal in het Nationaal Park. In de regio Madrid is er een feitelijke zone van 42.000 hectare die men kan omschrijven als een “Pre-park”. Dit gebied is een regionaal park om een maximale bescherming aan het nationale park te bieden. Verder is er in deze regio nog een overgangsgebied van 25.100 hectare maar hier wordt wel minder bescherming geboden.

5. Natuur en ecologie

De flora en de fauna van het Nationaal Park van Guadarrama heeft een grote diversiteit aan soorten. De planten en diersoorten die in het park verblijven zijn een synthese tussen die uit mediterrane klimaten en landschappen zoals die uit de vlaktes uit de Meseta Central en die uit de bergstreken uit de Pyreneeën komen. Zo zijn er 1.280 verschillende dieren en daarvan zijn er 13 bedreigd met uitsterven. Zo zijn er 1.500 inheemse planten en 30 soorten vegetatie. Het aantal soorten dieren in het park vertegenwoordigen 45% van de totale fauna in Spanje en 18% in Europa.

6. Flora

Een deel van de berghellingen in het park worden gebruikt voor de veeteelt en dit vee levert vlees van een uitstekende kwaliteit op dat verder bekend is onder de naam “Ternera de Guadarrama”. Op de berghellingen vinden we verder een groot aantal zwarte dennen (Pinus sylvestris L.) en zij behoren tot de dennen met de beste kwaliteit van Spanje. Daarnaast zijn er de eikenbossen met de Pyreneeëneik (Quercus pyrenaica L.).

Foto: grove den
Heparina1985

In het meest westelijke deel van het park is het dan weer een andere soort den, de parasolden (Pinus pinea L.) terwijl de eiken worden vervangen door de Portugese- en de steeneik.

Lijst van de aanwezige plantensoorten in het park

Bomen: Zwarte den, zeeden, grove den, hulst, esdoorn, hazelaar, wilde kardinaalsmuts, kastanjeboom, steeneik, Pyreneeëneik, Portugese eik, steeneik, wilde lijsterbes en taxus.
Struikgewassen: Hei, Franse lavendel, jeneverbes berendruif, varens, cistus, meidoorn, rozemarijn en tijm.
Zwammen en paddenstoelen: morielje, melkzwam, cantharel, kruisdisteloesterzwam.

7. Fauna

In deze ecosystemen heeft zich een leven ontwikkeld met een grote variëteit aan wildleven en onder de zoogdieren vinden we hier herten, wilde zwijnen, reeën, damherten, dassen, een aantal wezels, vossen en hazen. Verder zijn er een groot aantal watervogels in het Embalse de Santillana en er zijn grote roofvogels aanwezig zoals de keizersarend en de monniksgier.

We vinden hier ook trekvogels die hier tijdelijk aanwezig zijn en een van hen die hier in de zomer verblijft is de kraanvogel. In de winter trekt hij terug naar Noord-Afrika. In de winter verblijven hier ooievaars uit het noorden van Europa.

De dieren die het meest bedreigd zijn met uitsterven zijn de keizersarend, de zwarte ooievaar en de wolf.

E bestaat hier ook nog een vlinder met de naam Graellsia isabelae en die naam heeft hij gekregen van de entomoloog Graells ter ere van koningin Isabel II.

Lijst van de aanwezige dieren in het park

Reptielen en amfibieën: gladde slang, Girondische gladde slang, ringslang, adderringslang, wipneusslang, Iberische smaragdhagedis, parelhagedis, Spaanse beekkikker, salamander en de vroedmeesterpad.

Zoogdieren: eekhoorn, wezel, Spaanse steenbok, konijn, ree, ginetkat, wild zwijn, haas, eikelmuis, wolf, das, wilde kat en de vos.

Vogels: bijeneter, hop, boomkruiper, klauwier, Vlaamse gaai, mees, witte en zwarte ooievaar, kwartel, koekoek, houtsnip, winterkoninkje, Alpenkraai, kuifmees, pimpelmees, ijsvogel, waterspreeuw, merel, wielewaal, patrijs, roodborstje en de grote bonte specht.

