De stad Sevilla met zijn kathedraal, Alcázar en het Archief van Zuid-Amerika

  1. Situering
  2. Geschiedenis
  3. Historische monumenten
  4. De kathedraal
  5. Giralda
  6. Reales Alcázares
  7. Archivo de Indias “Het archief van Zuid-Amerika”
  8. De Plaza de España
  9. Torre del Oro “de Gouden Toren”

1.Situering

Sevilla is een Spaanse stad en zij is tevens de hoofdstad van de gelijknamige provincie en van de autonome regio Andalusië.

Sevilla is de vierde stad in Spanje na Madrid, Barcelona en Valencia en de oppervlakte van de stad is 140,9 km².

Zijn historische binnenstad is met zijn 335 hectare een van de grootste van Europa, ze is ongeveer 3 km lang en 2 km breed. Het historisch en monumentaal patrimonium dat aanwezig is in deze stad maken van Sevilla een belangrijke nationale en internationale trekpleister.

Foto: zicht op Sevilla vanop 2.000 meter

El-mejor

De mooiste monumenten zijn de Giralda, de Kathedraal, het Alcázar, het Archief van de Indies en de Gouden Toren. Een aantal van deze monumenten is opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco in 1987.

Het Museum van Schone Kunsten is het meest bezochte museum van Andalusië en het is op een na het belangrijkste schilderijen museum van Spanje.

De haven van Sevilla ligt op 80 km van de Atlantische Oceaan en het is de enige rivier haven in Spanje. De Guadalquivir is bevaarbaar vanaf de riviermonding in Sanlúcar de Barrameda tot in Sevilla.

Ter gelegenheid van de viering van de tentoonstelling Iberoamericana in 1929, experimenteerde de stad met de urbanistische ontwikkeling die gekenmerkt werd door de aanleg van parken en gebouwen die speciaal gebouwd werden voor deze tentoonstelling, hierbij denken we aan het park van Maria Luisa of de plaza de España.

De Wereldtentoonstelling van 1992 bracht de stad belangrijke verbeteringen aan aan zijn infrastructuur. Tijdens deze tentoonstelling kwam de AVE (hoge snelheidstrein) naar Sevilla. Na de tentoonstelling kregen de gebouwen een tweede leven als bedrijfsgebouwen voor de nieuwe industrieën en als universiteitsgebouwen.

2. Geschiedenis

Prehistorie en de Oudheid

De oorsprong van de oude kern van de stad gaat terug tot de achtste eeuw voor Christus en we vinden deze terug op een eiland in de Guadalquivir. De toenmalige inwoners noemden deze plaats Spal of Ispal.

Het oude Sevilla kreeg invloeden van de Fenicische handelaren waardoor er een rijkere cultuur tot ontwikkeling kwam. Deze commerciële kolonisatie veranderde drastisch van het begin van de Carthaagse hoofdrol na de val van het Fenicische rijk. Deze nieuwe fase van de kolonisatie hield in dat er een grotere indringing in het grondgebied kwam door middel van militaire acties.

Eerder gaven Griekse bronnen al aan dat de vernietiging van het oude mythische koninkrijk Tartessos na een gevecht op leven en dood met Carthago een effect had op de stad en een einde maakte aan het tijdperk van Tartessos in Sevilla.

Romeinse tijd

De Romeinse troepen kwamen in 206 voor Christus aan in de stad tijdens de Tweede Punische Oorlog en zij stonden onder bevel van generaal Escipión.

Zij maakten een einde aan de Carthaagse invloed van hun inwoners die hier woonden en er de regio verdedigden. De generaal besliste om op een nabijgelegen heuvel Itálica (momenteel een ruïne) te stichtten.

De Romeinen hernoemden de naam van de stad “Ispal” in Hispalis maar de volledige naam luidde “Colonia Iulia Romula Hispalis”. Zo kan men zien dat Julius Caesar de plaats stichtte, Julia voor zijn eigen naam en Rómulo staat dan voor Rome.

Hispalis ontwikkelde zich als van de meest belangrijke commerciële en industriële centra van Hispania en Itálica ontwikkelde zich als een typische Romeinse woonwijk waar enkele toekomstige keizers geboren werden zoals Trajano, Adriano en Teodosio.

In 49 voor Christus bezat de stad Hispalis al een muur en een forum. Het forum was een replica van dat van Rome en Hispalis was een van de belangrijkste steden van Bética en Hispania.

Tijdens de laatste eeuwen van het Romeins Imperium was het de elfde stad in de wereld. Hispalis was een stad met veel handel en met een belangrijke activiteit in de haven.

In het midden van de tweede eeuw na Christus waren er een paar pogingen van de Moren om het gebied binnen te vallen maar zij werden elke maal terug geslagen.

In de derde eeuw kwam het christendom naar de stad en dat leverde direct martelaars op, de gezusters Justa en Rufina zijn nog altijd de patronessen van de stad.

De Middeleeuwen

Visigotische tijd

Tijdens de vijfde eeuw werd de stad achtereenvolgens ingenomen door Germaanse indringers, de Vandalen van Gunderik in 426, de Zwaben van Rechila in 441 en uiteindelijk kwamen de Visigoten die de stad controleerden tot in de achtste eeuw.

Na de nederlaag tegen de Franken in 507 verliet de Visigotische koning zijn oude hoofdstad, Toulouse en vertrok in zuidelijke richting. Hij won dan terrein op de verschillende volkeren die op het Iberisch schiereiland woonden en hij bracht zijn koninklijke hoofdstad over naar Toledo.

Tijdens het bewind van Amalrik, Theudis en Theudigisel koos men als hoofdstad voor Sevilla. Deze laatste koning werd in 549 gedood tijdens een banket voor de edellieden van Sevilla.

Hispalis werd terug Spali. Na het korte koningschap van Theudigisel werd zijn opvolger Agila I koning. De Visigoten werden daarna ondergedompeld in een periode van interne strijd en de Byzantijnse keizer Justinianus I maakte hiervan gebruik om Andalusië te veroveren

Ondanks een aantal nederlagen en de nederlaag van een aantal leiders, bleven de Goten verspreid over de ganse regio en werd Leovigildo in 584 aangewezen als koning. In 585 bekeerde zijn zoon zich tot het christendom en dat was in tegenstelling met alle voorgaande koningen die het arrianisme beleden. Hij kwam in opstand tegen zijn vader en nam de macht over in de stad.

Men zegt dat Leovigildo de loop van de Guadalquivir verlegde om de inwoners van het water te beroven.

In 586 besteeg zijn andere zoon Recaredo de troon en voor Sevilla brak er een periode aan van grote welstand. Na de Moorse invasie van Hispania werd de stad samen met Córdoba een van de belangrijkste steden van West-Europa.

Christendom

Tijdens de Visigotische periode hadden de christenen twee prelaten uit Sevilla, beiden waren broers en beiden werden heilig verklaard, het zijn San Leandro en San Isidoro.

San Leandro bekeerde Hermenegildo, de onderkoning van Bética tot het christendom. Hermenegildo was tevens de zoon van koning Leovigildo waartegen hij een opstand begon gesteund door de hispano-romeinse adel. Deze opstand leidde tot zijn nederlaag en dood.

Na de dood van Leovigildo had Leandro een beslissende stem in het derde Concilie van Toledo in 589 waar de nieuwe koning Recaredo zich bekeerde tot het Christendom samen met de ganse Visigotische adel.

San Isidro schreef een verzameling van encyclopedieën, dat waren 20 boeken die bekend staan als de Etimologías. Hierin is alle wetenschap van de oude grieks-latijnse cultuur op het gebied van geneeskunde, muziek, astronomie en theologie samengebracht en de boeken hebben een grote invloed uitgeoefend tijdens de Europese Middeleeuwen.

Moorse tijd

Musa die vergezeld was door zijn zoon Abd al-Aziz ibn Musa is de straat van Gibraltar overgestoken in 712 samen met 18.000 manschappen en hij begon aan de verovering van het Visigotische rijk.

De Moren bezetten Medina-Sidonia, Carmona en Sevilla en daarna trokken zij naar Mérida. De stad bood gedurende 1 jaar weerstand maar viel uiteindelijk op 30 juni 713.

De Moorse kroonprins Abd al-Aziz ibn Musa nam Sevilla in na een lange belegering. Tot aan zijn dood, hij werd gedood door zijn neven in 716, was Sevilla de hoofdstad van Al-Andalus. Dit was de naam die zij gaven aan het Iberisch schiereiland als onderdeel van het Moorse rijk.

Vanaf dit moment ging de zetel van de regering naar Córdoba en het werd eerst een Emiraat, dan een onafhankelijk Emiraat vanaf Abderramán I in 773. Later werd Al-Andalus een Kalifaat met Abderramán III in 929.

Sevilla werd de zetel van een cora, een aparte indeling op het schiereiland.

Tijdens de Moorse periode steeg de culturele rijkdom van de stad enorm. De moren begunstigden de christenen die overgingen naar de islam (muladies) door hen bepaalde voorrechten te geven tegenover diegenen die christen bleven (mozárabes).

Tijdens de jaren 830 is men begonnen met de bouw van de Ad-Abbas moskee die momenteel verdwenen is. Op deze plaats bouwde men later de El Salvador kerk.

Op 1 oktober 944 was het grootste deel van het Iberisch schiereiland onder de controle van het Emiraat van Córdoba en kwam er een groep van ongeveer 80 Viking schepen aan in het noordwesten van het schiereiland. Na de plundering van Asturië, Galicië en Lissabon zetten zij koers lang de Guadalquivir naar Sevilla.

Zij vielen de stad aan en gedurende 7 dagen richtten zij grote moord partijen aan met een groot aantal menselijke slachtoffers. Zij namen ook een groot aantal gijzelaars om er losgeld voor te vragen. Een andere groep Vikingen vielen Cádiz aan met hetzelfde resultaat.

Al wachtend op het losgeld verbleven ze met de gijzelaars op het Isla Menor of Qabtîl (een van de eilanden in de rivier).

Ondertussen was de emir van Córdoba, Abderramán II bezig met een legermacht samen te stellen om de Vikingen te kunnen aanvallen. Op 11 november ontmoetten Moren en Vikingen mekaar tijdens een veldslag in Tablada. Het resultaat was verschrikkelijk voor de Vikingen, onder hen vielen duizend doden, vierhonderd werden er gevangen genomen en ter dood gebracht, ongeveer dertig schepen werden vernield en de gijzelaars uit Sevilla werden bevrijd.

Na een tijd bekeerden het kleine aantal Viking overlevenden zich tot de islam en zij vestigden zich als landbouwer in het gebied van Coria del Río, Carmona y Morón. Zij werden veetelers en zij produceerden er melkproducten, producten die tot vandaag de dag zeer geapprecieerd worden. De Vikingen bleven invallen uitvoeren in dit gebied zoals in 859, 966 en 971.

Meestal gebruikten zij meer diplomatische middelen maar in 971 vielen zij een laatste maal binnen. Het resultaat was catastrofaal, hun ganse vloot werd vernietigd. Na de val van het kalifaat verkreeg de stad zijn onafhankelijkheid en Sevilla werd de hoofdstad van een van de machtigste taifa koninkrijken. Vanaf 1023 tot 1091 werd de stad geregeerd door de familie van de Abbadiden.

Ondertussen vertoonden de christenen zich vaker aan de grenzen tussen de verschillende taifas en in 1063, tijdens een van de christelijke invallen onder Fernando I van Castilië ontdekten de christenen de zwakte van hun Moorse tegenstrevers.

Doordat er nauwelijks weerstand geboden werd heeft de koning van Sevilla Al-Mutamid de vrede afgekocht en hij betaalde een jaarlijkse vergoeding aan de koning van Castilië. Vanaf het einde van de elfde eeuw tot in het midden van de twaalfde eeuw werden de taifas verenigd door de Almoraviden. Na de ineenstorting van dit Almoraviden rijk werd Sevilla ingenomen door de Almohaden.

Deze eeuwen waren gunstig voor de economie en de cultuur waarin in Sevilla de Giralda, het Alcázar en de brug tussen Triana en Sevilla gebouwd werden.

Herovering

In 1247 begon de christelijke koning Fernando III met de Herovering van Andalusië. Na de inname van Jaén en Córdoba bereikte hij de poorten van Sevilla en na enkele schermutselingen ging hij over tot de belegering van de stad welke uiteindelijk viel op 23 november 1248.

Alhoewel er geen vaste hoofdstad in het koninkrijk was werd Sevilla een van de steden waar het hof meestal aanwezig was. Op 30 mei 1252 stierf Fernando III in het Alcázar waar hij begraven werd. Voordien was dit gebouw de grote moskee en daarna werd het een kathedraal. Hij ligt begraven onder een viertalig grafschrift (latijn, Castiliaans, Arabisch en Hebreeuws). Hier kwam zijn eretitel vandaan: Koning van de Drie Religies. De koning wed heilig verklaard in 1671 en zijn feestdag 30 mei is de plaatselijke feestdag van Sevilla.

Tijdens de regeerperiode van Alfonso X de Wijze was Sevilla een van de hoofdsteden van zijn koninkrijk maar de hoofdstad wisselde regelmatig tussen Toledo, Murcia en Sevilla.In deze tijd bouwde men de parochiekerk van Santa Ana in Triana, het Gotische Paleis van het Alcázar en de Toren van don Fadrique.

In 1253 stichtte de vorst een universiteit die echter niet bleef bestaan maar die in 1505 werd heropgericht.

De koning werd begraven in de koninklijk kapel in de kathedraal, de kerk waarin ook de relikwieën liggen die bekend staan als de Tablas Alfonsíes.

De volgende koningen vanaf Alfonso X de Wijze tot aan Pedro I de Wrede hielden hun hof in Sevilla. Alfonso X gaf zijn embleem (NO-madeja-DO) aan de stad voor hun loyaliteit tijdens de laatste jaren van zijn regeerperiode.. Dit embleem is in feite een rebus en in NO8DO staat de 8 voor een bolletje wol (madeja) wat dan in het Spaanse wil zeggen no me ha dejado = zij heeft me nooit verloochend.

De slag van Salado in 1340 maakte de weg vrij voor de opening van de straat van Gibraltar als commerciële vaarroute tussen het zuiden en het noorden van Europa en deze handel bracht een grote aanwezigheid in Sevilla met zich mee van Italiaanse en Vlaamse handelaars.

De pest in 1348 en de grote aardbeving in 1355 met grote aantallen slachtoffers en ingestorte gebouwen hadden een invloed op het demografisch en economisch hart van de stad. De sociale conflicten die dit allemaal met zich meebracht vonden een uitweg in de anti Joodse rellen in 1391 die aangestookt werden door de aartsdiaken van Ecija, Ferrán Martinez.

De joodse wijk in Sevilla, die een van de grootste was op het schiereiland, verdween praktisch helemaal door de moordpartijen en de massa conversies. Deze bekeerlingen werden nieuwe christenen genoemd maar zij bleven niet gespaard van het zondebok zijn.

Tijdens een bezoek aan de stad van de Katholieke Koningen in 1477 werd op vraag van de Dominicaan Alonso de Hojeda over gegaan tot de oprichting van de Spaanse Inquisitie. Op 6 februari 1481 werd er een eerste kettergericht gehouden waarin men zes personen ter dood veroordeelde.

Na de ontdekking van Amerika werd Sevilla de economische hoofdstad van het Spaanse Imperium.

Moderne tijd

De periode loopt vanaf het einde van vijftiende eeuw tot het einde van de zestiende eeuw.

De ontdekking van de Nieuwe Wereld in 1492 was belangrijk voor de ontwikkeling van de stad en Sevilla werd de belangrijkste haven tussen Europa en Amerika.

De islamitische minderheid had in 1502 een harde slag te verduren, zij werden gedwongen over te gaan op het christendom. Men wenste toen een religieuze eenheid van godsdienst als teken van eenheid van het land.

De “Puerto de Indias” werd de belangrijkste zeehaven in de verbinding tussen Europa en Amerika en kreeg hierdoor een kunstmatig monopolie door middel van een koninklijke wet. Voor hun administratie stichtten de Katholieke Koningen het Huis van Handel van waaruit zij de ontdekkingsreizen aanstuurden, de controle uitoefenden op de rijkdommen uit Amerika en er de, in samenwerking met de “Universiteit van de Kooplieden”, de handelsbetrekkingen met de nieuwe wereld controleerden.

Foto: zicht op Sevilla tussen 1576 en 1600

Dit alles leidde tot een grote stadsuitbreiding en de stad had op dat moment 100.000 inwoners wat haar de grootste stad van gans Spanje maakte.

Tijdens de zestiende eeuw is er een monumentale uitbouw en veel gebouwen die toen gebouwd werden kunnen we vandaag de dag nog zien: de kathedraal, de Lonja, de Giralda, het stadhuis, het hospitaal van de vijf wonden (1544-1601), de kerk van de Aankondiging (1565-1578) enz..

Dankzij het mecenaat van Catalina de Ribera werd het Hospitaal van de Vijf Wonden opgericht. Dit moest dienen om alle gezondheidsdiensten op een plaats samen te brengen. Tijdens de eerste jaren van de zestiende eeuw begon men in Sevilla met het geven van hogere studies in het Colegio Santa María de Jesús door Maese Rodrigo Fernández de Santaella. Deze instelling beschouwd men als de oorsprong van de universiteit in Sevilla.

De zeventiende en de achttiende eeuw

Tijdens de zeventiende en de achttiende eeuw vervalt Sevilla in een groot economisch en stedelijk verval. Men denkt dat tijdens de grote pestepidemie van 1649 er ongeveer 60.000 mensen stierven.

Ook in deze eeuw van de contrareformatie werd de stad veranderd in een stads-klooster. In 1671 waren er 45 kloosters met monniken en 28 kloosters met zusters in de stad. Alle belangrijke ordes waren aanwezig: de franciscanen, de dominicanen, de augustijnen en de jezuïeten.

De barokkunst floreert in de schilderkunst met namen zoals Valdés Leal, Murillo en Zurbarán en in de beeldhouwkunst met Martínez Montañés en Juan de Mesa. Uit deze eeuw dateren veel van de beelden en klederen die gebruikt worden tijdens de Heilige Week in Sevilla.

In 1717 geeft het nieuwe koningshuis van Bourbon de opdracht om het Huis van Handel, “Casa de Contratación” over te brengen van Sevilla naar Cádiz. Sevilla verliest hierdoor een groot deel van zijn economische en politieke macht.

De eerste verwijzingen naar het gebruik van tabak komen uit Sevilla. De eerste fabriek voor de verwerking van de tabak stond hier. De Koninklijke Fabriek voor de Tabak werd gebouwd in 1728 en het was een van de eerste grote industriële projecten in het moderne Europa.

Negentiende eeuw

Tijdens het eerste jaar van de negentiende eeuw was er in Sevilla een epidemie van de gele koorts en in vier maanden stierf een derde van de bevolking.

De invasie in Spanje door de Fransen had ook een effect op Sevilla. Maarschalk Victor, hertog van Bellune, kwam met zijn troepen en koning José Napoleón aan in de stad die zich aan hen op 1 februari 1810 overgaf zonder een schot te lossen

Aan de capitulatie ging een stevige onderhandeling vooraf door sommige personen met aanzien uit de stad om bloed vergieten te vermijden.

De Fransen bleven tot 27 augustus 1812 in de stad. Zij vertrokken door de tegenaanvallen van de Engels-Spaanse troepen, maar niet nadat maarschalk Soult een groot aantal kunstwerken uit de stad had meegenomen.

In 1815 stichtte men de Maatschappij van de Guadalquivir met de intentie om de rivier bevaarbaar te maken vanaf Sevilla tot Córdoba.

In 1833 werd de administratieve provincie Sevilla opgericht door Isabel II, erfgename van de Spaanse troon.

In 1835 met de verkoop van de kerkelijke bezittingen van het Mendizábal verrijkten enkelingen zich maar gingen veel kunstschatten voor jaren verloren.

In 1841 stichtte Carlos Pickman een keramiek fabriek in een oud in beslag genomen klooster, La Cartuja. Het was tot in 1980 een productieve industrie toen de fabriek werd overgebracht naar Santiponce om op de oude plaats met de werken te kunnen beginnen voor de Wereldtentoonstelling in 1992.

Tijdens de bestuursperiode van koningin Isabel II heeft de middenklasse van de stad een bouwwoede ontwikkeld die tot op dat moment nog niet gezien was. Uit deze periode dateert de Brug van Isabel II. Het verblijf van de hertogen van Montpensier in het Paleis van San Telmo deden denken dat Sevilla het tweede hof van het koninkrijk was.

Vanaf het tweede deel van de negentiende eeuw onderging de stad een uitbreiding door de bouw van de spoorweg en de sloop van de oude stadsmuren en daardoor groeide de stad in oostelijke en zuidelijke richting. Het is de negentiende eeuwse uitbreiding die stopte in de eerste tientallen jaren van de twintigste eeuw met de bouw van de gebouwen voor de Exposición Iberoamericana van 1929.

Periode van de Tweede Republiek en de Burgeroorlog (1931-1939)

Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 12 april 1931 behaalden de republikeinse partijen de overwinning in de grootste steden van Spanje. In Sevilla behaalden de republikeinen-socialisten 57% van de stemmen tegen 39% voor de Monarchistische Coalitie. Na de verkiezing ging koning Alfonso XIII in ballingschap en hij kondigde de tweede republiek af.

De burgeroorlog heeft ook een invloed op Sevilla en vanaf februari 1936 nam de militaire staatsgreep de stad in zijn greep.

Op 18 juli nam generaal Queipo de Llano de controle over van de tweede divisie en daarmee ook de controle over het centrum van de stad.

In de volkswijken zoals Triana en Macarena mobiliseerden de vakbonden samen met de linkse partijen de bevolking. Deze milities leden de nederlaag door meerdere oorzaken: de betere bewapening van de troepen, de sluwheid van Queipo en uiteindelijk door een meedogenloze repressie.

Sevilla viel op hetzelfde moment in de handen van de militairen als Cádiz en Algeciras wat Franco toeliet om veilig de straat van Gibraltar over te steken samen met zijn troepen. Sevilla werd tevens gebruikt als bruggenhoofd voor de bezetting van de rest van Spanje.

De repressie in de stad, tussen 18 juli 1936 en januari 1937 koste het leven aan 3.027 mensen, onder hen waren de burgemeester, de oud burgemeester en de voorzitter van de provincie.

De Franco dictatuur (1939-1975)

Tijdens de Franco dictatuur waren de machtigste autoriteiten in Sevilla de militaire autoriteit in de persoon van de Kapitein Generaal van het Tweede Militaire Gebied, de burgerlijke autoriteit in de persoon van het Provinciale Hoofd van de Beweging en als derde persoon kwam dan nog de aartsbisschop die het diocees van Sevilla leidde.

De burgemeesters van de stad zoals alle andere burgemeesters in Spanje werden aangeduid door de regering maar dat gebeurde op voorstel van de militaire, de politieke en de religieuze overheden van de stad.

Terugkeer naar de democratie

Op 3 april 1979 waren er de eerste democratische gemeenteraadsverkiezingen in Spanje sinds 1931 en in Sevilla deden er vier partijen mee. De grootste werd de Unión de Centro Democrático (UCD) met 9 zetels en dan kwamen de Partido Andalucista met 8 zetels, de Partido Socialista Obrero Español (PSOE) met 8 zetels en de Partido Comunista de España (PCE) met 6 zetels. Omdat geen enkele partij de meerderheid had behaald werd er een coalitie gevormd tussen de PSA, PSOE en de PCE.

In 1992 was er in Sevilla gedurende 6 maanden de Wereldtentoonstelling wat voor de stad een zeer grote verbetering was voor de infrastructuur. Het wegennet, het nieuwe treinstation, de hoge snelheidstrein tussen Madrid en Sevilla en de nieuwe luchthaven waren enkele van de verbeteringen.

3. Historische monumenten

Onder deze monumenten zijn zeker de kathedraal, het Alcázar en het Archivo de Indias, welke alle 3 opgenomen werden op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco in 1987. Sevilla heeft, met zijn 335 hectare, een van de grootste historische centra van Spanje.

4. De kathedraal

De kathedraal van Sevilla is de grootste gotische kathedraal ter wereld en de derde grootste christelijke kerk ter wereld na de Basiliek van Sint-Pieter in het Vaticaan in Rome en de Saint-Paul Kathedraal in Londen. In 1987 werd de kathedraal van Sevilla opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.

De bouw van de kathedraal begon in 1401 op de plaats waar de oude moskee van Sevilla had gestaan. De bouw van de kathedraal duurde verscheidene eeuwen en daardoor zijn er verschillende bouwstijlen aanwezig. We onderscheiden de gotiek (1433-1528), de renaissance (1528-1593), de barok (1618-1758) en de neogotiek (1825-1928).

