11 van de mooiste Spaanse wandelroutes op een rij

Wij blijven verder gaan op de weg van de lijstjes want daar zijn de meesten onder ons verzot op. Ik zeg het hier nog eens, het zijn misschien niet de mooiste, moeilijkste en rustigste wandelingen, het is wel een lijst met gewoon 11 wandelingen doorheen gans Spanje.

Spanje is veel meer dan alleen maar strand, zon, fiesta en siesta. Zo heeft Spanje ontzettend veel cultuur te bieden maar daarnaast is er ook veel natuur te vinden. Er zijn heuvels en bergen, valleien, rivieren en meren die wij dikwijls in natuur- en nationale parken vinden. In dit artikel nemen we 11 van de bekendste en mooiste wandelroutes onder de loep.

Wellicht zijn niet alle routes bij de gemiddelde Nederlandse en Belgische wandelaar bekend maar voor veel Spanjaarden zijn de volgende 11 routes waarschijnlijk de beste en mooiste van het land. Van noord naar zuid en van de Middellandse zee naar de Atlantische Oceaan, er is hier genoeg natuur en ander moois te vinden.

Voordat we de wandelingen voorstellen geef ik hier een link naar wat u zeker moet weten indien men gaat wandelen in de bergen, met tips van de Guardia Civil.

Wandeling 1
Camino de Santiago (Navarra, La Rioja, Castilla y León, Galicië)
Wie kent hem nu niet, de moeder van alle wandelroutes en de langste en bekendste van heel Spanje, de Camino de Santiago. Er zijn vele routes die naar Santiago de Compostela leiden maar de meest bekende en meest gelopen is de zogenaamde Franse Route (Camino Francés) van Saint Jean de Pied de Port op de Spaanse grens naar Santiago de Compostela.

Foto: Camino de Santiago

Paulusburg

Het is de mix van cultuur, natuur, het geloof, de geschiedenis, kunst, gastronomie, sport en vriendschap die deze pelgrimsroute zo bekend en geliefd maakt. Het gaat hier echter wel om een wandeling van meer dan 750 kilometer dus het is niet voor iedereen weggelegd. De route loopt door verschillende regio’s en van open weilanden en vlaktes met schitterende vergezichten naar de hoogtes van de Picos de Europa. Meer informatie is hier te vinden. De site is beschikbaar in het Spaans, Engels, Frans en Italiaans. Een video van de Camino de Santiago kan je hier vinden.

Wandeling 2:
Ruta del Cares (Asturië en Castilla y León)
De Cares wandelroute is gelegen in het natuurpark Picos de Europa en loopt grotendeels door de canyon en bergkloof La Gargante Divina die de rivier Cares volgt. Het is een wandeling van zo’n 12 kilometer tussen het dorp Puente Poncebos in Asturië naar Posada de Valdeón in Castilla y León. Met het wandelpad hoog boven de rivier en uitgehakt in de rotsen, kan men hier genieten van de rust, ruimte en natuur. Let wel, deze route is niet gelegen in de warmere delen van Spanje dus ook in de herfst kan het hier al regenachtig en koud zijn. Meer informatie is hier te vinden en de site is beschikbaar in het Spaans. Een video is hier te bekijken.

Wandeling 3:
Monasterio de Piedra (Aragón)
Deze wandelroute draagt de naam van het 12e eeuwse klooster dat tegenwoordig een hotel is. Het natuurpark rond het oude klooster is adembenemend mooi en staat bekend als het land van de watervallen en grotten. Een van de grootste watervallen is de Cola del Caballo (paardenstaart) van wel 50 meter hoog. Er loopt een mooie en goed aangegeven route langs de mooiste plaatsen in het natuurpark. Het is een wandeling van zo’n 5 kilometer en dus ideaal om met het hele gezin te doen. Het Monasterio de Piedra ligt zo’n 3 uur rijden van Valencia en bijna 4 uur rijden vanaf Peñiscola aan de Middellandse zee. Meer informatie is hier te vinden, de website is in het Spaans, Engels en Frans.

Wandeling 4:
Laguna Grande de Gredos (Castilla y León)
Gelegen in het natuurpark Sierra de Gredos nabij de bekende historische plaats Ávila. De wandelroutes liggen rondom het grote meer hoog in de bergen waar men kan genieten van prachtige panoramische vergezichten en helder water in het meer.

Foto: Laguna Grande de Gredos

Miguel Ángel Hontanilla Pozo

In de winter is de lagune compleet bevroren en is het wellicht niet de beste plaats om te gaan wandelen (tenzij je van de sneeuw en kou houdt) maar in de zomer en met name in de herfst is het lekker wandelen. De meer getrainde wandelaars kunnen zelfs tot 2.343 meter hoogte komen op de bergtop Pico de La Mira, een wandeling van 11 kilometer omhoog. Meer informatie is hier te vinden en de website is eentalig Spaans.

Wandeling 5:
Monfragüe (Extremadura)
Het natuurpark Parque Nacional de Monfragüe in Cáceres is een van de meest bosrijke delen van de regio Extremadura. In de zomermaanden kan het hier behoorlijk warm worden maar in de herfst en lente en gedurende de hele winter is het hier goed vertoeven. Het is de ideale plek om naar diverse soorten vogels te kijken terwijl men geniet van de prachtige bosrijke natuur.

Ook is er veel leven te vinden in de rivier Tajo waardoor het een ideale gebied wordt voor wandelaars over routes die goed zijn aangegeven met borden en tekst en uitleg. Een van de mooiste wandelingen is die van Villareal de San Carlos naar Castillo de Monfragüe. Meer informatie is hier te vinden en de website is in het Spaans, Catalaans, Galego, Euskara, Valenciaans, Engels en Frans.

Wandeling 6:
Sierra de Cazorla, Segura en Las Villas (Andalusië)
De deelstaat Andalusië is de grootse van heel Spanje en er is veel natuur en cultuur te vinden. Enkele van de meest bezochte natuurparken zijn die van de Sierra de Cazorla, Segura en Las Villas gelegen in de provincie Jaén.

Foto: Sierra de Cazorla, Segura en Las Villas

Ncs10

Het is een spectaculair natuurgebied met prachtige wandelingen voor de ervaren alsook de beginnende wandelaar. Men kan hier genieten van de bergen, de bossen, de natuur en waterpartijen. Enkele van de meest aangeraden wandelroutes zijn de Caudaloso Rio Borosa, Nacimientos del Guadalquivir en de Salto de agua de Chorro Gil. Meer informatie is hier te vinden en de website is in het Spaans en het Engels.

Wandeling 7:
Aigüestortes i Estany de Sant Maurici (Catalonië)
Een prachtig natuurgebied met een zeer moeilijk uit te spreken naam. Het Parque Nacional de Aigüestortes i Estany de Sant Maurici bevindt zich ten noorden van de provincie Lleida in de deelstaat Catalonië en ligt in de magische Pyreneeën. Dit natuurgebied is werkelijk waar een paradijs voor wandelaars en liefhebbers van de natuur. Er zijn meer dan 200 meertjes te vinden waarvan de Colomers in de Vall d’Aran wellicht wel de bekendste is. Meer informatie is hier te vinden en de site is eentalig Spaans.

Wandeling 8:
Teide (Tenerife, Canarische Eilanden)
Wie heeft er niet van gehoord, de hoogste berg van Spanje, de Teide. Gelegen op het Canarische Eiland Tenerife is het natuurpark Parque Nacional del Teide een aanrader, zowel in de zomer alsook in de winter. Volgens kenners is het een van de meest interessante geologische landschappen ter wereld en zeg nou zelf, wat is er nu interessanter dan wandelen over vulkaanresten. Er zijn tientallen wandelroutes te vinden die mooi zijn uitgezet met duidelijke bewegwijzeringen. Wil je het bezoek aan de Teide nog interessanter maken, verblijf dan eens in de Parador, het luxe Spaanse staatshotel gelegen in het natuurpark. Meer informatie is hier te vinden, de website is eentalig Nederlands.

Wandeling 9:
De route van de Tres Templos (Baskenland)
De route van de drie tempels (Ruta de los Tres Templos) volgt de voetstappen van San Ignacio en verbindt het gebedshuis/kapel Santuario de Loyola in Azpeitia met de Ermita de La Antigua in Zumarraga en de Santuario de Arantzazu. Allen zijn gelegen in het natuurpark Parque Natural Aizkorri-Aratz waarvan bij de 45 kilometer-route aangeraden wordt deze in drie dagen te lopen. Op deze manier leer je echt de natuur, omgeving en variëteit kennen van dit prachtige gebied. Meer informatie is hier te vinden en de site is in het Spaans.

Wandeling 10:
Sendero a Irati en Muskilda (Navarra)
Deze zeven kilometer lange wandelroute loopt van de kerk Ochgavia naar de kapel Nuestra Señora de Muskilda. De wandelroute loopt door een van de mooiste bossen van Spanje waar ook weer tientallen andere wandelroutes de wandelaar verleidt tot meer ontdekkingen. Meer informatie is hier te vinden en de website is in het Spaans, Euskara, Engels en Frans.

Wandeling 11:
Ruta de las caras (Castilla la Mancha)
Gelegen in de plaats Buendia in Cuenca bevindt zich deze wandelroute, de Ruta de las Caras door een bos van pijnbomen en grillige rotsformaties. Op 18 van deze rotsen hebben kunstenaars afbeeldingen van hoofden gemaakt, vandaar ook de naam de route van de gezichten (caras). Er zijn moeilijke en makkelijke wandelroutes waardoor deze ook te lopen zijn met kinderen. Meer informatie is hier te vinden en de website is eentalig Spaans.

