Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje

  1. Cueva de Altamira
  2. Cueva de la Peña de Candamo
  3. Cueva de Tito Bustillo
  4. Cueva de La Covaciella
  5. Cueva de Llonín
  6. Cueva del Pindal
  7. Cueva de Chufín
  8. Cueva de Hornos de la Peña
  9. Cueva de El Castillo
  10. Cueva de Las Monedas
  11. Cueva de La Pasiega
  12. Cueva de Las Chimeneas
  13. Cueva de El Pendo
  14. Complejo kárstico del monte de La Garma
  15. Cueva de Covalanas
  16. Cueva de Santimamiñe
  17. Cueva de Ekain
  18. Cueva de Altxerri

1.Cueva de Altamira

Foto: het gele puntje is Altamira, de rode punten zijn andere vindplaatsen in de Frans-Cantabrische archeologische regio

Altamira is een grot in Spanje en zij is beroemd voor haar Laat Paleolithische grotschilderingen die tekeningen, gravures en rotsschilderingen tonen met afbeeldingen van mammoeten en menselijke handen. De grot is nabij de stad Santillana del Mar in Cantabria, Spanje, 30 km ten westen van de stad Santander. De grot en zijn schilderingen zijn opgenomen op de lijst van het werelderfgoed van de UNESCO.

Beschrijving

De grot is 296 meter lang en bevat een reeks van gangen en zalen. De grootste gang heeft een hoogte tussen de 2 en 6 meter.

Door archeologische opgravingen in de bodem vond men resten van kunstvoorwerpen uit een periode, nu ongeveer 18.500 jaar geleden.

Deze kunstvoorwerpen maken deel uit van de Paleolithische tijd of van de vroege steentijd. De grot werd enkel gebruikt door wilde dieren tussen die 2 tijdperken. De grot was zeer goed gelegen om er een voordeel mee te behalen in de jacht door de rijke wildstand die leefde in de vallei van de omliggende bergen. Maar de ligging was ook zeer goed om naar de kust te gaan om daar voedsel te gaan zoeken.

Ongeveer 13.000 jaar geleden werd de grot afgesloten door een vallende steenmassa en daardoor bleef de inhoud van de grot goed beschermt. Deze steenmassa bleef daar totdat een vallende boom de steenmassa in beweging bracht.

Bezoekers aan de grot hebben momenteel enkel toegang tot het begin van de grot alhoewel er doorheen de ganse grot schilderingen en tekeningen zijn aangebracht.

De toenmalige artiesten gebruikten houtskool en oker of roest (een bruine kleur) om deze afbeeldingen te maken, dikwijls krasten of mengden zij deze producten om variaties van intensiteit en helderheid in hun werk aan te brengen.

Foto: afbeelding van een bizon

Museo de Altamira y D. Rodríguez

Zij gebruikten tevens de natuurlijke contouren van de grotwand om zo een drie-dimensionaal effect aan hun werk te geven. De meerkleurige zoldering is het meest indrukwekkende voorbeeld van hun werk en stelt een kudde bizons voor in verschillende positioneringen, twee paarden, een grote hinde en vermoedelijk een everzwijn.

De kunstwerken zijn afkomstig uit het Laat Paleolithische tijdperk en tonen niet alleen afbeeldingen van dieren maar tonen ook abstracte vormen. Onder de kunstwerken vinden we afbeeldingen van paarden, geiten maar ook van afbeeldingen van handen. Deze zijn vermoedelijk afkomstig van de artiest. Er zijn meerdere grotten in Noord Spanje die Paleolithische kunst bevatten maar in geen enkele andere grot is ze zo goed bewaard gebleven en zijn er zoveel kunstwerken bij elkaar.

De ontdekking

In 1879 ontdekte de amateur archeoloog Marcelino Sanz de Sautuola de grot, zijn dochter van negen jaar oud bracht hem daar naartoe. De grot werd uitgegraven door Sautuola en door de archeoloog Juan Vilanova y Piera van de Universiteit van Madrid.

Deze uitgraving leidde tot een publicatie in 1880 die veel bijval genoot en waarin de schilderingen als Paleolithisch erkend werden.

Echter Franse specialisten onder de leiding van Gabriel de Mortillet en Emile Cartailhac, waren niet te overtuigen dat de vondst in Altamira authentiek was. Zij verkondigden dan ook luid hun thesis op een Prehistorisch Congres in Lissabon.

Gelet op de uitzonderlijke staat van conservering en de hoge kwaliteit van de schilderingen werd Sautuola beschuldigd van vervalsing. Een andere Spanjaard beschuldigde hem ervan dat hij de schilderingen had laten maken door een moderne kunstenaar.

Het was eerst in 1902, wanneer er nog meerdere vondsten gebeurden van prehistorische schilderingen, waardoor de hypothese groeide dat de hoge ouderdom van de schilderingen in Altamira correct zouden kunnen zijn en het wetenschappelijk genootschap staakte zijn bezwaren.

Datzelfde jaar gaf Emile Cartailhac zijn vergissing toe in het beroemde artikel, “Mea culpa d’une sceptique” en het werd gepubliceerd in het “journal L’Anthropologie”.

Verdere opgravingen aan de grot gebeurden door Hermilio Alcalde del Río in 1902-1904, de Duitser Hugo Obermaier werkte verder in 1924-25 en uiteindelijk werkte Joaquín González Echegaray door tot in 1981.

Bezoekers en kopieën

Tijdens de 60er en 70er jaren van de vorige eeuw werden de schilderingen beschadigd door de grote aantallen bezoekers met hun uitwasemingen. Altamira werd volledig gesloten voor het publiek in 1977 en werd heropend in 1982.

Momenteel hebben er zeer weinig bezoekers toegang tot de grot wat dan ook resulteert in een wachtlijst van drie jaar. Manuel Franquelo en Sven Nebel hebben vlakbij een kopie van de grot met een museum gebouwd en men kan dit sinds 2001 bezoeken.

De kopie toont op een meer aangename manier de veelkleurige schilderingen van de belangrijkste grot en een selectie van enkele minder belangrijke werken. Er zijn ook kopieën van menselijke aangezichten aanwezig maar deze komen niet uit de grot.

Er zijn meer kopieën van de schilderingen gemaakt en zijn in het Nationaal Archeologisch Museum van Madrid, in het Duitse Museum in München en in Japan te bekijken.

Culturele invloed

Een aantal schilders werden beïnvloed door deze schilderingen. Na een bezoek aan de grot verklaarde Picasso: “na Altamira, is er enkel decadentie”.

Sommige van de veelkleurige schilderingen uit Altamira zijn goed bekend in de Spaanse populaire cultuur. Het logo dat gebruikt wordt door de toeristische dienst van de Autonome Regio Cantabrië om toeristen te lokken is gebaseerd op een van de bizons uit de grot. Bisonte, een Spaans sigarettenmerk gebruikt de Paleolithische bizon in hun logo.

De Spaanse stripfiguur in de serie Altamiro de la Cueva, voor het eerst gemaakt in 1965 is een duidelijk voorbeeld van de roem van de Altamira grot. De stripreeks beschrijft de avonturen van een groep voorhistorische grotbewoners, zij worden beschreven als moderne mensen maar ze zijn gekleed in bont, zoiets als de Flintstones.

De rock groep Steely Dan heeft het lied “The Caves of Altamira” geschreven voor hun album “The Royal Scam” uit 1976. Het refrein zegt:”‘Before the fall, when they wrote it the wall, when there wasn’t even any Hollywood; they heard the call and they wrote it on the wall, for you and me and we understood.”

Men kan meer informatie vinden op de website van Altamira. De site is in het Spaans maar er is een vertaling naar het Engels alhoewel niet alles in de Engelse taal is omgezet.

Openingsuren:

Vanaf mei tot oktober: maandag gesloten, van dinsdag tot zaterdag: 9.30 tot 20.00 en op zondag en feestdagen: 9.30 tot 15.00

Vanaf november tot april: maandag gesloten, van dinsdag tot zaterdag: 9.30 tot 18.00 en op zondagen en feestdagen: 9.30 tot 15.00

Het museum is gesloten op: 1 en 6 januari, 1 mei en 24, 25 en 31 december.

Inkomprijs: € 3 maar kijk op de site van het museum, op een aantal dagen en voor een aantal groepen zoals gepensioneerden is de toegang gratis.

Naast de grot van Altamira zijn er nog een aantal grotten opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed.

Coördinaten: 43°22′57″N 04°07′13″O

2. Cueva de la Peña de Candamo

De Cueva de la Peña de Candamo ligt in het Asturische Candamo in de stad San Román. Ze is sinds juli 2008 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco.

Foto: gewond hert

HERNÁNDEZ PACHECO, E.

De grot werd in de tweede helft van de 19e eeuw ontdekt door een landgenoot met de bijnaam “El Cristo”. Officieel werd ze ontdekt in 1914 en in 1919 publiceerde Eduardo Hernández Pacheco er een wetenschappelijke studie over. Het is een natuurlijke grot van ongeveer zestig meter lang. Chronologisch gaat het tot 18.000 jaar terug, in de zogenaamde Solutréen periode, hoewel er wordt gedebatteerd of sommige gravures behoren tot eerdere momenten of later (gravures van fauna uit een minder koude periode (13.000 jaar).