Foto: kathedraal en giralda

Ingo Mehling

Het interieur van de kathedraal is overweldigend met zijn gebrandschilderde ramen en zijn fijn bewerkt sierhekwerk. De uitzonderlijke hoogte wordt benadrukt door de ranke zuilen. Aan beide zijden zijn kapellen ingericht. De zuilen ondersteunen een kruisribgewelf maar in het midden is er een 56 meter hoog gewelf aangebracht.

Het hoofdkoor wordt omsloten door een zestiende eeuws hek in plateresco stijl en is van de hand van Fray Francesco de Salamanca. Het grote Vlaamse altaarstuk is 20 meter hoog en toont een aantal scènes uit het leven van Jezus en de maagd Maria.

Het monumentale deel van de kathedraal bevat enkele onderdelen, de Giralda, de Patio de los Naranjos (Patio met de Sinaasappel bomen) en de Capilla Real (Koninklijk Kapel).

De Patio de los Naranjos (Patio met de Sinaasappel bomen) is een rechthoekige ruimte die fungeert als een binnenplaats en die dienst doet als klooster van de kathedraal. Vandaag de dag is de Patio een van de meest bezochte plaatsen in de kathedraal.

De Capilla Real (Koninklijk Kapel) heeft de ereplaats in de kathedraal. In deze kapel bevindt zich de grafkelder van koning Fernando III en van zijn zoon Alfonso X. Hier zijn ook de grafkelders van andere leden van de koninklijke familie uit die periode.

Hier vinden we een houten beeld van de Maagd van de Koningen, patrones van het diocees van Sevilla. Daarnaast zijn er nog een aantal schatten van de kerk zoals een groot aantal schilderijen van Murillo met afbeeldingen van San Isidoro en San Leandro, schilderijen van Santa Teresa van Zurbarán of een beeldhouwwerk van het hoofd van Sint Johannes de Doper.

De tombe van Christoffel Columbus is een werk van Arturo Mélida en het telt vier beelden die de vier provincies Castillië, León, Navarra en Aragon voorstellen. De beelden dragen de doodskist van Christoffel Columbus.

In 2006 heeft een team van het Genetisch Laboratorium van de Universiteit van Granada onderzoek gedaan op de stoffelijke resten van Christoffel Columbus en zij hebben bevestigd dat de gevonden resten inderdaad van Columbus waren.

Het kapittel van de aartsbisschop is de bewaarder van de kathedraal en zij geven de mogelijkheid aan de toeristen om de kathedraal te bezoeken.

5. Giralda

De Giralda is de klokkentoren van de kathedraal van Sevilla en het is tevens de meest karakteristieke toren van de stad. De 97,5 meter hoge bakstenen minaret werd gebouwd in de twaalfde eeuw als onderdeel van de nu verdwenen grote moskee.

De toren kreeg zijn huidige vorm tussen 1558 en 1568 en is een werk van Hernán Ruiz. Het gebeurde voor rekening van het kapittel van de kathedraal. In het bovenste gedeelte van de toren werd er een klokkenkamer ingericht met daarin 25 klokken die elk hun eigen naam hebben.

Foto: Giralda

Jebulon

De twee onderste delen van de toren komen van de minaret uit de oude moskee van de stad uit het einde van de twaalfde eeuw toen de almohaden in Sevilla waren. Het bovenste gedeelte van de toren komt uit de christelijke periode om er de klokkentoren in in te richten. Op de top van de toren staat een bronzen standbeeld, de Giraldillo die tevens dienst doet als windwijzer. Het is een van de grootste standbeelden uit de Europese renaissance.

Foto: giraldillo

CARLOS TEIXIDOR CADENAS

In 1928 werd de Giralda opgenomen op de lijst van het Nationaal Erfgoed en in 1987 kwam hij op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.

De geschiedenis van de bouw van de toren begint in de islamitische periode. De bouw begon in 1184 in opdracht van de kalief Abu Yaqub Yusuf. Als voorbeeld nam men de moskee in Kutubia in de Marokkaanse stad Marrakech.

Door een aardbeving in 1365 verdween de oude spits en hij werd vervangen door een minaret. Later in de zestiende eeuw voegde men een klokkentoren toe met daar bovenop een standbeeld. Het standbeeld werd geplaatst in 1568. Het naam Giralda komt van het Spaanse “girar” wat ronddraaien betekend en het is een verwijzing naar de windwijzer.

Na verloop van tijd ging men deze naam ook gebruiken voor de ganse toren en het standbeeld bovenop was de Giraldillo. Als men boven in de toren staat heeft men een schitterend uitzicht over de stad.

6. Real Alcázar

Het Alcázar van Sevilla is het oudste koninklijk paleis in Europa. Het paleis begint zijn huidig uitzicht te krijgen na de verovering in 713 van Sevilla door de Arabieren. Zij gebruikten het alcázar als residentie voor hun leiders vanaf 720. Na de herovering van Sevilla in 1248 bood het onderdak aan koning Fernando III van Castilië en aan zijn opvolgers.

Een beperkt deel van het paleis is voorbehouden als residentie van de Koningen van Spanje en van leden van het Koninklijk Huis wanneer zij de stad bezoeken om er de nacht door te brengen.

Veel plechtigheden en belangrijke tentoonstellingen in de stad kiezen het Alcázar als plaats van viering.

Het monumentale gebouw en zijn tuinen zijn open voor het publiek en het is daardoor een van de belangrijkste attracties in de stad. Het Real Alcázar werd opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed in 1987.

De mooiste ruimtes in het gebouw zijn:

  • de Patio de la Doncellas met zijn prachtig stuc werk en het schitterende veertiende eeuwse tegelwerk. Een waterpartij dwarst de patio in de lengte en zorgt voor een mooi perspectief
  • de Zaal van Karel V is in mudejarstijl en bezit prachtige wandtapijten.
  • het Salon van de Keizer met wandtegels uit de vijftiende eeuw en zijn Vlaamse wandtapijten.
  • het Salon de Embajadores “Ambassadeurszaal”, dit is de mooiste zaal van het Alcázar. Het heeft een indrukwekkende halfronde koepel gemaakt uit cederhout en er is een prachtige stucwerk decoratie. 
  • de tuinen van het Alcázar weerspiegelen de opeenvolgende bestuursperiodes, we vinden er Arabische, renaissance en barokke invloeden in terug. Deze tuinen nemen een groot deel van de oppervlakte van het Alcázar in beslag en de tuinen zijn in terrasvorm aangelegd. Er zijn fonteinen, paviljoenen en er staat een groot aantal sinaasappel- en palmbomen.
Foto: koepel van de Ambassadeurszaal van James Gordon

De aardbeving van Lissabon in 1755 beïnvloedde de architectonische structuur en dan vooral in het Gotische Paleis of in de Salons van Karel V. Dit paleis werd helemaal gerestaureerd en die restauratie is het meest zichtbaar in de Patio del Crucero.

Binnenin het Alcázar van Sevilla zijn een groot aantal opnames gemaakt voor de film “Kingdom of Heaven”.

7. Archivo de Indias “Het archief van Zuid-Amerika”

Het Algemeen Archief van Zuid-Amerika werd opgericht in 1785 onder koning Carlos III met de bedoeling om alle informatie te centraliseren die refereerde aan de Spaanse kolonies. Tot op dat moment werden die documenten bijgehouden op 3 verschillende plaatsen: Simancas, Cádiz en Sevilla.

Het Casa Lonja de Mercaderes, “de Handelsbeurs” van Sevilla dat gebouwd werd voor koning Felipe II tussen 1584 en 1598 door Juan de Mijares met bouwplannen van Juan de Herrera is de zetel van het archief.

De documenten die hier bewaard worden nemen meer dan 9 kilometer boekenrekken in beslag. Het betreft 43.000 dossiers, ongeveer 80.000.000 pagina’s papier en 8.000 kaarten en tekeningen. Al deze documenten komen voornamelijk uit de stedelijke archieven die verantwoordelijk waren voor de koloniale administratie.

Foto: Archivo de Indias

Berthold Werner

Het is het grootste archief over de activiteit van Spanje in Amerika en de Filipijnen en het bevat informatie over de politieke, sociale, economische en de kerkelijke geschiedenis van deze kolonies. Bovendien vinden we er informatie terug over de kunstgeschiedenis en de geografie van deze gebieden. De teksten die er liggen zijn handgeschreven documenten van Christoffel Columbus, Fernando de Magallanes, Vasco Núñez de Balboa, Hernán Cortés en Francisco Pizarro.

Het archief is een van de archieven samen met het Archivo General de la Corona de Aragón en het Archivo General de Simancas dat bij de Spaanse staat hoort. In 1987 werd het archief opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.

8. De Plaza de España

De Plaza de España van Sevilla is een van de grootste open ruimtes in de stedelijke architectuur. Het plein werd aangelegd door de architect Aníbal González voor de Iberoamericana Tentoonstelling van 1929. Op dit plein was de openingsceremonie.

Het plein beslaat een oppervlakte van 50.000 m² waarvan er 19.000 bebouwd zijn en de overblijvende 31.000 m² zijn open ruimte. Er loopt een gracht over het plein dat verder een diameter heeft van 200 meter. Daardoor is het een van de meest spectaculaire panoramische werken in Spanje met zijn mengeling van mudéjar, gotiek en renaissance stijlen.

Het werk begon in 1914 en eindigde in 1928 door de architect Vicente Traver die na het ontslag van Aníbal González het werk overnam. Het plein ligt in het park María Luisa, de toegang is gratis en het sluit om 22.00.

De halfronde vorm symboliseert de omarming van Spanje met zijn voormalige kolonies.

Het plein was het duurste bouwwerk van de tentoonstelling en het enige dat reeds op deze plaats aanwezig was was de fontein. Het kanaal op het plein heeft 4 bruggen die de 4 oude koninkrijken van Spanje (Castilla, León, Aragón y Navarra) symboliseren.

Op de muren zien we een reeks banken en ornamenten van wandtegels en daarop staan de landkaarten van de 48 provincies in Spanje. We vinden er ook afbeeldingen van historische gebeurtenissen en de wapenschilden van elke hoofdstad van elke Spaanse provincie.

Het was de bedoeling dat de Plaza de España deel zou uitmaken van de Universiteit van Sevilla en dat is trouwens de reden van al deze verwijzingen naar de Spaanse provincies. Na de tentoonstelling maakte het plein deel uit van het militaire bestuur.

Omdat Sevilla momenteel de hoofdstad is van de autonome regio Andalusië herbergt men aan het plein een van de diensten van de regering en is er ook het historisch museum van het leger gevestigd.

Dit plein diende ook als locatie voor enkele zeer bekende films: Lawrence of Arabia en de tweede episode van Star Wars, Attack of the Clones werden hier voor een deel opgenomen.

9. Torre del Oro “de Gouden Toren”

De Torre del Oro van Sevilla is een wachttoren die op de linkeroever van de Guadalquivir ligt en vroeger deel uitmaakte van de verdediging van de stad.

Foto: Toren van goud

Grez

Mogelijk is zijn naam afkomstig uit het Arabisch toen men hem Bury al-dahab noemde. Dit kwam door de gouden schijn die hij reflecteerde over de rivier. Tijdens de restauratie werken van 2005 toonde men aan dat deze glans in tegenstelling tot wat men altijd had gedacht niet te danken was aan de gebruikte tegels maar dat de gloed kwam van een mengeling van kalkmortel met geperst stro.

Het is een toren die uit 3 delen bestaat, het eerste deel is gebouwd in 1220 en 1221 en gebeurde in opdracht van de almohaden gouverneur van Sevilla Abù l-Ulà.

Het tweede deel werd gebouwd in opdracht van Pedro I de Wrede in de veertiende eeuw.

Het derde en laatste deel komt uit 1760 en is een werk van de militaire architect Sebastián Van der Borcht. 1760 is ook het jaar waarin men het beneden gedeelte opvulde met puin en mortel om de gevolgen van de aardbeving in Lissabon in 1755 te herstellen.

De toren werd op de lijst van de historische monumenten gezet in 1931 en hij is sindsdien al meerdere malen hersteld. De opeenvolgende restauraties gebeurden in 1900, 1991 en 1992, 1995 en de laatste gebeurde in 2005.

Momenteel herbergt de toren het maritiem museum.

La patum de Berga

  1. Overzicht
  2. De figuranten

1.Overzicht

Het Feest van de Patum de Berga is een traditioneel feest dat doorgaat tijdens de vieringen van Corpus Christi in Berga, een stadje bij Barcelona.

Dit feest werd opgenomen op de Unesco lijst van het in-materieel Werelderfgoed op 25 november 2005 en daarom is dit feest elk jaar verzekerd van een plaats op de lijst van het Spaanse Culturele Erfgoed o.a. samen met het Mysterie van Elche. Sinds 1983 staat de Patum al op de lijst van het culturele erfgoed van Catalonië.

De Patum bestaat sinds het einde van de veertiende eeuw en was toen ook al zeer populair, we vinden documenten terug van zijn bestaan vanaf 1525.

Het feest bestaat uit verscheidene voorstellingen van een aantal mystieke en symbolische figuren die dansen op de muziek van trommels. De dansen worden gekenmerkt door hun plechtigheid maar ook door het gebruik van vuur en vuurwerk.

De woensdag voor de donderdag van Sacramentsdag gaan de tabal (stadsomroeper) en de reuzen door de stad om het begin van de feestelijkheden aan te kondigen. Later begint het dramatisch mimespel dat verdeeld is in diverse aktes die de intense strijd uitbeelden tussen de christenen en de moren, de strijd van de Aartsengel Michael bijgestaan door een aantal engelen tegen Lucifer en zijn duivels of de spot die men dreef met de Arabische aanvoerder Abul-Afer of Bullafer, de veroveraar van het gebied.

In tegenstelling met het voorgaande is het deel met de arend die de tevredenheid van Berga uitdrukt met de beëindiging van de feodale heerschappij en met de overgang naar de rechtstreekse afhankelijkheid van de koning.

De feesten hebben plaats vanaf de woensdag van Sacramentsdag tot de daarop volgende zondag. De dag na de echte Patum is er een aangepaste Patum voor kinderen.

2. De figuranten

El Tabal (de stadsomroeper)
Het is hij die de feesten omroept. Hij doet dit de zondag van de Hemelvaart en voor de tweede maal de zondag van de Drievuldigheid. Op de wake van de Sacramentsdag, op de middag, keert hij terug om de klok te luiden en deze maal is hij vergezelt door de Reuzen.

Zij zeggen dat het hun geluid is dat de naam geeft aan de Patum. Volgens de traditie is het de Timbal die de magie heeft om de wolken te verdrijven en om de luchten helder te maken. Men zegt ook dat iedereen die afkomstig is uit Berga en die niet in de stad is zijn oor op die dag van de Hemelvaart op de grond moet leggen en hij zal het geluid van Timbal horen.

Los turcs y caballets
Dit stelt vier “Turken” voor, met blinkende kromzwaarden en vier andere ruiters die gekleed zijn als christenen die rond hun middel een houten paard dragen. Zij gaan samen naar het midden van het plein waar zij concentrische cirkels vormen en waar zij aan de strijd beginnen op de tonen van de muziek die speciaal voor dit evenement gecomponeerd is.

Mazas
Het stelt de duivels voor die een knuppel dragen die afgemaakt is met een “fuet” (een grote voetzoeker). Zij dansen in groepen van twee samen met de Aartsengel Michaël en de Engel. Wanneer de voetzoeker ontploft valt de duivel dood neer op de grond en de dans gaat verder totdat alle duivels gedood zijn.

Las Guitas
Deze figuur heeft het voorkomen van een monsterlijke draak met een lange nek.  Het doel van de Guitas is de mensen te achtervolgen en ondertussen komen er uit zijn mond het vuur en de voetzoekers. Vroeger was er een draak maar op het einde van de negentiende eeuw kwamen er een kleinere draak bij met de naam “Guita boja”.

El Aguila
Deze figuur wordt beschouwd als de belangrijkste figuur uit de Patum. Het is zonder twijfel de prachtigste figuur, symbool van de hertogelijke macht die de arend draagt en deze figuur draagt tevens het wapenschild van Berga. Deze dans is de meest fijngevoelige door zijn snelle voetenspel met pauzes en zijn plechtig bewegen op het ritme van de muziek maar dat bewegen stopt vanuit een grote snelheid.

Els Nans vells
De nans vells (oude figuren met een grote kop) dansen op een wals en spelen op de castagnetten. Deze figuren werden in de Patum gebracht in 1855.

Los Gigantes
Er zijn twee paar reuzen; de oude en de nieuwe en die werden in de Patum gebracht in 1891. Zij bekoren zo het publiek en dan vooral de kinderen met hun majestueuze dansen.

Foto: de reuzen

Ràdio Berga

Els Nans nous
Denans nous (nieuwe figuren met een grote kop) stammen uit 1888 en het zijn twee paartjes, een oud en een jong. Hun muziek is vrolijk met luchtige wijsjes.

Els Plens
Het vuur is het meest representatieve element in de Patum en Els Plens stelt het vuur voor in een helse orgie. Het zijn 100 duivels die aangekleed zijn met verse kruiden om zichzelf te beschermen tegen het vuur en zij hebben een groene kleur.

El Tirabol
Het is niet bepaald een groep figuren maar het is een dans met medewerking van figuren van Tabal, Guites (draken) en Gegants (reuzen). Dit is het eindpunt van de Patum met de samensmelting van de bevolking met de draken en de reuzen. Zij springen en dansen zonder ophouden tegen de klok in en het is de grote apotheose van het feest.

Wanneer de muzikanten stoppen berispen de mensen hen en ze gaan verder met de dans, het kan gebeuren dat men twintigmaal opnieuw begint te dansen.

Castells, de Menselijke Torens

  1. Overzicht
  2. Oorsprong
  3. Het begin
  4. Het verval 1889-1926
  5. Het herstel 1926-1981
  6. De periode 1981-1993
  7. De gouden periode – van 1993 tot op heden
  8. Het motto van de kasteelbouwer (casteller)
  9. Voorbereiding en ongevallen
  10. De onderdelen van een castell
  11. Naamlijst
  12. De gebruikte muziek
  13. De gebruikte kledij
  14. Museum
  15. Website

1.Overzicht

Een castell is een menselijke toren met verscheidene verdiepingen en de geschiedenis hiervan gaat meer dan 200 jaar terug, men heeft referenties gevonden die tot in de achttiende eeuw terug gaan.

Eerst maakte men deze torens rond Tarragona, om later uit te breiden naar de Penedés en vanaf de twintigste eeuw kon men ze in gans Catalonië, Roussillon en de Balearen vinden.

Foto: castell

Eric Sala & Tània García

Op 16 november 2010 werden de castells opgenomen op de lijst van het Immaterieel Cultureel Werelderfgoed van de Unesco.

Aan een castell werken een groep mensen mee, mannen en vrouwen van alle leeftijden en fysieke kenmerken, die het ganse jaar trainen voor wedstrijden en optredens. Bovendien werken vrienden, familie, liefhebbers en kijkers spontaan in de vereniging mee.

2. Oorsprong

Vermoedelijk ligt de oorsprong van de castells in de oude «Baile de los Valencianos», “Dans van de Valencianen” die uitgevoerd werd tijdens religieuze processies. Deze dansen eindigden met een figuur die gemaakt werd door het opheffen van mensen.

In de vijftiende eeuw voerde men de moisiganga uit, een dans waarin ook menselijke torens gebouwd werden die deden denken aan de muixeranga die uitgevoerd werd in de Valenciaanse plaats Algemesí.

In het geval van de castells vervangen de Catalanen de dans door de bouw van steeds hogere en originelere torens. In de achttiende eeuw verspreidde de populariteit van de castells zich over gans Catalonië en maakten zij deel uit van de festiviteiten in alle steden.

3. Het begin

De eerste beschreven castell die zes verdiepingen telde en begeleid werd door een fluit werd uitgevoerd in 1770 in Arbós. Op 2 februari 1801, tijdens de Fiestas Decenales de la Virgen de la Candela in Valls maakte men hier de eerste torens.

Historisch gezien hangt de activiteit van de bouwers samen met goede en slechte periodes. Zo is er tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog (1808-1814) of tijdens de Eerste Carlistische Oorlog (1833-1840) geen sprake van de bouw van castells maar in een periode van kalmte en rust begonnen de activiteiten opnieuw en in 1819 maakte men het eerste castell met acht verdiepingen.

4. Het verval 1889-1926

Na een eerste gouden periode van 1851-1889 begon in dat laatste jaar het verval en dat bleef duren tot in 1926 toen er in Tarragona twee nieuwe groepen werden opgericht.

In diverse studies werden de belangrijkste oorzaken genoemd voor deze terugval de epidemie van de druifluis en de opening van de treinlijn tussen Valls en Barcelona. Beide oorzaken waren verantwoordelijk voor een migratie naar de grote steden. 

In Tarragona was er tussen de jaren 1913 en 1921 geen enkele activiteit in verband met de castells.

5. Het herstel 1926-1981

Vanaf 1926 werden er terug verenigingen opgericht zodat er een grotere concurrentie tussen de verenigingen kwam.

Jaren later, na de Spaanse burgeroorlog werden er nog meer groepen opgericht in Valls, Tarragona en Vendrell en dit gebeurde op uitdrukkelijke wens van de aan de macht zijnde overwinnaar van de burgeroorlog, de partij van Franco.

In deze periode maakte men de castells ook hoger en groter maar na enkele jaren zonder vernieuwingen waren de jaarlijkse wedstrijden in Barcelona in 1964, 1965 en 1966 de oorzaak van een grotere populariteit van de castells.

6. De periode 1981-1993

In deze periode kwam er een grote verandering, vrouwen waren al langer lid van de verenigingen maar zij werkten nooit mee aan de castells zelf, vanaf nu deden er ook vrouwen mee aan de bouw van deze menselijke torens.

Met de komst van de vrouwen werden er nog hogere castells gemaakt en zij gingen nu tot 9 verdiepingen.

7. De gouden periode – van 1993 tot op heden

Deze periode wordt gekarakteriseerd door een uitbreiding van het gebied waar de castells gebouwd worden en het maken van enkele nieuwe constructies.

8. Het motto van de kasteelbouwer (casteller)

Het motto van de bouwers is “Força, equilibri, valor i seny” (kracht, evenwicht, moed en beredeneren.

  • Kracht: een bouwer is meestal een gedrongen persoon. De eerste castell bouwers waren boeren die gewoon waren om grote ladingen te dragen.
  • Evenwicht: om bovenaan in het castell te staan heeft men een groot gevoel voor evenwicht nodig en een groot vertrouwen in de mensen beneden.
  • Moed: het belangrijkste element voor de bouwers en dan speciaal voor de jonge kinderen die bovenaan de toren staan.
  • Beredenering: oefening en optreden vereist een grote planning en beredenering. Elke fout kan leiden tot het in elkaar stortten van de toren.

9. Voorbereiding en ongevallen

De bouwers worden getest om hun beste plaats te vinden in een castell. Tijdens de trainingen oefent men de delen van het castell en dat is meer om vertrouwen te kweken en om de juiste plaats te vinden voor de deelnemer.

Voor en na elke training doet men een warm up en stretch oefeningen voor de spieren om verwondingen te voorkomen.

In de ganse geschiedenis van de castells heeft men drie dodelijke ongevallen gekend, het eerste ongeval was in La Masó tijdens de negentiende eeuw, het tweede ongeval was in Torredembarra in 1983 en het laatste ongeval gebeurde in Mataró in 2006. Na dit ongeval rees de vraag op om voor kinderen helmen te gebruiken.

Andere gegevens:
In 1996 was het percentage van de castells die niet vielen 92,81%.
In 2005 was het percentage van de castells die niet vielen 96.30%.

10. De onderdelen van een castell

Castells bestaan uit de volgende delen:

  • De pinya is de basis van het castell en het is de plaats waar de meeste en de zwaarste mensen staan.
  • De tronc van het castell is het zichtbare deel van het castell en zijn hoogte en zijn structuur bepaalt de moeilijkheidsgraad van het castell.
  • De pom de dalt is het bovendeel van een castell en hij voltooid de tronc. Hij heeft altijd dezelfde samenstelling onafhankelijk van het castell.
  • De folre situeert zich op de pinya en hij dient om de tronc te versterken.
  • De manilles zijn de deelnemers die op de folre staan.
  • De puntals zijn de deelnemers die op de manilles staan.
Foto: tronc

Montserrat Torres

Foto: pom de dalt

Perejoanoliver

11. Naamlijst

De benaming van de castells bestaat uit twee nummers en een woord. Het eerste nummer geeft het aantal pilaren in de tronc en het tweede nummer geeft het aantal verdiepingen.