Uiteraard zijn er nog veel meer mooie wandelroutes in het enorme land Spanje te vinden maar deze 11 worden aangeraden door diverse Spaanse reismagazines.

De 17 mooiste pleinen van Spanje

Pleinen zijn plaatsen die het leven van een stad vorm geven en waar de echte geschiedenis van de stad beschreven wordt. We vinden er allerhande architectonische stijlen uit alle tijdperiodes en er staan de meest karakteristieke beelden en gebouwen van de stad.

Om een aantal van de mooiste pleinen van Spanje te bekijken neemt men zijn wagen en men gaat op pad. Hierna staat een selectie van de volgens Skyscanner 17 mooiste pleinen van Spanje.

1. Plaza Mayor, Salamanca, Castilla y León

De Plaza Mayor van Salamanca is een uitzonderlijk mooi plein en veel historici beschouwen dit dan ook als van de mooiste in gans Spanje. Het plein werd ontworpen door Alberto de Churriguera. De eerste steen werd gelegd op 10 mei 1729 en de werken werden beëindigd in 1755.

Foto: Plaza Mayor van Salamanca

muffinn

Het plein kenmerkt zich door een bijna perfecte symmetrie want private gebouwen verschilden enkel van de officiële gebouwen door hun wapenschild op de eerste verdieping. Aan de noordzijde vinden we het stadhuis (Ayuntamiento) en in het zuiden staat het Koninklijk Paviljoen (Pabellón Real). Het is vooral aan te raden dat men ’s avonds het plein bezoekt, de verlichting van het plein op de muren geeft een speciale atmosfeer.

2. Plaza España, Sevilla, Andalucía

Dit juweel van regionale architectuur, de Andalusische maniëristische neo – renaissance, werd ontworpen door Aníbal González. Het is een halfrond plein met een diameter van 200 m. Er loopt een gracht door het plein waarover bruggetjes zijn gebouwd met prachtige tegelversieringen. Het gebouw rond het plein bestaat uit een lange galerij met bakstenen bogen en geflankeerd door twee hoektorens. Op de tegeltableaus (azulejos) zijn belangrijke gebeurtenissen afgebeeld uit de geschiedenis van de Spaanse provincies.

3. Plaza Mayor, Trujillo, Cáceres, Extremadura

Hier beleef je de sensatie om op een plaats te staan waarop de tijd geen vat heeft want dat is de impressie die men krijgt op de Plaza Mayor de Trujillo. Door de jaren heen is hier een unieke sfeer gecreëerd. Op de eerste plaats is hier het majestueuze ruiterstandbeeld van Francisco Pizarro maar daarachter staat de mooie Kerk van de Heilige Maria (Iglesia de Santa María).

Het geheel is pas compleet met de Kerk van de Heilige Martinus van Tours (Iglesia de San Martín de Tours), het Paleis van de Markies van de Verovering (Palacio de la Conquista) en het Huis van de Kettingen (Casa de las Cadenas). Als dit allemaal nog niet genoeg is dan kan je hier genieten van de lokale gastronomie zoals everzwijn met chocolade.

4. Plaza Mayor, Madrid

Dit plein werd ten tijde van Filips III ontworpen door Juan Gómez de Mora in de zeventiende eeuw. Aan de noordkant vinden we het Huis van de Bakker (Casa de la Panadería,) waarvan de schilderingen de mythologische figuren uit de geschiedenis van Madrid tonen. Vroeger deed dit plein dienst als theater voor allerhande manifestaties zoals ophangingen, schandpaal, jaarmarkten enz. Hier werden ook Filips V, Ferdinand VI en Karel IV tot koning gekroond.

5. Plaza de la Catedral, Oviedo, Asturië

Als men het plein oploopt ziet men de statige kathedraal aan de overkant direct liggen. In de veertiende eeuw begon men met de werken aan de kathedraal en het einde van de werken kwam er in de zestiende eeuw. De kathedraal heeft een toren van 60 meter met een opengewerkte spits. Een belangrijk onderdeel van de kathedraal is de “Cámara Santa” en hierin vinden we de kerkschat uit de achtste eeuw, een geschenk van Alfonso II. Het is het Engelenkruis. Een ander beroemd onderdeel van de kerkschat is “Het Kruis van de Overwinning”(“La Cruz de la Victoria”). De christelijke koning Pelayo had dit kruis bij zich toen hij de moren in Covadonga in 722 versloeg. Dit was het begin van de christelijke herovering van Spanje. Verder vinden we hier op het plein nog het Paleis van Valdearzana (Palacio de Valdecarzana).

6. Plaza del Obradoiro, Santiago de Compostela, Galicia

Door het grote aantal van bezienswaardigheden is dit plein nu een van de meest bezochte plaatsen in het monumentale centrum van de stad. Op de eerste plaats hebben we hier het Plaza del Obradoiro, een plein dat een beklopt overzicht geeft van de geschiedenis van de stad.

Foto: Plaza del Obradoiro, Santiago de Compostela

slideshow bob

Op de vier hoeken van het plein staan vier monumenten, zij zijn in een periode van zeven eeuwen gebouwd. Aan de oostzijde hebben we de gevel van de kathedraal die in barokstijl is gebouwd en renaissance aan de noordzijde met de platerescogevel van het Hostal de los Reyes Católicos. Neoklassiek aan de westzijde met het Pazo de Raxoi en aan de noordzijde hebben we de gotiek van het San Jerónimo college.

7. Plaza Mayor, Almagro, Ciudad Real, Castilla la Mancha

Hout, glas en steen zijn de drie meest gebruikte elementen op de Plaza Mayor in Almagro, een buitengewone plaats in Spanje. Aan de twee zijden vinden we zuilengalerijen met twee verdiepingen met groen geschilderde houten vensters. Verder is hier het corral de comedia, een ontroerend eenvoudig theater.

8. Plaza Nueva, Bilbao, PaísVasco

Het Plaza Nueva de Bilbao is een plein met neoklassieke zuilengangen en 64 arcaden uit de negentiende eeuw. De plein kreeg deze naam om het te onderscheiden van een ouder plein aan de andere zijde van de stad. Op zondag is hier een antiek en boekenmarkt. Voor de lekkerbekken onder ons zijn er tussen de kolommen tal van tavernes waar men de beste pinchos (spiesjes) kan eten.

9. Plaza de Nuestra Señora del Pilar, Zaragoza, Aragón

Hier vinden we een van de grootste autovrije pleinen van Europa waarop zich de belangrijkste punten van de stad zich bevinden. Zo vinden we hier de Basílica de Nuestra Señora del Pilar, de Catedral del Salvador de Zaragoza, het stadhuis (Ayuntamiento) en de Handelsbeurs (Lonja de Zaragoza).

Daarnaast zien we nog een andere, moderne, bezienswaardigheid uit 1991, de Bron van de Spaanse Wereld (Fuente de la Hispanidad). Zij heeft de vorm van Latijns-Amerika waarbij de waterval het noorden en het vijvertje het midden en het zuiden voorstellen.

10. Plaza del Rey, Barcelona, Catalonië

De Plaza del Rey bevat een een echte schat. Hier zijn een aantal belangrijke middeleeuwse gebouwen zichtbaar: het Palau Reial Major, Palau del Lloctinent, Capilla de Santa Ágata en het Casa Cadellás. Momenteel huisvest dit gebouw het Museo de Historia de Barcelona. Het Palau Reial Major was de residentie van de graven van Barcelona en later de koningen van Aragón. Het werd opgetrokken in de elfde en de twaalfde eeuw maar er kwamen meer en meer uitbreidingen zodat het in de veertiende eeuw zijn huidige vorm kreeg.

11. Plaza de los Fueros, Tudela, Navarra

De Plaza de los Fueros is vandaag de dag een mooie scheiding tussen het nieuwe gedeelte van de stad en de oude stad. Oorspronkelijk was het barokke plein in de zeventiende eeuw ontworpen om er stierengevechten te laten doorgaan maar tegenwoordig is het de plaats waar de belangrijkste gebeurtenissen van de stad doorgaan.

12. Plaza Mayor, Pedraza, Segovia, Castilla y León

De Plaza Mayor van Pedraza is een van die afgelegen plaatsen voor de liefhebbers van de eenzaamheid en de plaatsen die door de eeuwen heen onveranderd zijn gebleven.

Foto: Plaza Mayor, Pedraza, Segovia van
Jose Luis Filpo Cabana

Het plein is aangelegd in de middeleeuwen en het verrast door de soberheid van de houten gebouwen die typisch zijn voor de Castiliaanse gebouwen. We vinden hier nog de romaanse klokkentoren van de Iglesia de San Juan. Vanaf hier vertrekt een wandelweg naar het zestiende eeuwse kasteel waar men een kleine verzameling werken van de beroemdste inwoners kan vinden, de schilder Ignacio Zuloaga.

13. Plaza de la Corredera, Córdoba, Andalucía

De Plaza de la Corredera verwelkomt u met zijn prachtige rechthoekige patio van 113 m lengte en het is begrensd door gebouwen met drie verdiepingen. Dit plein doet eerder denken aan de Castiliaanse pleinen en het is daardoor uniek voor Andalusië. Gebouwd in de zeventiende eeuw was het een ontmoetingsplaats en het decor voor ketterverbrandingen, fiestas, executies, markten, religieuze vieringen en tot in de negentiende eeuw ook stierengevechten. Momenteel is het voor zijn schoonheid en zijn gezellige terrasjes een van de drukst bezochte plaatsen van Córdoba.