De grot en zijn schilderingen moeten voor die paleolithische mensen een magisch-rituele betekenis hebben gehad, volgens de gebruikelijke interpretaties van dit soort kunst (Henri Breuil, 1877-1961). Deze interpretaties worden versterkt door de uitgevoerde archeologische onderzoeken in deze grot. Binnen waren er nauwelijks overblijfselen of gebruiksvoorwerpen van het leven in de grot of het uitvoeren van een aantal activiteiten gevonden, wat betekent dat de toegangen die ze erin hebben gemaakt zeer beperkt en voor zeer specifieke tijden moeten zijn geweest. Aan de andere kant werden in een andere grot op enkele meters van deze grot enkele voorwerpen gevonden die duiden op een bewoning.

Vandalisme en een ongecontroleerde en respectloze toestroom van bezoekers veroorzaakten onomkeerbare schade aan de grot, wat betekende dat deze moest worden gesloten om de stabiliteit te herstellen en mossen en algen uit te roeien. Door de tekeningen in Pacheco’s studie uit 1919 te vergelijken met de grot van vandaag, getuigt dit van de verschrikkelijke schade die is aangericht.

De grot kan worden onderverdeeld in:

  • Lage kamer, of kamer met de rode tekens, dat is een kleine kamer bij de ingang, aan de rechterkant, waarin verschillende tekeningen van rode kleur zijn weergegeven.
  • Inkomgalerij, is de toegangsgalerij naar de grot.
  • Hal van Gravures, nadat we deze kamer door een smalle doorgang zijn binnengegaan, zien we aan de rechterkant wat bekend staat als de muur van gravures. Deze kamer dient als verdeling voor de rest van de kamers. In deze kamer bevindt zich, naast de muur, de stalagmitische mogote, de stalagmitische helling en een kleine kamer met een schildering. De muur van de gravures is een muur van zes meter lang en acht meter hoog. Het is een complexe compositie van figuren die wordt gevormd door drie groepen figuren die door overgangstekeningen met elkaar in verband staan.
  • Galerij van de Batiscias
  • De kleedkamer, het belangrijkste onderdeel van de afbeeldingen van de grot is de kleedkamer. Het is een nis in het hoogste deel van de kamer van de gravures. In deze voorstelling zie je paarden en de figuur van een stier. De voorstelling van een paard met grote vaardigheid, het embleem van de grot, onderscheidt zich van deze set.

In maart 2007 wordt het geopend in het prehistorisch park van Teverga, met een reproductie van de grot door Pedro Saura en Matilde Muzquiz, professoren aan de Faculteit voor Schone Kunsten van de Complutense Universiteit van Madrid. De site van het prehistorisch park is beschikbaar in het Spaans, Frans en Engels.

Bezoek is beperkt tot 45 personen per dag gedurende drie maanden en er bestaat een interpretatiecentrum bij de ingang.

In de stad San Román, in het Palacio Valdés, is een interpretatiecentrum van de Caverna de Candamo, het ganse jaar geopend en met een reproductie van een deel van de grot binnenin.

Coördinaten: 43°27′21″N 6°4′21″O

3. Cueva de Tito Bustillo

De grot van Tito Bustillo (of El Pozu’l Ramu in het Asturisch) is een grot met prehistorische schilderingen van 33.000 tot 10.000 voor Christus. Zij ligt in Ribadesella, in het Prinsdom Asturië (Spanje).

Foto: ingang van de grot

Falconaumanni

De grot werd in 1968 ontdekt door de speleologiegroep Torreblanca, begeleid door verschillende jongeren uit de stad. Drie weken later stierf een van de ontdekkers van de speleologie, Celestino Fernández Bustillo, bekend als Tito Bustillo, bij een bergongeval en de site werd naar hem vernoemd. Zij is opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco sinds juli 2008, binnen de site “Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje”.

Toegang tot de grot

In 1969 rehabiliteerde de Patronato de Cuevas Prehistóricas de Asturias de oorspronkelijke ingang die tot dan toe werd belemmerd door een instorting die plaatsvond na de Magdalénien periode, en in 1970 opende dezelfde Patronato een andere ingang door een 165 meter lange tunnel in het gesteente te boren die de drie kilometer van de stad Ribadesella naar de eerste van de ingangen verbond, waarvan een deel te voet moest worden gedaan.

Hoofdgalerij

Via deze tunnel ga je de grot binnen en kom je bij een galerij die de langste arm van de drie is waarin de plattegrond van de grot is gevormd. Langs dit pad, dat destijds ook werd belemmerd door een nieuwe instorting, vinden we aan de rechterzijde de nis van de schilden in rood, geïdentificeerd als de vulva’s van een vrouw, in een aanroeping tot vruchtbaarheid. Na de 540 meter lange reis die deze galerij heeft, komen we aan bij de kamer waar de kruising van de drie paden van de grot is geverifieerd.

Rechts gaat de galerij naar de oorspronkelijke ingang, waar de belangrijke en uitgebreide afzetting is die overeenkomt met de keuken en gebruiksvoorwerpen van de prehistorische mens, want daar was ook de ingang die die families gebruikten. In deze kamer waar de vereniging van de drie richtingen plaatsvindt, is er een schildering van goede grootte die overeenkomt met een paard dat in volle beits van een zeer donkerrode, bijna paarse kleur is geschilderd. De profielen zijn erg vervaagd omdat het water is teruggekeerd om bij een of andere vloed over de rots te lopen.

Links is de galerij die naar de schilderskamer leidt. Als we er langs lopen, laten we rechts van ons een klif van ongeveer twintig hoogtemeters achter waar een beekje doorheen loopt. Net daarachter begint de muur waar de mens van duizenden jaren geleden de bijzondere collectie schilderijen achterliet.

Kamer van schilderijen

Het begint met wat rode vlekken. Kort daarna, en heel dicht bij het grondniveau, zijn er enkele kleine figuren: twee hertachtigen, die blijkbaar achter elkaar lopen, begrensd door een zwarte lijn en met zeer vage bruine inkt om de plek te vullen.

Dan zijn er verschillende vlekken en strepen als gevolg van de droogte die in de jungle bestaat, maar die verschijnen als overblijfselen van meerdere figuren die verdwenen zijn. Vervolgens wordt een klein rendier getekend en een hert op een lager niveau. Vervolgens, en op dezelfde hoogte van de grond, is er een flink paard (1,75 meter lang) in volle beits geschilderd, met kleurveranderingen: een natuurlijk palet, paars en zwart. Onder deze figuur is er nog een zeer onbepaalde grote figuur in het zwart geschilderd.

Hoofdpaneel

Vanaf hier buigt de gang om zich uit te spreiden tot een mooi paneel dat zeer bruikbaar is voor schilderen en graveren. De eerste figuur die in dit paneel wordt gedefinieerd, komt overeen met een hinde in een zwarte lijn en sluit het paneel af met een heel specifiek paardenhoofd dat ook in een zwarte lijn is geschilderd. Tussen de ene figuur en de andere bevinden zich die van vijf paarden, twee mannelijke en één vrouwelijk rendier en een hert. Evenzo zijn er binnen dit paneel in gravure twee paardenfiguren, twee tectiforms (prehistorische tekening in de vorm van een dak), een hertenkop en een kop van een ree, een runderkop en nog eens twee hertenkoppen gedefinieerd.

Alle geschilderde figuren zijn groot, sommige meer dan twee meter lang. Ze zijn gemaakt in een kleurbeits met een reeks van zwart, rood, violet en aarde kleuren. Deze figuren worden gemodelleerd met een beginnend clair-obscur op basis van bleke en soms platte inkten. De meeste figuren worden beoordeeld met gravure, waarbij de meervoudige lijn wordt gebruikt, soms diep en soms heel oppervlakkig.

Tweede paneel

Op dit grote paneel zijn er nog weinig figuren vertegenwoordigd, vandaag zijn er nog alleen een koe en een bizon herkenbaar. De schilderingen zijn opgenomen in de evolutionaire lijn van de late Solutréen tot de Midden Magdalénien.

Antropomorf

Het beeld van een menselijke vorm, een mengeling van vrouw en man, werd in 2000 ontdekt. In het diepste en meest ontoegankelijke deel van de grot werd deze menselijke vorm getekend. Volgens een koolstof 14 datering zijn dit de oudste schilderijen in de grot, ongeveer 33.000 jaar oud. Voor sommige wetenschappers zouden ze kunnen worden uitgevoerd zijn door Neanderthalers, hoewel deze stelling niet wordt bevestigd.

Rotskunstcentrum Tito Bustillo

In maart 2011 werd het Centro de Arte Rupestre Tito Bustillo ingehuldigd, een museumproject voor de verspreiding en promotie van Asturische paleolithische grotkunst. Het centrum bevindt zich op 250 m van de grot en heeft een bruikbare bebouwde oppervlakte van 6.500 m² verdeeld over 3 niveaus: toegangsverdieping, kunstcentrumverdieping en uitkijkverdieping. Er is een website beschikbaar in het Spaans, Frans en Engels.

De museografie is ontworpen en uitgevoerd door de firma Empty. Sono Audiovisual Technology en zij was verantwoordelijk voor de integratie van de audiovisuele systemen van de ruimte, die door middel van nieuwe technologieën en moderne interactieve systemen de verspreiding van artistieke en historische inhoud vergemakkelijken.