Sommige combinaties hebben een eigen naam gekregen.
Tripleta mágica: 3 de 9 amb folre, 4 de 9 amb folre, 5 de 8
Tripleta vilafranquina: 3 de 9 amb folre, 4 de 9 amb folre, 4 de 8 amb l’agulla
Tripleta o Tripleta lila: 2 de 8, 4 de 8, 2 de 7
Clàssica de 8: 3 de 8, 4 de 8, 2 de 7
Clàssica de 7: 3 de 7, 4 de 7, 2 de 6

De moeilijkheid van de castells ligt in de hoogte van het castell, het aantal kolommen en in het aantal versterkingen dat zij nodig hebben.

12. De gebruikte muziek

De muziek van de fluiten geeft de evolutie van de bouw aan van het castell. De muziek wordt gemaakt met fluiten en timbalen en vanaf de pinya kan men de evolutie van de bouw volgen door naar de muziek te luisteren.

Het lied dat men speelt kreeg de naam “Toc de Castells” en het bestaat in verscheidene onderdelen.

13. De gebruikte kledij

De huidige kledij van een deelnemer aan de bouw van een castell is traditioneel bepaald, een hemd met het schild van de vereniging erop, een witte broek, een riem en een sjaal. De eerste maal dat een groep optrad in een uniforme kledij was de groep Colla Vella dels Xiquets uit Valls op de Exposición Internacional van Barcelona in 1929.

De kinderen in de groep dragen voor de veiligheid een helm en niemand draagt een horloge, een bril of een ander accessoires die de andere deelnemers kunnen verwonden.

  • Hemd: het hemd heeft lange mouwen en op het borstzakje staat het schild van de vereniging. Een tijd geleden stond de naam van de groep of de stad waar de groep afkomstig van was op de achterkant van het hemd maar dat wordt niet meer gedaan. In de zomer mogen de mouwen opgerold worden en als het te koud is kan men er een hemdje onder dragen.
  • Broek: de broek is wit en van een stevige stof gemaakt.
  • Riem: bij voorkeur zwart en met een variabele lengte en breedte. Hij wordt rond het lichaam gedragen ter hoogte van de nieren.
  • Schoeisel: alleen de leden die in de pinya staan dragen schoeisel, de anderen zijn blootsvoets.
  • Sjaal, hoofddoek: hij is zeer lang en driehoekig. Origineel diende hij als hoofdbescherming maar nu is het gewoon versiering.
  • Helm: Sinds 2006 wordt de helm gedragen door de jongsten in de groep die het hoogste moeten gaan. De helm weegt 230 gram en hij is gemaakt van polystyreen.

14. Museum

In de stad Valls wordt het Casteller Museum van Catalonië gebouwd , dat de naam Món Casteller – Museo Casteller de Catalunya zal krijgen.

Het is een project dat meer dan 40 jaar geleden werd bedacht toen Pere Català Roca uit Valle del Valle wees op de noodzaak van het bestaan van een museum. Eindelijk, in 2015, begon de bouw van het gebouw in de oude wijk van Valls. Het gebouw, het werk van de Catalaanse architect Dani Freixes Melero en zijn bedrijf Varis Arquitectes, zal de museografie herbergen die is ontworpen door het bedrijf van de museumontwerper en decorontwerper Ignasi Cristià, winnaar van de openbare wedstrijd.

Met de opening van Món Casteller-Museo Casteller de Catalunya begint een museum en belevingscentrum dat uniek is in het land, volledig en exclusief gewijd aan het immateriële erfgoed van de castells.

15. Website

Het museum heeft een website op Món Casteller-Museo Casteller de Catalunya, de site is in het Catalaans, Spaans, Frans en Engels.

Het Watertribunaal van Valencia

  1. Algemeen
  2. Werkwijze
  3. Geschiedenis
  4. De toekomst

1.Algemeen

Het Watertribunaal van Valencia (Tribunal de las Aguas de Valencia) staat ook wel bekend als het Hof de la Vega van Valencia en het is een speciaal tribunaal voor irrigatiezaken en het is belast met het oplossen van conflicten die ontstaan zijn in het gebruik van irrigatiewater tussen de landbouwers in de irrigatie gemeenschappen die ervan deel uitmaken (Cuart, Benàger i Faitanar, Tormos, Mislata, Mestalla, Favara, Rascaña y Rovella).

Foto: schilderij van Bernat Ferrandis i Badenes uit 1885

Al deze bevloeiingskanalen samen noemen we de “Vega de Valencia” en samen met het Koninklijk Bevloeiingskanaal van Moncada, dat een aparte jurisdictie bezit, vormen zij de geïrrigeerde vlakte van Valencia.

In september 2009 werd het tribunaal opgenomen op de lijst van het inmaterieel werelderfgoed van de Unesco.

2. Werkwijze

Het tribunaal past het gewoonterecht toe en het is samengesteld uit een vertegenwoordiger van elk van de irrigatie gemeenschappen. Er zijn 8 vertegenwoordigers in het tribunaal en onder hen kiezen zij een voorzitter die voor een onbepaalde tijd verkozen is. Traditioneel is de voorzitter iemand van de Favara of van de Tormos groep, hij komt beurtelings uit een van deze twee groepen.

Elke donderdag van het jaar, met uitzondering van de feestdagen en de donderdagen tussen Kerstmis en Driekoningen, komt het tribunaal bij elkaar in het Casa Vestuario op de Plaza de la Virgen in Valencia om er een aantal zaken te bespreken. Maar om 12 uur ’s middags, terwijl de klokken van Miguelette luiden komt het Tribunaal samen in de poort van de Apostelen van de kathedraal van Valencia.

Het is dan dat de bode, met de toestemming van de president, die de aanklagers van de verscheidene bevloeiingskanalen oproept met de traditionele zinsnede: “denunciats de la sèquia de…! ”.

Het proces ontwikkelt zich snel, mondeling en is volledig in het Valenciaans.

De klager, die meestal de bewaker van het kanaal is, presenteert de zaak voor het Tribunaal en daarna kan de aangeklaagde zijn zaak verdedigen en de vragen beantwoorden van de vertegenwoordiger van het kanaal. Het is nadien dat het Tribunaal met de uitzondering van de verantwoordelijke van het betrokken kanaal de schuld of de onschuld bepaald van de aangeklaagde.

In het geval de aangeklaagde schuldig is dan kan de vertegenwoordiger van het kanaal een boete aan de overtreder opleggen volgens de voorschriften van de Vereniging. Vandaag de dag wordt de straf opgelegd in “loon”.

3. Geschiedenis

De oorsprong van het tribunaal is totaal onbekend maar men denkt dat het gebaseerd is op vroegere Andalusische tradities. Meerdere historici zoals José Vincente Gómez situeren de oprichting in de Romeinse tijd.

De meest gangbare theorie, maar ook een zonder historische basis komt van Francisco Javier Borrull, die het Tribunaal verdedigd in 1813 voor de Cortes van Cádiz met de bedoeling het te redden van zijn verdwijning.

Foto: Bijeenkomst van het Tribunaal in 2010

Martinvl

Zijn veronderstelling is dat er een voorloper was tijdens de Romeinse periode maar dat de stichting van wat wij nu nog kennen stamt uit de Moorse periode en meer bepaald uit de regeer periodes van de kaliefen Abd al-Rahman III en al-Hakam II. Hij denkt zelfs het jaar van oprichting te kunnen bepalen en hij heeft het gezet op 960. De reden om dit jaar te kiezen is dat volgens Borrull 960 het enige jaar is dat er een volledige vrede was op het Iberische schiereiland.

In feite vierde men in 1960 de duizendste verjaardag van het tribunaal en dat gebeurde onder de impuls van Vicente Giner Boira, juridisch raadgever van het tribunaal die een hevige verdediger is van de theorie van Borrull.

Ter ondersteuning van de bewering dat het tribunaal opgericht is tijdens de moslim periode kunnen de drie volgende beweringen in overweging genomen worden:

  • men heeft elke donderdag een bijeenkomst en dat is een dag voor de vrijdag die een feestdag is voor moslims
  • het gebeurt voor de kathedraal, de oude moskee van de stad
  • men krijgt van de voorzitter het recht om te spreken doordat hij u aanwijst met zijn voet, iets wat een aantal stammen in het noorden van Afrika ook doen

In feite is er geen enkel document bekend waarin gesproken wordt over het tribunaal tot in de achttiende eeuw maar dit betekend niet dat het vroeger niet bestond.

Volgens de verkregen voorrechten van Valencia ligt de jurisdictie over de irrigatiekanalen bij de Vereniging van de Verantwoordelijken.

Wij weten dat in het begin van de vijftiende eeuw de verantwoordelijken van de verenigingen een bijeenkomst bij elkaar riepen op alle donderdagen op de plaza de la Seu maar dit alleen is geen bewijs dat er daadwerkelijk een tribunaal was opgericht.

Voor Thomas Glick ligt de oorsprong van het tribunaal niet bij een koning of bij een kalief maar is het een evolutie geweest gedurende een zeer lange tijd.

Wij hebben geen documenten van het bestaan van het tribunaal omdat het zelf geen wettelijke status bezat.

Interessant is het feit dat er een beschrijving van het functioneren van het Tribunaal is uit de negentiende eeuw in het boek La Barraca van Vicente Blasco Ibáñez.

4. De toekomst

De tijden veranderen en het Tribunaal heeft vandaag de dag niet meer de belangrijkheid die het vroeger had. Vanaf 1950 toen het stuwmeer van Benagéber in dienst kwam dat het debiet van de Rivier de Turia regelt verloor het Tribunaal zijn belangrijkheid doordat er vanaf toen in feite voldoende water voor iedereen beschikbaar was.

Vandaag komt het gevaar voor de verdwijning van het Tribunaal meer door het verdwijnen van de velden rond Valencia en schuilt er het gevaar in dat het Tribunaal een vorm van straattheater wordt ter vermaak van de toeristen.

Toch blijft de rechterlijke functie volledig van kracht en wordt zij uitdrukkelijk erkend door de huidige wetgeving.

Het koninklijk klooster van Santa Maria de Guadalupe

  1. Overzicht
  2. Historische context
  3. Geschiedenis en evolutie
  4. Van heiligdom tot kloosterkerk
  5. Columbus en de katholieke koningen
  6. Confiscatie en heropleving
  7. Leden van de koninklijke familie die in het klooster begraven liggen
  8. Kloostermusea
  9. Website

1.Overzicht

Het koninklijk klooster van Santa María de Guadalupe is een klooster gelegen in de Spaanse stad Guadalupe, in de de provincie Cáceres. Het werd in 1993 door de Unesco uitgeroepen tot werelderfgoed. Binnenin kun je de gotische, mudejar-, renaissance-, barok- en neoklassieke bouwstijlen zien.

Foto: voorgevel van het klooster in gotische stijl

Alonso de Mendoza

Vóór de uitbreiding van het klooster was het heiligdom, tijdens het bewind van Alfonso XI van Castilië en Enrique II van Castilië, achtenveertig jaar een seculiere priorij en stond zij onder koninklijke en burgerlijke bescherming. In 1389 werd het, volgens een koninklijke bepaling uitgevaardigd door Juan I van Castilië, een klooster.

De nieuwe bewoners waren de monniken van de orde van de Heilige Hiëronymus , een gemeenschap van 32 leden uit San Bartolomé de Lupiana. In 1835 vond de exclaustratie plaats, waarbij de kerk verlaten werd voor het gebruik van een parochie afhankelijk van Toledo. Jaren later werd het complex uitgeroepen tot Nationaal Monument (1879). Alfonso XIII verzond een koninklijk besluit voor de overdracht van het heiligdom aan de Franciscaner orde, waarmee een nieuwe fase begint. Pius XII, in 1955, verhief het heiligdom tot de status van basiliek.

Binnenin wordt het beeld bewaard van de Maagd van Guadalupe (Extremadura, Spanje), beschermheilige van Extremadura en koningin van de Hispanidad (de Spaanstalige wereld).

2. Historische context

Na de slag om Las Navas de Tolosa in 1212 kwam er een einde aan de hegemonie van de Almohaden en moesten ze zich terugtrekken in Noord-Afrika. Het koninkrijk Granada bleef wel een sterk koninkrijk op het Iberisch schiereiland. Maar in Afrika kwamen de Almohaden een andere vijand tegen, de Meriniden, die ooit Marokko, Algerije en Tunesië veroverden en die daarna hun zinnen zetten op het schiereiland. Zo verklaarden zij een heilige oorlog aan de christelijke koninkrijken. De steden Rota, Algeciras en Gibraltar werden door hen bezet.

Het verzet tegen hen kwam jaren later toen er in 1340 met de slag van Salado. Toen stonden de Meriniden tegen een Castiliaans-Portugese christelijke coalitie onder het bevel van de koningen Alfonso XI van Castilië en Alfonso IV van Portugal. De overwinning ging naar de christelijke coalitie en de Meriniden moesten zich, als gevolg van deze nederlaag, terugtrekken naar Noord-Afrika.

De overlevering vertelt dat Alfonso XI zichzelf had toevertrouwd aan het beeld van de Maagd van Guadalupe, en dat het in de buurt van de rivier de Guadalupe was gevonden. De koning twijfelde niet aan de tussenkomst van de Maagd bij de overwinning van de slag van Salado en bouwde uit dankbaarheid een kerk op de plaats waar al een bescheiden kapel stond. Zo werd hij de beschermheer van het eerste heiligdom dat aan deze maagd was gewijd. Vanaf dat moment werd rond het heiligdom een stad gevormd die door Alfonso XI werd erkend als een koninklijke plaats.

3. Geschiedenis en evolutie

De oorsprong van de kloosterkerk als een heiligdom gewijd aan de Maagd van Guadalupe heeft een nauwe band met het bewind van Alfonso XI.

Foto: Maagd van Guadalupe

Bernard Higonnet

Er was een monnik, Diego de Écija, die tussen de jaren 1467-1534 een kroniek van het klooster schreef met de titel van ”Boek van de vinding van dit heilige beeld van Guadalupe en van de bouw en stichting van dit klooster en van enkele bijzondere dingen in het leven van enkele van zijn religieuzen”. Volgens fray Diego was de oorsprong een kapel of kluis die werd opgericht als resultaat van de verschijning van het beeld aan een onbekende herder, aan het begin van de 14e eeuw.

Eeuwen later, in 1743, gaf de monnik Francisco de San José de herder van de legende een naam waarmee hij hem identificeerde als Gil Cordero de Santa María, een van de eerste kolonisten van de plaats. Naar aanleiding van het verhaal van de kroniekschrijver werd in het begin van de 14e eeuw een kleine kerk gebouwd op de plaats van de bescheiden kluis. Het was het gebouw dat koning Alfonso XI in 1330 kende en dat toen al in puin lag. De koning gaf opdracht om het te vergroten en uit te breiden, zodat het een tempel zou worden die de toewijding van de Maagd van Guadalupe waardig was, met de toevoeging van ziekenhuizen voor de vele pelgrims die er naartoe kwamen. In zes jaar tijd werden de nodige verlengingen en regelingen getroffen onder toezicht van Toribio Fernández, de advocaat van kardinaal, Pedro Gómez Barroso. Voor de wederopbouw werd de Toledo Mudejar-stijl toegepast.

Als resultaat van de overwinning behaald in de slag om Salado, bezocht koning Alfonso XI de plaats opnieuw om de Maagd van Guadalupe zijn dankbaarheid te betuigen. Dit tweede bezoek had een belangrijke impact op de toekomst van het heiligdom. De koning schonk verschillende trofeeën die hij in de strijd had verkregen en verleende op 25 december 1340 ook een koninklijk privilege waarin twee petities werden ingediend bij de kerkelijke autoriteit: de oprichting van een seculiere priorij en de verklaring van koninklijk beschermheerschap. Het antwoord kwam er onmiddellijk en op 6 januari 1341 stelde de bisschop van Toledo, Gil Álvarez de Albornoz een document op waarin de seculiere priorij van Santa María de Guadalupe werd opgericht en het beschermheerschap werd erkend in de figuur van de koning en van hun opvolgers.

De koning stelde toen Pedro Gómez Barroso, die in 1326 ook bisschop van Cartagena was, voor als de eerste prior. Deze kardinaal was de belangrijkste bewaker van het heiligdom. Door zijn tussenkomst gaf Alfonso XI in 1337 in een brief in Illescas opdracht om de grenzen vast te stellen. De volgende stap was het markeren van de stad en het heiligdom, waarna Guadalupe onafhankelijk bleef en zich losmaakte van Talavera de la Reina.

Pedro Gómez Barroso stierf in Avignon in 1345 en de koning benoemde als zijn opvolger, Toribio Fernández de Mena. Om deze reden was er in augustus een bevestiging van de concessies voor priorij en patronage, ondertekend in het Paular-klooster. In oktober bekrachtigde aartsbisschop Gil Álvarez de Albornoz de bevestiging. In datzelfde jaar was er nog een overeenkomst: Alfonso XI veranderde de status van koninklijk over de stad in die van burgerlijke heerschappij, zodat het eigendom werd van de kerkelijke autoriteit, dat wil zeggen van de seculiere prior.

Prior Toribio stierf in 1367 en hij werd begraven in de kerk van Guadalupe. Hij werd opgevolgd door Diego Fernández, wiens mandaat samenviel met het bewind van Enrique II en Juan I. Diego Fernández werd in 1383 opgevolgd door Juan Serrano, de laatste van de seculiere prioren.

Na zes jaar in zijn priorij, in 1389, droeg hij het heiligdom over aan de Orde van de Heilige Hiëronymus en ging hij zijn nieuwe post als bisschop van Segovia aanvaarden. Tijdens deze 48 jaar van seculiere priorij groeide het heiligdom in belang, vooral vanwege de wijdverbreide toewijding, in het hele koninkrijk, aan de Maagd van Guadalupe . Pelgrims van verschillende afkomst kwamen naar haar toe. Om de toegang voor reizigers die vanuit het noorden aankwamen te vergemakkelijken liet de aartsbisschop van Toledo, Pedro Tenorio, in 1383 een brug over de rivier de Taag bouwen. In de omgeving werd een stad gebouwd, “El Puente del Arzobispo”.

4. Van heiligdom tot kloosterkerk

Juan I had het beschermheerschap van het heiligdom geërfd zoals het was opgericht sinds de tijd van Alfonso XI. Hoewel hij nog steeds in het bezit was van zijn rechten als beschermheer, vaardigde hij op 15 augustus 1389 een koninklijke voorziening uit  in Sotosalbos, waarin hij beval om het heiligdom uit te breiden en om te vormen tot een klooster dat geregeerd werd door gewone monniken in plaats van de seculiere kanunniken.

Foto: kloostergang

Jörn Wendland

In overeenstemming met deze koninklijke bepaling droeg Juan Serrano, de laatste prior van Guadalupe, het heiligdom over aan Fray Fernando Yáñez de Figueroa, die op dat moment prior was van het hiëronymieten klooster van San Bartolomé de Lupiana gelegen op 20 km van Guadalajara. Op deze manier werd de kerk van Guadalupe onderdeel van een uitgebreid kloostercomplex. De koning deed toen afstand van zijn beschermingsrecht en gaf het over aan Fray Fernando en zijn opvolgers. Dit alles werd gedaan met de vereiste procedures voor de overdracht:

  • De koning gaf ook alle eigendommen op die verband hielden met het heiligdom en die hij zelf van zijn voorgangers had gekregen.
  • Hij gaf en detailleerde de voorwaarden en de heerschappij van het “mero e mixto imperio” (Pure en gemengde overheid) dat heerste over Puebla de Guadalupe.
  • Van zijn kant gaf de aartsbisschop van Toledo, Pedro Tenorio, die jurisdictie had over het grondgebied waarop het heiligdom zich bevond, zijn toestemming door middel van een brief geschreven in Alcalá de Henares. Volgens het document gaf het prior Juan Serrano de macht om het heiligdom over te dragen aan de orde van de Heilige Hiëronymus.
  • Toen riep de koning de raad van Guadalupe bijeen om de gebeurtenissen mee te delen.
  • Toen de monniken van de orde van de Heilige Hiëronymus uit Lupiana aankwamen, namen ze, in oktober 1389, bezit van het klooster. De volgende dag vierden ze het eerste kapittel waarin Fray Fernando Yáñez als prior werd verkozen, die de priorij en de kerkelijke jurisdictie en de heerschappij over Puebla de Guadalupe overnam.
  • In dezelfde maand oktober werden Guadalupe en zijn autoriteiten op de hoogte gebracht van al deze wijzigingen.

De inhuldiging eindigde op 30 oktober, waarbij de inventaris van de activa publiekelijk werd aanvaard. Vijf jaar later, in 1394, leverde Benedict XIII de bul “his quae pro utilitate”, waarmee hij de transformatie van het heiligdom van Guadalupe in een klooster bevestigde.

De gemeente Guadalupe gaf niet graag toe aan hun burgerlijke onderwerping aan de prior van het klooster. Vooral tijdens de eerste drie eeuwen van het mandaat waren er protesten en rechtszaken maar de stad heeft nooit een eigen onafhankelijke raad gekregen.

De monniken waren 463 jaar de absolute heersers. Door de eeuwen heen groeide het kloostercomplex en werd het groots, met een oppervlakte van ongeveer 22.000 vierkante meter. Veel en zeer belangrijk waren de werken en verbeteringen die in deze tijd door de monniken werden aangebracht. Het groeide ook in spiritualiteit en toewijding aan de Maagd van Guadalupe, een toewijding die zich verspreidde over het schiereiland en de Canarische Eilanden en vanaf de ontdekking van Amerika werd deze toewijding uitgebreid naar Latijns-Amerika.

5. Columbus en de katholieke koningen

De relatie die dit klooster had met de katholieke koningen en Christoffel Columbus is historisch en bekend. De koningen ontvingen Columbus hier in 1486 en 1489. In 1492 na de verovering van Granada kwamen ze naar deze plek op zoek naar rust en vrede.

In 1493 keerde Columbus terug naar Guadalupe om de belofte na te komen die in zijn scheepslogboek was geschreven om de koningen te bedanken voor de kans op de ontdekking van Amerika. Op 29 juli 1496 vond de doop plaats van de indianen die als bedienden naar het oude continent werden overgebracht.

6. Confiscatie en heropleving

Op 18 september 1835, onder prior fray Cenón de Garbayuela, hield het klooster op om tot de orde van de Heilige Hiëronymus te behoren. De kerk werd omgevormd tot een seculiere parochie die afhankelijk was van het aartsbisdom Toledo. De eerste pastoor was de voormalige prior Cenón en die bleef in functie van 1835-1856.

In de jaren die volgden op de exclaustratie werden de monastieke afhankelijkheden verlaten, geplunderd en vernietigd. In deze jaren klonken de stemmen van aanklacht en restauratiecampagnes, onder leiding van schrijvers, intellectuelen en burgers van Guadalajara, luidop.

Foto: groot altaar

Alonso de Mendoza

De belangrijkste gebeurtenissen voor de heropleving waren de regionale bedevaart van 12 oktober 1906 en de verklaring van de bescherming van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe ten gunste van Extremadura, verleend door Pius X op 20 maart 1907.

Als gevolg van deze daden werd het gezag en de leiding over het heiligdom-parochie toevertrouwd aan de Franciscaner orde. In november 1908 werd de koninklijke orde van Alfonso XIII ontvangen die geschreven was op 20 mei van dat jaar, plus een rescriptie van de paus die op 8 augustus door de minister-generaal werd uitgevoerd, gedateerd op 3 november. Zo begon een nieuwe etappe, met de franciscanen op de voorgrond.

De Franciscanen begonnen met de wederopbouw en de architectonische, artistieke en spirituele rehabilitatie, waarbij ze een deel van de geconfisqueerde goederen terugkregen en een kloostercomplex van grote afmetingen verwierven.

Pius XII riep het complex in 1955 uit tot basiliek en Johannes Paulus II bezocht het klooster op 4 november 1982. Vanuit de autonomie van Extremadura als Gemeenschap ontving het klooster meer hulp, hervormingen, culturele activiteiten en onderscheidingen.

Op 24 juli 1992, ter gelegenheid van de viering van het vijfhonderd jarige ontdekking van Amerika ontving het klooster de Extremadura-medaille in de persoon van broeder Serafín Chamorro, Franciscaanse behoeder van het klooster. Een andere eer die de kloostergroep en haar omgeving ontving was die van de opname op de Werelderfgoed lijst van de Unesco.

7. Leden van de koninklijke familie die in het klooster begraven liggen

  • Enrique IV de Castilla (1425-1474), koning van Castilla. Zoon van Juan II van Castilië en María de Aragón.
  • María de Aragón (1403-1445), eerste vrouw van Juan II van Castilië en moeder van Enrique IV
  • Dionisio de Portugal (1354-1397), zoon van Pedro I van Portugal en Ines de Castro.
  • Juana Enríquez de Castilla, natuurlijke dochter van Enrique II van Castilla en Juana de Cifuentes, naast de vrouw van de eerste.