14. Plaza Alta, Badajoz, Extremadura

Op deze plaats vinden we een mengeling van alle stijlen die de geschiedenis heeft achtergelaten. Zijn gebouwen met bogen in mudéjar stijl waar steen en baksteen mekaar onafgebroken afwisselen maken dit tot een unieke plek. Er wordt aangenomen dat de Plaza Alta werd opgeworpen op de huizen van de toenmalige islamitische stad tegen de muur van van het Alcazaba (citadel).

15. Plaza mayor, Sigüenza, Guadalajara, Castilla la Mancha

In deze prachtige enclave van Sigüenza zijn de kathedraal en het stadhuis met mekaar verbonden door een zestiende eeuwse bogengang die vroeger de woning was van de kanunniken. De Plaza Mayor van Sigüenza stamt uit de vijftiende eeuw en werd gemaakt voor rekening van Kardinaal Mendoza en het plein werd al snel het centrum van de stad.

16. Plaza Mayor, Aínsa, Huesca, Aragón

Bij het bereiken van Aínsa kan je zien hoe de middeleeuwen terug tot leven komen. Op de Plaza Mayor, gedateerd tussen de twaalfde en de dertiende eeuw vinden we de perfect geconserveerde kerk die het plein domineert.

Foto: Plaza Mayor de Aínsa van
Jose Luis Filpo Cabana

In deze kerk, Iglesia de Santa Maria, bevinden zich een onlangs gerestaureerde crypte en een kleine asymmetrische kloostergang uit de derde en de veertiende eeuw.

17. Plaza Mayor, Vic, Cataluña

Dit grote plein met zijn zuilengalerijen is het centrum van de stad. Ondanks dat de huizen allemaal verschillend zijn, vinden we hier modernistisch, gotiek en barok woningen, maar biedt het geheel een harmonieuze aanblik.

Het Stadhuis (Ayuntamiento) is gotisch, Casa Comella, heeft modernistische motieven gebaseerd op de seizoenen van het jaar evenals Casa Costa en het Casa Cortina die ook modernistische lijnen hebben. Men bezoekt het plein het best op zaterdag want dan gaat de beroemde eeuwenoude markt door die begon in de negende eeuw.

Zeeschildpadden aan de Spaanse kusten

Een van de veel voorkomende dieren in de Spaanse wateren zijn zeeschildpadden en er leven hier een drietal soorten. Zowel in de Middellandse Zee als in de Atlantische Oceaan kan men ze aan de Spaanse kusten vinden.

  1. Onechte karetschildpad
  2. Soepschildpad
  3. Karetschildpad

1.Onechte karetschildpad

De onechte karetschildpad] (Caretta caretta) is een grote schildpaddensoort uit de familie zeeschildpadden (Cheloniidae). Het is de enige soort uit het geslacht Carretta. Deze soort heeft vele andere benamingen waaronder valse karetschildpad, Kawama (plaatselijke naam), Loggerhead Turtle, dikkopschildpad of Middellandse zeeschildpad.

Foto: onechte karetschildpad

Uiterlijke kenmerken

Het schild wordt ongeveer een meter lang, en het dier kan dan bijna 150 kilogram wegen maar er zijn nog veel grotere exemplaren aangetroffen en die gingen tot wel 500 kilo. De onechte karetschildpad lijkt op de soepschildpad, maar heeft een dikkere kop en het schild en de poten zijn bruin tot oranje en de nettekening op de kop ontbreekt meestal. Ook het schild van de soepschildpad loopt veel schuiner af en is gladder aan de bovenzijde.

Verspreiding

Deze soort houdt niet van warme wateren en komt voor in de Grote Oceaan, Indische Oceaan, Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan.

De eerste meldingen van het aanspoelen van een onechte karetschildpad dateren uit 1707. In 1903 spoelden twee exemplaren aan op de oever van de Schelde in Antwerpen. Een exemplaar werd opengesneden voor de eieren, het andere werd overgebracht naar de dierentuin van Brussel.

Midden juli 2016 heeft een onechte karetschildpad 141 eieren gelegd op het strand La Pineda naast Salou aan de Costa Dorada. De legplaats is dan continu bewaakt gebleven totdat de eieren uitkwamen.

Leefwijze

Het voedsel bestaat uit slakken, kreeftachtigen, vissen en ook wel planten uit de zeebodem. De habitat bestaat uit wat ondiepere delen van de zee, meestal bij koraalriffen. De schildpad dient op het land met ontzag benaderd te worden; een beet kan ernstige verwondingen veroorzaken, hoewel hij onder water niet snel bijt.

Voortplanting

De schildpad begraaft de eitjes op zandstranden op diverse plaatsen op de wereld, onder andere op Zakynthos, een Grieks eiland, waar het afzetten van de eitjes van de dieren toeristen aantrekt. De eilandbewoners verdienen hier geld mee. Doordat de meeste bootjes gemotoriseerd zijn, kunnen de dieren verstoord raken door het geluid. Ook leggen de schildpadden eitjes op Lampedusa, een Italiaans eiland, op het konijnenstrand. Onder andere hierom staat dit strand ook op de Unesco Werelderfgoedlijst.

De onechte karetschildpad kan in één broedseizoen op meerdere plaatsen, die kilometers uiteen kunnen liggen, eieren leggen.

2. Soepschildpad

De soepschildpad (Chelonia mydas) is van de zeven soorten zeeschildpadden de grootste soort en heeft tevens het grootste verspreidingsgebied.

Foto: soepschildpad

Wouter Hagens

De soepschildpad heeft een schildlengte van bijna een meter en is van andere soorten te onderscheiden door de verschillen in de schubben op de kop en de structuur van de hoornplaten op het rugschild. Jonge soepschildpadden leven voornamelijk van dierlijk materiaal maar volwassen exemplaren zijn meer vegetarisch; vooral zeegras (Zostera) en verschillende algen worden gegeten.

De schildpad dankt zijn naam aan het feit dat het dier voor consumptie wordt gevangen wat met name in het verleden op grote schaal heeft plaatsgevonden. Tegenwoordig is de schildpad vrij zeldzaam en wordt door internationale verdragen beschermd. Menselijke activiteiten zoals het illegaal rapen van de eieren en het onbedoeld doden van de schildpad als bijvangst in de visserij drukken tegenwoordig nog steeds zwaar op de populaties.

Verspreiding en habitat

De soepschildpad heeft van alle zeeschildpadden de grootste verspreiding; de soort zet de eieren af in 80 landen en komt voor in de kustwateren van 140 landen. Over het algemeen is de soepschildpad te vinden in gebieden waar de temperatuur niet onder de 20° Celsius komt, maar ook in meer gematigde streken worden exemplaren aangetroffen.

De soepschildpad komt voor in de Atlantische Oceaan, de Grote Oceaan, de Indische Oceaan, de Middellandse Zee en Zwarte Zee. In de Noordzee komt de schildpad alleen in het zuidelijke deel voor maar afgedwaalde exemplaren worden soms gezien voor de Nederlandse kust.

Habitat

De soepschildpad leeft in ondiepe wateren langs de kust waar genoeg zonlicht doordringt om plantengroei mogelijk te maken waar de schildpad van leeft. Geschikte leefplaatsen zijn baaien, rotskusten en kusten van vulkanische eilanden. De juvenielen leven op open zee, waar ze gevonden worden in drijvende plantenmassa’s. Het is niet precies bekend hoe oud ze zijn als ze – na een lange migratie – van habitat veranderen en net als de volwassen dieren ondiepere wateren opzoeken.

Uiterlijke kenmerken

Het schild van de soepschildpad kan een lengte bereiken van 90 tot 100 centimeter, het gewicht van dergelijke exemplaren bedraagt meestal niet meer dan 160 kilo. Het grootst bekende exemplaar werd met een schildlengte van 153 centimeter aanzienlijk langer maar is een zeldzame uitschieter.

Het schild is laag en breed en enigszins hart-vormig, het schild wordt langwerpiger van vorm bij oudere dieren. Het schild heeft een duidelijke lengtekiel op het midden, getande of gezaagde hoornplaten ontbreken. Jonge dieren hebben een bulterig schild, dit trekt bij naarmate het dier ouder wordt en heel oude exemplaren hebben een vrijwel glad schildoppervlak. De kleur van het schild is variabel maar meestal bruin tot groen of met lichtere, straalsgewijze tot golvende strepen die geel, wit of rood kunnen zijn. Begroeiing door algen en andere organismen kan de werkelijke kleur vervangen. Het buikschild is wit tot witgeel van kleur. Pasgeboren juvenielen zijn glanzend zwart aan de bovenzijde en helder wit aan de onderzijde.

Het rugschild is voorzien van stevige hoornplaten. Het aantal en de positie van de hoornplaten verschilt per soort en hieraan kunnen de verschillende zeeschildpadden worden onderscheiden. De soepschildpad heeft net als de karetschildpad en de platrugzeeschildpad altijd 5 vertebrale schilden op het midden van het schild met aan weerszijden 4 costale (ook wel laterale) platen. De onechte karetschildpad heeft steeds 5 costale platen, net als de warana en Kemps schildpad ten slotte heeft 5 of meer costale platen.