Coördinaten: 43°27′39″N 5°4′4″O

4. Cueva de la Covaciella

De Covaciella grot ligt in het Asturische Cabrales, in het gebied van Las Estazadas. Het is sinds juli 2008 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco, op de site “Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje”.

Foto: bizons

José Manuel Benito

Het is een grot met een veertig meter lange galerij die eindigt in een kamer met  14.000 jaar oude paleolithische grotschilderingen uit de Magdalénien periode. De grot werd ontdekt in 1994 toen het, na een explosie voor wegwerkzaamheden, een gat in de grot opende. Het feit dat de grot door een omheining is afgesloten en zijn late ontdekking maakt de kwaliteit en het behoud van de schilderijen zeer hoog. Zij worden aanzien als de best bewaarde bizons aan de Cantabrische kust.

De grot is gesloten voor het publiek en is uitgeroepen tot een troef van cultureel belang, een delicate ecologische balans, die de opening voor het publiek totaal verhindert.

Er is een reproductie van de grot te zien in La Casa Barcena de Carreña de Cabrales.

Coördinaten: 43°19′5″N 4°52′30″O

5. Cueva de Llonín

De Llonin grot, Concha de la Cova of grot van de kaas is gelegen in het centrum van Llonin, in het Asturische Peñamellera Alta. Het is sinds juli 2008 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco, op de site “Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje”.

Deze grot werd in 1957 ontdekt door kaasproducenten die op zoek waren naar een plek om hun kaas te vergisten. Al is het in maart 1971 wanneer de speleologiegroep Polifemo de Oviedo de ontdekking bekend maakt.

De grot heeft verschillende tekeningen van dieren (bizons, rendieren, geiten, enz.) en symbolen die de honderd vertegenwoordigde figuren overschrijden, waardoor het de Asturische grot is met het grootste aantal afbeeldingen.

De grot is gesloten voor het publiek vanwege de frequente instortingen.

In het prehistorische park van Teverga staat een kopie van een klein deel van de grot voor uw bezoek.

Coördinaten: 43°19′50″N 4°38′43″O

6. Cueva del Pindal

De Pindal grot is een prehistorische grot in het noorden van Spanje, die ligt nabij het centrum van Pimiango (Ribadedeva), aan de oostkant van het Prinsdom Asturië. Het heeft een lineair plan waarin twee sectoren worden onderscheiden: de oostelijke, open voor het publiek, en de westelijke, met beperkte toegang. In deze grot zijn enkele grotschilderingen bekend sinds 1908. De grot is sinds juli 2008 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco, op de site “Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje”. Bovendien is deze grot sinds 25 april 1924 van cultureel belang verklaard(RI-51-0000271).

Geologie

Het geologische substraat van de omgeving dateert uit het Paleozoïcum, met kwartsietrotsen uit de Barrios Formatie (Ordovicium), de detritische opeenvolging van de Ermita Formatie (Devoon) en de carbonaatformaties van de Alba Kalksteen en Barcaliente Kalksteen, waarop alles zich ontwikkelt in het karst.

Geomorfologie

De geomorfologie van de grotomgeving is het resultaat van de werking van verschillende processen:

  • Kustlijnen: Twee oude schuurplatforms ontstonden door tektonische processen en / of daling van de zee, namelijk Rasa II de Pimiango (160 m), gelegen in het noorden en die op het Barrios-kwartsiet ligt en Rasa I (50 m), gelegen in het zuiden, op het kalksteen van Barcaliente.
  • Stromingen: die hebben geleid tot het verschijnen van bassins aan de noordkant van Rasa II de Pimiango.
  • De zwaartekracht: Zwaartekrachtafzettingen (rotsval) die puin hebben veroorzaakt op de hellingen van de stortbekkens en in het gebied voor Rasa II de Pimiango.
  • Karst: Dolines zijn een komvormige put die kan voorkomen in landschappen gekenmerkt door karst, gevuld met onoplosbare kalksteenmaterialen en een blinde vallei gevormd door de samensmelting van verschillende zinkgaten op Rasa I van Pimiango, waaronder de grot zich bevindt.

Het bestaan van anisotropieën (anisotroop genoemd wanneer zijn eigenschappen niet in iedere richting dezelfde zijn) (verbindingen, breuken) bevordert de infiltratie van oppervlaktewater en nabijgelegen kanalen, die samen agressieve wateren vormen die carbonaatlithologie gesteenten oplossen, waardoor ondergrondse grotten ontstaan.

De Pindal-grot wordt voornamelijk gekenmerkt door de ontwikkeling van fluviokarstische vormen (met aandacht voor dakhangers), zwaartekracht (met aandacht voor de instortingsafzettingen) en chemische neerslag, evenals een groot aantal speleothemen (stalactieten, stalagmieten en kolommen).

Schilderingen

De meeste afbeeldingen bevinden zich op de panelen rechts in de grot. Er staan 13 bizons, 8 paarden, een ree, een hert en een geïsoleerd gewei, een mammoet en andere niet-herkenbare figuren die gedocumenteerd zijn in verschillende onderzoeken.

Er zijn ook overvloedige rode tekens zoals punten, lijnen, parallelle lijnen en sleutelachtige figuren.

Coördinaten: 43°23′51″N 4°31′58″O

7. Cueva de Chufín

De Chufín-grot bevindt zich in de stad Ricolones, Rionansa, in Cantabrië(Spanje). De grot is gelegen aan de samenvloeiing van de rivieren Lamasón en Nansa, in een omgeving met een abrupt reliëf waarin zich verschillende grotten met rotstekeningen bevinden. Het is een van de grotten die sinds juli 2008 op de Unesco-werelderfgoedlijst staan, op de site “Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje”.

Ze werden ontdekt door de fotograaf Manuel de Cos Borbolla, een inwoner van Rábago (Cantabrië).

In Chufín zijn verschillende bezettingsgraden gevonden. We plaatsen de periode van bewoning tijdens de Boven-Solutréen periode (18.000 jaar geleden), maar als we rekening houden met de rotsvoorstellingen, krijgen we data tussen de 20.000 en 25.000 jaar oud. De kleine grot heeft diepe gravures met een subtiel gevoel en rode schilderijen van herten, geiten, paarden en runderen (een bizon zonder kop) die zeer schematisch zijn weergegeven.

Daarin vinden we ook een groot aantal symbolen terug. Een groep van hen, het type “wandelstok” genoemd, begeleidt de dierenschilderijen binnenin. Er zijn ook een groot aantal tekeningen waarvan er één opvalt rond het gat in de rots dat is geïnterpreteerd als de afbeelding van een vulva.

Coördinaten: 43°17′26″N 4°27′29″O

8. Cueva de Hornos de la Peña

Cueva de Hornos de la Peña is een archeologische vindplaats in Cantabrië met een gebruiksniveau variërend van het Midden-Paleolithicum tot het Neolithicum, gedurende meer dan 30.000 jaar. Het is een van de grotten die sinds juli 2008 op de Unesco werelderfgoedlijst staan, op de site «Altamira-grot en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje».

Foto: tekening van een paard en bizon

José-Manuel Benito Álvarez

De grot ligt naast de wijk Tarriba, (in de gemeente San Felices de Buelna) en er zijn bekende activiteiten van Neanderthalers en Cro-Magnons. Wat het bijzonder maakt, is dat de grot alleen gravures heeft, zonder enige vorm van schildering. In de buitenste schuilplaats bevinden zich de oudst bekende rotsvoorstellingen aan de Cantabrische kust, daterend uit het Aurignacien tijdperk. Onder hen valt een diep gegraveerd paard op en hoewel ze niet meer bestaan, is het op foto’s uit het begin van de 20e eeuw bekend dat er afbeeldingen waren van bizons, paarden, herten …

In het binnengebied, vanaf een diepte van 60 meter, zijn er afbeeldingen van runderen, hertachtigen, geiten en zelfs een rendier in verschillende kamers, allemaal gegraveerd met de vingers in de klei of met een burijn op de rots. Een flink aantal van hen zou kenmerkend zijn voor het Boven-Magdalénien. Antropomorfe voorstellingen zijn te vinden in het gebied waar de grot eindigt.

Coördinaten: 43°15′40″N 4°1′47″O

9. Cueva de El Castillo

De grot van El Castillo is een archeologische vindplaats binnen de complexe grotten van Monte Castillo en is gelegen in Puente Viesgo (Cantabrië). Het is sinds juli 2008 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco, op de site “Altamira-grot en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje”.

Foto: binnenin de grot

Gabinete de Prensa del Gobierno de Cantabria

De grot werd in 1903 ontdekt door H. Alcalde del Río, een van de pioniers in de studie van de eerste rotsmanifestaties in Cantabrië. De opgraving werd gestart door H. Obermaier en P. Werhet van 1910 tot 1914. Deze werken werden gefinancierd door Prins Albert I van Monaco. In het verleden was de ingang van de grot kleiner dan nu, omdat deze werd vergroot met de eerste archeologische opgravingen in de vestibule.

Via de bovengenoemde ingang heb je toegang tot de verschillende kamers waarin een zeer lange reeks is gevonden, van het onder-paleolithicum tot de bronstijd, met een stratigrafie die maar liefst 120.000 jaar zou omvatten. Daarin zijn meer dan 150 figuren gevonden die al gecatalogiseerd zijn, waaronder de gravures van verschillende herten op schouderbladen met gestreepte afwerkingen als schaduwen. Een andere van de figuren die moet worden benadrukt, is die van het sterrenbeeld Corona Borealis, dat een van de oudst bekende sterrenrepresentaties zou zijn.