8. Kloostermusea

Het borduurmuseum

In de westelijke vleugel van het klooster bevindt zich het borduurmuseum in een ruimte van ongeveer 240 m². Het werd in 1928 ingewijd in aanwezigheid van koning Alfonso XIII. Heilige ornamenten en andere stoffen gewijd aan de eredienst worden daar tentoongesteld, stukken die sinds de 14e eeuw vervaardigd werden in de borduurateliers van het klooster door monniken en leken. Deze collectie is deels afkomstig van schenkingen. Fray Gonzalo, een monnik die stierf in 1425, is de eerste borduurder wiens naam in de archieven voorkomt.

Museum voor schilderkunst en beeldhouwkunst

Tot slot is nog een van de musea van het klooster het vermelden waard en dat is het museum voor schilderkunst en beeldhouwkunst, gevestigd in de oude banketbakkerij en met werken van onder meer Juan de Flandes, Zurbarán, Goya, Juan Correa de Vivar, Nicolás Francés, Egas Cueman, Pedro de Mena en El Greco.

9. Website

Het klooster van Santa Maria de Guadalupe heeft een website en die kan je vinden op klooster van Santa Maria de Guadalupe. De site is eentalig Spaans.

De oude stad Ávila

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Belangrijke religieuze gebouwen
  4. Burgerlijke bouwkunst

1.Algemeen

Ávila is een Spaanse stad in de autonome regio van Castilla y Léon en ze is tevens de hoofdstad van de gelijknamige provincie.

Foto: panoramisch zicht op Ávila

M.Peinado

De stad heeft een paar andere namen die men meer gebruikt als eretitels, “Ávila de los Caballeros” is er een van en een andere is “Ávila del Rey” terwijl de laatste eretitel “Ávila de los leales” is. Alle drie staan ze in het wapenschild van de stad.

De stad is echter het meest bekend voor zijn goed bewaarde middeleeuwse muur. Ávila is ook een stad met een zeer groot aantal kerken, in Romaanse of Gotische bouwstijl en ze overtreffen zeker het aantal kerken die de bewoners zelf nodig hebben.

2. Geschiedenis

Prehistorie en de Romeinse periode

De naam van de stad heeft zijn oorsprong in de dorpen en stammen die hier gedurende duizenden jaren gewoond hebben. De eersten die hier woonden waren de Vetonen en zij noemden dit hier Óbila (hoge berg). Het was een van de belangrijkste vestingen van deze stam.

Veel later, in de Romeinse periode, veranderde de naam in Abila of Abela. De Romeinen drukten hun stempel ook op de stad, het ommuurde deel van de stad, de wegen, mozaïeken en de Grote Markt zijn overblijfselen uit de Romeinse tijd die men vandaag nog altijd kan zien.

Binnenin de stad is er de typische vorm van de Romeinse steden zoals zij die in Spanje bouwden. Deze steden hebben een rechthoekige omtrek, met 2 belangrijke straten welke elkaar sneden met een rechte hoek in het centrum van de stad.

Vandaag de dag zijn er kleine wijzigingen aangebracht maar we herkennen gemakkelijk de oude Romeinse toegangen en de poorten van San Vicente en Gonzalo Dávila, waar de originele defensieve blokken samenkomen met de middeleeuwse muur.

Apart van deze architectonische voorbeelden zijn er grote aantallen ceramische resten, munten en andere archeologische vondsten terug gevonden die wijzen op de Romeinse tijd.

Visigothen

De eerste vestingen van de Visigothen op het schiereiland waren geografisch zeer gesloten. Volgens historici zijn de vroegere Visigothische vestingen gelegen in de huidige steden van Burgos, Soria, Guadalajara, Toledo, Ávila, Cáceres, Madrid en Palencia. Dit doet denken dat de keuze van de vesting puur strategisch was.

De Visigothen gebruikten het land om gewassen te telen en voor de veeteelt. De belangrijkheid van Ávila lag in deze periode meer in zijn religieus karakter, althans dit blijkt uit bestaande documenten die de interventie beschrijven van de prelaten van Abela op het concilie van Toledo.

Meer bewijs voor het religieuze verleden van de stad in de Visigothische periode was het ontstaan van het klooster van Santa María de la Antigua in 687. Dit was een gemengd klooster, dus toegankelijk voor mannen en vrouwen en het klooster bestond tot de komst van de Moren. Het belang van het klooster blijkt ook uit het feit dat Santa Leocadia, dochter van koning Wamba hier begraven ligt. In de kerk ligt ook het graf van de hertog Severiano, een Visigothische edelman.

De Moorse invasie

Door het ontbreken van veel gegevens uit deze periode kan er dus ook niet veel gezegd worden over het sociale leven, de economie, de cultuur, de politiek en het religieuze leven tijdens de Moorse overheersing.

Het enige dat lijkt vast te staan is dat tijdens de eerste jaren van de Moorse invasie de stad veranderde in een strategisch punt, altijd gewild door zowel de Moren als door de Christenen. Beiden wilden Ávila gebruiken als een defensieve enclave en daardoor waren er hier tal van botsingen en conflicten om het permanente bezit van de stad.

Alfonso I en zijn zoon Fruela zijn tijdens verschillende invallen tot binnen in de stad geweest (740-742) echter zonder de bedoeling om in de stad te blijven maar meer met de intentie om de verdedigingswerken te vernietigen en om buit te vergaren.

Tevens moest men zorgen dat de christelijke bevolking de christelijke koning bleef volgen, men had ze nodig om de gronden te bewerken in de bezette gebieden en als soldaat in het christelijke leger. Door al deze invallen en de gevechten werd het gebied wel een “strategische woestijn”, het gebied was praktisch ontvolkt.

Herovering (Reconquista)

In de XI de eeuw werd Don Raimundo de Borgoña, schoonzoon van Alfonso VI van Castilla belast met de herbevolking van het centrum van het land en hij moest ook Toledo verdedigen. Hij deed dit door middel van de ommuurde steden van Salamanca, Ávila en Segovia.

Naar gelang de herovering van het schiereiland verder ging ging de herbevolking van het land daar verder en Ávila verloor een groot deel van zijn belang.

In de XV en de XVI de eeuw herleefde de stad dankzij het heen en weer gaan van de rechtbank. De stad en de provincie bloeide enorm op en het werd de geboorteplaats van veel religieuze figuren, schrijvers en andere spirituele figuren zoals Santa Teresa van Cepeda en Ahumada.

Spaanse burgeroorlog

Tijdens de burgeroorlog was Ávila de zetel van de aanhangers van de kroonprins Alonso. Zijn raad was een van de belangrijkste deelnemers aan de burgeroorlog en hij vormde de eerste regering van de opstandelingen in Castillië.

Aan het begin van de XVII de eeuw begon er een lange neergang en ontvolking van de stad wat eindigde in ongeveer 4.000 inwoners. Er kwam terug een trage opgang van de bevolking in de XIX de eeuw door de aanleg van de spoorweg.

De twintigste eeuw

Het proces van ontwikkeling en urbanisatie welke begon in de XX ste eeuw bracht de stad op de tweede plaats in de Spaanse maatschappij. De eerste tientallen jaren van deze eeuw toonden een zekere tendens in de stad om bepaalde tradities op het sociale vlak te behouden tegenover een veranderende Spaanse maatschappij

In 1936, bij het begin van de Spaanse burgeroorlog maakte de stad deel uit van het door de opstandelingen van Franco bezette gebied maar dat bracht geen belangrijke historische gebeurtenissen met zich mee.

Tijdens de dictatuur van Franco kwam er terug een tendens op gang van ontvolking, een deel van de bevolking trok naar de stad.

Na de burgeroorlog was de deelname van Ávila aan de Spaanse maatschappij gering, een paar feiten kunnen hier wel gegeven worden. Adolfo Suárez, de eerste Spaanse eerste minister na Franco had een deel van zijn politieke carriére in Ávila doorgebracht en José Maria Aznar, eerste minister van 1996 tot 2004 was verkozen in de provincie Ávila.

Sinds 1985 is de stad opgenomen op de Unesco lijst van het Werelderfgoed.

3. Belangrijke religieuze gebouwen

Kathedraal

De kathedraal is gebouwd in een religieus-militaire architecturale stijl (XII-XV de eeuw) en hij is omgeven door verschillende paleizen en kastelen. De architect Fruchel begon met de werken en hij werkte naar een voorbeeld van de Abdij van Saint-Denis. Daardoor heeft de kathedraal aspecten van soberheid en classicisme en er zijn primitieve gotische structuren aanwezig.

Foto: kathedraal van Ávila door
Daniel Dionne

In de XIV de eeuw heeft bisschop Sancho Dávila de werken heropgestart.

  • De noordelijke voorgevel: gebouwd in gotische stijl aan de linkerzijde en in renaissance stijl aan de rechterzijde.
  • De westelijke gevel: gebouwd in Bourgondische stijl, met twee torens die een gesloten portiek vormen.
  • Binnenin de kathedraal: Gebouwd in een Latijns kruis met 3 beuken.
  • Grote kapel: er is een monumentaal altaarstuk van de hand van Pedro Berruguete, hij werkte hieraan vanaf 1499 tot aan zijn dood.
  • Altaar van San Segundo: gebouwd in renaissance stijl.
  • Altaar van Santa Catalina: gemaakt in albast.
  • Het koor: gebouwd in renaissance stijl en het heeft een reliëf versiering die heiligen vertonen. De ruimte achter het koor is gemaakt in zandsteen.

Basíliek van San Vicente

De bouw begon in de XII de eeuw en duurde tot in de XIV de eeuw. Het ontwerp is toegeschreven aan de Franse architect Giral Fruchel die ook de kathedraal gebouwd heeft. Hij introduceerde de gotische bouwstijl in Spanje.

De structuur van de basiliek is vergelijkbaar met andere basilieken. Hij bestaat uit een Latijns kruis, drie beuken, koepel, galerij, twee torens en een crypte. De ganse gevel en de omgeving van de basiliek hebben een grote artistieke waarde.

De crypte heeft drie kapellen die corresponderen met de drie apsissen van de kerk en zij zijn gebouwd in romaanse stijl. Het zijn tevens de voornaamste kapellen van de basiliek.

We vinden hier tevens het graf van San Pedro del Barco en het graf van de heilige martelaren.

Kerk van San Pedro

Men begon met de bouw van de kerk omstreeks 1100. Men kan deze kerk vinden buiten de ommuurde stad, op de plaza del Mercado Grande. Het is de kerk tegenover de poort del Alcázar.

Kapel van San Segundo

Dit is een mooie kapel in het westen van Ávila, buiten de ommuurde stad en op de rechteroever van de rivier de Adaja. We vinden hier en standbeeld van Juan de Juni in albast. Hij introduceerde het populaire gebruik om drie zakdoeken in een graf te doen en men schenkt een ervan aan de heilige. Zijn feestdag is op 2 mei.

Paleis van Don Diego del Águila

Dit is een paleis uit de XVI de eeuw en het ligt in de stad binnen de muren. Hij verdedigde de stad tegen de islamitische troepen. Het ligt in een straat waarin een aantal plaatsen in het bezit zijn van de familie Águila.

Koninklijk klooster van Santo Tomás

Het koninklijk klooster van Santo Tomás is een Dominicaner klooster uit het einde van de XV de eeuw. Het is een van de meest karakteristieke monumenten van de stad.

4. Burgerlijke bouwkunst

Enkele van de meest belangrijke gebouwen in de stad zijn het Paleis van Valderrábanos uit de XV de eeuw, het huis van de Deanes uit de XVI de eeuw, de toren van Guzmanes en het paleis van Verdugo uit de XV-XVI de eeuw.

De muur van Ávila

De muur van Ávila is een militaire Romeinse omheining rond de oude binnenstad van Ávila. Deze muur, de binnenstad en de kerken buiten de muur zijn opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco in 1985.

Foto: de muur van Ávila

David Perez

De muur is een belangrijke factor in de stedenbouwkundige uitbouw van de stad. De verdeling van de beschikbare ruimtes tussen de diverse sociale klassen is hier een kenmerk van.

De muur staat symbool voor de deling tussen het “wild gedeelte” en het “geciviliseerd gedeelte”. Het platteland waar de landbouwers woonden is een lage klasse maar zij stonden in voor 80% van de kosten van de aanleg en het onderhoud van de muur.

Volgens de traditie werd de bouw van de muur toevertrouwd aan 2 meesters van de geometrie, de Romein Casandro en de Fransman Florín de Piruenga.

Het militaire karakter van de muur is ongetwijfeld defensief en dit werd nog versterkt door de verbouwingen in de XIV de eeuw.

De muur is eigendom van de Spaanse staat maar wordt onderhouden door de stad Ávila. Sommige gedeelten van de muur die samen vallen met andere gebouwen zijn in privaat handen.

Tot slot nog enkele cijfers over de muur, de omtrek van de muur is 2.516 meter, er zijn 2.500 kantelen, 88 grote torens en 9 poorten. De totale oppervlakte is 33 hectaren en hij vormt een rechthoek die georiënteerd is van oost naar west. De muur heeft een dikte van 3 meter en een hoogte van 12 meter.

Andere burgerlijke bouwwerken

Foto: stadhuis van Ávila

Son of Groucho

Stadhuis van Ávila: Gelegen aan de Plaza del Mercado Chico, werd het gebouwd in de tweede helft van de 19e eeuw en was het een werk van de architect Ildefonso Vázquez de Zúñiga. De gevel is gebouwd in graniet en heeft Elizabethaanse herinneringen.

Paleis van de familie Águila: Dit paleis uit de 16e eeuw werd aan het begin van de 20e  eeuw gerenoveerd, met een restauratie in romantische stijl. Het is gelegen in een straat die wordt bewoond door verschillende takken van de familie Águila.

Herenhuis van de Velada: 16e eeuws paleis, ook bekend als Torre de los Aboín, valt op door zijn grote gemetselde toren, met granieten hardstenen. Na een restauratie in 1993, doet het momenteel dienst als hotel.

Paleis van Valderrábanos: uit de 15e eeuw , waarvan de gotische gevel en het lichaam van de toren bewaard zijn gebleven. Het is herbouwd in de 19e eeuw. Het is momenteel een hotel.

Paleis van Dávila: Ook bekend als het Palacio de los Abrantes, het behoorde toe aan het huis van Dávila. Het oudste deel komt uit de 13e eeuw. Het bestaat uit meerdere gebouwen en kenmerkt zich door een architectuur met Moorse details.

Núñez Vela paleis: 16e eeuws paleis dat op de Plaza de La Santa staat. Het behoorde toe aan de voormalige onderkoning van Peru, Blasco Núñez Vela en de opdracht om te worden gebouwd kwam er in 1581. Het heeft verschillende doeleinden gehad, waaronder een kazerne, de militaire academie van infanterie en cavalerie, de zetel van de Koninklijke Stoffenfabriek en ten slotte als het gebouw van het Provinciaal Gerechtshof. De familie Vela was nauw verwant aan de heilige, aangezien Francisco Núñez Vela peetvader was bij de doop van de heilige Teresa en zijn broers met deze familie naar Indië vertrokken.

Paleis van Verdugo: Paleis gebouwd in het eerste kwart van de 16e eeuw en het ligt in de calle López Núñez. Het heeft een vierhoekig plan met een binnenpatio in het pand. Er zijn twee torens op de voorgevel, waarnaast een stenen zwijn staat.

Bracamonte paleis: Ook bekend als het Palacio de Santa Cruz en men begon met de bouw aan het begin van de 16e eeuw. Het is gelegen aan de Plaza de Fuente el Sol, heeft een vierkant bouwplan en heeft laatgotische en renaissancistische elementen. Het paleis valt op door zijn grote binnenplaats met portieken en met twee verdiepingen met galerijen.

Paleis van Superunda: Paleis dat dateert uit de tweede helft van de 16e eeuw, aanvankelijk gebouwd door Ochoa de Aguirre, maar later werd het eigendom van de familie van de graven van Superunda. Het heeft twee torens met elk drie niveaus en er is een binnenpatio. In 1920 verkreeg de Italiaanse schilder Guido Capriotti het als huurwoning, totdat het in 1954 door de schilder zelf werd verworven, waarna hij het gebouw aan verschillende hervormingen onderwierp. Momenteel is het een museum.

Polentinos paleis: Een paleis dat gebouwd werd in de 16e eeuw, het is gelegen in de calle Vallespín. De bouw werd besteld door de wethouder Juan de Contreras en later werd het een eigendom van de graven van Polentinos. In de 19e eeuw werd het overgenomen door de gemeenteraad.

Toren van de Guzmanes: Hij werd gebouwd in het eerste deel van de 16e eeuw. Het is een grote vierkante toren met daarboven driehoekige kantelen en het is een voormalig paleis van de familie Garcibáñez de Muxica. Het was de residentie van koning Alfonso XII in 1878. Het is momenteel de zetel van de Provinciale Raad van Ávila.

Paleis van Juan de Henao: 16e eeuws paleis. Het is momenteel een Parador.

Paleis van de Deanes: Een statig 16e eeuws herenhuis met een plateresque gevel, gelegen aan de Plaza de Nalvillos. Het bestaat uit twee gebouwen en een binnenplaats. Momenteel is het het Provinciaal Museum van Avila.

Paleis van de Serranos:16e eeuws paleis gelegen tussen de Calle Estrada en de Plaza de Italia. Momenteel herbergt het een cultureel centrum-bibliotheek beheerd door de Caja de Ávila.

Slachthuis van Ávila: Gebouwd tussen 1888 en 1890 in de buurt van het klooster van de incarnatie. Het is een gebouw in neo-mudejar stijl dat bestaat uit een kamer met een aangrenzend centraal huis voor huisvesting op het gelijkvloers en met een bontmagazijn op de eerste verdieping.

Mudejar architectuur in Aragón

  1. Overzicht
  2. De Kathedraal van Santa Maria de Mediavilla
  3. De kerk van San Pedro
  4. De toren van San Martin
  5. De toren van de Verlosser
  6. De Collegiale kerk van Santa Maria la Mayor
  7. De kerk van de Maagd van Tobed
  8. Het paleis La Aljafería
  9. De kerk van San Pablo
  10. De Kathedraal van de Verlosser
  11. Andere Mudejar-monumenten in Aragon die niet uitdrukkelijk opgenomen zijn op de lijst van het Werelderfgoed

1.Overzicht

De mudejar architectuur in Aragon is een trend binnen de mudejar kunst die we vooral in de regio Aragón kunnen vinden. Een aantal van de gebouwen is opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.

Foto: koepel van de kathedraal in Teruel

Escarlati

Chronologisch omvat de architecturale Aragonese mudejar bouwstijl de periode vanaf de twaalfde tot de zeventiende eeuw. In deze periode zijn er een honderdtal monumenten gebouwd die zich voornamelijk in de valleien van de Ebro, de Jalón en de Jiloca bevinden. De bevolking in dit gebied bestond voornamelijk uit mudejares en Moren die hun tradities op architecturaal gebied behielden.

De eerste uiting van deze architectuurvorm had twee beginpunten, de ene was de paleisarchitectuur die verbonden was met de monarchie, zij verbouwden en breiden het Palacio de la Aljafería uit volgens de traditie van de islamitische sierkunst en de islamitische bouwmeesters.

Het andere beginpunt was een meer volkse architectuur die meer verbonden is met de romaanse bouwstijl. Zij maken gebruik van een metselwerk in baksteen die zij dikwijls gebruikten en dat aan de oorsprong van de hispa-muselmaanse bouwstijl lag. Deze stijl vinden we in de kerk van Daroca terug. Deze was oorspronkelijk in steen gebouwd maar in de dertiende eeuw werd zij afgewerkt in mudejar stijl.

Vanuit bouwkundig oogmerk heeft de mudejar architectuur enkele elementen uit de cisterciënzer gotiek overgenomen maar er zijn ook enkele verschillen. Steunberen ontbreken dikwijls en dan speciaal in de apsissen die karakteristiek een achthoekige plattegrond hebben. Ze hebben ook dikke muren die het gewicht van het dak dragen en die voldoende plaats hebben voor bakstenen versieringen. Aan de andere kant, steunberen zijn dikwijls een kenmerk voor de middenbeuk waar zij bekroond worden door torentjes, zoals in de stijl van basiliek van Nuestra Señora del Pilar. Er kunnen zijkapellen zijn maar die zijn van buitenaf niet duidelijk waarneembaar.

Kerken in de nabijheid, zoals de kerk van San Pablo in Zaragoza, van kleine steden hebben gewoonlijk geen gangen maar er zijn ruimtes voor bijkomende altaars in de kapellen tussen de steunberen van de middenbeuk.

Het is de gewoonte dat bij deze zijkapellen er een gesloten doorgang is waarin ramen zijn aangebracht die naar binnen en buiten zijn gericht. Deze samenstelling noemt men een kerk-fort en een prototype hiervan is de kerk van Montalbán.

Typisch voor deze bouwstijl zijn de klokkentorens die met zijn versieringen en zijn structuur duidelijk overgeërfd van de islamistische minaret.

Er is een vierhoekig grondoppervlak met een centrale pijler waarvan de ruimtes gevuld zijn zoals in de Almohaden minaretten. Op deze ruimte stond de toren die meestal veelhoekig is.

2. De Kathedraal van Santa Maria de Mediavilla

De Kathedraal van Santa Maria de Mediavilla in Teruel is een van de meest karakteristieke bouwwerken van de mudejar bouwstijl in Spanje en het is tevens een van de weinige kathedralen in deze stijl, samen met die van Tarazona.

Foto: de kathedraal in Teruel door
Diego Delso

De toren, het dak en de koepel zijn sinds 1986 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.

Geschiedenis

De Kathedraal van Teruel heeft zijn oorsprong in de kerk van Santa María de Mediavilla. Men begon met de bouw van deze kerk in romaanse stijl in 1171 en men plaatste de mudejar toren in 1257. In het tweede deel van de dertiende eeuw, herbouwde de Moorse architect Juzaff, de oude romaanse structuur en hij gaf het gebouw drie kerkschepen in mudejar stijl met baksteen en metselwerk. Dit verbeterde de romaanse structuur uit de twaalfde eeuw.

In dezelfde gotische mudejar stijl werden in de veertiende eeuw de romaanse apsissen vervangen door andere zoals te zien is in de grote kapel. Daardoor reduceerde men het aantal steunpunten met de helft en dat gaf meer licht en ruimte in de kerkschepen. Ook de muren werden verhoogd. In 1423 heeft de uit Aragón afkomstige paus Benedictus XIII de rang van de kerk verhoogd tot collegiale kerk.

Ook in de platereske mudejar stijl werd in 1538 de koepel van het centrale kerkschip herbouwd, dit was een werk van Martín de Montalbán. De kerk was gebouwd op een achthoekig grondvlak en aan de buitenzijde zijn er ramen met platereske versieringen.

Veel later, in 1587, na de instelling van het diocees Teruel, werd de kerk gepromoveerd tot kathedraal en werd zij hiervoor ingehuldigd.

De laatste wijziging gebeurde in 1909 toen men de gevel veranderde in de neo-mudejar bouwstijl, dat was een werk van Pablo Monguió.

De eerste werken aan de kerk

Sinds de stichting van de stad door Alfonso II van Aragón in 1171 heeft de kerk een geprivilegieerde positie gehad. Zij hing af van het diocees van Zaragoza en zij lag in het centrum van de stad. De oorspronkelijke kerk dateert uit het laatste kwart van de twaalfde eeuw en ze werd gebouwd als een nieuw romaans bouwwerk in de oude medina van de Arabische stad.

Omstreeks 1200 begon men aan het eerste deel van de bouw van de kerk met drie kerkschepen en dat had toen al dezelfde afmetingen van de huidige kerk. Dit deel van het werk eindigde met de bouw van de huidige mudejar toren in 1257. De oorspronkelijke romaanse muren waren drie meter lager dan de huidige muren.

De toren

Men is met de bouw van de mudejar toren begonnen in 1257 en in zijn beneden gedeelte maakte men een doorgang in de vorm van een tongewelf voor het gebruik door voetgangers. Het is een van de oudste mudejar torens van Spanje.

Foto: toren van de kathedraal Diego Delso

Hij heeft een rechthoekig grondoppervlak met drie lichamen die overvloedig versierd zijn met tegels en geglazuurde keramiek. De toren eindigt op een achthoekige lantaarn uit de zeventiende eeuw.