De schubben op de kop zijn kenmerkend in vergelijking met andere zeeschildpadden. De soepschildpad heeft één paar schubben tussen de ogen, die de prefrontale schubben worden genoemd.

De ogen zijn relatief groot en hebben een ronde pupil. Ze kunnen volledig worden gesloten door de beweegbare onderste en bovenste oogleden die geelachtig van kleur zijn. De lens is aangepast op het zien onder water. De soepschildpad heeft net als alle zeeschildpadden zoutklieren. Dit zijn gespecialiseerde en sterk aangepaste traanklieren die het bij het voedsel ingeslikte zout uitscheiden.

De soepschildpad heeft als een van de weinige zeeschildpadden geen uitstekende, snavelachtige punt aan het einde van de bek. De onder- en bovenzijde van de bek sluiten goed op elkaar aan. De rand van de bek is tandachtig gezaagd, wat een aanpassing is op het eten van planten.

Mannetjes zijn van de vrouwtjes te onderscheiden aan hun grootte; mannetjes worden gemiddeld langer en hebben een relatief smaller rugschild. Het schild loopt bij de mannetjes taps toe aan de achterzijde in vergelijking met de vrouwtjes. De staart is bij vrouwtjes relatief kort en komt niet ver voorbij de rand van het rugschild, de staart van de mannetjes is veel langer en beweeglijk in zijwaartse positie. Aan het einde van de staart is een verhoornd, nagelachtig uitsteeksel aanwezig dat bij de vrouwtjes ontbreekt en gebruikt wordt om het vrouwtje tijdens de paring vast te houden. Ten slotte hebben de mannetjes een groter en naar achter gekromd klauwrestant aan de voorpoot, wat eveneens dient om het vrouwtje beter te ankeren tijdens de paring.

Levenswijze

De soepschildpad is overdag actief maar tijdens het zwemmen moet de schildpad vlak onder het wateroppervlak blijven omdat iedere paar minuten adem gehaald moet worden. Als de schildpad rust gebeurt dit vaak onder water zoals in rotsspleten en in grote holen. Soms wordt ’s nachts het land wel betreden om te slapen. De soepschildpad kan de adem ongeveer 2,5 uur inhouden om te slapen. De soepschildpad is actief bij een watertemperatuur tot 8 graden Celsius. Bij een lagere temperatuur wordt de schildpad inactief en drijft tegen het wateroppervlak.

De soepschildpad is de enige zeeschildpad waarvan bekend is dat wel eens een zonnebad wordt genomen, de schildpad hijst zich overdag op het strand om te zonnen. Bij andere in zee levende soorten is dit gedrag niet waargenomen en komen voor zover bekend alleen de vrouwtjes om de twee tot vier jaar aan land en alleen om de eieren af te zetten wat meestal ’s nachts gebeurt.

De schildpad is een goede zwemmer die grote afstanden aflegt. Dit gebeurt met name in de voortplantingstijd als de dieren van hun foerageergebieden naar de afzetplaatsen van de eieren trekken. Meestal trekken de dieren langs de kust van het foerageergebied naar het voortplantingsgebied maar er zijn waarnemingen bekend van exemplaren die de oceaan overstaken. De grootst waargenomen afgelegde afstand in een jaar van een soepschildpad bedroeg bijna 4000 kilometer.

De gemiddelde kruissnelheid van de soepschildpad is waarschijnlijk zo’n 6 kilometer per uur, maar in nood kan een snelheid worden bereikt van 35 kilometer per uur. Alleen de lederschildpad is in staat dergelijke snelheden te bereiken.

Voedsel

De soepschildpad is een omnivoor waarbij de juvenielen een ander dieet hebben dan de volwassen dieren. Juvenielen leven op open zee waar ze jacht maken op kleine zwemmende diertjes als kwallen, kreeftachtigen en andere organismen die tot het nekton behoren. Naarmate ze ouder worden gaan ze echter steeds meer plantaardig materiaal eten en bij een schildlengte van ongeveer 20 centimeter schakelen ze vrijwel volledig over op plantaardig voedsel. Een kleine fractie van het menu bestaat uit dierlijk materiaal zoals kreeftachtigen, schijfkwallen en ribkwallen. De schildpad krijgt deze diertjes waarschijnlijk binnen als ‘bijvangst’ omdat ze toevallig in de buurt zijn als de soepschildpad eet.

De soepschildpad is een grazer die de plantendelen met de bek afscheurt. De randen van de bek zijn voorzien van kleine, gezaagde uitsteeksels wat een aanpassing is op het overwegend plantaardige voedsel. Één van de belangrijkste waardplanten is zeegras. Deze plant groeit na te zijn aangevreten snel aan door nieuwe scheuten te vormen wat voordelig is voor de schildpad omdat deze voedzamer zijn.

Vijanden

De soepschildpad heeft met name als embryo en juveniel te duchten van een breed scala aan vijanden, oudere exemplaren hebben een groter en harder schild en zijn daardoor minder gevoelig voor aanvallen van andere zeedieren. Volwassen exemplaren met een schildlengte van meer dan 70 centimeter hebben op grote haaien na helemaal geen vijanden meer en alleen oude en verzwakte exemplaren zijn kwetsbaar.

De juvenielen zijn de eerste paar jaar kwetsbaar omdat ze erg klein zijn en nog geen hard schild hebben. Ze worden gegeten door jonge haaien, verschillende tuimelaars, verschillende rovende vissen als gepen en makrelen en zeevogels als meeuwen, die de schildpadden oppikken uit het water als ze boven komen om te ademen. De soepschildpad kan zich niet actief verdedigen en duikt een tijdje onder bij een confrontatie met vijanden.

Bedreiging

De soepschildpad is een bedreigde diersoort die over het algemeen in aantal en verspreidingsgebied achteruitgaat. In sommige streken zijn de populaties groeiend of stabiel, in andere streken gaat de soort hard achteruit. De IUCN schat de achteruitgang van het aantal nestelende vrouwtjes over de laatste drie generaties op 48 tot 67%. Volgens recent onderzoek uit 2003 wordt geschat dat het totale aantal individuen de afgelopen 50 jaar met 90% is afgenomen.

Er zijn verschillende bedreigingen, zowel van natuurlijke als menselijke aard. Door de vele natuurlijke vijanden die het grootste deel van de eieren en de juvenielen opeten is het aantal schildpadden dat de volwassenheid bereikt door natuurlijke omstandigheden al klein. Door de menselijke invloed worden vooral de volwassen exemplaren gedood zodat het aantal eierleggende exemplaren kleiner wordt. Andere bedreigingen door de mens zijn de vervuiling van de neststranden en het leefgebied met olie, drijvend afval en achtergelaten visnetten waar de schildpad in verstrikt kan raken en vervolgens verdrinkt.

Soms komt een schildpad in de netten van vissers terecht maar hiertegen zijn wel maatregelen mogelijk zoals het gebruikmaken van zogenaamde turtle excluder devices (TED’s). Dit zijn netten met daarin een soort klep waar de schildpadden door kunnen ontsnappen. Omdat dit niet alleen de schildpadden redt maar ook voorkomt dat het volledig wordt verwoest door een schildpad in doodsstrijd, zijn TED’s ook voor de vissers commercieel interessant. Toch blijft de visserij de belangrijkste oorzaak van het onbedoeld doden van de volwassen schildpadden als bijvangst en vooral trawlers die op garnalen vissen.

Consumptie

De soepschildpad is commercieel interessant omdat er vraag is naar zowel het vlees, de eieren en de huid als het schild. Al vanaf de zeventiende eeuw wordt de soepschildpad op grote schaal gevangen en verwerkt in schildpadsoep. Niet alleen wordt het vlees als smakelijk ervaren, het eten van schildpadvlees of -eieren zouden volgens de traditie ook de potentie verhogen in onder andere delen van Azië. In vroeger tijden werd de schildpad op een dusdanig grote schaal gedood en verwerkt dat er zelfs een vleesverwerkende fabriek bestond in Florida die draaide op het verwerken van soepschildpadden. Het vlees van de soepschildpad is niet zo tranig als dat van andere soorten als de lederschildpad en bevat geen giftige naaldjes die uit prooidieren zijn onttrokken zoals het geval kan zijn bij de karetschildpad.

De eieren van de soepschildpad zijn – net als die van alle schildpadden – vloeibaar van binnen maar worden niet hard na het koken zoals bij vogeleieren. De eieren worden ontdaan van de rubberachtige schaal waarna de inhoud op smaak wordt gebracht met peper en zout en wat boter. In exotische landen wordt zowel het vlees als de eieren soms aangeboden als delicatesse.

De handel in zowel de volwassen schildpad als de eieren, die beide veel geld waard zijn in de illegale handel, heeft ertoe bijgedragen dat de soepschildpad veel minder algemeen is dan enkele decennia geleden.

Naamgeving en taxonomie

De Nederlandse naam soepschildpad slaat op het gebruik van het vlees voor consumptie door de mens. Ook de naam groene zeeschildpad slaat op het vlees dat een groene kleur heeft als gevolg van het eten van planten en algen. De wetenschappelijke naam Chelonia mydas betekent letterlijk natte schildpad; de geslachtsnaam Chelonia is afgeleid van het Griekse ‘Chelone’ dat schildpad betekent en de soortnaam mydas komt van het Griekse ‘mydos’ dat nat betekent.