Onder de schilderingen die de fauna vertegenwoordigde die samenleefde met de opeenvolgende menselijke groepen die de grot bevolkten en verschillende symbolen van onbekende betekenis, valt de reeks van vijftig negatieve handen op. Volgens de analyse van archeoloog Dean R. Snow zijn de meeste handen van vrouwen, wat de traditionele veronderstelling dat grotkunstenaars mannelijk waren in twijfel trekt.

Sommige van deze schilderijen zijn misschien wel de oudst bekende, meer dan 40.000 jaar oud.

Paleontologische overblijfselen

Op deze site zijn fragmenten van botten gevonden die rituelen vertonen die verband houden met de dood.

Een van de weinige menselijke resten uit het Pleistoceen van Cantabrië werd in deze grot gevonden. Het was van een Neanderthaler.

Coördinaten: 43°17′28″N 3°57′51″O

10. Cueva de Las Monedas

De Cueva de Las Monedas is een archeologische vindplaats binnen het Cuevas del Monte Castillo-complex en ligt in Puente Viesgo (Cantabrië). Het is sinds juli 2008 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco, op de site “Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje”.

Deze formatie werd in 1952 gevonden door Isidoro Blanco. Het is een holte met een kleine hal die toegang geeft tot een netwerk van kamers waarin zich stalagmieten, stalactieten en andere typische grotformaties bevinden.

De belangrijkste studie van Las Monedas is uitgevoerd door Eduardo Ripoll Perelló, die in 1972 een studie publiceerde waarin hij verslag deed van het uiterlijk van materialen uit de brons- en de ijzertijd, evenals enig lithicum uit het paleolithicum en enkele munten die waren verborgen in de tijd van de katholieke vorsten. Daarnaast zijn er een groot aantal grotschilderingen vergelijkbaar met die welke in de regio zijn verschenen: zwarte schilderijen met afbeeldingen van paarden, beren, geiten, …

Coördinaten: 43°17′28″N 3°57′51″O

11. Cueva de La Pasiega

De Pasiega grot, gelegen in de Spaanse gemeente van Puente Viesgo, is een van de belangrijkste vindplaatsen van paleolithische kunst in Cantabrië. De grot is sinds juli 2008 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco, binnen de “site Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje.”

De grot ligt in het midden van de vallei van de rivier de Pas, vlakbij de grot van Hornos de la Peña op de berg Castillo, dezelfde die de grotten van Las Monedas, Las Chimeneas en de grot van El Castillo herbergt. De grotten van Monte Castillo vormen een verbazingwekkend compleet ensemble, zowel vanuit het oogpunt van de materiële cultuur van het stenen tijdperk als vanuit artistiek oogpunt. La Pasiega is in wezen een enorme galerij van wel 120 meter lang (bekend) die min of meer evenwijdig loopt aan de helling van de berg die naar de oppervlakte stijgt door zes verschillende plaatsen: zes kleine monden, waarvan de meeste verstopt zijn. Momenteel zijn er twee in gebruik als ingang voor bezoekers. De hoofdgalerij is ongeveer zeventig meter lang en komt uit op diepere, kronkelende en labyrintische secundaire galerijen die soms uitlopen in kamers.

De gedocumenteerde overblijfselen zijn voornamelijk ingelijst in het Boven-Solutréen en het Beneden Magdalénien, hoewel er ook oudere objecten werden gevonden. In de hele grot zijn er schilderijen en ingesneden gravures. Opvallend zijn de afbeeldingen van paardachtigen, hertachtigen (mannelijk en vrouwelijk) en runderen. Daarnaast zijn er tal van abstracte (ideomorfe) tekens.

De ontdekking van La Pasiega

De wetenschappelijke ontdekking van de grot van La Pasiega is te danken aan de paleontologen Paul Wernert en Hugo Obermaier, die tijdens opgravingen in de grot van El Castillo in 1911 het nieuws ontvingen dat de arbeiders een andere nabijgelegen holte kenden die de lokale bevolking «La Pasiega » noemde. Deze onderzoekers hebben dan onmiddellijk geverifieerd dat de grot grotschilderingen had.

Iets later begonnen Abbe Breuil, Obermaier zelf en Hermilio Alcalde del Río met hun systematische studie. Dit kon niet worden geconcludeerd voor het grote werk dat in datzelfde jaar werd gepubliceerd door Breuil, Alcalde del Río en Lorenzo Sierra. Een aparte monografie, gepubliceerd in 1913, was dus noodzakelijk. Dit is een cruciaal moment voor de vooruitgang van de prehistorische wetenschap in Spanje.

Eerder was de El Castillo-grot ontdekt door Alcalde del Río in 1903 en, zoals aangegeven, voerde Obermaier tussen 1910 en 1914 opgravingen uit. Deze opgravingen werden tot op de dag van vandaag verschillende keren met tussenpozen voortgezet door gekwalificeerde specialisten. De laatste tijd wordt het onderzoek uitgevoerd door de archeologen Rodrigo de Balbín Behrmann en César González Sáinz.

Na de ontdekking van “La Pasiega” en de eerste campagnes, werd het gebied weinig bezocht, grotendeels als gevolg van de barre historische omstandigheden waar Spanje doorheen trok, tot in 1952 er een open plek werd gemaakt om eucalyptus te herplanten.

Toen verscheen er een andere grot met een kleine schat aan geld uit de 16e eeuw, waarmee de nieuwe grot werd gedoopt als “Las Monedas”, die ook een grotheiligdom bleek te zijn met belangrijke schilderijen en gravures. Geconfronteerd met dit perspectief, voelde ingenieur Alfredo García Lorenzo aan dat de berg Castillo meer geheimen bewaarde, dus begon hij een geologisch onderzoek dat resulteerde in de ontdekking van een andere grot met grotschilderingen, “Las Chimeneas” naast andere minder belangrijke vindplaatsen zoals La Flecha, Castañera, Lago…

Coördinaten: 43°17′28″N 3°57′51″O

12. Cueva de Las Chimeneas

De Cueva de Las Chimeneas is een archeologische vindplaats in het Cuevas del Monte Castillo-complex en ligt in Puente Viesgo, Cantabrië. Het is sinds juli 2008 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco, binnen de gezamenlijke rubriek “Grot van Altamira en Paleolithische Grotkunst van Noord-Spanje”.

Het is een holte met twee verdiepingen die met elkaar verbonden zijn door de vorming van karstschoorstenen, waaraan de grot zijn naam dankt. Het archeologische belang ligt op de benedenverdieping, aangezien het bovenste deel van de grot gewoon een kaal labyrint is.

In 1953 werd de grot ontdekt door hetzelfde team van wegwerkers van de Regionale Raad die de Cueva de Las Monedas ontdekten en drie jaar later publiceerde Joaquín González Echegaray een studie waarin hij sprak over het verschijnen van overblijfselen van vuursteen, graven uit de recente prehistorie en verschillende gravures in de grot

De hele set zou worden ingelijst in de Leroi-Gourhan-stijl III, dat wil zeggen uit de Solutréen-periode. Echter, koolstof 14- datering geeft aan dat de overblijfselen uit de Magdalénien periode dateren

Coördinaten: 43°17′28″N 3°57′51″O

13. Cueva de El Pendo

De grot van El Pendo is een prehistorische grot in de autonome gemeenschap Cantabrië. De grot is sinds juli 2008 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco, op de site “Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje.”. Het is het onderwerp geweest van talrijke archeologische opgravingen die het bestaan van een relevante stratigrafie op de plaats hebben onthuld.

Foto: herten in El Pendo

Sautuola1880

In 1907 ontdekte Alcalde del Río op de bodem van de grot enkele gravures die van oudsher in de Neder-Magdalénien periode zijn geplaatst en die een vogel en een mogelijk paard zouden voorstellen. De campagnes van Jesús Carballo brachten een van de beste collecties roerende kunst op het schiereiland aan het licht, waaronder de beroemde geweistaf of geperforeerde stok. Tijdens de jaren vijftig registreerde de grot opeenvolgende opgravingen die werden geleid door professor Martínez Santaolalla en de plaats was de locatie voor de II International Course of Field Archaeology in de zomer van 1955.

Gelegen in de wijk El Churi in Escobedo de Camargo in Camargo, is de El Pendo-grot een van de meest geciteerde vindplaatsen in archeologische geschiedschrijving en een van de verplichte referenties in de studie van het paleolithische schiereiland. Het bevindt zich sinds 2016 in de ANEI Cuevas del Pendo-Peñajorao.

Tussen 1994 en 2000 reactiveerden de archeologen Ramón Montes en Juan Sanguino de werken in het oudste deel van de reeks (Midden paleolithicum). In augustus 1997 ontdekten ze bij toeval een reeks grotschilderingen in een grote fries met een leeftijd van ongeveer 20.000 jaar en die onopgemerkt waren gebleven vanwege de aanwezigheid van een korst van vuil die hen maskeerde. Het zijn meestal hinden, maar er is ook een paard, een mogelijke oeros en een geit, naast verschillende tekens te zien. Ze lijken geschilderd in ijzeroxide, met behulp van de technieken van buffering en spotinkt.