De hervorming naar de mudejar stijl

Na het bevredigende artistieke resultaat van de verbouwing van de klokkentoren in mudejar stijl begon men in de tweede helft van de dertiende eeuw, onder de leiding van de Moor Juzaff,met de verhoging van de schepen, met de bouw van nieuwe apsissen in mudejar stijl en met de bedekking van de schepen met een dakbedekking.

Het eerste metselwerk heeft een constructief proces ontwikkeld waarin de werken vooruitgang maakten vanaf de apsissen tot aan de mudejar toren.

In feite, eenmaal de hoogte van de drie schepen verhoogd en zijn verlichting verbeterd was en de voorbereiding van het nieuwe mudejar dak op het centrale kerkschip getroffen was de eerste gevel een kleintje ten opzichte van de nieuwe schepen.

Daarom moest men voor de constructie van een dwarsschip en drie nieuwe apsissen overgaan tot de afbraak van de steun constructies en met de bepleistering en de schildering hiervan in 1335. Men heeft hiervan de rekeningen terug gevonden in het archief van de kathedraal. De leider van deze laatste bepleisteringswerken was de Moorse bouwmeester Yuçaf de Huzmel.

Het plafond van het centrale kerkschip

Een van de mooiste bouwsels is het plafond van de kathedraal met zijn structurele functie. Bijna alle mudejar plafonds zijn in vakken verdeeld naar dat is louter decoratief. In dit geval is het een bedekking van het plafond wiens raamwerk een ondersteuning is van het bovenste gedeelte van het kerkschip. Dit plafond wordt ook de “Sixtijnse kapel” van de mudejar stijl genoemd.

Het plafond is 32 meter lang en het dateert uit de veertiende eeuw. In zijn vakken vinden wij historische en religieuze motieven waaronder afbeeldingen van ambachtslieden, officieren, ambachtslui en fantastische wezens. Deze afbeeldingen bleven in een zeer goede staat omdat men in de achttiende eeuw hier een vals plafond had geplaatst die de mudejar schilderingen beschermden tegen de tand des tijds.

Het plafond liep wel beschadigingen op tijdens de bombardementen van de burgeroorlog. Het werd wel gerestaureerd maar sommigen herstellingen zijn niet echt gelukt. Het merendeel van de schilderingen zijn de oorspronkelijke afbeeldingen uit de veertiende eeuw.

De koepel, mudejar en renaissance

De koepel werd in 1537 ontworpen door de bouwmeester Juan Lucas Botero. Het werk werd uitgevoerd door Martín de Montalbán in 1538. Door deze koepel komt de verlichting van het nieuwe groot retabel uit 1536, dit retabel is een werk van de beeldhouwer Gabriel Yoly.

Recente bouwwerken

Ongeveer in 1700 werd de gotische voorkant verbouwd om er een ruimte rond het groot altaar in in te richten. Bovendien veranderde men de versiering aan de smaak van tijd, het werd nu de neoklassieke stijl

In 1909 bouwde men de enorme historische voorgevel en men combineerde dit met een neo-romaanse structuur van de bogen met een halve punt. Het werd ontworpen door de architect Pablo Monguió Segura. Het portiek werd afgesloten met een hekwerk van Matías Abad.

3. De kerk van San Pedro

De kerk van San Pedro in Teruel is een kerk in mudejar bouwstijl uit de veertiende eeuw. Zijn klokkentoren, de toren van San Pedro is het oudste voorbeeld van de mudejarstijl in Teruel uit de dertiende eeuw.

Het interieur van de kerk werd ingericht tussen 1896 en 1902 in een modernistische mudejar bouwstijl door Pablo Monguió Segura en de kunstenaar met plaasterwerk Salvador Gisbert.

Tegelijkertijd richten zij hier een nieuwe kloostergalerij op. In een van de zijkapellen bevonden zich de Geliefden van Teruel. Vanaf 2005 kan men de Geliefden bezoeken in een apart mausoleum naast de kerk.

In 1220 hebben twee leerlingen van Sint Franciscus van Assisi, Juan de Perusa en Pedro de Saxoferrato in Teruel een franciscaner klooster gesticht waarvan de kapel van San Bartolomé in 1392 op bevel van de aartsbisschop van Zaragoza, García Fernández de Heredia werd afgebroken voor de bouw van de kerk.

In 1555 ontdekte men de mummies van “de Geliefden” in de ondergrond van een van de zijkapellen die vanaf dat moment gewijd was aan de geliefden. Hier plaatste men een retabel dat gewijd was aan Sint Cosmas en Sint Damianus: Het werd gemaakt door Gabriel Joli.

Deze kerk, in Levantijnse gotiek werd afgebroken op het einde van de negentiende eeuw en zij werd vervangen door een andere kerk in neogotische stijl tussen 1901 en 1902, de architect van deze nieuwe kerk was Pablo Monguió.

De kerk heeft een hoog kerkschip in vijf gedeelten met zijkapellen tussen de steunberen, een veelhoekig apsis en met een hoog koor. Het is bedekt met een kruisgewelf.

Aan de bouw werkten Conrat Rey en Gonzalvo de Vilbo mee, architecten die gewoonlijk voor de familie Fernández de Heredia werkten.

4. De toren van San Martin

De toren van San Martin staat in Teruel en hij is gebouwd in de typische mudejar stijl uit Aragón. Hij werd in 1986 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco. Hij werd gebouwd in 1316 en gerestaureerd in de zestiende eeuw.

Geschiedenis

De toren werd gebouwd tussen 1315 en1316 en hij werd gerenoveerd in 1550 door Pierres Vedel. Hij liet een aantal aanliggende woningen afbreken om er een open ruimte naast de toren te creëren om er een stenen versteviging voor de toren te bouwen.

Foto: de toren van San Martin

José Luis Filpo Cabana

In 1926 deed Ricardo García Guereta een belangrijke restauratie en na de Spaanse burgeroorlog bracht Manuel Lorente Junquera er een nieuwe betegeling op aan die meer ingetogen van toon was dan de oorspronkelijke betegeling.

Tussen 2002 en 2007 werd er een volledige restauratie uitgevoerd, zowel langs de buitenzijde als langs de binnenzijde.

Beschrijving

De toren ligt op de Plaza de Pérez Prado, tegenover de calle de los Amantes. Hij is, zoals de andere torens in Teruel een poorttoren gebouwd in baksteen en er zijn versieringen op aangebracht in geglazuurde keramiek.

Aan de basis is hij begaanbaar door een spitsbogen gewelf. In het eerste deel zijn er drie zijden zichtbaar want de vierde zijde ligt tegen de kerk van San Martín, die gebouwd is in de barok stijl.

De toren bootst de structuur na van een almohaden minaret met twee vierkante torens waartussen de trappen zich bevinden. Binnenin de toren zijn er drie verdiepingen die bovenaan bedekt zijn met een kruisgewelf.

5. De toren van de Verlosser

De toren van de Verlosser staat in Teruel en hij is gebouwd in de typische mudejar stijl uit Aragón. Hij werd in 1986 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.

De toren werd gebouwd in de veertiende eeuw toen het koninkrijk van Aragón op zijn hoogtepunt was. In die periode, dankzij de privileges van Alfonso II was er nog een Moorse bevolking in de stad.

Beschrijving

De toren staat in de calle Nueva, die onder de toren door loopt en daarbij gebruik maakt van de spitsboog en dat laat toe dat deze zijden vrij blijven van aangesloten woningen, een verschil met de rest van het voetstuk dat ingeklemd zit tussen woningen. Hij werd samen met de kerk van de Verlosser gebouwd.

In de versiering van de toren domineren bogen, de sebka (een gridvormige manier van decoratie) en de geglazuurde decoratie in groen en wit.

De toren bootst de structuur van een almohaden minaret na met twee vierkante torens waartussen de trappen liggen. Aan de binnenzijde vinden we drie verdiepingen waarop er een kruisgewelf ligt en met een klokkentoren met bogen.

De gelijkenis met de toren van de kerk van San Martin is treffend.

6. De Collegiale kerk van Santa Maria la Mayor

De Collegiale kerk van Santa Maria la Mayor werd in Calatayud (Zaragoza) gebouwd op een oude moskee in 1120. Zij ligt in het midden van de middeleeuwse stad.

Foto: de voorgevel van de kerk

Luidger

Het is de belangrijkste kerk van de stad en er is al dikwijls over gesproken om ze om te vormen tot kathedraal maar tot op heden is dat nog niet gebeurt. 

In 2001 is zij door de UNESCO op de lijst van het Werelderfgoed geplaatst en de huidige kerk is gebouwd in het begin van de zeventiende eeuw.

De toren is een van de voornaamste voorbeelden van de typische mudejar bouwstijl in Aragon.

De kerk heeft een achthoekig grondoppervlak en er zijn steunberen geplaatst op de hoeken.

De torenspits in leisteen is gebouwd in 1770, de klokkentoren is uit de vijftiende en de zeventiende eeuw.

7. De kerk van de Maagd van Tobed

De kerk van de Maagd van Tobed is een kerk-fort in de typische gotische-mudejar stijl en we vinden zij in de gemeente Tobed (provincie Zaragoza). De kerk is gebouwd tussen 1356 en 1385.

Zij werd, samen met 6 andere monumenten, op de lijst van het Werelderfgoed van de UNESCO opgenomen in 2001.

Deze kerk werd gebouwd in opdracht van de Orde van het Heilig Graf van Calatayud en zij is het prototype van een kerk-fort, een uniek concept in het Spanje van deze eeuw.

Aan de buitenzijde is zij voor de verdediging gemaakt met een galerij rondom en met een borstwering.

De Orde van het Heilig Graf besloot tot de bouw van de kerk voordat de oorlog tussen Pedro IV, de Plechtige van Aragon en Pedro I, de Wrede van Castilië uitbrak . Zij deed dienst als kerk en zij maakte deel uit van de verdediging van de grens van Castilië.

8. Het paleis La Aljafería

La Aljafería is een paleis fort in Zaragoza uit het tweede deel van de elfde eeuw en het werd gebouwd door Al-Muqtadir als residentie van de koningen uit de familie Banu Hud van het taifa koninkrijk van Saraqusta.

Dit paleis diende voor de ontspanning en het geeft de luister weer van het koninkrijk toen het op zijn hoogtepunt stond van zijn politieke en culturele macht.

Foto: paleis van Aljafería

currybet

De belangrijkheid van dit gebouw is te danken aan het feit dat dit het enige grote gebouw in de typische Spaans Moorse stijl is dat overgebleven is uit de tijd van de taifa koninkrijken.

Na de herovering van Zaragoza in 1118 door Alfonso I werd het paleis de residentie van de katholieke koningen van Aragón. Het werd gebruikt als residentie door Pedro IV de Plechtige en later werden er op de eerste verdieping verbouwingen gedaan voor de Katholieke Koningen in 1492.

In 1593 kwam er een andere verbouwing volgens een renaissance ontwerp (de grachten en de tuinen) en nog later werden het een kwartier voor militairen. Het paleis had te lijden onder meerdere verbouwingen en zelfs vernielingen zoals die dateren uit de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog .

Uiteindelijk kwam er een grote restauratie in het midden van de twintigste eeuw en momenteel herbergt het het parlement van Aragón.

Oorspronkelijk lag het paleis buiten de muren van de stad en het was de plaats waar de Moren hun militaire kracht vertoonden die de naam kreeg van La Almozara.
Door de stedelijke ontwikkeling door de jaren heen kwam het gebouw in de stad te liggen.

De Toren van de Troubadour – Torre del Trovador

Het oudste gebouw van het paleis is de Toren van de Troubadour – Torre del Trovador die zijn naam kreeg door het romantisch drama van Antonio García Gutiérrez, El trovador uit 1836. Dit drama werd gebruikt voor de opera van Giuseppe Verdi, Il Trovatore uit 1853.

Het was een defensieve toren met een vierhoekig grondvlak en met vijf verdiepingen en hij werd gebouwd op het einde van de negende eeuw. Volgens Bernabé Cabañero Subiza is het eerder de tweede helft van de tiende eeuw. Dat was tijdens de regeerperiode van de eerste Tuyibí, Muhammad Alanqar die de naam kreeg van Muhammad I, emir van Córdoba.

De functie van de toren in de negende en de tiende eeuw was een uitkijktoren en een defensief bolwerk, daarom was hij omringd door een gracht. Later, tijdens de dynastie van de Banu Hud, werd de toren geïntegreerd in het kasteel-paleis, het Aljafería.

Aan het begin van de christelijke verovering werd het een herinneringstoren en in 1486 werd het een kerker van de inquisitie. Deze functie behield de toren ook in achttiende en de negentiende eeuw zoals de inscripties in de muren door de gevangen laten zien.

Het taifal paleis – El palacio taifal 

De bouw van het paleis gebeurde vooral tussen 1065 en 1081 in opdracht van Abú Ya’far Ahmad ibn Sulaymán al-Muqtadir Billah die beter bekend is onder zijn eretitel Al-Muqtadir, (de Machtige).

Dat was de tweede monarch uit de Banu Hud dynastie en het paleis was in de tweede helft van de elfde eeuw het symbool voor de macht van het taifa koninkrijk.

De naam Aljafería kwam voor de eerste maal voor in een tekst van Al-Yazzar as-Saraqusti.

De algemene inrichting van het paleis is overgenomen van de omajjaden uit de woestijnen van Syrië en Jordanië.

Deze paleizen hadden een vierkant grondoppervlak met grote halfronde torens, met een centrale driehoekige ruimte, met drie rechthoekige ruimtes waarvan de middelste een patio herbergt met waterreservoirs en met zalen en met de ruimtes voor het dagelijkse leven.

Het Aljafería brengt hulde aan dit model van een paleis, elke ruimte voor de adel ligt in het centrale gedeelte.

Aan de noordelijke en de zuidelijke kanten bevinden zich de portieken en de woonruimtes en in het geval van het Aljafería, liggen de belangrijkste ruimtes in het noorden: hier was oorspronkelijk een tweede verdieping en dat deel bevatte daardoor een grotere diepgang.

Bovendien was het voorafgegaan door een voorkant met open en rijk versierde kolommen en die zich op zijn twee zijden uitbreidde in twee armen door middel van twee vleugels met het portaal van de troonzaal die zich achterin bevond.

In het midden van de noordelijke binnenmuur van de gouden zaal is er een blinde boog en dat is de plaats waar de koning stond. Dat bevat een zeer traditionele geometrische versiering die een imitatie is van de mihrab, dat is een islamitische gebedsnis in een muur in de moskee die de gebedsrichting, de qibla aangeeft, van de moskee van Córdoba.

Als we terug denken aan het uitzicht van het paleis op het einde van de elfde eeuw dan moeten we ons voorstellen dat alle reliëfs met plantaardige motieven en geometrische figuren beschilderd waren in levendige kleuren.

Voor de achtergrond heeft men vooral rood en blauw gebruikt en voor het reliëf gebruikte men dan weer goud. Samen met de onderrand in albast en de vloer in witte marmer kreeg het geheel een uitzicht van grote pracht.

Een groot deel van het stucwerk uit de elfde eeuw werd vernield tijdens de bouw van het paleis van de Katholieke Koningen in 1492. Ook de tweede verdieping verdween in deze periode.

De muurversiering in de Gouden Zaal is ook voor het grootste deel verdwenen alhoewel een deel van de versiering kan bezocht worden in het museum van Zaragoza en in het Nationaal Archeologisch museum in Madrid.

De gouden zaal

De gouden zaal heeft aan zijn oostelijke en westelijke zijde twee kamers waarin een alkoof stond. Vandaag is de alkoof aan de westelijke kant verdwenen. Zij werd gebruikt als koninklijke slaapkamer en zij deed ook dienst voor de koningen uit Aragon tot in de veertiende eeuw. 

Foto: noordelijke zijde van de gouden zaal

Escarlati

De meerderheid van het gipswerk met zijn plantaardige motieven, de onderrand in albast en de witte marmeren vloeren zijn verdwenen.

De plafonds waren gebeeldhouwde houten plafonds en zij toonden het firmament.  De ganse zaal in zijn geheel toonde de kosmos. Dat was een symbool voor de macht van de koningen van Zaragoza, die afstammelingen waren van de kaliefen.

De moskee

Aan het oostelijke uiteinde van de portiek is er een kleine moskee dat enkel toegankelijk was voor de koning en zijn hovelingen. Zij is toegankelijk door middel van een gevel die eindigt op een hoefijzervormige boog die geïnspireerd is door de moskee van Córdoba. Deze boog wordt ondersteund door twee kolommen met kapitelen.

De Patio van Santa Isabel

Het betreft een open ruimte en tuin die het ganse paleis verenigd. Er zijn portieken aan de noordelijke en de zuidelijke zijde en vermoedelijk waren er kamers aan de oostelijke en de westelijke zijde van deze centrale patio.

Foto: patio van San Isabel

Escarlati

De naam van deze patio is afkomstig van de geboorte van prinses Isabel van Aragón in het Aljafería. Zij werd in 1282 koningin van Portugal. Het originele waterreservoir aan de zuidelijke zijde bleef bewaard maar dat aan de noordelijke zijde werd in de veertiende eeuw bedekt met een houten vlierbedekking

Het paleis van Pedro IV

Na de inname van Zaragoza in 118 door Alfonso I el Batallador werd het Aljafería ingeschakeld als paleis voor de koningen van Aragón en als christelijke kerk. Zij is niet wezenlijk veranderd tot in de veertiende eeuw door de veranderingen van Pedro IV. 

Deze koning vergrootte de paleisruimtes in 1336 met de bouw van de kerk van San Martín.

De kerk van San Martín

De kerk van San Martín maakt gebruik van een deel van de muur aan de noordwestelijke hoek van de vestingmuur.

Het gebouw, in gotische-mudejar stijl, bestaat uit twee kerkschepen met elk drie delen die oorspronkelijk naar het oosten gericht waren. Zij werden ondersteund door twee pilaren die aanleunden in het midden van de voorkant van de pilaar. Elk deel herinnerd aan geruite lobben waarop het wapenschild van de koning van Aragón staat.

De gewelven van deze kerkschepen zijn kruisgewelven en in de top van de gewelven staan er rozetten met daarop de wapenschilden van de koningen van Aragón.

De kerk werd verbouwd in de achttiende eeuw, de pilaren en de muren werden gerenoveerd en bepleisterd in neoklassieke stijl. Al deze verbouwingen werden echter verwijderd tijdens de restauratiewerken door Francisco Íñiguez..

Het mudejar paleis

Het betreft een zelfstandig paleis maar de uitbreiding van het Moors paleis is tot op vandaag in gebruik. Pedro I probeerde de kamers, eet- en slaapkamers, te vergroten want deze slaapkamers waren klein voor het ceremonieel gebruik.

De nieuwe kamers werden samengebracht aan de noordelijke zijde van het Andalusisch paleis en zij bevonden zich op verschillende hoogtes. Deze uitbreiding was respectvol voor het bestaande paleis en zij integreerden drie salons die bedekt waren met een houten plafond in mudejar stijl.

Het paleis van de Katholieke Koningen

Tijdens de laatste jaren van de vijftiende eeuw lieten de Katholieke Koningen een paleis bouwen en dat moest in het noordelijk deel komen van het Andalusisch deel. Er kwam een tweede verdieping bovenop het bestaande paleis. 

De werken werden uitgevoerd tussen 1488 en 1495 door de Moorse meesters Faraig en Mahoma de Gali die de Moorse bouwtradities in ere hielden.

Het paleis is toegankelijk langs een trap en dat is een monumentale constructie met twee ruime traparmen met balustrades met gipsen geometrische figuren die verlicht worden door grote ramen met een halfronde punt.

Het dak is groots zoals de rest van het paleis en het is bedekt met een enorm dakgewelf tussen de draagbalken en zij zijn versierd met geschilderde motieven die verwijzen naar de Katholieke Koningen.

De trap geeft toegang tot een gang op de eerste verdieping die in verbinding staat met de bijgebouwen van het paleis. Om deze erker en de rest van de nieuwe ruimtes te ondersteunen was het noodzakelijk om de oude kamers uit de elfde eeuw te verdelen en aan de noordelijke zuilengang werden er bijkomend ter ondersteuning vijf grote achthoekige pilaren gebouwd.

Wat opvalt is de hoofdingang die toegang geeft tot de troonzaal, hij is versierd met een timpaan met vijf lobben waarop het wapenschild van de Katholieke Koningen staat met de blazoenen van de koninkrijken van Castilië, León, Aragón, Sicilia en Granada. 

Eenmaal men uit de galerij komt zien we verschillende kamers die de troonzaal vooraf gaan. De kamers noemt men de”salas de los pasos perdidos” ofwel “de kamers van de verloren passen”.

Het zijn drie kleine kamers in een vierkante vorm die met elkaar verbonden zijn door grote ramen . Het zijn wachtkamers voor de ontvangst bij de Katholieke Koningen.

Momenteel zijn er slechts twee zichtbaar, de derde is gesloten om de koepel van de moskee te vervangen.

Een van de mooiste elementen van deze zalen zijn hun tegelvloeren, origineel waren het vierkante tegels van geglazuurde gekleurde keramiek. Zij werden gemaakt door de pottenbakkerijen van Muel (Zaragoza) op het einde van de vijftiende eeuw. De oudere gedeeltes worden gebruikt om de rest van de vloer te restaureren.

Een ander mooi element zijn de hoge plafonds in mudejar stijl. Deze plafonds zijn voorzien van geometrische roosters in hout die later uitgesneden, geschilderd en verguld zijn. Ook hier vinden we de heraldische motieven van de Katholieke Koningen terug.

De troonzaal

Het is moeilijk om de pracht en de praal van het plafond in de troonzaal te beschrijven. De afmetingen van het plafond zijn groot, 20 meter lang en 8 meter breed. Het in vakken versierd plafond is ondersteund door dikke balken die versierd zijn met strikornamenten die op de snijpunten sterren met acht punten vormen.

Foto: dakbedekking van de troonzaal

Escarlati

Op de fries die de ganse zaal omringd staat er een tekst in gotische kaligrafie:

Ferdinandus, Hispaniarum, Siciliae, Corsicae, Balearumque rex, principum optimus, prudens, strenuus, pius, constans, iustus, felix, et Helisabeth regina, religione et animi magnitudine supra mulierem, insigni coniuges, auxiliante Christo, victoriosissimi, post liberatam a mauris Bethycam, pulso veteri feroque hoste, hoc opus construendum curarunt, anno salutis MCCCCLXXXXII.

De vertaling van deze tekst is :

Fernando, koning van Spanje, Sicilië, Corsica, en de Balearen, de eerste onder de prinsen, wijs, heldhaftig, vroom, standvastig, rechtvaardig, gelukkig en Isabel, koningin, superieur aan elke vrouw door haar vroomheid en haar grootsheid van geest, beroemde zegevierende echtgenoten met de hulp van Christus, na de bevrijding van Andalusië van de Moren, verdrijven van de oude en wrede vijand, wij bevelen de bouw van dit werk in het jaar van de Verlossing in 1492.

Moderne en hedendaagse tijd

In het begin van 1486 werd op het deel van de patio van San Martín de zetel van het Heilig Officie van de Inquisitie ingericht. De omliggende gebouwen werden gebruikt voor de huisvesting van de ambtenaren van deze rechtbank. Het is waarschijnlijk dat dit aan de oorsprong ligt van het gebruik als gevangenis van de Toren van de Troubadour.

Deze functie, die zou behouden blijven tot het begin van de achttiende eeuw zou onder het mandaat van Felipe II uitmonden in een hervormingsproject. Het was de bedoeling dat er een militaire basis zou komen.

Het ontwerp van het werk dat een “modern” militair moest opleveren werd gegeven aan de militaire ingenieur Tiburzio Spannocchi. De constructie was een verzameling woningen die tegen de zuidelijke en oostelijke muur aanleunden.

Men bouwde rond de gebouwen een muur met kantelen met aan de binnenzijde een ronde weg die eindigde op de vier hoeken in vier vijfhoekige bastions.

Het ganse geheel werd omringd door een slotgracht van twintig meter breedte die in 1982 door de architect Ángel Peropadre Muniesa terug werd opgegraven.

Het Aljafería van Spannocchi bleef praktisch ongewijzigd tot in 1705 tijdens de Spaanse Successieoorlog. Toen herbergde het gebouw twee compagnieën Franse troepen. De militaire ingenieur Dezveheforz liet toen de borstwering van de muur versterken.

De grootste verbouwing tot dan toe kwam er in 1772 op initiatief van Carlos III die de gevels liet aanpassen aan de toenmalige smaak van bouwstijl. Binnenin liet hij aparte ruimtes maken voor soldaten en officieren die in het gebouw woonden. In het westelijk deel van het paleis maakte men een ruime binnenplaats waarin de verschillende compagnieën verbleven. In 1862 werden er dan nog vier neogotische torens bijgevoegd.