3. Karetschildpad

De karetschildpad (Eretmochelys imbricata), ook wel echte karetschildpad genoemd, is een schildpad uit de familie zeeschildpadden (Cheloniidae).

Foto: karetschildpad

De karetschildpad heeft een gemiddelde schildlengte van ongeveer 90 centimeter. Hiermee is de schildpad een middelgrote soort in vergelijking met andere zeeschildpadden. De karetschildpad is te herkennen aan de overlappende hoornplaten op het rugschild, de tand-achtige uitsteeksels aan de achterzijde van het schild en de duidelijk gehaakte, papegaaiachtige bek. De schildpad komt rond de evenaar wereldwijd voor en is een typische bewoner van rotskusten en ondiepe wateren. De volwassen vrouwtjes komen alleen aan land om eieren af te zetten. Op het menu staan voornamelijk sponsdieren, maar ook andere zeedieren en zeeplanten worden gegeten.

De karetschildpad is het enige in zee levende reptiel dat grotendeels van sponsdieren leeft. Een legsel bestaat uit meer dan honderd eieren waarvan een deel overleeft en uitgroeit tot een volwassen schildpad. Slechts weinig juvenielen krijgen de kans om een volwassen schildpad te worden, door natuurlijk verval zoals parasieten, voedseltekorten en predatie en menselijke activiteiten zoals het vernietigen van neststranden en het rapen van de eieren. De karetschildpad is een zeldzame diersoort die steeds afhankelijker wordt van bescherming. De status van deze schildpad op de Rode Lijst van de IUCN is daarom kritiek (CR of critical). Dit betekent dat de schildpad met uitsterving bedreigd is.

Beschrijving

Het rugschild bereikt een lengte van gemiddeld 90 centimeter bij de eierleggende vrouwtjes. De meeste exemplaren blijven kleiner tot ongeveer 50 à 70 centimeter en zeldzame uitschieters kunnen een maximale schildlengte van 114 centimeter bereiken. Het gewicht van grote exemplaren bedraagt gemiddeld ongeveer 70 kilogram. Heel grote exemplaren kunnen echter zwaarder worden en het record staat op een gewicht van 127 kilogram.

De karetschildpad heeft enkele voor zeeschildpadden karakteristieke kenmerken; een breed en relatief plat schild, tot sterke flippers omgevormde voor- en achterpoten en een duidelijk snavel-achtige bek. Met name dit laatste kenmerk valt bij de karetschildpad op.

De karetschildpad is meestal eenvoudig van alle andere soorten in zee levende schildpadden te onderscheiden door de duidelijk dakpansgewijze hoornplaten van het rugschild die elkaar duidelijk overlappen. Vooral bij heel jonge exemplaren is dit goed te zien, maar bij heel oude exemplaren zijn de overlappende hoornplaten moeilijker te zien. Dit komt doordat de platen langzaam van elkaar af gaan staan naarmate de schildpad ouder wordt. Uiteindelijk komen ze naast elkaar te liggen, net als de hoornplaten van alle andere zeeschildpadden.

Het rugschild is aan weerszijden verbonden met het buikschild door de benen verbinding tussen de voor- en achterpoten. Deze zogenaamde brug loopt over de breedte van de vier inframarginale schilden van het buikschild. Deze zijn gelegen tussen de platen aan de rand (de marginale schilden) en de twee rijen buikschilden op het midden.

De kleur van het rugschild is donker groenachtig bruin, met een enigszins straalsgewijs en duidelijk gevlamd patroon van donkere tot rode en gele tot zwarte vlekken. Het rugschild van juveniele dieren is enigszins hartvormig, maar bij oudere dieren trekt dit bij, ze krijgen een meer ovaal en langwerpig schild waarbij de randen meer parallel gaan lopen. Het buikschild is evenals de keel en onderzijde van de kop geel van kleur en ongevlekt, alleen bij de juvenielen komen soms donkere vlekken voor op de buik.

De bovenzijde van de nek is donkergrijs van kleur en op de kop, poten en staart zijn donkere tot zwarte schubben aanwezig. Deze zijn duidelijk te onderscheiden door de lichtere tot gele huid tussen de schubben waardoor een nettekening ontstaat. Aan de voorzijde van de kop zijn tussen de ogen twee paar prefrontale schubben aanwezig en een frontale schub op het midden van de kop met aan weerszijden een supraoculaire schub, gelegen boven het oog. Achter het oog zijn drie tot vier postorbitale schubben aanwezig. Aan de schubben op de kop is de karetschildpad gemakkelijk van enkele andere soorten zeeschildpadden te onderscheiden.

De voorpoten zijn aanmerkelijk groter en langer dan de achterpoten. De voorpoten worden gebruikt voor de voortstuwing, de achterpoten dienen om te sturen. Aan de voorpoten zijn nog resten te zien van de klauwen; twee hoornachtige uitsteeksels verraden de landbewonende levenswijze van hun voorouders. Het duidelijkst zichtbaar is het kegelvormig uitsteeksel op twee derde van de voorpoot gezien vanaf het lichaam, het andere is bij het uiteinde gepositioneerd.

De mannetjes zijn van de vrouwtjes te onderscheiden doordat ze iets kleiner blijven maar een dikkere en langere staart hebben. Mannetjes hebben daarnaast langere en grotere voorpoten die sterker gekromd zijn in vergelijking met die van de vrouwtjes. Ze hebben ook een meer heldere tekening op het schild en het buikschild van mannetjes is enigszins hol wat bij schildpadden dient om beter op een vrouwtje te klimmen tijdens de paring.

Verspreiding en habitat

De karetschildpad komt voor in de Atlantische, Grote en Indische Oceaan en in de Middellandse Zee, de Rode Zee en de Zwarte Zee. De mondiale verspreiding ligt grofweg tussen 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte maar wijkt soms sterk af. Over het algemeen wordt aangenomen dat de schildpad wereldwijd voorkomt, vooral in tropische zeeën en grofweg ontbreekt in noordelijk Noord-Amerika, zuidelijk Zuid-Amerika, noordelijk Europa en noordelijk Azië.

Habitat

De karetschildpad vermijdt eenmaal volwassen de open zee en leeft vooral langs de kusten van tropische gebieden met een harde ondergrond. Dit heeft te maken met het voedsel, dat voornamelijk bestaat uit sponsdieren en daarnaast andere dieren en planten die alleen te vinden zijn in koraalriffen. De typische foerageergebieden van de volwassen exemplaren zijn rijk aan bruinwieren.

Naast koraalriffen zijn ook andere kuststreken met een rotsige bodem geschikt, evenals lagunen van oceanische eilanden en smalle doorgangen. Ook in mangroven met een modderbodem en die weinig tot geen vegetatie bevatten wordt de schildpad gevonden. De karetschildpad houdt zich vrijwel altijd op in ondiepe wateren die niet dieper zijn dan 20 meter en wordt slechts zelden op open zee aangetroffen.

De juvenielen hebben een totaal andere leefomgeving dan de volwassen schildpadden. Ze leven op open zee maar omdat ze nog niet kunnen duiken houden ze zich op in drijvende vegetatie, zoals zeewier. Ook in drijvende afvalhopen zijn ze wel aangetroffen. Pas vanaf een schildlengte van ongeveer 20 centimeter keren ze terug naar de kust. Ze verstoppen zich veel onder overhangende rotsblokken en dergelijke.

Voedsel

Het voedsel van de karetschildpad verschilt per levensstadium en zelfs de geografische locatie is van invloed. Van jonge exemplaren die nog niet kunnen duiken wordt vermoed dat ze voornamelijk planten eten en later overschakelen op meer dierlijk materiaal.

De volwassen karetschildpad is een alleseter die echter voornamelijk leeft van sponsdieren. Het dieet is afhankelijk van de geografische locatie. Sponsdieren vormen het grootste deel van het menu maar dit geldt voornamelijk in de Caraïben. In andere werelddelen zoals rond Australië worden ook andere prooien gegeten. Voorbeelden zijn inktvissen, kreeftachtigen, slakken, tweekleppigen, wormen, zeeanemonen en vissen. Ook plantaardig materiaal wordt opgenomen zoals algen, zeegrassen en verschillende delen van landplanten, zoals schors, bladeren en fruit.

De karetschildpad is een van de weinige dieren die van sponsdieren leeft omdat dergelijke prooien een lage voedingswaarde hebben. De meeste sponsdieren zijn daarnaast oneetbaar door het uit vele kleine, naaldachtige structuren bestaande kalkskelet. Deze naaldjes hebben een verwoestende uitwerking op het maag-darmkanaal van veel dieren. Sommige soorten sponsdieren zijn zeer giftig voor andere dieren omdat de naaldjes sterke toxines bevatten. De karetschildpad echter eet ook deze soorten en lijkt weinig last te hebben van de skeletten al is het onbekend hoe dit komt.

Vijanden

De belangrijkste vijand van de karetschildpad is de mens, die op de schildpad jaagt om het schild te kunnen verwerken, de habitat vervuilt en de neststranden aantast.

De karetschildpad wordt vooral als juveniel en embryo door van alles gegeten. De eieren worden door verschillende dieren opgegraven, van geleedpotigen als mieren tot rovende zoogdieren als mangoesten, honden en ratten en tenslotte sommige vogels. De vijanden van de schildpadeieren hangen enigszins af van de geografische locatie; in Australië worden ze vooral opgegraven door varanen en dingo’s, in Noord-Amerika zijn nestplunderaars vooral wasberen en spookkrabben.