De waarde van de ontdekking ligt in de spectaculaire aard van het complex, in de informatie die het geeft over paleolithische rotskunst en in het feit dat het voorkomt op een van de locaties in Zuidwest-Europa, essentieel voor het begrijpen van deze periode.

Coördinaten: 43°23′17″N 3°54′44″O

14. Complejo kárstico del monte de La Garma

Het karstcomplex van de berg La Garma, gelegen tussen Omoño, in de gemeente Ribamontán al Monte, en Carriazo, in de gemeente Ribamontán al Mar (Cantabrië, Spanje), bevat belangrijke sets paleolithische rotstekeningen met geschilderde dierfiguren, gegraveerd, tekens en handen in rood negatief. Het is sinds juli 2008 opgenomen op de UNESCO Werelderfgoedlijst op de site “Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje”.

Foto: beer uitgesneden uit een rib

Gabinete de Prensa del Gobierno de Cantabria

Het bevat ook een grote afzetting uit het geavanceerde paleolithicum, in een uitstekende staat van bewaring, met paleolithische overblijfselen aan de oppervlakte, verzamelingen kolen op de grond, menselijke skeletten, evenals overblijfselen van paleontologisch belang (holenbeer).

Op een hoger niveau zijn er hoge middeleeuwse keramiek, menselijke graven uit de recente prehistorie, evenals een gelaagde afzetting van het Boven-Paleolithicum tot het Mesolithicum.

Er is ook een grafniveau uit de recente prehistorie met overvloedig handgemaakt keramiek, geometrische microlieten en zwarte markeringen op de muren.

Coördinaten: 43°25′50″N 3°39′57″O

15. Cueva de Covalanas

De Covalanas-grot is een holte in de buurt van Ramales de la Victoria, Cantabrië. De toegang is ongeveer 700 meter van de N-629 weg, op een muur gevormd door de rivier Calera. Het is sinds juli 2008 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco, op de site “Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje”

De grot is een van de grotten die deel uitmaken van de archeologische zone van Ramales, die een eenheid vormt volgens zijn chronologie, typologie en situatie en een opmerkelijk aspect van de Cantabrische cultuur definieert.

Het werd ontdekt, zoals zoveel anderen in het gebied, door Hermilio Alcalde del Río en de priester Lorenzo Sierra, in 1903.

De grot als zodanig heeft een grote beschutting voor de opening en van daaruit ontstaan twee praktisch parallelle galerijen. De een aan de rechterkant, die naar beneden loopt, is degene die de rots manifestaties bevat die de grot beroemd hebben gemaakt.

De galerij aan de rechterkant bevat een groot aantal rode figuren, voornamelijk hinden, van verschillende groottes en zowel in als uit de grot. De techniek om ze uit te voeren, is in het algemeen tamponnade. Naast de bijna 20 hinden zijn er een paard, een oeros, enkele niet-geïdentificeerde delen van dieren zoals een hoofd of torso, en enkele tekens waarvan de betekenis onbekend is aanwezig.

Bezoek

De grot is open voor het grote publiek, in groepen van maximaal zeven personen, en heeft een gidsdienst.

Coördinaten: 43°14′44″N 3°27′08″O

16. Cueva de Santimamiñe

De Santimamiñe-grot bevindt zich in de stad Vizcaína van Cortézubi, in het Baskenland. Men heeft overblijfselen en grotschilderingen gevonden die dateren uit het Boven-Paleolithicum, in de Magdalénien periode (tussen 14.000 en 9.000 jaar voor Christus). Het wordt beschouwd als een icoon van de Biskajeaanse cultuur en is de belangrijkste prehistorische vindplaats. Het is sinds juli 2008 opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco, op de site “Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van Noord-Spanje”.

Locatie en toponymie

De grot bevindt zich in de wijk Basondo in Cortézubi, een stad in de buurt van de stad Guernica en Luno, aan de voet van de berg Ereñozar (448 meter boven de zeespiegel), in de buurt van de hermitage van San Mamés (Santi Mamiñe in het Baskisch), waaraan het zijn naam ontleent), in het natuurpark Urdaibai. In eerste instantie wordt de grot “de grot van Basondo” genoemd en zo wordt hij beschreven in de notulen van zijn ontdekking en van zijn eerste verkenningen. Er zijn enkele referenties zoals “grot van Cortézubi”. De grot ligt tegenover het bos van Oma, ook wel het betoverde bos van Oma genoemd, omdat het het artistieke werk van de Baskische schilder en beeldhouwer Agustín Ibarrola herbergt.

Ontdekking

Aan het begin van de 20e eeuw, in de eerste twee decennia, namen de vondsten van grotten met paleolithische kunst toe, onder hen is ook Santimamiñe. In 1916 gingen enkele kinderen op zoek naar avontuur, en ze klommen de grot in (waar nu een zwarte lijn staat die aangeeft hoe ze zijn gegaan). Ze rukten gigantische stalactieten uit en ontdekten een geheime doorgang waarin ze binnengingen en de schilderijen vonden. Ze gaven er geen belang aan, maar korte tijd later, op 7 augustus 1916, verbleef de componist Jesús Guridi in een kuuroord in Cortézubi. De zoon van de eigenaar, Don José F. Bengoechea, vertelde hem dat ze tijdens een excursie in januari van dat jaar en samen met enkele vrienden tekeningen hadden gezien in een grot in de omgeving.

Foto: schildering van een paard

ETOR Entziklopedia

Geïnteresseerd in het verhaal organiseerde de Baskische componist een excursie met Bengoechea en de rest van de kinderen. Op 11 augustus 1916 ging de componist met hen de grot binnen om te verifiëren dat het grotschilderingen waren.

Guridi deelde de ontdekking in Bilbao mee aan Manuel Losada, lid van de Commissie voor Monumenten van Vizcaya, die na Guridi naar de grot te hebben vergezeld, officieel kennis aan de genoemde commissie gaf. Dat gebeurde tijdens een vergadering die verschijnt in de notulen van 15 mei 1917 van genoemde commissie.

Daarop werd de componist uitgenodigd om de details van wat hij had ontdekt openbaar te maken. In deze vergadering werd de bevinding waarheidsgetrouwheid verleend en werd ermee ingestemd de voorzitter van de deputatie uit te nodigen voor de volgende vergadering voor officiële communicatie.

Na de ontdekking werden de grotten op 16 september 1917 onderzocht door Abbe Breuil, uitgenodigd door de Commissie voor Monumenten van Vizcaya, die de eerste officiële certificering van de ouderdom van de schilderijen maakte. Later werden verschillende studies en opgravingen uitgevoerd. Het hoofdonderzoek zou tussen 1917 en 1918 worden uitgevoerd en Telesforo de Aranzadi, José Miguel de Barandiarán en Enrique Eguren namen eraan deel. In dit onderzoek is de plek bij de ingang van de grot opgegraven, waarin ook andere onderzoeken en publicaties zijn uitgevoerd, zoals die in 1960 door JM Apellániz en Xabier Gorrotxategi (voor zijn proefschrift) werden uitgevoerd.

In de laatste twee decennia van de 20e eeuw zijn studies uitgevoerd om de schade aan alle schilderijen vast te stellen. Deze studies bepaalden de noodzaak om de toegang te beperken om te voorkomen dat de omgevingscondities van het bestaande microklimaat in de holte worden gewijzigd.

De maatregelen die toen, in 1997, werden genomen, waren om de dagelijkse capaciteit te beperken tot 75 bezoekers en om de belangrijkste kamer met schilderingen te sluiten.

De grot van Santimamiñe maakt deel uit van de reeks prehistorische vindplaatsen van de Atlantische boog. In Euskadi (Baskenland) zijn er andere belangrijke vindplaatsen die een wijds panorama completeren van afbeeldingen van grotvondsten die zijn toegevoegd aan die van Asturië, Cantabrië en Aquitaine.

In november 2006 werd de grot opgenomen in de kandidatuur van de paleolithische rotskunst van de Cantabrische kust voor zijn verklaring door UNESCO als werelderfgoed, die werd goedgekeurd door de Raad voor historisch erfgoed om in 2007 te worden gepresenteerd. Deze kandidatuur omvat 14 locaties , zoals Tito Bustillo en Candamo in Asturië, de Ekain-grot in het Baskenland en het complex van Montecastillo, Covalanas en La Garma in Cantabrië.

Datzelfde jaar werden de faciliteiten volledig gesloten voor het publiek en werden maatregelen genomen voor het behoud ervan. Deze conserveringsacties omvatten de ontmanteling van de verlichtingsinstallaties en de beperking van bezoeken aan de lobby van de holte, waar archeologische opgravingen zijn uitgevoerd, waardoor de rest van de holte in het donker blijft en alleen toegankelijk is voor onderzoek en onderhoud.

Het is de bedoeling om vanaf 2006 een systematisch archeologisch opgravingsplan uit te voeren.

Grot

De compositie van de Santimamiñe-grot is van grote schoonheid. De grot heeft een lengte van 365 meter die bezocht kon worden voordat het in 2006 voor het publiek werd gesloten, en er zijn overvloedige calciumformaties met een overvloed aan stalactieten en stalagmieten die merkwaardige figuren vormen. Er worden ook calciumcarbonaatgordijnen van verschillende kleuren geproduceerd die afhankelijk zijn van de oxiden die het water draagt.