In het midden van de negentiende eeuw luidde Mariano Nougués Secall de alarmbel over de staat van het paleis. Koningin Isabella II voorzag fondsen voor de restauratie en zij richtte in 1848 een commissie op die de restauratie moest bestuderen en uitvoeren. In 1862 kwam het Aljafería in handen van het Ministerie van Oorlog en de restauratie werd stopgezet waarna de toestand van het paleis verder verslechterde.

Deze verslechtering van de toestand ging verder tot in 1947 toen de architect Francisco Íñiguez Almech, praktisch helemaal alleen, begon met de restauratie. Hij werkte verder aan de restauratie tot aan zijn dood in 1982.

Maar zijn werk werd uiteindelijk verder gezet door Ángel Peropadre en Juan Antonio Souto. Vanaf 1985 kwamen er dan Luis Franco Lahoz en Mariano Pemán Gavín bij.

Het Aljafería werd in 1998, na zijn luisterrijk herstel uitgeroepen tot historisch monument en ingewijd door kroonprins Felipe de Borbón.

9. De kerk van San Pablo

De kerk van San Pablo wordt ook wel de derde kathedraal van Zaragoza genoemd. De kerk ligt tussen de straten San Blas en San Pablo in de wijk San Pablo. Deze kerk is gebouwd op het einde van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw.

Sinds de bouw van de kerk zijn er in de vijftiende en de zestiende eeuw een aantal uitbreidingen geweest omdat de bevolking in de wijk toenam.

Al tijdens de middeleeuwen was de bevolking in de wijk even groot als in de oude ommuurde stad en daarom was het noodzakelijk om in 1284 de oude romaanse kerk van San Blas te slopen en er een nieuwe kerk te bouwen. De bouw van de nieuwe kerk liep tot in het midden van de veertiende eeuw.

Dat het vandaag de dag een zo grote kerk geworden is te wijden aan de voortdurende uitbreidingen en daardoor is het ook een zo complex en gevarieerd gebouw geworden.

Oorspronkelijk had de kerk een schip en tussen zijn steunberen bevonden er zich een aantal kapellen.

In de vijftiende eeuw werden er twee schepen bijgebouwd die deel uitmaakten van de toren, die aanleunde aan de voet van de eerste kerk. Deze uitbreidingen bleven duren tot aan de twintigste eeuw.

Zeer opvallend is de mudejar toren die een achthoekig grondoppervlak heeft en deze toren is een van de mooiste voorbeelden van de mudejarstijl in de stad. Zijn interieur herbergt twee concentrische lichamen waartussen men een trap kan vinden. Deze trap laat een panoramisch uitzicht toe over Zaragoza.

Binnenin is er het groot retabel dat gemaakt is in de zestiende eeuw door Damián Forment. In 1931 werd de kerk opgenomen op de lijst van nationale monumenten en in 2001 werd de kerk opgenomen op de lijst van het werelderfgoed.

Geschiedenis

De kerk van San Pablo werd gebouwd in de veertiende eeuw en het was een kerk met een kerkschip met vier traveeën die bedekt zijn met een kruisgewelf en waarvan de steunberen kapellen maakten waarop een tongewelf lag. De kop eindigt in een veelzijdige apsis met vijf zijden. In de muren zijn er ramen met spitsbogen.

Leunend tegen het onderste gedeelte van de kerk bouwde men een toren in mudejar stijl en dit werk was af in 1343. In de hoeken van het onderste gedeelte werden twee massieve ronde steunberen gebouwd.

De voornaamste vergroting van de parochie was er in de vijftiende eeuw en men vergrootte de kerk met twee zijbeuken. Met deze gedeelten omringde men de oorspronkelijke kerk. De kleine kapellen tussen de steunberen verdwenen in de ruimte van de overgang tussen het kerkschip en de zijkapellen.

Aan de buitenzijde zien we de voorgevel aan de noordelijke zijde, die gevel is ook uit de vijftiende eeuw en is in gotische stijl met sculpturen in albast. Deze zijde kreeg de namen “Puerta de la Tramontana” of “Puerta del Santo Cristo”.

Hij bestaat uit een poort met een verlaagde boog en die rust op twee zuilschachten met kapitelen waarop aan elke zijde een beeld van San Pedro en San Pablo staat. Deze beelden staan onder een overkapping in gotische stijl.

In 1594 begon men met de renovatie van deze gevel en men bracht er een grote houten dakrand aan die versierd was met renaissance motieven. Dit was een werk van Antón del Prado onder de leiding van Pedro Fuster.  Veel later, tijdens de zestiende en de achttiende eeuw maakte men meer kapellen aan de zuidelijke zijde van de kerk.

Ook vernieuwde men de decoratie van het interieur. In 1571 nam men de ramen van de kerk onder de handen en bracht men er renaissance versieringen in gips op aan. Dit was een werk van Juan de Miraso.

Klokkentoren

De toren is achthoekig met twee samengevoegde torens, de ene staat binnenin de andere. In de ruimte tussen deze beiden is er een trap. Zowel het gebouw als de toren zijn gemaakt in baksteen.

De lagere delen zijn niet zichtbaar vanaf de buitenzijde omdat zij in de kerk staan.

In het vijfde deel verschijnt er een gepunte blinde holte waar twee ramen zijn aan elke kant. De zesde kreeg strikornamenten in ruitvorm en drie ramen aan elke kant.

De toren eindigt op een torenspits (gerenoveerd in 1849 door José Yarza y Miñana) en vormt een conische piramide met er bovenop een elegante bol.

Groot retabel

Een van de juweeltjes in de kerk is zonder twijfel het groot retabel. Het werk werd in 1515 uitgevoerd door Damián Forment en dat was ook de maker van het retabel in de Basiliek van Pilar en in 1518 werd het afgeleverd.

Foto: groot retabel
FRANCIS RAHER

Het retabel is in hout uitgesneden en daarna werd het verguld. Het bevat een bank en vijf banen en het is breder en hoger in het centrale gedeelte. De ruimtes tussen de banen bevatten pinakels met beeldjes onder gotische baldakijntjes. Bekijken we echter het ganse retabel dan overheerst toch de renaissance stijl.

Het lagere deel van de centrale baan herbergt het beeld van San Pablo dat in een nis staat. In het bovenste gedeelte zien we een Calvarie weg.

In de bank zijn er reliëfs met als thema de Passie en in de zijbanen vinden we taferelen uit het leven van San Pablo. In 1524 maakte Juan Vierto de deuren en zij werden in 1599 geschilderd door vermoedelijk Juan Felices de Cáceres.

Het koor, de sacristie, de pastorie en de kapellen

Andere elementen in deze kerk die het vermelden waard zijn het koor, de sacristie en de kapellen waarbij het zilverwerk aan het altaar in de grote kapel in het oog loopt.

De pastorie

Achter het sanctuarium van het groot retabel vinden we een belangrijk schilderij van Jerónimo Cosida, een renaissance schilder uit het midden van de zestiende eeuw.  Tevens zien we aan de voorzijde van het altaar een werk in zilver dat gemaakt werd in 1720 door José Godó en zijn assistent Bernardo Garro.

De sacristie

Voor de sacristie maakt men gebruik van een aantal ruimtes in het zuidoostelijke deel van de kerk. De toegangsdeur is gemaakt in plaaster uit de zestiende eeuw.

Koor

Het koor is gemaakt tussen 1569 en 1572 onder de leiding van Jerónimo Cosida en het orgel is geïnspireerd door dat van de Kathedraal van Zaragoza. Het houtsnijwerk van de beide elementen is een werk van de broers Juan Carnoy en Francisco Carnoy en zij kregen de medewerking van Jerónimo de Mora, Alonso de Leznes en Pedro Pertús.

Kapellen

Ook in deze kerk zijn er een aantal kapellen en dat zijn:

Kapellen aan de zuidelijke zijde

  • Kapel van de Virgen del Carmen. Hier vinden we een beeld in verguld hout van Santa Ana, de Maagd en het Kind Jezus uit de zestiende eeuw.
  • Kapel van San Pedro en San Pablo. Hier staat een retabel uit de zestiende eeuw met daarop scenes uit het leven van de beide heiligen.
  • Kapel van de Virgen del Rosario. De voorzijde van het retabel is uit 1601 en het werd gemaakt door Juan Chando in herrera stijl. Voor het retabel staat er een beeld van de Maagd en het Kind uit het einde van de achttiende eeuw. Aan de rechterzijde is er het retabel van Santa Catalina uit het einde van de vijftiende eeuw. Aan de linkerzijde is er de graftombe van de bisschop van Huesca, Diego Monreal. 
  • Kapel van San Miguel del Tercio. Het is afgesloten door een hek uit brons uit de zeventiende eeuw. In de kapel staat er een retabel dat geschilderd is in dezelfde eeuw en dat gemaakt werd door Jaime Rosic. 
  • Kapel van de Nuestra Señora del Pópulo. Deze kapel ligt als eerste aan de zuidelijke zijde en het is een van de populairste kapellen. De kapel stamt uit 1673 en het is een werk van José Felipe Busiñac y Borbón. De stijl van de kapel is de late barok.

Kapel in het klooster

  • Kapel van Santo Cristo. In het klooster en achter de ruimte achter het priesterkoor aan de westelijke zijde vinden we de kapel van Santo Cristo. De kapel is bedekt met een gewelf en het werd gerenoveerd in 1690 door de graaf van Guara, Artal de Azlor.

Kapellen in het kerkschip aan de noordelijke zijde

  • Retabel van San Blas. Dit is in barrok stijl en het werd gemaakt tussen 1750 en 1770 en het toont beelden van San Joaquín en Santa Ana.
  • Retabel van Santa Bárbara. Het is uit dezelfde periode als het vorige en er is een bank en drie banen.  Er staan beelden op van Santa Bárbara, San Lamberto, San Isidro, San Cristóbal en San Esteban. 
  • Retabel van Ecce-Homo of van Jesús Nazareno. Het is gemaakt tussen 1630 en 1640.

Kapellen aan het hoofdeinde

  • Kapel van de Virgen del Pilar. Aan de andere zijde van het altaar vinden we de lapel van de Virgen del Pilar. Het is afgesloten door een ijzeren hek uit 1529 en dat is het werk van Jaime Tejedor.
  • Kapel van de Virgen de los Dolores. Deze kapel staat praktisch in het midden van de oostelijke zijde van de kerk. Zij heeft een rechthoekige vorm en zij is bedekt met een koepel op een pendentief en het is een werk uit de achttiende eeuw. In het lager gedeelte, in het midden zien we een beeld van de Virgen de los Dolores. 


10. De Kathedraal van de Verlosser

De Kathedraal van de Verlosser, in het Spaans “Catedral del Salvador” is een kathedraal in Zaragoza. Het is een deel van het Werelderfgoed van de Unesco, Spaanse mudejar bouwstijl in Aragon.

Foto: kathedraal van de Verlosser

FRANCIS RAHER

We kunnen de kathedraal vinden op de Plaza de la Seo en hij is beter bekend als La Seo.

Geschiedenis

De locatie van de kathedraal heeft zijn oorsprong in het oude Romeinse forum. Anders dan andere stedelijke forums lag het forum van Zaragoza niet aan de samenkomst van de Cardus (noord-zuid straat) en de Decumanus (oost-west straat) maar lag het forum aan de Ebro, naast de haven.

Het forum was het burgerlijk en commercieel hart van de stad en het bevatte de belangrijkste tempel. Het museum van het forum kan je vinden op de plaza del Pilar aan de overzijde van de voorgevel van de kathedraal. Er zijn geen overblijfselen gevonden van een Visigotische of Mozarabische kerk.

De moskee

Hanas ben Abdallah as San’ani was een volgeling van iemand die dicht bij Mohammed stond en hij bouwde volgens al-Humauydí de grote moskee van Saraqusta al Baida, Zaragoza la Blanca.

Deze grote moskee is zeker een van de oudste moskeeën van Al-Andalus.

Het gebouw kreeg twee uitbreidingen, de eerste was in de negende eeuw en de tweede gebeurde in de elfde eeuw tijdens de periode van de taifa koning van Zaragoza, Mundir I.

Tijdens de restauratie die eindigde in 1999 ontdekte men een aantal overblijfselen uit die periode en dat waren overblijfselen van een minaret die tegen de buitenmuren stond en de vloer van een oud gebouw. Verder ontdekte men dat de ingang van de moskee op dezelfde plaats lag als die van de huidige kathedraal.

De aankomst in 1118 van Alfonso I in Zaragoza leidde niet tot de onmiddellijke afbraak van de moskee. Hij gaf de moslims een jaar de tijd om de stad te verlaten en op 4 oktober 1121 werd het gebouw ingewijd onder de naam “de Verlosser” en werden er de noodzakelijke verbouwingen uitgevoerd voor het gebruik als christelijke kerk.

De Romaanse kathedraal

De afbraak van de moskee en de bouw van de laat romaanse kathedraal begon in 1140. De nieuwe kerk kreeg een typisch ontwerp van een kathedraal met een dwarsbeuk en drie beuken die eindigen in een apsis. Het gebruikte materiaal was steen en stilistisch leek hij op de kathedraal van Jaca.

Naast de kerk zelf is er een archief, een refter, een kinderdagverblijf en twee kloostergangen.

Vanuit deze periode is het lager gedeelte van twee van de apsissen bewaard gebleven. De bouw van de originele kathedraal ging verder doorheen de ganse dertiende eeuw.

Vanaf 1204 tot in de vijftiende eeuw werden alle koningen van Aragón in deze kerk gekroond en dit kon gebeuren door een speciaal voorrecht dat Paus Inocencio III had gegeven.


De koning die de vorige nacht had gewaakt bij zijn wapentuig in het Aljafería ging van daar in een processie naar de kerk.

De ceremonie bevatte vier delen: nazicht van de wapens, zalving met de heilige olie, het opzetten van de kroon en het plaatsen van de koninklijke onderscheidingstekenen en het afleggen van de eed op de “fueros”, de statuten en de vrijheden van het koninkrijk van Aragón.

De laatste koning die in de Seo gekroond werd was Carlos I van Spanje. Latere koningen moesten enkel de eed afleggen op de fueros. Koninklijke dopen, huwelijken en begrafenissen gingen nog wel door in de kathedraal.

De gotische-mudejar kathedraal

In 1318 maakte paus Juan XXII het aartsbisdom van Zaragoza en daardoor werd het onafhankelijk van Tarragona. Toen Zaragoza eenmaal een aartsbisdom was moest er ook een kathedraal komen en daarvoor kwamen er uitbreidingen die gebouwd werden met goedkope materialen die er in overvloed voorkwamen, stenen en plaaster.

Onder het toezicht van aartsbisschop Pedro López de Luna (1317–1345) werd er een gotische kerk gebouwd met drie schepen (de huidige drie midden schepen) maar men behield de Romaanse apsissen.

Het midden schip is hoger gebouwd dan de twee andere en dat maakte het mogelijk om ramen te maken die in 1447 voorzien werden van vensters in gekleurd glas.

In 1346 werd er een mudejar koepel geplaatst die het altaar moest voorzien van licht en hier werkten de meesters Juan de Barbastro en Domingo Serrano aan mee. Het werk was af in 1376 toen Don Lope Fernández de Luna al aartsbisschop was en men maakte hierdoor een goed verlichte gotische kathedraal.

In 1360, tijdens de periode van aartsbisschop Don Lope Fernández de Luna werd de belangrijkste gevel gerenoveerd en werd de zogenaamde Parroquieta gebouwd, dit alles was in mudejar stijl. Het enige uit die periode dat is overgebleven is de Parroquieta of de parochiale kapel van San Miguel Aartsengel. Deze kapel was gebouwd als een onafhankelijke kapel binnenin de kathedraal en was door aartsbisschop Don Lope gebouwd als een grafkapel.

De bouw, elegant gebouwd in gotisch-mudejar stijl is een uniek voorbeeld van het werk van de meesters uit Aragón en de bouwers uit Sevilla. Zij bedekten de buitenmuur met geometrische figuren die gemaakt zijn van zachte steen en keramische tegels. Binnenin is het plafond gemaakt van verguld hout in mudejar stijl.

De renaissance kathedraal

In 1403 stortte de oude koepel neer en de tegenpaus Benedictus XIII (Papa Luna) die afkomstig was van Aragón beval de heropbouw van het gebouw. De romaanse apsis werd verhoogd, twee torens werden bijgebouwd die de zijden van de apsis ondersteunden en een nieuwe koepel werd gebouwd. Deze koepel kreeg de vorm van een pauselijke tiara. Hij werd versierd door meester Mohammed Rami, en toen Benedictus XIII de stad in 1410 bezocht ging hij naar deze koepel kijken.

Het belangrijkste altaarstuk werd gemaakt tijdens de periode van aartsbisschop Don Dalmau de Mur y Cervelló (1431–1456). Dalmau Mur had voornamelijk aandacht voor het interieur van de kathedraal en naast het altaar ging zijn aandacht naar het koor en enkele andere kleine constructies.

Op 14 september 1485 werd Pedro de Arbués, kanunnik en hoofd Inquisiteur van Aragón in de kathedraal vermoord toen hij aan het bidden was.

Dit was een gevolg van de slechte ontvangst van de Inquisitie in Aragón waar het idee leefde dat het een aanval was van de kroon op de verworven rechten, de lokale wetten en de voorrechten.

In het bijzonder, sommige van de machtigste families onder de bekeerde Joodse families zoals de families Sánchez, Montesa, Paternoy en Santángel waren betrokken bij de moord.

Dit had dan weer tot gevolg dat er een volksbeweging tegen de joden ontstond. Negen leden van die families werden geëxecuteerd, twee leden pleegden zelfmoord, dertien leden kwamen om op de brandstapel en vier leden werden er gestraft voor medeplichtigheid.

Pedro de Arbués werd door paus Pius IX in 1867 heilig verklaard en zijn graf, ontworpen door Gil Morlanes de Oudere, kan men vinden in de kathedraal in de kapel van San Pedro Arbués.

Tijdens de zestiende en de zeventiende eeuw was de kathedraal een van de centra van de Aragonese school van polyfonische muziek. Muzikanten zoals Melchor Robledo, Sebastián Aguilera de Heredia, Pedro Ruimonte, Diego Pontac, Jusépe Ximénez en Andrés de Sola werkten en componeerden hier.

Recente tijden

De langdurige rivaliteit tussen de kanunniken van El Pilar en La Seo was in de zeventiende eeuw goed bekend. Het bestuur van de kathedraal El Pilar begon een zaak tegen La Seo om de bisschopszetel naar hen te krijgen maar koning Felipe IV steunde La Seo.

Het geschil geraakte niet opgelost tot in 1676 paus Clemente X een Salomonsachtige beslissing trof. Hij verenigde de twee besturen in een bestuur. Zes dignitarissen en 15 kanunniken verbleven in La Seo en hetzelfde aantal verbleef in El Pilar. De deken moest zes maanden in de ene kathedraal verblijven en dan zes maanden naar de andere kathedraal gaan.

In de zeventiende eeuw werd de oude mudejar toren afgebroken en in 1686 begon men met de bouw van een nieuwe toren. Deze was in Rome in 1683 ontworpen door Juan Bautista Contini en het ontwerp was in barokstijl. De werken begonnen in 1686 en eindigden in 1704 met de plaatsing van de torenspits.

De voorgevel was gebouwd in de achttiende eeuw in een Italiaanse barokstijl en dat had een duidelijk neoklassiek voorkomen. Het was door aartsbisschop Añoa aan Julian Yarza toevertrouwd en dat was een leerling van Ventura Rodríguez.

Tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw was er een grote restauratie die 23 jaar zou duren. Het restauratieproject kan ingedeeld worden in vier delen:

  • Van 1975 tot 1987: de vervanging van de zes pijlers van het middenschip, het dak, de dakranden, het glas, de fundering, de afbraak van aangrenzende gebouwen en archeologische opgravingen.
  • Van 1987 tot 1992: de muur van de Parroquieta, de koepel en de kapellen van de hoofd en de neoklassieke gevel. 
  • Van 1992 tot 1994: de afronding van het werk aan de buitenzijde en de opgravingen van Romeinse en Moslim overblijfselen. 
  • Van 1995 tot 1998: de restauratie van de toren, de torenspits met de klok, het orgel, het groot altaarstuk en het pleisterwerk. Er kwam dan nog de reiniging en de restauratie van de kapellen bij en het museum van de tapijten werd gerestaureerd.

In totaal werden er door de Regering van Aragón, de aartsbisschop van Zaragoza, het Spaans Ministerie van Onderwijs en Cultuur, Ibercaja en de Caja de Ahorros de la Inmaculada 2 miljard pesetas uitgegeven voor deze restauratie.

Bouwstijlen

La Seo was gebouwd op de site van het oude Romeinse forum en op de grote moskee van de Moorse stad Saraqusta. Delen van die minaret maken deel uit van de huidige toren. De bouw begon tijdens de twaalfde eeuw in Romaanse stijl en onderging veel verbouwingen en uitbreidingen tot in 1704 toen de torenspits het werk voleindigde.

De kathedraal is een mengeling van stijlen, van de Romaanse apsis (twaalfde eeuw) tot de barokke toren en de neoklassieke toegangspoort (achttiende eeuw). Ondertussen maakte men nog gebruik van de mudejar en de gotische stijl. Deze stijlen vinden we in:

  • Romaans: binnenin in het lagere gedeelte van de apsis. Het romaanse gedeelte van de apsis bleef behouden maar het is nu bedekt met het gotische altaarstuk. In de sacristie is er de “olifant” van Gaston IV van Béarn dat gemaakt is in de elfde eeuw, de bustes van San Valero, San Vicente en San Lorenzo die geschonken werden door de antipaus Benedicto XIII.
  • Gotiek: gemengd met de mudejar bouwstijl en vooral in het bovenste gedeelte aan de buitenkant van de apsis. De drie centrale beuken met hun bogen. Het magnifieke altaarstuk van geschilderd albast dat gemaakt werd door Père Johan en Hans de Suabia. Het koorgestoelte. Het museum van Vlaamse tapijtkunst uit de vijftiende, zestiende en de zeventiende eeuw en het is van de drie grootste collecties ter wereld.
  • Mudejar:De buitenmuur van de Parroquieta van San Miguel en zijn houten verguld plafond.
  • Renaissance: In de Parroquieta van San Miguel, de graftombe van aartsbisschop Don López Fernández de Luna uit de zestiende eeuw. De koepel heeft mudejar invloeden en deze koepel werd gebouwd in de zestiende eeuw om de oude Moorse koepel te vervangen.
  • Barok: Toren en toegangspoort.

Het interieur van de kathedraal

Beginnend beneden in de kathedraal zijn er de kapellen aan de rechterzijde:

  • Deur van het Pabostría en atrium.
  • Kapel van Nuestra Señora de las Nieves. Een laat gotische kapel met een barok altaar en schilderijen van Francisco Ximeno.
  • Kapel van San Valero. Een barokke portiek van verguld hout uit de zeventiende eeuw. Er staan afbeeldingen van San Valero, San Vicente en San Lorenzo. De muren werden geschilderd door García Ferrer.
  • Kapel van Santa Helena of de Nuestra Señora del Carmen of van de Santísimo Sacramento. Het altaar, de ingang en de schilderijen zijn van Lupicini van Florence.
  • Kapel van de aartsengelen Miguel, Rafael en Gabriel. De kapel is in de zestiende eeuw als grafkapel gebouwd door Garbriel Zaporta. Enkel het deksel van de sarcofaag is uit die eeuw. In renaissance stijl is de versiering van het altaar en die is gemaakt door Juan de Anchieta. De schilderijen en de mozaïeken zijn vermoedelijk van Pedro Morone.
  • Kapel van Santo Dominguito de Val. Deze barok kapel is uit de tweede helft van de achttiende eeuw en hier liggen de overblijfselen van de heilige zelf.
  • Kapel van San Agustin. De versieringen van het altaar zijn in renaissance stijl en ze zijn van de hand van Gil Morlanes. Tevens zijn er sculpturen van Gabriel Yoly en José Sanz.
  • Kapel van San Pedro Arbués. Op de muren zien we ingelijste schilderijen uit de zeventiende eeuw van de hand van Berdusán. Onder een baldakijn met Salomonische zuilen is er een beeldhouwwerk van San Pedro Arbués uit de zeventiende eeuw van de hand van Juan Ramírez. De barokke deur is uit de achttiende eeuw.