Het grootste deel van de net uit het ei gekropen jonge schildpadden wordt binnen korte tijd opgegeten door onder andere vissen, verschillende vogels, krabben, inktvissen en haaien. Volgens schattingen groeit minder dan 1 op de 1.000 eieren uiteindelijk uit tot een volwassen schildpad.

Een eenmaal volwassen exemplaar wordt vanwege het grote en stevige schild alleen nog gegeten door grote haaien zoals requiemhaaien (tijgerhaai), sommige grote zeevissen zoals tandbaarzen en de zeekrokodil.

Voortplanting

De karetschildpad zoekt in de voortplantingstijd ondiepe wateren op waarin de paring plaatsvindt. Van de karetschildpad is bekend dat ze soms hybridiseren met andere zeeschildpadden, vooral in gebieden waar de aantallen laag zijn.

Gedurende het seizoen zet het vrouwtje zo’n 4 tot 5 keer eieren af op het strand, een vrouwtje neemt echter niet ieder jaar deel aan de voortplanting maar om de twee tot vier jaar. De vrouwtjes zetten de eitjes ook bij elkaar in de buurt af zoals andere zeeschildpadden maar maken een individueel nest. Het nest wordt altijd ’s nachts gegraven en net als andere zeeschildpadden keert het vrouwtje vaak terug naar het gebied waar ze zelf geboren is. Het zand waarin de eitjes begraven worden mag niet te droog of te nat zijn, het nest moet niet te diep gegraven worden maar zeker niet te ondiep en de ideale ontwikkelingstemperatuur van de eieren is tussen de 25 en 33° Celsius.

De eieren komen na 8 tot 11 weken uit, de incubatietijd is afhankelijk van de temperatuur en duurt langer als de temperatuur lager is. De juvenielen hebben een schildlengte van ongeveer 4 centimeter en wegen minder dan 20 gram. Ze kruipen altijd ’s nachts uit het ei en gaan af op het licht van de hemel dat in de zee wordt gereflecteerd. Ze kunnen gemakkelijk worden misleid door stadsverlichting en dergelijke zodat ze de verkeerde kant op kruipen en geen schijn van kans maken. Door deze lichtvervuiling komen de schildpadjes op verkeerswegen terecht waar ze worden plat gereden of ze sterven aan uitdroging door de hitte overdag.

Exemplaren die het wel redden en in de zee terechtkomen, leiden door hun kwetsbaarheid een teruggetrokken bestaan. Ze verblijven de eerste jaren op open zee en mijden de kust maar het is niet precies bekend hoe lang. De jonge schildpadjes kunnen niet duiken en worden vaak aangetroffen in drijvende plantenmassa’s in de zee. Pas bij een schildlengte van ongeveer 20 centimeter keren ze naar de koraalriffen langs de kust, maar omdat niet iedere schildpad even snel groeit en de groeisnelheid per locatie kan verschillen, is niet bekend hou oud ze dan gemiddeld zijn. De karetschildpad doet er net als andere schildpadden zeer lang over om geslachtsrijp te worden en dat maakt de soort kwetsbaar. Waarschijnlijk duurt het 20 tot 40 jaar voordat de schildpad volwassen is en zich voort kan planten. Ook over de leeftijd waarop de schildpad volwassen wordt, is niet bekend.

Het Spaans klimaat

  1. Inleiding
  2. Het noorden met de Atlantische kust
  3. Mediterraan klimaat
  4. Het binnenland
  5. Bergen
  6. Zee temperatuur
  7. Beste periode

1.Inleiding

In Spanje zijn er in het algemeen gesproken vijf klimaatsoorten:
– het klimaat aan de Atlantische kust: koel, vochtig en regenachtig
– het klimaat van het centraal plateau: vrij dor en gematigd continentaal met relatief koude winters en het zomers
– het Mediterrane klimaat van de zuidelijke en oostelijke kustregio’s: zacht en zonnig
– het bergachtig klimaat van de Pyreneeën en de Sierras: koud afhankelijk van de hoogte
– het bijna Afrikaans klimaat in Andalusië: zacht in de winter maar zeer heet in de zomer.

Daarom kunnen we wel zeggen dat Spanje niet altijd warm en zonnig is zoals de meeste mensen denken.

2. Het noorden

De Atlantische kust

In het noorden, langs de Atlantische kust is de winter zacht en nat, regen is veel voorkomend en zonneschijn is in die periode een zeldzaam verschijnsel. De kusten van Galicia en Asturias, die meer zijn blootgesteld aan de westelijke winden, zijn winderig maar die winden gaan dikwijls tot in Cantabria en het Baskenland. In Galicia is de regenval overvloedig en vooral dan van oktober tot april.

In deze regio zijn de zomers koel en ook regenachtig. Zelfs in juli en augustus is de lucht dikwijls bedekt met wolken, de zee is niet warm en men bereikt nauwelijks 21° in augustus.

Hierna staan de gemiddelde temperaturen in Santander, in Cantabria. Maar in deze noordelijke regio valt de regen overvloedig neer, zelfs in de zomer. In Santander valt er meer dan 1,100 mm regen per jaar.

Uitleg: lluvia is regen

Op de noordelijke kust van de Atlantische Oceaan schijnt de zon niet dikwijls, ook niet in de zomer.

3. Mediterraan klimaat

Aan de kust van de Middellandse Zee en de kleine Atlantische kust van de Golf van Cádiz is de winter zacht.

In tegenstelling met de noordelijke kust is regen er zeldzamer en zonneschijn is men er gewoon. Dit komt doordat de kusten van de Middellandse Zee in het oosten en het zuiden beschut zijn tegen de Atlantische weerfronten.

Langs de Middellandse Zee en op de Balearen is de zomer er heet en zonnig zoals het typisch is voor het Mediterraan klimaat. De lucht is er vochtig maar de zeebries tempert de hitte iet of wat tijdens de dag.

Barcelona

Hierna volgen de temperaturen van Barcelona, gelegen in het noordelijk deel van de Midditerane kust. De zomer in Barcelona is heet en zonnig, een beetje minder heet maar vochtiger dan in Madrid.

In Barcelona is de regenval niet overvloedig en inwoners wordt gevraagd om geen water te verspillen.

Aan de Costa Brava en in Barcelona is de gemiddelde temperatuur in januari 8/9 ° en hoe verder men in zuidelijke richting gaat wordt de temperatuur zachter om in Valencia de 10 ° te overschrijden.

Foto: temperatuur op Balearen (Mallorca, Menorca, Ibiza, Formentera)

Ten oosten van Valencia, liggen de Balearen (Mallorca, Menorca, Ibiza, Formentera) met een Mediterraan klimaat maar ze zijn ook winderig, Het meest oostelijke eiland, Menorca, is het winderigst door de koele wind die uit het zuiden van Frankrijk komt. Ibiza en Formentera, liggen zuidelijker zijn zachter en meer beschut. Maar op de vier eilanden is de zomer heet en zonnig.

Alicante

In het zuiden van de autonome regio Valencia, waar de kust gericht is naar het zuid-oosten is de jaarlijkse regenval onder de 400 mm.
Hierna staan de gemiddelde temperaturen van Alicante, aan de Costa Blanca.

Aan de Costa Blanca is neerslag een raargegeven. In Alicante valt er 285 mm regen per jaar.

Op de centrale en zuidelijke kusten van de Middellandse Zee schijnt de zon bijna altijd, zelfs in de zomer.

Meer naar het zuiden, het zuidelijk deel van de Costa de Murcia en de Costa de Almería die beschermd zijn door de Sierra Nevada, is het dor en de winters zijn er relatief droog en zonnig. Zo is het klimaat dat van een semi woestijn, dit klimaat is trouwens ook aanwezig in Los Monegros, tussen Zaragoza en Lleida, waar de zogenaamde “spaghetti Westerns” werden gefilmd.

Aan de kust van Andalusië is het klimaat Mediterraan, maar gaan we helemaal zuidelijk, aan Gibraltar en Tarifa, is het frisser en meer winderig in de zomer en regenachtiger in de winter.

In het zuid-westen van Spanje, aan de kust van de Atlantische Oceaan, vinden we de Costa de la Luz. Het klimaat is hier Mediterraan, met hete en zonnige zomers maar we voelen er wel de invloed van de oceaan. Daardoor is de hitte in de zomers niet zo zwoel als aan de Middellandse Zeekust. De temperatuur van de zee is, zelfs in de zomer koel.

5. Het binnenland

Meseta

Het binnenland van Spanje is grotendeels bezet door een plateau met de naam, Meseta. Dit heeft een gemiddelde hoogte van 700/800 meter en er zijn hier koude winters.

Madrid, de hoofdstad ligt in het centrum van het plateau op 650 meter hoogte en in januari zijn er s nachts vriestemperaturen terwijl de dagtemperaturen blijven hangen rond gemiddeld 10 °. Het gebeurt wel eens dat het hier sneeuwt.

Op het plateau zijn de temperaturen in de zomer heet met temperaturen boven de 30 ° maar dank zij die hoogte zijn de nachten verrassend fris en de vochtigheid is laag. In Madrid gaat de temperatuur tot boven de 40 °.

Op het plateau is er geen overvloedige neerslag omdat de grootste hoeveelheid regen van de oceaan komt en de regen valt vooral op de hellingen voor het plateau, De hoeveelheid regen in Madrid is gemiddeld 455 mm per jaar.