Ongeveer 60 meter van de ingang opent zich aan de linkerkant een smalle galerij die zich in twee delen uitstrekt: de eerste is de voorkamer voor de schilderingen en de andere is de hoofdkamer.

De vindplaats

De vindplaats bij de ingang van de grot leverde vondsten op die variëren van het paleolithicum tot de Romeinse tijd. Het relevante niveau is de Magdalénien, waar schilderingen en gravures deel van uitmaken. Er is een schelp gevonden die getuigt van het belang van schaaldieren in het dieet van prehistorische bewoners.

In de hele grot zijn 47 schilderijen aanwezig en het zijn allemaal afbeeldingen van dieren. We vonden 32 bizons, zeven geiten, zes paarden, een hert en een beer. Alle figuren zijn in zwart-wit weergegeven. Het materiaal dat voor de uitvoering werd gebruikt, was steenkool.

De eerste figuren staan in de grote zaal, bij de ingang, zo’n tien meter na de hal. Verder naar binnen, in wat de diepe zone wordt genoemd, op honderd meter afstand, is er nog een reeks figuren, waaronder een bizon en een paard.

In de voorkamer staat een grote groep figuren van zeer slechte kwaliteit, waar paarden en bizons opvallen. Vervolgens in de hoofdkamer, die een vierhoekige vorm heeft van 4 m lang, 3 m breed en 3,5 m hoog, is waar de meest spectaculaire set van de hele site zich bevindt. Naast de ingang staat een groep gegraveerde en beschilderde bizons. In het hoofdpaneel, boven en rechts van de conische stalagmiet waar de vorige figuren zijn, zijn er 8 bizons, een paard en een gebogen lijn.

Verslechtering van de toestand

Uit de studie die aan het einde van de 20e eeuw werd uitgevoerd, werd de kwetsbaarheid van het monumentale complex bevestigd en werden maatregelen genomen om het bezoek te beperken en de sluiting van de grote schilderskamer werd ingevoerd. Evenzo is gebleken dat de infrastructuren die in de grot zijn geïmplementeerd om hun bezoek door het publiek te vergemakkelijken, zeer schadelijk zijn, met name de verlichting, die de groei van kolonies van micro-organismen en vegetatie stimuleert, vooral in gebieden die permanent verlicht zijn. De verlichting heeft ook invloed op de temperatuur van de grot. Metalen structuren veroorzaken oxidatie en condensatie die vermeden moeten worden.

Een andere factor die werd opgemerkt, is de toename van de door bezoekers geproduceerde CO 2, waarbij de toename van vuil komt, deels van buitenaf en een ander deel van het stof dat binnenin opstijgt.

Santimamiñe, een oud landschap

Het ministerie van Cultuur van de Provinciale Raad van Vizcaya met de lancering van het Cultureel Project “Santimamiñe, een duizendjarig landschap”, waarin een virtuele 3D-toegang plaatsvindt in een ruimte die voor dit doel is voorbereid in de hermitage van San Mamés.

Bezoekers maken met een speciale bril een wandeling door de grot waarbij ze uitleg krijgen in verschillende talen. De reconstructie wordt uitgevoerd dankzij een eerdere scan van de grot en het maken van digitale high-definition foto’s, waaruit een volledig driedimensionaal model van de hele ruimte is verkregen.

Coördinaten: 43°20′47″N 2°38′12″O

17. Cueva de Ekain

De Ekain grot (Ekaingo leizea of Ekaingo Koba in het Baskisch) is een grot gelegen in Guipuzcoan, deelgemeente van Deva. De grot werd in 1969 ontdekt, en er bevinden zich verschillende sets van grotschilderingen uit de Magdalénien periode (Paleolithicum). Het belang van deze schilderijen betekent dat de grot samen met Lascaux, Niaux en Altamira wordt beschouwd als een van de belangrijkste Europese prehistorische heiligdommen en daarom werd hij opgenomen op de lijst van 2008 van het Werelderfgoed van Unesco, als onderdeel van de site “Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van de Cantabrische kust.”

Foto: afbeelding van twee paarden

Onder de verschillende groepen grotschilderingen die Ekain herbergt, valt degene op die bekend staat als het “paneel van paarden” waarvan de antropoloog en archeoloog Jesús Altuna in zijn boek Lehen Euskal Herria schreef als “een van de mooiste groepen paarden in alle Frankisch Cantabrische kunst”. Het benadrukt ook het deel dat bekend staat als “gesneden gevogelte contour”, uitgesneden in een rib van een rund en dat een vogel voorstelt, iets heel ongebruikelijks in die tijd toen de meeste weergegeven contouren overeenkwamen met bizons, paarden, geiten of herten.

Vanwege het belang van de site en om de originele schilderijen te behouden en hun beschadiging te voorkomen, werd besloten de grot niet open te stellen voor het publiek en er een replica van te maken, zoals eerder was gedaan in Lascaux, Niaux en Altamira. Het resultaat is Ekainberri, een culturele infrastructuur in de buurt van de grot die het mogelijk maakt de site bekend te maken aan het publiek en tegelijkertijd te zorgen voor een goede instandhouding.

Situatie

De Ekain-grot bevindt zich op de heuvel waaraan het zijn naam ontleent, in de stad Deva en in de Goltzibar-vallei, aan een beek die behoort tot het Urola-bekken, zeer dicht bij de stad Cestona, op slechts 1500 meter ervan. Voor de ingang van de grot ontmoeten de stromen van Goltzibar en Beliosoerreka elkaar en vormen de Sastarrain-regatta, die uitmondt in het nabijgelegen Urola.

Gezien de kwetsbaarheid van de schilderijen en om hun conservering te behouden, is een replica van de schilderijen gemaakt in de buurt van de locatie van de oorspronkelijke grot, naast Cestona in Ekainberri.

Geschiedenis

De grot werd in 1969 ontdekt door Rafael Rezabal en Andoni Albizuri, leden van de culturele vereniging Azpeitiarra Antxieta, fans van het zoeken naar archeologische overblijfselen. Tijdens een van hun verkenningen op de berg Izarraitz, die het verloop van de Goltzibar-regatta volgde, ontdekten ze een unieke plek, ideaal voor een prehistorische nederzetting. Op 1 juni 1969 vonden ze de ingang van de grot, die ze op de 8e van dezelfde maand verkenden en de galerij met schilderingen ontdekten nadat ze zich een weg hadden gebaand door een kleine gang.

De eerste studies werden uitgevoerd door José Miguel de Barandiarán en Jesús Altuna, behorend tot de Sociedad de Ciencias Aranzadi, die eind dat jaar hun conclusies publiceerden in het tijdschrift Munibe (orgaan van de Sociedad de Ciencias Naturales Aranzadi), een tweede studie van de conclusies werden in 1978 opnieuw gepubliceerd in hetzelfde tijdschrift. De testen die bij de ingang van de grot werden uitgevoerd, leidden tot de verificatie van het bestaan van een prehistorische vindplaats. De site werd opgegraven en bestudeerd tussen 1969 en 1975, meer dan 6 opgravingscampagnes werden uitgevoerd door de Sociedad de Ciencias Aranzadi, met een financiering door de provinciale raad van Guipúzcoa. De eerste drie campagnes werden uitgevoerd onder leiding van José Miguel Barandiarán. In de latere vondsten werden overblijfselen gevonden die getuigen van de bezetting van de grot in verschillende perioden, evenals de bezetting ervan door holenberen. In 1978 werd een uitbreiding van de studies uitgevoerd.

De schilderijen werden geclassificeerd als behorend tot de Boven-Paleolithische Magdalenische periode en van uitzonderlijke kwaliteit, vergelijkbaar met die van Altamira of Lascaux. In juli 2008 werd het complex door UNESCO uitgeroepen tot werelderfgoed.

De replica

Gezien het belang van de site en de kenmerken van de grot, werd besloten deze niet open te stellen voor het publiek en er een replica van te maken, samen met een uitgebreidere culturele uitrusting die de prehistorische periode zou verklaren waarin de schilderijen werden gemaakt. Het resultaat van dit project is Ekainberri, de replica van de Ekain-grot. De site is beschikbaar is het Euskera, Spaans, Frans en het Engels.

De replica is gemaakt door de Ekain Foundation, waarin de Provinciale Raad van Guipúzcoa, de Baskische regering en de gemeenteraad van Cestona deelnemen. De infrastructuur wordt beheerd door de Tijdelijke Vereniging van Bedrijven gevormd door Arazi en de Sociedad de Ciencias Aranzadi.

Het is gelegen bij de ingang van de Sastarrain-vallei, 600 meter voor het bereiken van de oorspronkelijke grot. De replica is gemaakt door de firma ZK Productions de Montignac (Frankrijk), onder leiding van Renaud Sanson. De wetenschappelijke begeleider van het project is Jesús Altuna. De scenografie waaruit de replica bestaat, bestaat uit twee verschillende delen, het ene, het zogenaamde “detail”, is gemaakt door het bedrijf ZK Productions, terwijl het complementaire deel is gemaakt door het Eibar-bedrijf Alfa Arte, die ook de montage van de structuur, de airconditioning, het scenografische licht en de route van het water door de scenografie heeft behandeld. Samen met deze twee bedrijven en het voltooien van de rest van de faciliteiten van het complex, hebben verschillende andere bedrijven meegewerkt.