Roofvogels: Keizerarend, steenarend, dwergarend, slangenarend, oehoe, ransuil, monnikgier, vale gier, bosuil, torenvalk, rode en zwarte wouw en de buizerd.

Watervogels: wilde eend, meerkoet, reiger, fuut, grauwe fuut en de geoorde fuut.

Nationaal park van Monfragüe

  1. Ligging
  2. Geschiedenis
  3. Beheer
  4. Fauna
  5. Flora

1.Ligging

Het Parque Nacional de Monfragüe is een van de nationale parken in Spanje. We vinden dit park in de autonome regio Extremadura in de provincie Caceres. Het park beslaat een oppervlakte van 18.118 ha en het hoogteverschil gaat van 250 tot 750 meter hoogte. Het park ligt in de gemeenten: Casas de Miravete, Jaraicejo, Malpartida de Plasencia, Serradilla, Serrejón, Toril en Torrejón el Rubio.

Foto: uitzicht van op het kasteel
Alejandro Rodríguez Villalobosg

Het gebied werd een natuurpark op 4 april 1979 op voordracht van de autonome regering van Extremadura en in maart 2007 verscheen het besluit in het staatsblad dat het natuur park een nationaal park werd.

Het natuur park is sinds 1988 een reservaat voor de bescherming van vogels en vanaf juli 2003 is het een reservaat voor de biosfeer van de Unesco.

2. Geschiedenis

De prehistorie (2500-800 voor Christus.)

Sinds de oudheid zijn er mensen aanwezig in Monfragüe. De heuvels en bergen gaven genoeg plaatsen waar men bescherming kon zoeken terwijl de overvloedige plantengroei en de aanwezige grote rivieren voldoende voedsel gaven zoals: fruit, planten, knollen, jacht en visvangst. Een bewijs van de menselijke aanwezigheid kan men vinden in de grot op de helling naar het kasteel, er zijn hier een aantal rotsschilderingen aanwezig.

De pre-Romeinse periode (900-200 voor Christus)
De pre-Romeinse stammen, Iberiërs en Kelten, bouwden hun versterkte forten en nederzettingen op de toppen van de heuvels. Zij maakten gebruik van de natuurlijke hulpbronnen en zij wijzigden weinig aan de omgeving. Bestaande overblijfselen uit deze periode kan men vinden in Miravete en mogelijk ook in Cerro Gimio in het gebied rond het kasteel.

De Romeinen (200 voor Christus tot 300 na Christus)
Met de Romeinen kwam de landbouw en de veeteelt aan in de streek. Onder hun overheersing bouwde men defensieve versterkingen op de heuveltoppen en de gewone dorpen kwamen op de vlaktes. In de omgeving van het park bouwden zij hun eerste stadjes: Serradilla, Malpartida de Plasencia, las Corchuelas en nog enkele andere. Het verwijderen van bestaande plantengroei om aanplantingen mogelijk te maken zijn hun belangrijkste verwezenlijkingen.

De Arabieren
De verovering door de Arabieren in de achtste eeuw bracht nauwelijks een verandering aan in de natuurlijke omgeving maar er was een grote historische verandering in het huidige park door de bouw van het kasteel van Monfragüe in 811.

De Christelijke herovering
De Christelijke herovering van het kasteel werd tot stand gebracht door de Portugese verzetsstrijder Giraldo-Simpavor in 1169, maar het zal tot in 1180 duren voor er een definitieve herovering komt door Alfonso VIII.

In 1450 liet de bisschop van Plasencia de Brug van de Kardinaal bouwen. Het doel van de brug was de stad te verenigen met Trujillo en Jaraicejo. Kroniekschrijvers zeggen dat de bouw van de brug 30.000 goud munten gekost heeft, een getal dat gelijk is aan het aantal gebruikte stenen.