Beginnend beneden in de kathedraal zijn er de kapellen aan de linkerzijde:

  • Kapel van San Bernardo. Dit is een van de grootste renaissance werken in Aragon. Tussen 1549 en 1555 bevatte het de graven van de aartsbisschop Hernando de Aragón die de bouw van deze kapel beval en dat van zijn moeder Ana de Gurrea. Juan Vizcaíno maakte de graftombe van de aartsbisschop en Juan de Liceire maakte de tombe van zijn moeder.
  • Kapel van San Benito. Uitgevoerd in gotische stijl in de zestiende eeuw. De bouw had een vertraging die veroorzaakt was door Hernando de Aragón om er de lichamen van zijn bedienden in te ontvangen.
  • Kapel van San Marco. De voorzijde is in overdadige barokstijl, De plaaster staat op marmeren sokkels en zij werd gebouwd in 1711 door José Serra.
  • Kapel van de Geboorte. Een eenvoudige deuropening uit de zestiende eeuw. De altaarversieringen zijn panelen die toegeschreven worden aan Roland de Mois of Jerónimo de Mora uit de zestiende eeuw. Er is tevens een renaissance hek van Hernando de Ávila.
  • Kapel van Santa Justa en Santa Rufina. Schilderijen van Juan Galván hangen aan de muren. De schilderijen van de heiligen zijn door Francisco Camilo in 1644 geschilderd.
  • Kapel van San Vicente. Een barokke toegang. Het beeldhouwwerk van San Vicente is van de hand van Carlos Salas.
  • Kapel van Santiago el Mayor. Een beeld van Santiago uit de zestiende hangt onder een barokke overdekking.

Koor

Het koor gedeelte wordt gevormd door 117 eiken stoelen die gebouwd werden door drie monniken. Het is omsloten door een bronzen hekwerk met vergulde houten beelden van de hand van Juan Ramírez. Aartsbisschop Dalmau Mir ligt hier begraven.

Het orgel bevat nog enkele delen van het oorspronkelijke gotische orgel uit 1469. Het huidige orgel is het resultaat van de moeilijke integratie van die historische delen met de meer modernere. Dit werk is gebeurt tussen 1857 en 1859 door Pedro Roqués.

Aan de achterzijde van het koor ligt de kapel van Santo Cristo met een afbeelding van de gekruisigde Christus, van de Mater Dolorosa en van San Juan die gemaakt zijn op het einde van zestiende eeuw door Arnau de Bruselas.

Dit alles staat onder een baldakijn dat ondersteund is door Salomonische kolommen van zwart marmer. De versieringen zijn het werk van Jerónimo Vallejo, Arnau de Bruselas en Juan Sanz de Tudelilla en ze zijn van hard plaaster gemaakt. Samen vormen zij een van de meest opmerkelijke groepen van sculpturen in de renaissance stijl van Aragon.

Apsis

Foto: kapel van de Virgen Blanca (Witte Maagd)

Zarateman

  • Kapel van de Virgen Blanca (Witte Maagd). De houten versieringen aan het altaar zijn in barokstijl en de schilderingen zijn van de hand van Jusepe Martínez. We zien ook een albasten beeld uit de vijftiende eeuw van de Maagd met kind van de hand van de Franse beeldhouwer Fortaner de Uesques. Op de vloer zien we een aantal graven van aartsbisschoppen van Zaragoza uit de zestiende en de zeventiende eeuw.
  • Groot altaar versieringen. Dit is opgedragen aan de Verlosser en het was origineel gemaakt tussen 1434 en 1480 in albast en beschilderd door een aantal artiesten waaronder Pere Johan, Francisco Gomar en Hans de Suabia.
  • Kapel van San Pedro en San Pablo. Het altaar heeft versieringen van verguld hout met afbeeldingen uit het leven van San Pedro en San Pablo.

11. Andere Mudejar-monumenten in Aragon die niet uitdrukkelijk opgenomen zijn op de lijst van het Werelderfgoed

Voor de geïnteresseerden in de mudejar bouwstijl is er een rondrit mogelijk langs tal van plaatsen waar er ook mudejar bouwwerken staan maar die niet opgenomen zijn op de lijst van het Werelderfgoed.

Provincie Teruel

  • Torren van de kerk Asunción de Nuestra Señora (Albalate del Arzobispo).
  • Klokkentoren en vloer van de kapel van het kasteel-paleis van de aartsbisschop (Albalate del Arzobispo).
  • Toren van de kerk Santa María (Báguena).
  • Toren van de kerk van Nuestra Señora los Ángeles of van Asunción de Nuestra Señora (Burbáguena).
  • Toren van het heiligdom Virgen del Campo (Camarillas).
  • Toren van de kerk Santa Elena (Godos).
  • Kerk van Santa María la Mayor (Híjar).
  • Kluis van de Virgen de los Dolores (Jabaloyas).
  • Kerk van de Apóstol Santiago (Montalbán).
  • Toren van de kerk van Asunción de Nuestra Señora (Muniesa).
  • Toren van de kerk van Asunción de Nuestra Señora (Navarrete del Río).
  • Toren van de oude kerk (Olalla).
  • Kluis van de Virgen la Fuente (Peñarroya de Tastavins).
  • Toren van de kerk van San Bartolomé Apóstol (Peralejos).
  • Toren van de kerk van San Martín (San Martín del Río).
  • Toren van de kerk van de Virgen de la Merced (Teruel).

Provincie Zaragoza

  • Kerk van San Pedro Apóstol (Alagón).
  • Kerk van San Miguel Arcángel (Alfajarín).
  • Ápsis van de kerk Asunción de Nuestra Señora (Alberite de San Juan).
  • Toren van de kerk Natividad de Nuestra Señora (Alhama de Aragón).
  • Torren van de kerk Asunción de Nuestra Señora (La Almunia de Doña Godina).
  • Kerk van San Miguel Arcángel (Ambel).
  • Paleis van de Orden de San Juan de Jerusalén (Ambel).
  • Toren en linker gevel van het transept van de kerk van Nuestra Señora del Rosario (Ambel).
  • Kerk van de Nuestra Señora del Castillo (Aniñón).
  • Kerk van Santa María (Ateca)
  • Toren van de kerk van Santa María (Ateca).
  • Klokkentoren (Ateca).
  • Kerk van Nuestra Señora de la Piedad (Azuara).
  • Ruïnes van de kerk van San Martín de Tours (Belchite).
  • Ruïnes van de klokkentoren (Belchite).
  • Toren van het heiligdom Virgen del Pueyo (Belchite).
  • Toren, apsis en pleisterwerk van de kerk San Miguel Arcángel (Belmonte de Gracián).
  • Toren van de kluis van de Virgen del Castillo (Belmonte de Gracián).
  • Klokkentoren, apsis en klooster van de Colegiata de Santa María (Borja).
  • Kerk van San Miguel (Borja).
  • Casa de la Estanca (Borja).
  • Kluis van de San Jorge (Borja).
  • Kerk van San Pedro de los Francos (Calatayud).
  • Kerk van San Andrés (Calatayud).
  • Klooster van het Santo Sepulcro (Calatayud).
  • Toren van de Collegiale kerk van Santa María de los Sagrados Corporales (Daroca).
  • Kerk van San Miguel of van San Valero (Daroca).
  • Kerk van San Juan Bautista o de la Cuesta (Daroca).
  • Toren van de kerk van Santo Domingo (Daroca).
  • Paleis van los Luna (Daroca).
  • Kerk van San Miguel Arcángel (Fuentes de Ebro).
  • Kerk van San Juan Bautista (Herrera de los Navarros).
  • Huis-paleis van los Luna (Illueca).
  • Kerk van San Juan Bautista (Illueca).
  • Toren van de kerk Nuestra Señora de la Asunción (Leciñena).
  • Toren van de kerk Nuestra Señora de la Asunción (Longares).
  • Kerk van Santa María de la Huerta (Magallón).
  • Kerk van Santa Ana (Mainar).
  • Kerk van Santa María (Maluenda).
  • Kerk van Santa Justa y Santa Rufina(Maluenda).
  • Kerk van San Miguel (Maluenda).
  • Toren van Palomar (Maluenda).
  • Toren van de kerk van Asunción de Nuestra Señora (Mesones de Isuela).
  • Dak van de kluis van Nuestra Señora de los Ángeles (Mesones de Isuela).
  • Kerk van San Martín de Tours (Morata de Jiloca).
  • Toren van de kerk Nuestra Señora de la Piedad (Moyuela).
  • Kerk van Santa María Magdalena (Mozota).
  • Kerk van Nuestra Señora de los Ángeles (Paniza).
  • Toren van de kerk Nuestra Señora de los Ángeles (Peñaflor de Gállego).
  • Kerk van Asunción de Nuestra Señora (La Puebla de Alfindén).
  • Kerk van Asunción de Nuestra Señora, (Ricla).
  • Toren van de kerk van San Pedro Apóstol (Romanos).
  • Toren van de kerk van San Pedro Apóstol (Sabiñán).
  • Kerk van San Miguel o de la Señoría (Sabiñán).
  • Kerk San Mateo Apóstol (San Mateo de Gállego).
  • Toren en kerk van het klooster van Rueda (Sástago).
  • Klooster, buitenkant van de koepel, noordelijke galerij van het hoofdschip en het middengedeelte van de toren van de kathedraal Nuestra Señora de la Huerta (Tarazona).
  • Toren van de kerk van Santa María Magdalena (Tarazona).
  • Torren en borstwering van het koort van het klooster van Nuestra Señora de la Concepción (Tarazona).
  • Kerk van het klooster van de Carmelitas Descalzas de Santa Ana (Tarazona).
  • Kerk van Santa María (Tauste).
  • Kerk van San Antonio Abad o San Antón (Tauste).
  • Toren en absis van de kerk van Asunción de Nuestra Señora (Terrer).
  • Kerk van San Félix (Torralba de Ribota).
  • Toren en interieur van de kerk van San Martín de Tours (Torrellas).
  • Spiegeltoren en kerk van Asunción de Nuestra Señora (Utebo).
  • Kerk van San Juan Bautista (Velilla de Jiloca).
  • Toren van de kerk van Asunción de Nuestra Señora (Villamayor de Gállego).
  • Toren van de kerk van Santa María de la Huerta (Villanueva de Jalón).
  • Kerk van San Pedro Apóstol (Villar de los Navarros).
  • Kerk van Santa María Magdalena (Zaragoza).
  • Kerk van San Miguel de los Navarros (Zaragoza).
  • Kerk van San Gil Abad (Zaragoza).
  • Klooster van de Resurrección o del Santo Sepulcro (Zaragoza).
  • Pleisterwerk van de koepel en de daken van de kerk van San Ildefonso o de Santiago el Mayor (Zaragoza).
  • Koepel, gewelven en bogen van de kerk van Santa Teresa o de las Fecetas  (Zaragoza).
  • Huis van Miguel Donlope, zetel van de Real Maestranza de Caballería de Zaragoza (Zaragoza).
  • Huis-paleis van de Calle las Armas, 32 (Zaragoza).
  • Houten plafond van het paleis van de Condes de Sobradiel o de Gabarda, zetel van Colegio Notarial de Aragón (Zaragoza).
  • Houten plafond van de Malabares (Zaragoza).
  • Absis en muren van de kerk van San Pedro Apóstol (Zuera).

Provincie Huesca

  • Toren van de kerk van Santa Ana (Alcubierre).
  • Houten plafond van het salon van “Tanto Monta” van het Palacio Episcopal Viejo (Huesca).
  • Toren van de kerk van San Martín Obispo (Nueno).
  • Toren van de kerk van San Miguel Arcángel (Montmesa).
  • Kerk van San Pedro ad Víncula (Torralba de Aragón).

Het museum Sorolla

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Het museum
  4. De collecties
  5. De website

1.Algemeen

Het Museum Sorolla is een Spaans museum in een herenhuis aan de Paseo del General Martínez Campos in Madrid, een site die als werkplaats en woning zou dienen voor Joaquín Sorolla y Bastida, samen met zijn vrouw en drie kinderen.

Foto: voorgevel van het museum

Luis García (Zaqarbal)

Het gebouw werd in 1911 gebouwd onder leiding van de architect Enrique María Repullés, die de wens van de schilder vervulde om een ruimte te creëren die het werkgebied en zijn huis zou samenvoegen en die ook een tuin ter beschikking had.

Het huis behoudt de oorspronkelijke sfeer van veel van de originele omgeving, evenals een brede collectie van Sorolla’s werken maar ook van talrijke objecten die hij tijdens zijn leven als verzamelaar verzamelde. Het is ook een van de best bewaarde kunstenaarshuizen van Europa. Sinds 1 maart 1962 is het gebouw een Nationaal Historisch-Artistiek Monument.

De herbestemming van de woning als museum, waarin de werken van de schilder zijn ondergebracht, ontstond op initiatief van zijn eigen vrouw, Clotilde García del Castillo, die in 1925 een testament opmaakte en de werken en het erfgoed in zijn bezit aan de Spaanse staat naliet om er een plek te creëren die de nagedachtenis zou eren van haar man.

Op 28 maart 1931 werd de schenking bij koninklijk besluit aanvaard en werd het geclassificeerd als een liefdadigheidsstichting van een bepaalde aard. Het museum werd ingehuldigd in 1932 en stond onder leiding van de zoon van de kunstenaar, Joaquín Sorolla García. Toen hij stierf in 1948, liet hij een groot aantal werken na om de collecties van het museum uit te breiden en die werden door de staat aanvaard in 1951.

Op 27 april 1973 werd het museum opgenomen in het Nationaal Museumbestuur, dat opgeheven werd in 1985, wat leidde tot een grotere professionalisering van het bestuur, met aan het hoofd een curator-directeur van de faculteit museumconservatoren. Sinds 2009 is het een Nationaal Museum van Spanje, toegevoegd aan het Ministerie van Cultuur en Sport met exclusief beheer door de Algemene Directie voor Schone Kunsten.

2. Geschiedenis

De oprichting van een museum in het gebouw dat diende als het huis van de familie was het idee en de uitdrukkelijke wens van Clotilde García del Castillo, de echtgenote van Sorolla, zoals vermeld in haar testament van 1925, waarin ze het huis en haar collectie werken aan de Spaanse staat schonk om de nagedachtenis van haar echtgenoot te bestendigen.

Nadat hij in 1923 stierf zonder een testament achter te laten, moest er een inventaris van de bezittingen van de schilder worden opgemaakt, een werk dat op 20 november 1929, na het overlijden van zijn vrouw, zou worden afgesloten. Omdat de wensen van Clotilde, tijdens haar leven, niet waren nagekomen, zou deze schenking worden uitgevoerd door haar kinderen.

Zo werd de erfenis van de weduwe op 28 maart 1931 aanvaard door een koninklijk besluit dat in het Staatsblad van 12 april werd gepubliceerd. Daarin werd de instelling geclassificeerd als een liefdadigheidsstichting van een bepaalde aard.

Datzelfde jaar schonk de zoon 56 werken voor de oprichting van het museum, samen met andere werken die door zijn zusters werden geschonken.

Tegelijkertijd, op 29 mei van datzelfde jaar, zou de raad van toezicht worden opgericht die ervoor zou zorgen dat de doelstellingen van de nieuw opgerichte stichting werkelijkheid zouden worden.

Die werd aanvankelijk samengesteld door de kinderen van Sorolla; María, Joaquín en Elena; vertegenwoordigers van verschillende staatsinstellingen; het staatshoofd, die het voorzitterschap bekleedde; de minister van Openbaar Onderwijs en Schone Kunsten; evenals de voorzitter van de Sociedad Hispánica de América waarvoor de schilder een van de meest ambitieuze projecten van zijn artistieke productie had uitgevoerd.

Een van de taken die deze eerste raad van bestuur vervulde, was het opstellen van het museumreglement dat werd goedgekeurd bij decreet op 24 maart 1932 en gepubliceerd in het staatsblad van 26 mei van datzelfde jaar. Zo werd het museum op 11 juni 1932 ingehuldigd onder leiding van Joaquín Sorolla García, de zoon van de schilder, hoewel op dat moment alleen de eerste verdieping open bleef voor het publiek.

De burgeroorlog zou, bij een decreet van 1936, de sluiting van het museum en de stopzetting van het werk van de raad afdwingen. Zodra de oorlog voorbij was werd het museum in 1941 heropend voor het publiek. Na deze nieuwe heropening werden op 26 juli 1945 de kamers op de eerste verdieping na een eerdere restauratie voor het eerst opengesteld voor het publiek. Deze kwamen overeen met de persoonlijke kamers van het echtpaar en de kinderen. Joaquin Sorolla Garcia, de toenmalige directeur van het Sorolla Museum, merkte op dat ze juist vanwege hun intieme karakter de kamers een ‘puur intieme en vertrouwde smaak’ hadden willen geven, vandaar de familieportretten, de bezittingen van de schilder of de medailles die hij in veel exposities had gekregen.

Op 2 maart 1948 overleed Joaquín Sorolla García en zoals uitgedrukt in zijn testament, ging zijn eigendom over op de Stichting van het Museum en drie jaar later, bij een ministerieel besluit van 16 juli 1951, werd zijn nalatenschap aanvaard en het werd toegevoegd aan dat van zijn moeder. Daardoor werden er 156 extra werken toegevoegd aan de fondsen van de Stichting.

Het bestuur werd overgenomen door Francisco Pons-Sorolla, kleinzoon van de schilder en zoon van María Sorolla García en Francisco Pons Arnau. Onder zijn leiding zou er een zaal worden gecreëerd die gewijd was aan de “tekeningen, gouaches en aquarellen” van de Valenciaanse bevolking en werden in de eerste catalogus van het museum worden gepubliceerd, “Vida y obra de Joaquín Sorolla”, door Bernardino de Pantorba.

In de jaren zestig kwam het museum, door een gebrek aan financiering, in een economische crisis, die ertoe leidde dat het museum op 27 april 1973 werd opgenomen in het Nationaal Museumbestuur, een instelling die vandaag niet meer bestaat. Dat zou leiden tot een grotere professionalisering van de administratie, aangestuurd door een curator-directeur behorende tot het facultatieve orgaan van museumconservatoren.

Al in 1980 werd ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de opening van het museum een project voorgesteld om het museum uit te breiden, waardoor het nieuwe tentoonstellingsruimten zou krijgen die later terug moesten gesloten worden om te worden gebruikt voor de opslag van de collectie.

Pas in 1990 neemt het museum voor het eerst sinds de oprichting deel aan een internationaal project, de Zorn-Sorolla-tentoonstelling, ingehuldigd op 7 november 1991 in Zweden en die later op 4 maart 1992 naar het Sorolla Museum zelf zou worden gebracht.

Hierna werd duidelijk dat er behoefte was aan een nieuw wettelijk statuut, goedgekeurd op 30 juli 1993 door de Raad van Ministers. Dit leidde enerzijds tot de opdeling van het Sorolla Museum, dat afhankelijk zou zijn van het ministerie van Onderwijs en Cultuur, en aan de andere kant van de Stichting, die haar weg als Private Culturele Stichting zou voortzetten.

3. Het museum

Het Sorolla-huismuseum, gelegen aan de Paseo del General Martínez Campos 37 in Madrid, werd gebouwd in 1911 en vervulde de wensen van de schilder Joaquín Sorolla y Bastida om er een ruimte te creëren die zijn werkgebied en zijn huis zou samenvoegen, en waar er ook een tuin beschikbaar zou zijn.

Dankzij het succes dat de Valenciaanse kunstenaar jaren geleden oogstte, zou hij op 17 november 1905 het eerste stuk grond voor het huis verwerven dat overeenkomt met het woonoppervlak en het atelier, evenals de achtertuin. Vier jaar later zou hij het aangrenzende land kopen, waardoor hij extra ruimte kreeg om zijn atelier uit te breiden en de rest van de tuin aan te leggen.

De bouw zou gezet worden door de architect Enrique María de Repullés y Vargas (1845-1922), die de hulp van Sorolla zelf zou krijgen. Op deze manier zou de bouw van het huis al in 1910 beginnen en doorlopen tot in 1919, hoewel bekend is dat de familie er al in 1911 in zou gaan wonen.

Het gebouw is gebouwd rond twee verdiepingen, waaraan het reeds genoemde tuinniveau is toegevoegd. De begane grond of nobele verdieping heeft twee ingangen, de hoofdingang en de andere zijde. De drie studio’s van de schilder en de woon-eetkamer bevinden zich ook op deze verdieping, allemaal verlicht door grote ramen die de kamers vullen met veel licht, net zoals de schilder dat verlangde. Via dit niveau werd het souterrain betreden, waar zich de keuken en andere kamers bevonden, inclusief het huis van de bewakers. Van zijn kant kwam de eerste verdieping overeen met de meest intieme ruimte, waar de slaapkamers van zowel de familie als het personeel van het huis waren gevestigd. Ten slotte was er de tuin, die opgedeeld is in drie verschillende delen.

Het eerste project van de kunstenaar voor zijn toekomstige huis had een gevel die in vier delen was verdeeld, zoals te zien is in het huidige gebouw, maar de decoratie was eenvoudiger en met een neoklassieke trend. Zodra hij het tweede stuk land had verworven, zou Sorolla een tweede ontwerp ontwikkelen waarin verwijzingen naar de Andalusische architectuur te vinden zijn. Dat was het resultaat van de opdracht voor de werken voor de Sociedad Hispánica, die hem ertoe zouden brengen om reizen door het hele land te ondernemen.

Om het gebouw om te vormen naar een museum, werd een groot deel van de interne structuur hervormd, behalve een deel van de begane grond. Op deze manier vormden de kamers die vandaag overeenkomen met de zalen I, II en III, destijds de drie ateliers van de schilder.

Foto; noordelijke muur in zaal 2

Kamer I werd gebruikt als magazijn, kamer II voor de tentoonstelling van de werken van de kunstenaar en kamer III was het atelier zelf. Deze kamer stond in verbinding met de gezinsruimte, wat overeenkomt met een kamer die in verbinding staat met de hoofdingang van het huis, vandaag de uitgang van het museum; een zaal die aan de lunchroom voorafgaat en een trap die naar de eerste verdieping leidt, waar momenteel tijdelijke tentoonstellingen worden gehouden (zalen IV tot en met VI).

Van hieruit, via een andere trap, komt u op de tweede verdieping, eerst een dienstgebied en vervolgens, sinds 1941 een kamer voor Joaquín Sorolla García, waarna het in 1982 zou worden gebruikt als kantoor van het museum en momenteel als een plek waar de door de instelling georganiseerde workshops plaatsvinden.

Foto: patio in Andalusische stijl

Quinok

Van hun kant zijn de tuinen trouw gebleven aan hoe ze waren in de tijd dat de familie in het huis woonde dankzij de restauraties die tussen 1986 en 1991 werden uitgevoerd. Zoals hierboven vermeld, zou de Andalusische stijl vooral in het huis aanwezig zijn. Het Alhambra en het Alcázar van Sevilla waren de monumenten die de schilder het meest zouden inspireren in zijn zoektocht om de buitenruimte van zijn huis te ontwerpen. Voor deze tuin heeft Sorolla gebruik gemaakt van verschillende elementen zoals fonteinen, tegels, zuilen, beelden, planten en bomen, allemaal uit Andalusië. Op deze manier zijn enkele kenmerken van de patio’s en tuinen uit dit gebied merkbaar, zoals de overheersende geometrie; de aanwezigheid van water of de grote overvloed aan kleuren, die niet alleen wordt bereikt door de vegetatie, maar ook door de versiering met tegels die specifieke delen van de tuin bedekken.

Op 1 maart 1962 werd het gebouw uitgeroepen tot Nationaal Historisch-Artistiek Monument op voorwaarde dat het de collectie van de kunstenaar bevatte.

4. De collecties

De collecties van het museum bestaan uit werken van Sorolla zelf, persoonlijke voorwerpen en vele andere kunstwerken die hij tijdens zijn leven als verzamelaar heeft verzameld. Evenzo bevat de collectie werken van zijn naaste familieleden, zoals zijn dochters María en Helena Sorolla en van zijn schoonzoon Francisco Pons Arnau. Het meeste hiervan is afkomstig van de erfenis en schenkingen van de eigen familieleden van de schilder, zoals zijn vrouw en drie kinderen.

Evenzo, aangezien deze instelling beantwoordt aan de huis-museum typologie, omvat ze ook de immateriële aspecten van de ruimte, zoals het gebruik van de verschillende kamers, de opstelling van het meubilair of de decoratieve smaak van de familie.

Schilderijen

Foto: wandeling op het strand

De schilderijencollectie is de meest representatieve van het museum met 1.294 werken van Sorolla, die verschillende thema’s en formaten beslaan, zoals zijn beroemde “kleurnoten”, voorbereidende schilderijen die hij als studie uitvoerde voorafgaand aan de realisatie van een groter werk. Het heeft ook 164 werken van andere schilders zoals Aureliano de Beruete, Anders Zorn of Martín Rico Ortega.

Tekeningen

Sorolla’s collectie van 4.985 tekeningen omvat ontwerpen voor de gevel van het gebouw, de tuinen of het interieur van het huis, evenals houtskooltekeningen uit het dagelijkse leven van de schilder. Het zijn meestal snelle aantekeningen voorafgaand aan zijn schilderijen.