Andalusische vlakte

In het zuidelijke binnenland van Andalusië is de zomer zeer heet. Sevilla en Córdoba zijn bij de heetste steden in Europa en dit gebied is zoals een stuk Afrika in Europa. In de zomer gaan de temperaturen vlot tot de 38/40° terwijl er uitschieters zijn tot 45°.
Hierna staan de gemiddelde temperaturen van Sevilla.

In het zuidelijke binnenland is de lucht blauw en zelfs in de winter zijn er veel zonnige dagen.

In de zuidelijke steden die hoger liggen dan de vlakte zoals Granada op 700 meter hoogte wordt de hitte getemperd door de hoogte. De nachten zijn koel maar de dagen zijn gloeiend heet.

6. Bergen

In de bergachtige streken zijn de temperaturen progressief kouder en met meer sneeuw naargelang men hoger gaat. Daarbij komt nog dat de Pyreneeën in het noorden, bij een gelijke hoogte, kouder is dan op de Sierra Nevada. De laatstgenoemde is wel hoger (de Mulhacen is bijna 3.500 meter hoog), zodat je, zelfs al ligt hij in het zuidelijk landsdeel, er toch kan skiën. Het is zelfs mogelijk om op een dag te skiën en daarna op het nabijgelegen strand van Motril te gaan zonnen.

Er is de bergachtige keten die de Meseta kruist, Systema Central, die verdeeld is in enkele bergketens. Die het dichtst bij de hoofdstad komt is de Sierra de Guadarrama waarvan de hoogste piek de Peñalara (2,428 meter) is. Hier kan je in de winter ook skiën.

Hier is het landschap groen omdat er meer neerslag valt 1.240 mm per jaar, met een maximum tussen oktober en december van 160/180 mm per maand en een minimum in juli en augustus van 25 mm per maand.

Pyreneeën

Verder naar het oosten, in de noordelijke delen van Navarre, Aragon en Catalonië vinden we de bergketen, de Pyreneeën. De hoogste piek, Pico de Aneto is 3.404 meter hoog en we vinden hem in Aragon. Boven de 2.700 meter vinden we hier gletsjers.

In Abaurregaina valt er jaarlijks 1.050 mm regen of sneeuw met een minimum in augustus, 65 mm en een maximum in November, 180 mm. Er zijn gemiddeld 126 dagen met regenval en 26 dagen met sneeuwval van november tot april.

In het noorden vinden we een bergketen die parallel met de kust loopt, de cordillera Cantábrica, met zijn hoogste piek deTorre Cerredo met 2.648 meter.

7. Zee temperatuur

Aan de noord-westelijke kust is de zee altijd koel en bereikt amper een maximum van 19 ° in augustus in La Coruna.

Aan de noordelijke kust, Bilbao, is de zeetemperatuur ook zeer koel maar hier is er wel een verbetering in de zomer en gaan we naar 21 graden in augustus.

Aan de kust van de Middellandse Zee ( Barcelona, Balearen en Costa Blanca), is de temperatuur van het zeewater hoger en zij is hoog genoeg om van juli tot september te gaan zwemmen. In Barcelona is de temperatuur van het water in augustus 25 graden.

Aan de Costa del Sol (Málaga), is het zeewater niet zo warm als in de rest van de Middellandse Zee door de infiltratie van water uit de Atlantische Oceaan.

De zee, in dit kleine deel dat uitzicht heeft op de Atlantische Oceaan (Costa de la Luz) is het koeler. Hier bereikt de watertemperatuur slechts 21° in augustus en september alhoewel het weer tijdens de dag heet en zonnig is.

8. Beste periode

Voor een strandvakantie aan de noordelijke Atlantische Oceaan is de zomer koel en regenachtig. Daar komt nog bij dat de watertemperatuur, tijdens deze periode, van de oceaan fris is en daardoor is het strand van de Middellandse Zee te verkiezen, de beste maanden zijn juli en augustus.

Voor diegenen die steden willen bezoeken en excursies willen doen is de zomer een goed seizoen aan de Atlantische Oceaan. Hier is het koel en zacht in de zomer, zeer verschillend van de rest van Spanje. Hetzelfde kan gezegd worden als we naar de bergachtige gebieden kijken, hier is het zonnig maar niet te heet.

In de rest van Spanje is het in de zomer te heet en de hitte kan moeilijk te dragen zijn. Dit geldt vooral voor het binnenland in het zuiden (Sevilla, Córdoba), dat letterlijk in vuur en vlam staat.

In de winter kennen de zuidelijke kusten van de Middellandse Zee (Costa del Sol, Costa Blanca) zachte en zonnige temperaturen en zijn deze gebieden een aangename plaats om er te verblijven.

In het algemeen zijn de beste seizoenen om de zuidelijke en centrale delen van Spanje te bezoeken de lente en de herfst. In Madrid en Barcelona zijn de beste maanden om deze steden te bezoeken mei, juni en september maar in Barcelona kunnen in september de eerste herfstbuien opduiken. Sevilla kent een lange, hete zomer en de beste maanden om de stad te bezoeken zijn april, mei en oktober. Deze maanden kennen een temperatuur van rond de 25 °C.

Voor een skivakantie kan men naar de Pyreneeën gaan of men kan kiezen voor de bergachtige streek in het noorden van Madrid, de Sierra de Guadarrama, of men kan nog zuidelijke gaan naar de Sierra Nevada. Kiest men voor deze laatste optie dan moet men rekening houden dat men op grote hoogte zal kunnen skiën.

Kennis en technieken voor de bouw van droge of stapelmuren

  1. Algemeen
  2. Constructie
  3. Stapelmuren in Menorca
  4. Voordelen
  5. Stapelmuren in Sierra Mágina, Jaén
  6. Stapelmuren in de Sierra de Enguera, Valencia.

1.Algemeen

Droge steen, droge muur of stapelmuur zijn termen die verwijzen naar een bouwtechniek van traditionele en populaire oorsprong die wordt uitgevoerd met behulp van stenen maar zonder enige toevoeging van van mortel of een massa bestaande uit zand, kalk en water. Soms wordt droog zand gebruikt om de gaten in de muur op te vullen en daar komt de naam vandaan.

Foto: typische constructie met de droge steen methode
Motta

De stukjes steen (metselwerk), soms gesneden, passen gemakkelijk bij de constructie van terrassen, muren, dammen, herdershutten en andere bouwwerken in het algemeen zonder dat mortel nodig is om ze te verbinden, simpelweg vanwege de juiste opstelling, maximaal contact tussen de stukken en de zwaartekracht zelf.

UNESCO neemt deze bouwpraktijk op in 2018 op de representatieve lijst van immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid, met de naam “Kennis en technieken van de kunst van het bouwen van droge stenen muren in Kroatië, Cyprus, Frankrijk, Griekenland, Italië, Slovenië, Spanje en Zwitserland.

De oorsprong van droge steenconstructies moet in de oudheid worden gezocht met twee uitgangspunten die parallel gaan met het verstrijken van de tijd: noodzaak en bouwtechniek. De eerste behoefte was zeker om te schuilen voor slecht weer en de tweede was een verdediging tegen andere groepen.

De neolithische revolutie bracht de verzamelaar-jager en nomade ertoe om boer, teler en sedentair te worden. Dit plaatste hem voor nieuwe behoeften, sommige loste hij op met droge stenen. Bewaarde voorbeelden zijn te vinden in heel Europa, bijvoorbeeld: de stad Skara Brae in Schotland.

2. Constructie

De stenen, gesneden of niet, passen in elkaar om te bouwen zonder dat er materiaal nodig is om ze te verbinden. Het is gewoon op zoek gaan naar een juiste en adequate opstelling om het maximale contact tussen de stukken te vinden. Stenen van verschillende vormen en maten worden op de juiste plaats gebruikt om het maximale effect van de zwaartekracht te vinden en om aardverschuivingen te voorkomen.

Op het meest basale niveau heeft deze techniek geen gereedschap nodig. Als de stenen er goed uitzien, wordt de muur met de handen gebouwd. Aan de andere kant staat het werk met perfect uitgesneden hardstenen die passen en bezinken zonder dat er mortel nodig is.

3. Stapelmuren in Menorca

Menorca heeft een karakteristiek en ander landschap dankzij de hand van de mens en zijn gebouwen, die door de eeuwen heen in de omgeving zijn geïntegreerd. Wat het landschap anders maakt, is de droge muur (in het Menorcaans Paret seca), die de velden van Menorca zorgvuldig en eindeloos verdeelt. Muren als hekken die delen van het land omringen, noemt men hier tancas. Er wordt berekend dat als alle droge muren van Menorca die op een rij geplaatst worden die langer zouden zijn dan een ronde rond de wereld.

In Menorca is het gebruikelijk om ergens op de muur twee treden te vinden, botadors genaamd, die worden gebruikt om van de ene kant van de muur naar de andere te springen. Paredador is de naam van het beroep van de persoon die deze muren maakt en het is tevens een van de oudste traditionele ambachten.

Het lijkt misschien dat de droge muur die wordt gebruikt voor hekken antecedente megalithische constructies zoals talaiots, grafkamers (speciaal op Menorca) of taulas (stenen monument op Menorca), maar dat idee is onjuist omdat er een groot verschil is tussen de droge muur van hekken en de droge steen die wordt gebruikt in de eerder genoemde megalithische monumenten.

De droge muur is individueel of in een kleine groep en er worden vrij kleine stenen gebruikt in vergelijking met de stenen die in de oude gebouwen werden gebruikt. Deze constructies vereisten veel arbeid, dus werden ze gebouwd dankzij de hele clan.