Moderne tijd
De brug was de enige stabiele verbinding tussen Toledo en Alcántara, en daardoor verscheen er een leger van rovers en bandieten uit Puerto de la Serrana. Deze rovers hinderden de voorbijgangers en de reizigers enorm. Om deze verbinding te verdedigen stichtte koning Carlos III in 1784 het dorp Villarreal de San Carlos en men bouwde er een kerk, een parochiehuis, een kazerne voor de militie en enkele huizen van particulieren.

Hedendaagse tijd
In de jaren 1960-70 waren er in Monfragüe twee gebeurtenissen die de omgeving van het huidige park meer veranderden dan alle voorgaande eeuwen samen:

  • de bouw van de stuwdammen van Torrejón y Alcántara, met de verdwijning van alle door de rivier bevloeid gebied
  • de aanplanting van grote aantallen eucalyptus en dennen op de heuvel hellingen die de oorspronkelijke vegetatie liet verdwijnen.

Uiteindelijk werd na vele discussies het gebied een natuurpark.

3. Beheer

Monfragüe is een van belangrijkste plaatsen met mediterrane bossen en men kan hier overblijfselen vinden van zowel de Atlantische als de continentale bossen. De loop van de rivieren de Taag en de Tiétar lopen door een wigvormige kloof door het park

In het park en zijn omgeving vinden we een grote verscheidenheid aan ecosystemen en deze ecosystemen zijn praktisch allemaal in een goede staat gebleven. De belangrijkste karakteristiek is hier de grote biodiversiteit.

Dus, naast de karakteristieke steeneiken, aardbeibomen en heidevelden vinden wij hier ook andere plaatsen met loof bossen zoals eiken, esdoorns in de heuvels of es en els aan de beken en rivieren.

De bio-geografische kenmerken van dit gebied, samen met de verscheidenheid van de structuur en samenstelling van de plantengemeenschappen en deze twee vorige samen met de lage mate van menselijk ingrijpen bevoordelen de instandhouding van een groot aantal planten- en diersoorten die elders ernstig onder druk staan voor hun behoud. De planten en dieren komen hier nog veelvuldig voor.

Het zijn meestal planten en dieren die een groot belang hebben voor hun eigen genetische waarde en die belangrijk is voor de mediterrane streken. Onder deze diersoorten vinden we dieren met een groot wetenschappelijk belang, hun uniek zijn en hun kwetsbaarheid zoals de Iberische keizersarend, de zwarte gier, de zwarte ooievaar en de Iberische lynx.

Grenzend aan het park vinden we de weilanden, een ecosysteem gemaakt door de mens en een voorbeeld van een evenwicht tussen mens en natuur. Het is hier dat de kraanvogels, de herten, de wilde zwijnen en de ooievaars samen met het vee hun voedsel vinden in de schaduw van de eiken en de kurkeiken.

4. Fauna

Foto: vale gieren in het park
Alejandro Rodríguez Villalobosg

We kunnen hier een groot aantal vogels vinden zoals de zwarte gier (Aegypius monachus), de keizersarend (Aquila adalberti), de zwarte ooievaar (Ciconia nigra), de vale gier (gyps fulvus), de oehoe (Bubo bubo), de steenarend (Aquila chrysaetos), de havikarend (Hieraaetus fasciatus) en de aasgier (Neophron percnopterus).

Naast de vogels is er ook de Iberische lynx (Lynx pardina), de otter (Lutra lutra), de mangoest (Herpestes ichneumon) en het edelhert (Cervus elaphus).

5. Flora

  • Op de weiden vinden we eiken (Quercus rotundifolia), kurkeiken (Quercus suber) en de Portugese kurkeik (Quercus faginea subsp broteroi).
  • Er zijn struikgewassen met winterroosjes (Cistus ladanifer, Cistus salvifolius…), heide met erica (Erica) en aardbeibomen (Arbutus unedo).
  • Rotsachtige gebieden met jeneverbessen (Juniperus oxycedrus) en de terpentijnbomen (Pistacia terebinthus).
  • Gebieden langs de beken en rivieren met els (Alnus glutinosa) en netelbomen (Celtis australis).
  • Zeer warme gebieden met olijfbomen (Olea europaea subsp var. Silvestris).