Beeldhouwwerk

De sculptuurcollectie bestaat uit 289 werken uit verschillende periodes en voornamelijk van Spaanse afkomst die het huis van de familie verrijkten. Hun oorsprong is onbekend, hoewel er aanwijzingen zijn dat sommige geschenken aan Sorolla zijn. Stukken van Rodin, Troubetzkoy en vrienden van de kunstenaar zoals Mariano Benlliure, Josep Clarà, Miguel Blay, José Capuz of zijn dochter, Elena Sorolla, vallen op.

Keramiek

De keramiekcollectie die het Sorolla museum samenbrengt, getuigt duidelijk van de smaak van de schilder voor dit soort elementen. Deze neiging kan te wijten zijn aan de Levantijnse oorsprong van de kunstenaar, maar ook aan de reizen die hij naar Zuid-Spanje maakte om zijn opdracht voor de Sociedad Hispánica uit te voeren.

Foto: een deeltje van de keramiek verzameling

Quinok

Die opdracht bracht hem ertoe om keramische tegels, borden en vazen te gebruiken bij de decoratie van zijn eigen huis. Bovendien biedt deze collectie een brede visie op de keramiek van het schiereiland uit de 15e tot de 20e eeuw, met werken van tijdgenoten van de schilder zoals Daniel Zuloaga of Mariano Benlliure.

Sieraden

De collectie bestaat uit 269 stukken, waaronder populaire juwelen uit verschillende regio’s van Spanje, waarbij de Valenciaanse sieraden de grootste aanwezigheid hebben. Evenzo bevat het ook, als resultaat van de gezinsreizen, stukken van Berberse afkomst.

Textiel

Deze collectie bestaat voornamelijk uit die stukken die Sorolla tijdens zijn reizen voor de Sociedad Hispánica heeft verworven en die grotendeels overeenkomen met traditionele kleding uit verschillende regio’s van de 19e en 20e eeuw. Het omvat ook de huishoudelijke meubels van de familie en andere fragmenten van oud textiel die de schilder tijdens zijn leven heeft verworven.

Meubilair

De meubelcollectie bestaat uit 184 stukken die door de familie in hun huis werden gebruikt en waarvan de meeste ter plaatse bewaard zijn gebleven. Zoals de smaak van de tijd markeerde, wordt het gekenmerkt door zijn eclectische karakter. Op deze manier vindt u meubels uit de 12e eeuw maar ook andere modernistische elementen zoals lampen die verschillende kamers verlichten en ontworpen zijn door Louis Confort Tiffany, of het hemelbed in Arabische stijl in het atelier van de schilder.

Varia

Naast de reeds genoemde, bevinden zich in de collecties van het museum persoonlijke voorwerpen van grote waarde van zowel de schilder als van de familie. Deze zijn van verschillende aard, zodat we in de eigen bezittingen van de schilder kunnen vinden, zoals zijn penselen, paletten of medailles die hij kreeg op verschillende nationale en internationale tentoonstellingen. Verder vinden we nog een verzameling metaalwerk en andere glasobjecten uit verschillende periodes.

Oude fotografie

Deze collectie is de meest uitgebreide in het museum, met 7167 foto’s (originele papieren kopieën, originele negatieven of moderne positieven). Deze fotocollectie is voor een groot deel te danken aan Antonio García Peris, Sorolla’s schoonvader, die de familieleden meerdere keren heeft geportretteerd. De schilder zelf zou fotografie ook gebruiken als documentatiemiddel voor enkele van zijn projecten. Evenzo vindt u in deze collectie werken van andere beroemde fotografen uit die tijd, zoals Christian Frazen, Ragel, Laurent, Campúa of Kaulak.

5. De website

De website van het museum, in het Spaans en het Engels kunnen we vinden op Museo Sorolla.

Het Museum Lázaro Galdiano

  1. Algemeen
  2. Collectie
  3. Website

1. Algemeen

Het Museum Lázaro Galdiano bevindt zich in Madrid en het is een museum dat nu eigendom is van de Spaanse staat maar dat in het begin in privé handen was. De collectie die we hier kunnen bezichtigen is groot en heterogeen en zij omvat alle kunstvormen en technieken.

Foto: Lázaro Galdiano

Luis García (Zaqarbal)

Deze uitzonderlijke verzameling, bestaande uit ongeveer 12.600 stukken, werd samengebracht door de uitgever José Lázaro Galdiano. Bij zijn overlijden in 1947 liet hij zijn collectie, samen met zijn Madrileense residentie na aan de Spaanse staat. Dit was ook de zetel van zijn uitgeverij “La España Moderna” en zij omvatte ook een bibliotheek met 20.000 boeken.

Na de oprichting van de “Fundación Lázaro Galdiano” en de aanpassing van de oude residentie van Lázaro Galdiano als museum werd op 27 januari 1951 de collectie open gesteld voor het publiek.

Onder de meest waardevolle stukken vinden we een verzameling schilderijen, tekeningen en etsen van Goya. Daarnaast zijn er werken aanwezig Hieronymus Bosch, Lucas Cranach de Oude, El Greco, Murillo, Zurbarán en Luis Paret.

Het museum bezit ook een kleine collectie van Britse schilderkunst en dat is eerder uitzonderlijk voor Spanje. In feite waren het museum Lázaro Galdiano en het Prado (tot de opening van het museum Thyssen-Bornemisza) de enige twee Spaanse musea met een belangrijke collectie Britse kunst. De aanwezigheid in de collectie is voornamelijk te danken aan de persoonlijke smaak van de echtgenote van Lázaro Galdiano, de Argentijnse Paula Florido. De meerderheid van de werken werden verworven in het eerste decennium van de twintigste eeuw en ze omvat werken van Lely, Constable, Reynolds en Romney.

Het museum werd tussen 2001-2004 volledig gerenoveerd om het de bezoekers zo aangenaam mogelijk te maken. Vier verdiepingen van het gebouw staan open voor het publiek.

2. Collectie

2.1 Schilderijen

Bijzonder waardevol is de collectie schilderijen met werken van grote Spaanse en Europese meesters uit de vijftiende tot de negentiende eeuw.

Foto: Santa Rosa de Lima

Murillo

Belangrijke schilderijen uit de Spaanse school zijn “Portret van doña Ana de Austria” van Sánchez Coello, twee werken van El Greco, een werk van Velázquez, “De Gravin van Monterrey” van Juan Carreño de Miranda, een prachtige “San Diego de Alcalá” van Zurbarán, “Santa Rosa de Lima” van Murillo en verder zijn er werken van Paret, Claudio Coello, Mateo Cerezo, Juan Martín Cabezalero, Agustín Esteve, Zacarías González Velázquez, Alenza, Eugenio Lucas, Vicente López en Federico de Madrazo.

Uit de buitenlandse scholen vinden we de Vlaamse en de Nederlandse scholen met werken van Adriaen Isenbrandt, Memling, Gérard David, Hieronymus Bosch, David Teniers de Jonge, Erasmus, Rembrandt, Nicolaes Maes en Ludolph de Jongh.

De Italiaanse school is vertegenwoordigd door Giulio Clovio, Orazio Samacchini, Bernardo Cavallino en meesters uit de achttiende eeuw zoals Alessandro Magnasco, Francesco Guardi en Lorenzo Tiepolo.

De Britse school is vertegenwoordigd door Lely, Reynolds, Constable en Romney.

2.2 Beeldhouw- en decoratieve kunst

De collectie beeldhouwwerken is klein maar ze bevat wel unieke stukken zoals een beeld op volledige grootte van Christus van de hand van Michelangelo Naccherino. Verder vinden we hier een Romeinse buste uit de tweede eeuw van Lucio Vero, twee heiligenbeelden van Giambologna, een beeld van de Madonna Cernazai dat toebehoorde aan de magnaat William Randolph Hearst en beelden in terracotta van Vallmitjana en Carpeaux.

De stukken in email zijn een van de grote attracties van het museum. De collectie bevat waardevolle en zeldzame stukken zoals enkele byzantijnse stukken uit de tiende eeuw en glaswerk uit Limoges uit de zestiende eeuw. Een hoogtepunt in de collectie zijn de stukken met ivoren inlegwerk zoals een aantal byzantijnse en Arabische koffers. Verder zijn er er nog een aantal Franse stukken uit de gotiek en middeleeuwse Italiaanse altaren.

In de collectie sieraden zijn er tal van Griekse, Romeinse, Arabische, gotische, renaissance, barokke en romantische werken. Belangrijk voor de diversiteit van de collectie is de aanwezigheid van bronzen stukken uit de oudheid en uit de middeleeuwen.

Er zijn ook waardevolle stukken Spaans en Italiaans aardewerk uit verschillende tijdsperioden in het museum maar er zijn ook Griekse amforen en oosters porselein te bezichtigen.

Er is een collectie oude Italiaanse en Arabische kledij te zien naast een verzameling wapens waaronder zwaarden en rapieren waaronder het rapier dat paus Innocentius VIII schonk aan Íñigo López de Mendoza y Quiñones, tweede graaf van Tendilla. Er staan ook waaiers en sieraden ten toon die toebehoorden aan de vrouw van Lázaro Galdiano.

In de oude zetel van de uitgeverij La España Moderna, verbonden aan het museum, bevinden zich de archieven van José Lázaro Galdiano en die bevatten manuscripten van een onschatbare waarde. Zo vinden we hier het originele manuscript van Los verdaderos retratos… met getekende afbeeldingen van Francisco Pacheco.

Het terrein is voorzien van weelderige tuinen met daarin meer dan honderdjarige bomen en zij bieden een rustgevende plek midden in de wijk Salamanca.

3. Website

Museum Lázaro Galdiano, de site is beschikbaar in het Duits, Engels, Frans, Portugees, Chinees, Russisch, Japans en Spaans.

San Cristóbal de la Laguna

  1. Situering
  2. Geschiedenis
  3. De Santa Iglesia Basílica Kathedraal de San Cristóbal de La Laguna
  4. De kerk Matriz de Nuestra Señora de la Concepción
  5. Het koninklijk Heiligdom van Santísimo Cristo de La Laguna
  6. Het Nava Paleis
  7. Salazar Paleis

1.Situering

San Cristóbal de la Laguna is beter bekend als La Laguna en is een stad op de Canarische Eilanden, ze maakt deel uit van de provincie Santa Cruz de Tenerife.

Foto: het stadhuis van San Cristóbal de La Laguna

Het is de derde stad van de Canarische Eilanden met 157.503 (2019) inwoners en zij ligt in het noordoostelijk deel van het eiland Tenerife naast Santa Cruz de Tenerife waarmee het bijna praktisch samengevoegd is.

De stad werd opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco in 1999.
In de stad bevinden zich de Eilanden Advies Raad, het bisdom van Tenerife en de Universiteit van de Canarische Eilanden.

De stad huisvestte gedurende 3 eeuwen de kapitein-generaal van de Canarische Eilanden en was daardoor het de feitelijke hoofdstad van de Eilanden maar de titel heeft zij nooit officieel gehad.

2. Geschiedenis

Het gebied waar nu de stad San Cristóbal de La Laguna staat was gedurende eeuwen bewoond door de guanches welke hier een 2000 jaar geleden aankwamen. Archeologische opgravingen hebben hiervan een bewijs geleverd.

San Cristóbal de La Laguna werd gesticht aan de rand van de oude lagune Aguere welke droog gelegd werd zodat de stad kon groeien.

De stad deed dienst als hoofdstad van de Canarische Eilanden en van Tenerife na de uiteindelijke verovering van de eilanden en ze werd gesticht tussen 1496 en 1497 door de Adelantado (een soort gouverneur) Alonso Fernández de Lugo en zij huisvestte meerdere kapiteins-generaal. De stad lag wat in het binnenland en was daardoor vrij van plunderingen door piraten.

De Laguna was in die tijd de wieg van de Verlichting op de Canarische Eilanden.
Als gevolg van het kappen van de bossen rond de lagune heeft de erosie goede grond naar beneden verplaatst waardoor er vruchtbare gronden kwamen die bekend staan als Vega Lagunera.

In de loop der jaren verloor de stad een deel van zijn bevolking en dus ook een deel van economische macht aan zijn haven Puerto de Santa Cruz de Tenerife.
In de negentiende eeuw werd door Fernando VII het kapiteinschap overgeplaatst van La Laguna naar Santa Cruz.

La Laguna is erin geslaagd om overeind te blijven door de aanwezigheid van het bisdom Nivariense en van de universiteit van La Laguna. Beide instellingen werden aan La Laguna toegewezen door de bemoeienissen van Cristóbal Bencomo, biechtvader van Fernando VII.
De lagune zelf droogde volledig uit en vandaag de dag bestaat ze niet meer.

Tijdens de twintigste eeuw begon er een onbedwingbare tijd van stedelijke ontwikkeling, vooral in de buitenwijken en zonder een effect te hebben op de oude binnenstad.

Een korte historische nota: toen de troepen van Napoleon Bonaparte de stad Cádiz belegerden in 1810 tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog nam het stadsbestuur van Cádiz de beslissing om de hoofdstad van Spanje te verplaatsen naar de Canarische Eilanden.

Als gevolg van dit bericht richtte men een Hoge Raad van de Canarische Eilanden op die het bestuur van de niet bezette delen van Spanje, van de Amerikaans Kolonies en van de Filipijnen op zich nam.

Toen bleek dat de Franse troepen Cádiz niet konden innemen werd de regering terug overgeplaatst naar het vasteland.

Monumenten

De historische binnenstad is in 1999 uitgeroepen tot Werelderfgoed van de Unesco. Deze opname heeft de stad voornamelijk te danken aan zijn status van eerste vredesstad (zonder muren) en door zijn bijna volledig intact gebleven originele toestand uit de vijftiende eeuw.

In het centrum van de stad vinden we de Kathedraal de Nuestra Señora de Los Remedios, deze kathedraal staat ook bekend als Santa Iglesia Catedral, de kerk Matriz de la Concepción, het Koninklijk Heiligdom van Santísimo Cristo de La Laguna, de Plaza del Adelantado, het gemeentehuis, het Nava paleis (waar men een Parador wil inrichtten) en het Salazar (zetel van de bisschop),het Casino, de kerk van Santo Domingo en het klooster van Santa Catalina waar men het ongeschonden lichaam bewaard van de non Sor María de Jesús die befaamd is voor haar mirakels.

Wij vinden hier ook het oude klooster van San Agustín, verbonden aan de kerk met dezelfde naam. Het is sinds 1846 de zetel van het eerste Instituut van de Canarische Eilanden waar de meerderheid van de inwoners van de eilanden in de twintigste eeuw school gelopen hebben.

3. De Santa Iglesia Basílica Kathedraal de San Cristóbal de La Laguna

De Santa Iglesia Basílica Kathedraal de San Cristóbal de La Laguna, ook wel de Kathedraal en het Heiligdom van Nuestra Señora de Los Remedios, ligt in de de stad San Cristóbal de La Laguna op het eiland Tenerife.

Foto: Kathedraal de San Cristóbal de La Laguna

DailosTamanca

De kathedraal is voor het merendeel in neogotieke bouwstijl maar de voorgevel is in neoklassieke stijl. De kathedraal is de zetel van het diocees van Tenerife dat afhankelijk is van de aartsbisschop van Sevilla.

Hier liggen ook de stoffelijke resten van Alonso Fernández de Lugo, veroveraar van het eiland en stichter van de stad.

Geschiedenis

In 1511 staat er op de huidige plaats een kapel die in 1515 vervangen wordt door een grotere kerk die opgedragen is aan de Virgen de los Remedios. Dit gebouw is in mudejarstijl en de toren is gebouwd in 1618.

Deze kerk werd in 1819 een kathedraal wanneer La Laguna een nieuw diocees werd.
De neoklassieke voorgevel dateert uit 1825 maar de eigenlijke structuur van de kathedraal is gebouwd tussen 1904 en 1916 en is gebouwd in neogotieke stijl.

Binnenin zien we een preekstoel in Italiaans Carrara marmer waaruit ook een deel van het retabel gemaakt is.

In de kathedraal zijn waardevolle stukken aanwezig van Cristóbal Hernández de Quintana, Luján Pérez en Fernando Estévez.

Deze kathedraal is gebouwd met als belangrijkste bouwmateriaal beton en hij was daarmee een van de eerste gebouwen in Spanje waarin men dit materiaal gebruikte. Echter door een pionier te zijn met dit materiaal zijn er een aantal defecten en problemen opgedoken die aanleiding waren tot grote reparaties.

Retabel van de la Virgen de los Remedios

Foto: het retabel

Koppchen

Het meest in het oog springend element in de kathedraal is het retabel of het altaar van de Nuestra Señora la Virgen de los Remedios, patrones van de stad. Het beeld is rijkelijk versierd en staat op een troon met een baldakijn van zilver. Er is een afbeelding van de zon en van de halve maan aan zijn voeten. De Maagd Maria houdt het kindje Jezus in haar handen en ze is vergezeld door twee andere heiligen, San Fernando Rey en Santa Isabel van Portugal.

Deze dubbele patroonheiligen hebben een dubbele betekenis, aan de ene kant is er de samenhang van het grondgebied aan het aartsdiocees van Sevilla met een bisschop die van Sevilla afhankelijk is en aan de andere kant de relatie met de koningen Fernando VII en zijn echtgenote doña Isabel de Braganza.

4. De kerk Matriz de Nuestra Señora de la Concepción

De kerk Matriz de Nuestra Señora de la Concepción in La Laguna ligt tussen de pleinen La Concepción en Doctor Olivera. Sinds 2001 doet de kerk dienst als kathedraal omdat aan de echte kathedraal werken uitgevoerd worden.

Geschiedenis

De locatie van deze kerk is het werk van de Adelantado Fernández de Lugo na de viering van het feest van Corpus Christi in 1496. Gesticht in 1511 is het een van de belangrijkste parochies van Tenerife.

De oorspronkelijke kerk had drie kerkbeuken en er waren een aantal privé kapellen. Het meest aansprekende element van deze kerk is ongetwijfeld de toren die dateert uit de zeventiende eeuw. Vandaag de dag kan men de toren beklimmen waardoor men een goed overzicht heeft over een groot deel van de stad.

De kerk heeft in de loop der jaren diverse veranderingen en vergrotingen ondergaan. Een van de belangrijkste verbouwingen was die in de achttiende eeuw door de architect Diego Nicolás Eduardo. In 1974 werd er dan begonnen met een belangrijke restauratie van de kerk.

Deze kerk herbergt ook een geglazuurde doopvont uit de tijd van de verovering van de Canarische Eilanden.

Religieuze beelden

Binnen in de kerk zijn er werken aanwezig van Fernando Estévez, Luján Pérez en Cristóbal Hernández de Quintana met een grote historische en artistieke waarde.
We vinden hier, onderaan een van de retabels, ook een klein beeldje van de Maagd van Montserrat (patrones van Catalonië).

5. Het koninklijk Heiligdom van Santísimo Cristo de La Laguna

Geschiedenis en beschrijving

Het koninklijk Heiligdom van Santísimo Cristo de La Laguna is gebouwd in opdracht van Adelantado Alonso Fernández de Lugo. De werken begonnen in 1506 en eindigden in 1580.

De kerk heeft één schip, 46 meter lang en 7 meter breed en men gaat binnen door een deur onder het hoogkoor.

Het altaar heeft een voorzijde uit zilver die gemaakt is van de wapens van de markies van Villanueva del Prado.

De muur aan de achterzijde is bezet door een belangrijk baldakijn uit zilver, met een centrale nis waarvan de onderkant uit hout is gemaakt dat bewerkt is met goud en dat het kruis van Christus draagt.

Men heeft ook een beeld van La Dolorosa en dat is een werk van de beeldhouwer Rodríguez de la Oliva. Er is dan nog een ander beeld van San Francisco de Asís dat ook een belangrijk legaat is in edelsmeedkunst. Voor het grootste deel is dit legaat afkomstig van de beste werkhuizen in de streek.

Momenteel is de kerk een koninklijk heiligdom waar een intense eredienst gehouden wordt en het is terug naar de franciscaner orde gegaan.

Retabel van Cristo de La Laguna
Dit is een van de mooiste retabels in Spanje en het staat in de grote kapel. Het is gemaakt in barokstijl uit bewerkt zilver en het dateert uit de achttiende eeuw. De kosten voor de bouw van het retabel werden gedragen door Mateo Velusco in 1675.

De voorzijde is een geschenk van Alonso de Nava y Grimón en van Alvarado Bracamonte. Het retabel is een werk van plaatselijke edelsmeden. Het is opgezet door middel van een linnen doek en de verdeling heeft men gemaakt door middel van een gegraveerd boordsel. Dit geeft een verdeling in twee delen waarvan het bovendeel smaller is dan het onderdeel.

Het bovenste paneel bezit versieringen die bestaan uit een reeks bladeren, bloemen, stengels en granaatappels die zich herhalen over het ganse oppervlak. De makers haalden hun inspiratie uit de barokke retabels op de eilanden die eerder gemaakt werden door Portugese en Andalusische artiesten.

Het centrale deel draagt een wapenschild van de schenkers, de familie Nava y Grimón.

Het onderste deel is verdeeld in 5 panelen terwijl de tafel van het altaar een voetstuk heeft met daarover vier steunen onder het offeraltaar. Hier vinden we plantaardige versieringen.

Het Kruis van Cristo de La Laguna
Dit is een houten kruis dat een zilveren bekleding heeft en het is duidelijk gemaakt in een barokke stijl. Het maakt deel uit van het retabel in de grote kapel. Het was een geschenk van Francisco Bautista Pereira de Lugo aan het franciscaner klooster van San Miguel de las Victorias.

Zijn versiering is eenvoudig maar er is toch een merkbare invloed van de Canarische edelsmeedkunst. Er was een eerder kruis in het heiligdom, een uit hout maar dat is nu in het klooster van Santa Clara waar het nog steeds aanbeden wordt.

Títel van Koninklijk Heiligdom
Het koninklijk Heiligdom van Santísimo Cristo de La Laguna was het derde christelijk heiligdom op de Canarische Eilanden na de Basíliek van Candelaria en de Kathedraal van de Canarias dat de vermelding kreeg van “Koninklijk”. Het heiligdom kreeg deze titel van koning Alfonso XIII.

6. Het Nava Paleis

Dit paleis vinden we in de omgeving van het Plaza del Adelantado in La Laguna, Tenerife. Dit paleis is een voorbeeld van de Canarische architectuur die elementen bevat van de barok, de neoklassieke en de maniëristische bouwstijl. Deze mengeling is de vrucht van de verscheidene momenten waarop verder gebouwd werd. De bouw duurde door al zijn hervormingen en vergrotingen ongeveer twee eeuwen.

De bouw begon in 1585 voor rekening van Tomás Grimón, wethouder van Tenerife. In 1591 beëindigde men de werken aan de voorgevel maar dit werd verder gezet in de zeventiende eeuw.

In 1776 heeft don Tomás de Nava Grimón y Porlier, vijfde markies van Villanueva del Prado, die de drijvende kracht was achter Tertulia de Nava en die de stichter was van de Jardín Botánico del Valle de La Orotava, meerdere hervormingen aan het huis laten uitvoeren. Onder deze veranderingen waren er wijzigingen aan de voorgevel waarvoor men bewerkte blauwe stenen gebruikte.

Instandhouding
De staat van verval aan de elementen zoals het voorplein met een structurele schade, de verlaten tuinen, ingestorte zolderingen, corrosie van de balkons, kortom de algehele slechte staat van het gebouw plaatste het Nava paleis op de rode lijst van van het bedreigde Spaans patrimonium.

7. Salazar Huis

Het Salazar huis in een paleis in barok stijl en het ligt in La Laguna. Het is een van de meest uitgesproken voorbeelden van de typische architectuur van de Canarische Eilanden. In 1681 heeft de graaf van Valle de Salazar, Cristóbal Salazar de Frías opdracht voor de bouw gegeven.

Foto: het Salazar huis

Koppchen

Het gebouw heeft twee verdiepingen waarvan de gevel met de centrale nokversiering met de opzichtige waterspuwers met dieren figuren.

De voorgevel van het paleis eindigt met een centrale borstwering versierd met een marmeren wapenschild van de familie Salazar.

Het paleis werd verworven door de kerkraad tijdens de negentiende eeuw en is momenteel de zetel van het diocees Nivariense.

Op 23 januari 2006 verwoest een brand het gebouw waardoor praktisch alleen de voorgevel overeind bleef staan. Na enkele jaren van heropbouw en restauratie door openbare instellingen de kerk, bedrijven en particulieren werd het gebouw terug ingehuldigd op 19 juni 2009.