De bouw van de replica van de Ekain-grot en de bijbehorende faciliteiten heeft door verschillende omstandigheden lange tijd vertraging opgelopen. Nadat het gebouw waar de replica zou komen te staan, was gebouwd, lagen de werkzaamheden, vanwege financiële problemen, 8 jaar stil. De realisatie van het paneel van de schilderijen, dat was gebaseerd op een 3D digitale tomografie van de oorspronkelijke kamers, duurde meer dan twee jaar om te worden weerspiegeld in polyethyleen, vervolgens bedekt met mortel en later gepolychromeerd.

Niveaus

Archeologische opgravingen duiden op overblijfselen uit het Boven-Paleolithicum met Châtelperronien bewijs. Op niveau X is het gedateerd op een ouderdom van meer dan 30.600 jaar. Op niveau IX zijn er talloze overblijfselen van holenberen en enkele stukken met een aurnacoïde uiterlijk. Op niveau VIII worden de overblijfselen van holenberen niet meer gevonden, met enkele onbeduidende stukken lithische industrie.

Op niveau VII, behorend tot het Neder-Magdalénien, wordt betrouwbaar bewijs van menselijke aanwezigheid getoond. Het is gelegen in de lobby van de grot en bestond uit vier woningen. Er zijn tal van overblijfselen van voedsel en industrie, zowel lithisch als botten. Door de voedselresten te bestuderen, wordt geconcludeerd dat de bezetting van de grot in de zomer is uitgevoerd (de voedselresten duiden op een dieet op basis van reekalfjes en herten, aangezien er geen overblijfselen zijn van dieren tussen 6 en 10 maanden oud, wordt geschat dat het verblijf niet druk was in de winter).

Op niveau VI, gedateerd op 12.050 jaar en ook behorend tot het Neder-Magdalénien, werden typische harpoenen uit die tijd gevonden en het bewijs van de specialisatie in de jacht op de berggeiten die in het nabijgelegen Izarraitz leefden. Toch was de bezetting van het verblijf tijdelijk. Onder de vondsten op dit niveau valt een zandstenen plaatje op met gravures van een berggeit, een hert en een paard. Dit element werd gevonden in 7 verspreide stukken en is gedateerd op 12.000 jaar.

De bovenste lagen stammen al uit de Azilien periode waar de gebruiken en manier van leven anders waren.

De grot en de schilderingen

De Ekain-grot bestaat uit verschillende kamers en galerijen, die elk hun eigen kenmerken hebben en dienovereenkomstig zijn genoemd. Er zijn in totaal 70 figuren gevonden die doorheen de verschillende galerieën zijn verspreid. 64 van de figuren zijn geschilderd en de rest is gegraveerd. Het aantal hangt af van het al dan niet tellen van bepaalde lijnen die eraan gekoppeld zijn. Ongeveer 58% van de figuren zijn paarden, de meest vertegenwoordigde dieren worden niet het meest gebruikt voor het voeden van degenen die de grot bewoonden.

Er zijn drie sets met meer dan vijf figuren en de geschilderde paarden komen overeen met het type paard dat bestond in de laatste paleolithische periode, met korte en rechtopstaande manen, vlekken op de nek, een lichtere buik dan de rug en zebrastekken op de ledematen en nek.

De kleur is zwart en rood, het zwart is gemaakt met houtskool of mangaan en het rood is afkomstig van limoniet, een natuurlijk mineraal van ijzeroxide.

De ingang en Erdibide

De oorspronkelijke ingang van de grot had de vorm van een boog met een hoogte van 1,20 m en een breedte aan de basis van 2,30. Na het doorkruisen van een smal gebied, gaat het gewelf omhoog, waarin een volwassene rechtop kan blijven. De galerij die uitkomt bij de ingang heet Erdibide, de vloer zijn stalagmieten op een kleine helling, maar wel wat smal. In deze galerij is de eerste schildering, 6 meter van het begin, een lijn in het zwart. Verderop is er een groot paardenhoofd, op 50 meter van de ingang van de grot (de grootste bestaande in de grot) op een strategisch punt vanwaar je een stenen blok kunt zien dat lijkt op het hoofd van een paard (dit blok is in de kamer genaamd Erdialde). De beschilderde kop is gemaakt in inkt en naar rechts gericht. Geschilderd met mangaan, is de omtrek donkerder bij de kaken, de slapen en het begin van de manen is wat lichter. Het oog en de oren zijn goed aangegeven.

Zaldei Kamer

Dit is de belangrijkste kamer in de grot omdat het grote paneel met paarden erin staat. De grond is stalagmitisch met kleine ongelukjes door de randsteen (dit is gemaakt van kalk of andere mineralen in grotpoelen). Aan beide kanten zijn er afzonderlijke reeksen figuren waarvan de meeste paarden zijn en twee bizons, elk op een muur. De paarden lijken overeen te komen met de paarden die in die tijd in het gebied aanwezig waren, met rechtopstaande manen (weergegeven door een reeks korte verticale slagen), verschillende kleuren tussen de dorsale en ventrale gebieden (weergegeven door een “M”-lijn) en zebrakleuren op de onderpoten.

Het grote paneel met paarden aan de rechterwand bestaat uit 18 figuren waarvan 11 paardachtigen. 15 van de dieren zijn naar links gericht, naar de “berennest” die zich in de Artzei-kamer bevindt. De figuren overlappen elkaar niet en worden op verschillende manieren weergegeven, sommige hebben een zwarte omtrek, andere hebben een zwarte interne modellering, andere zijn dan weer gemaakt in zwart en rood en andere zijn gegraveerd.

Op de linkermuur staan 8 paarden die naar rechts kijken, ook richting het “berennest”.

De bizon figuren zijn gemaakt met gebruikmaking van een natuurlijke rotsachtige rand, waardoor de uitdaging van het lichaam door te schilderen wordt voltooid. Deze richel vormt de ruglijn en de staart.

Artzei Kamer

In deze kamer bevindt zich het berennest, het is een platform waarop, in een laag plafond, aan het zicht onttrokken, een paar beren zijn geschilderd, vergelijkbaar met de huidige. De beren zijn geschilderd met mangaan in het zwart (samen met het grote paardenhoofd zijn zij de enige figuren gemaakt met mangaan).

Auntzei Galerij

Het is een galerij van 15 meter lang en 2 meter breed, zonder uitgang. Op deze plaats zijn er verschillende figuren van dieren maar hier vinden we geen afbeeldingen van paarden. Er zijn 2 herten, 4 geiten en 1 zalm. In deze galerij zijn overblijfselen te zien van het gebruik door holenberen.

De herten vormen een kleine groep waarin een hert en een ree zijn afgebeeld die gegraveerd en niet geschilderd zijn (zij zijn de enige exclusief gegraveerde figuren in de grot). Het hert omvat het hoofd, met het gewei van voren gezien en de details van het oor, de neus en het oog, de nek, de volledige rug en de billen. Alleen het hoofd en de nek van de ree zijn afgebeeld.

De zalm is in volledig silhouet afgebeeld met bek, kieuwdeksel, vinnen en zijlijn, de rugvinnen zijn minder zichtbaar. Er zijn wandelementen gebruikt om het oog en de dorsale lijn te creëren. Het silhouet, 55 cm lang en gericht naar de binnenkant van de galerij, is zwart geschilderd.

Op beide wanden staan meerdere figuren van geiten, in één daarvan is de kop afgebeeld waarin de hoorns die in frontaal perspectief te zien zijn, de nek en het begin van de dorsale lijn opvallen. Op de tegenoverliggende muur is een 20 cm lange geit afgebeeld, liggend naar links kijkend. Het is zwart geverfd en opgevuld met gekleurde verf.

Erdialde Kamer

Deze kamer is de grootste in de hele grot, met daarin het stenen blok dat op een paard lijkt (naar schatting zou dit de reden kunnen zijn waarom de grot werd gekozen als een toevluchtsoord voor het paard). In het onderste deel van dit blok en op de achterwand ervan zijn twee geschilderde figuren, een paard en een bizon.

Het toevluchtsoord

Ekain is beschreven als een heiligdom van de zogenaamde diepte, omdat de figuren ver van de ingang zijn en zonder dat het zonlicht ze op enig moment bereikt. Het is verdeeld in drie afzonderlijke gebieden, waarin het blok dat een paard voorstelt en het berennest een speciale betekenis hebben.

Er wordt geschat dat de grot onbewoond was in de periode waarin de schilderijen werden gemaakt.

Coördinaten: 43°14′09″N 02°16′31″O

18. Cueva de Altxerri

De Altxerri-grot (in het Baskische Altxerriko leizea of Altxerriko koba) bevindt zich in de gemeente Aya (Guipúzcoa) in Baskenland.

In de originele grot zijn grotschilderingen en gravures bewaard gebleven die dateren uit de laatste Boven-Magdalénien periode, binnen het Boven-Paleolithicum. De schilderingen in een bovenste galerij, bekend als Altxerri B, zijn in een onderzoek uit 2013 gedateerd als de oudste grotschilderingen in Europa, met een geschatte leeftijd van 39.000 jaar.

Foto: berggeit

GipuzkoaKultura

Zijn artistieke stijl maakt deel uit van de zogenaamde Frans-Cantabrische school, gekenmerkt door het realisme van de weergegeven figuren.

Altxerri is een van de grote sets van Cantabrische gravures. Het heeft ongeveer honderdtwintig gravures, waarvan tweeënnegentig dieren. De bizon is het meest vertegenwoordigde dier met in totaal drieënvijftig gravures. Andere dieren die in de grot aanwezig zijn, zijn de rendieren met zes gravures, vier herten en geiten, drie kopieën van paarden en oeros, twee saiga antilopen, een veelvraat, vos, haas of een vogel.

De grot werd in 2008 uitgeroepen tot werelderfgoed, samen met 16 andere grotten in Noord-Spanje, als onderdeel van het complex dat bekend staat als “Grot van Altamira en paleolithische grotkunst van de Cantabrische kust.”

Plaats

De Altxerri-grot ligt in de gemeente Aya , in de provincie Guipúzcoa (Baskenland). De grot ligt echter dichter bij de kustplaats Orio, waarvan het stedelijk gebied op amper 1 km afstand ligt, dan bij het stedelijk gebied van Aya zelf, dat op iets meer dan 3,5 km afstand ligt.

Om bij Altxerri te komen, moet u eerst naar de stad Orio, 17 km van de provinciehoofdstad San Sebastián. Als u vanuit San Sebastián via de N-634 aankomt, moet u het stadscentrum doorrijden, de rivier de Oria oversteken en de richting Zarauz volgen. Sla af kort na het oversteken van de rivier op de GI-3161. Als u vanuit Bilbao en Zarauz aankomt, vindt de GI-3161-afwijking plaats net voordat u Orio bereikt. Na het oversteken van een industrieterrein en enkele tientallen meters rijden, komt u aan bij de Altxerri-boerderij die direct naast de weg ligt. De ingang van de grot ligt op 100 meter van de weg en 15 meter boven het dalniveau, de oostelijke helling van de berg Beobategaña op, net na het oversteken van de Altxerri-stroom en achter het gehucht. De ingang van de grot opent in een bijna verticale snede van de rots.

De grot ligt momenteel 20 meter boven de zeespiegel en 2,5 km van de kust, hoewel in de Magdalénien-periode de zeespiegel lager was.

Ontdekkingsgeschiedenis

De grot van Altxerri bleef tot 1956 verborgen. Dat jaar werd begonnen met de aanleg van de weg die de stad Orio verbindt met de wijk Olaskoegia de Aia. Om materiaal voor dit werk op te slaan, werd een voorlopige steengroeve geopend in de kalksteen die enkele tientallen meters achter de boerderij Altxerri lag. Bij een van de explosies die met dynamiet in de groeve werden uitgevoerd, werd een gat van één meter breed en 80 cm hoog geopend. Door dat gat werd een lange en brede galerij ontdekt die was uitgesleten in het kalksteenmateriaal en die duizenden jaren verborgen was geweest.

Aanvankelijk trok de ontdekking van de grot alleen de aandacht van een paar jonge mensen uit de omliggende dorpen die zich als eersten in de grot waagden. De ontdekking was niet van grote betekenis. In de steengroeve werd na de ontdekking niet veel meer gedolven. Omdat het verkregen materiaal al voldoende was om het werk te voltooien stopte het graven en kon de grot bijna intact worden bewaard.

In 1962 bereikte het nieuws over het bestaan van kloven, die begonnen waren bij de galerij die een paar jaar eerder was ontdekt, verschillende leden van de Sociedad de Ciencias Aranzadi van San Sebastián en dat zette hen ertoe aan om een speleologische verkenning ervan te ondernemen. Het waren Felipe Aranzadi, Javier Migliaccio en Juan Cruz Vicuña, die terwijl ze voorbereidingen troffen om de kloof af te dalen, enkele zwarte lijnen op een nabijgelegen muur zagen die de vorm van een bizon vormden. Vanaf deze eerste ontdekking ontdekten de speleologen van Aranzadi andere groepen figuren elders in de grot. Deze leden van Aranzadi meldden hun ontdekking aan José Miguel de Barandiarán, die directeur was van de afdeling Prehistorie van Aranzadi. Deze vooraanstaande antropoloog was degene die de authenticiteit van de vondst bevestigde, naast het vinden van vele andere figuren die verborgen waren gebleven voor de onervaren ogen van de jonge speleologen.

In de jaren tussen 1956 en 1962 hadden de mensen die de galerij van de grot hadden betreden er echter geschriften in achtergelaten, dus het was noodzakelijk om met grote voorzichtigheid te handelen om de authentieke schilderijen van de besmetting van de afgelopen jaren te onderscheiden. Voordat de archeologische vondst openbaar werd gemaakt, werd uit voorzorg de ingang van de grot afgesloten met een deur. De holte werd gedoopt als Cueva de Altxerri, naar de naam van het gehucht in de buurt.

De eerste studie van de grotschilderingen werd opgedragen aan Barandiarán, die in 1964 in het tijdschrift Munibe een eerste herinnering aan de gevonden figuren publiceerde. Barandiaran vond ook de natuurlijke ingang van de grot, vlakbij de kunstmatig geopende ingang. De natuurlijke ingang bleek geblokkeerd door sedimenten en stalagmieten. Deze natuurlijke ingang is vandaag nog steeds bedekt.

Tijdens deze werken heeft het team van Barandiarán een kuil gemaakt naast de natuurlijke ingang van de grot en er een archeologische vindplaats gevonden die werd bestudeerd.

In 1976 publiceerden Jesús Altuna en JM Apellániz een tweede studie van de schilderijen in hetzelfde tijdschrift. Het boek Ekain y Altxerri – Dos santuarios paleolíticos en el País Vasco (Ekain en Altxerri – Twee paleolithische heiligdommen in het Baskenland), geschreven door Altuna zelf, wordt beschouwd als het belangrijkste populaire boek dat over deze grot is gepubliceerd.

In 1982 werden twee bizons ontdekt aan de voet van de 10 meter diepe kloof. In dat gebied zijn geen andere tekeningen gevonden.

De grot bevat binnenin gravures en schilderingen. De eerste zijn goed bewaard gebleven, maar de schilderingen zijn erg aangetast door de hoge luchtvochtigheid op veel van de muren. Sinds de ontdekking van de schilderingen in 1962 is de grot afgesloten voor het publiek en is de grot alleen toegankelijk voor prehistorici die hun status als onderzoeker bewijzen met publicaties.

In 2008 werd de Altxerri-grot uitgeroepen tot werelderfgoed.

De figuren van Altxerri

De schilderingen en gravures in Altxerri zijn onderverdeeld in zeven groepen afbeeldingen en gravures, die verschillende plaatsen in de holte innemen. Daarnaast zijn er nog andere geïsoleerde schilderingen die niet tot deze groepen behoren.

Groep I

Zij zijn de figuren die zich het dichtst bij de ingang van de grot bevinden. Ze bevinden zich in een laterale nis van de hoofdgalerij. De twee zijwanden van deze nis staan vol met figuren. De figuren reiken tot het diepste deel van de nis, waar je slechts man per man bij geraakt.

Deze groep wordt gewoonlijk onderverdeeld in twee subgroepen, Ia en Ib, die overeenkomen met elk van de zijwanden van de nis. In deze groep overheersen gravures boven tekeningen. De figuren bevatten dieren van een zeer divers type: bizons, vissen, geiten,saiga antilopes, rendieren, vogels, enz.

Groep II

Verdergaand langs de hoofdgalerij op de linkermuur ervan, is er een groep figuren aangebracht waarin tekeningen de boventoon voeren boven gravures. Ze staan echter op een zeer vochtige plek in de grot, waardoor de schilderijen praktisch zijn uitgewist en de staat van bewaring niet goed is.

Groep III

Op de muur tegenover die van groep II en in een hogere positie staan 3 figuren. Opvallend is de tekening van een bizon van 40 cm.

Groep IV

Na dezelfde galerij is een set van 14 figuren gemaakt door middel van een zeer fijne gravure. Ze zijn zeer moeilijk waar te nemen en praktisch onmogelijk om te fotograferen.

Groep V

Deze groep bevat 7 bizons, een paard, een geit, een sarrio (een soort berggeit) en een figuur die mogelijk een oeros voorstelt. Er zijn ook enkele bekraste velden en een teken.

Groep VI

Deze groep omvat 4 bizons, 4 rendieren, een slangvormig dier en een of ander teken.

Groep VII

Deze groep omvat een hertenkop en een bizon.

Andere cijfers

Aan de voet van de 10 meter diepe kloof aan het einde van de galerij werden in 1982 twee geschilderde bizons gevonden. Het schilderij van deze bizons is bijna verloren gegaan. In dit deel van de grot zijn geen schilderijen meer gevonden.

In een galerij hoger dan de hoofdgalerij in de grot, die moeilijk toegankelijk is, bevinden zich een reeks rode schilderijen die moeilijk te interpreteren zijn. Experts denken dat ze de rug van een bizon herkennen. Dit schilderij van 3 meter lang zou de grootste in de grot zijn. Deze schilderijen, Altxerri B genaamd, werden in een onderzoek uit 2013 gedateerd als de oudste grotschilderingen in Europa, met een geschatte leeftijd van 39.000 jaar.

Coördinaten: 43°16′7″N 02°08′02″O