De droge muur ontstaat in Menorca omdat het een natuursteen is. Het is een lokale techniek, waarbij gebruik wordt gemaakt van verschillende materialen zoals oppervlaktestenen. Later zijn er steengroeven aangelegd waarmee u het type steen en het uiterlijk kunt kiezen. Dit maakt integratie in de omgeving moeilijk.

Een mogelijke oorzaak voor het verschijnen van droge muren kan worden gevonden bij het zoeken naar een methode om het land te verdelen. Het probleem is opgelost met het meest voorkomende en het gemakkelijkst verkrijgbare materiaal op het eiland: stenen. Het traditionele gebruik dat Menorca heeft gemaakt van de natuurlijke hulpbronnen die het eiland hen ter beschikking heeft gesteld, en de transformatie die plaatsvindt in de landschappen, bossen, weilanden, omringd door de droge muur, hebben het Menorcaanse landschap tot iets karakteristieks en typisch gemaakt.

De droge muur techniek wordt ook gebruikt voor de constructie van sommige gebouwen zoals stallen en momenteel gebruikt men het als decoratie-element.

4. Voordelen

De droge muur die werd gebruikt om hekken te maken, legde een groot aantal stenen opzij, waardoor het veld beter bebouwbaar werd door het ploegen gemakkelijker te maken. De muren worden ook gebruikt om vegetatie en gewassen te beschermen tegen de heersende winden die het eiland voortdurend doorkruisen. De droge muur verdeelt en begrenst velden, wegen en boerderijen, naast het systeem van het vruchtwisselen of wisselbouw.

5. Stapelmuren in Sierra Mágina, Jaén

De droge stenen constructies zijn overal in de geografie te vinden, maar op elke plaats presenteren ze culturele bijzonderheden. In de landelijke omgeving van de Sierra Mágina, in de provincie Jaén, vinden we tal van werken van hoge historische en etnologische waarde zoals hutten en putten.

In het natuurpark Sierra Mágina  overheerst kalksteen, wat we terug vinden in deze traditionele architectuurgebouwen.  Kenmerkend zijn de droge stenen keerwanden, ongeslepen kalksteenconstructies en zonder enige vorm van mortel die in elkaar passen en dienen om de terrassen af te bakenen, erosie te voorkomen en te profiteren van het land voor bebouwing.

In de Huerta de Pegalajar vinden we een mooi staaltje techniek waarbij dankzij de expertise van de meesterbouwers (hormeros) de constructie van afbakeningen wordt geïntegreerd in het landschap en de natuur van de regio.

6. Stapelmuren in de Sierra de Enguera, Valencia.

De Sierra de Enguera (Valencia) ligt in het uiterste zuidwesten van de provincie Valencia. Het komt overeen met de laatste uitlopers van het Iberische systeem, samen met de Sierra de La Plana (Enguera, Valencia), de eerste prebiotische reliëfs ten zuiden van deze plaatsen zijn de Serra Grossa, in de regio La Costera, Valencia.

In Enguera en in mindere mate in de naburige gemeenten zijn ronde gebouwtjes (cucos) de meest voorkomende vorm van droge stenen, gelijk aan hutten, cabines enz  in andere geografische gebieden.

Volgens de definitie van Castellano Castillo is de cuco een karakteristiek en bepalend element van het agrarische landschap van Enguera. Het is een constructie die staat op kleine en middelgrote boerderijen met regenwater ver van het stedelijk gebied. In de cuco prevaleert het praktische aspect boven elk ander. De esthetische waarde is een toegevoegde waarde, veelal niet zo bedoeld door de bouwer.

Cucos zijn, in tegenstelling tot vergelijkbare constructies in andere gebieden, schuilplaatsen die verband houden met de cycli van de landbouw. Ze worden gebruikt als schuilplaats tegen slecht weer en op momenten dat landbouwtaken een grotere aanwezigheid van de boer op de boerderij vereisen en de reizen naar de stedelijke kern niet compenseren vanwege hun afgelegen ligging.

De droge steentechniek wordt ook toegepast bij de aanleg van wegen, terrassen, putten, kazernes en bruggen.

Pre-romaanse kunst in Asturië

  1. Karakteristieken
  2. Geschiedenis
  3. Pre-Romaanse kunst als artistieke uiting van de monarchie
  4. De eerste periode (737 tot 791)
  5. De tweede periode (791 tot 842)
  6. De derde periode (842 tot 866)
  7. De vierde periode (866 tot 910)
  8. De vijfde periode (910 tot 925)
  9. De pre-romaanse stijl buiten Asturië

De Asturiaanse kunst of de pre-Romaanse bouwstijl vinden we op het Iberische schiereiland aan de Cantabrische Zee. Het gebied werd in de achtste eeuw niet door de Moren veroverd en het bleef altijd een christelijk gebied. Men gebruikte deze bouwstijl tussen 711 en 910, het hoogtepunt van het Asturisch koninkrijk.

1.Karakteristieken

De karakteristieken die we in de Asturische architectuur terug vinden zijn:

  • de wens om de glorie van het Visigotisch koninkrijk van Toledo te herstellen waarvan men zich de erfgenaam voelde
  • de relatie met de regio, men noemde het soms de kunst van de Asturische monarchie
  • het overwicht ligt in de architectuur boven de andere kunsten. Binnen de architectuur onderscheiden we de volgende kenmerken:
  1. de stenen en het metselwerk van de muren, het gebruiken van blokken in de hoeken en de verstevigingen.
  2. de halfronde boog, verhoogd of niet en het tongewelf dat of versterkt werd met bogen of dat volledig ontbrak.
  3. de verbindingen in de muur (een bogengalerij aan de binnenzijde en schoormuren of schoorpijlers aan de buitenzijde).
  4. de versieringen in het interieur met fresco’s die verschillende thema’s hebben.
  5. de versierde voetstukken en de verrijkte kapitelen die de aandacht op de pilaren vestigen.
  6. in de religieuze gebouwen en op een overheersende manier is er het grondvlak met drie kerkschepen die gescheiden zijn door bogen op pilaren en het driedelig hoofd met rechthoekige apsissen..
  7. in het bovenste deel van de centrale apsis is er een schatkamer met een raam naar de buitenzijde maar er is geen verbinding naar binnenin de kerk. De functie heeft men nog niet kunnen vaststellen maar men denkt dat het doel van de kamer het behouden van de harmonie in het gebouw is.
  8. een zijdelingse sacristie.
  9. een portiek aan de voet van de kerk.
  10. een systeem van steunberen zoals in San Miguel de Lillo.

2. Geschiedenis

In de vijfde eeuw kwamen de Goten, een christelijke stam van oost Germaanse oorsprong, na de val van het Romeinse keizerrijk aan op het Iberisch schiereiland. Zij veroverden het grootste deel van het grondgebied en zij probeerden om het Romeinse beheer op het schiereiland verder te zetten.

Toen de Visigotische koning Witiza in 710 stierf moest hij opgevolgd worden door zijn oudste zoon Agila maar de troon werd ingenomen door de hertog van Baetica, Roderic. De zoon zocht steun om zijn troon te heroveren en naast de lokale steun die hij vond vroeg hij ook steun aan het moslim koninkrijk in Noord-Afrika. Tarik, de kalief van Damascus was gouverneur in Tanger en hij kreeg de toelating om zijn leger in te schepen naar Spanje. Hij moest er het leger van koning Roderic verslaan.

Op 19 juli 711 volgde dan de slag bij Guadalete, hier vochten de troepen van Agila, gesteund door het moslim leger van Tarik tegen het leger van koning Roderic en zij versloegen er, door hun militaire superioriteit het Visigotisch leger. Tarik en zijn troepen namen dan de weg naar de Visigotische hoofdstad Toledo en zij namen de stad in zonder veel weerstand te ondervinden.

Volgens de overlevering vochten er in het verslagen Visigotische leger ook huurlingen uit Asturië mee die al vochten in het Romeinse leger. De Romeinen kozen hen voor hun moed en hun vechtlust. Deze krijgers, samen met de rest van het verslagen leger zochten een schuilplaats in de bergen van Asturië waar zij probeerden een aantal van hun heilige relieken uit Toledo te beschermen. Het belangrijkste reliek was de Heilige Ark dat een aantal andere relieken uit Jeruzalem bevatte.

Het koninkrijk van Asturië ontstond zeven jaar later in 718 toen de Asturische stammen tijdens een bijeenkomst Pelayo als hun leider kozen. De afkomst van Pelayo is tot op heden onduidelijk gebleven maar wat vast staat is dat hij de stammen verenigde en hen allen, samen met de gevluchte Visigoten, onder zijn leiding bracht. Zijn bedoeling was om het Iberisch schiereiland terug onder gotische invloed te brengen en dat moest gebeuren volgens het politieke model van Toledo.

Het koninkrijk van Asturië verdween met koning Alfonso III die in december 910 stierf. In nauwelijks twee honderd jaar hebben de twaalf koningen van de door Pelayo gestichte dynastie grondgebied heroverd op de moslims en kregen zij León, Galicië en Castilië terug in handen.

Daardoor moest, omwille van strategische redenen, het hof meer zuidelijker verplaatst worden en het hof ging dan naar León.

De herovering van het Iberisch schiereiland ging verder om uiteindelijk te eindigen met de inname van Granada in 1492, bijna acht honderd jaar na het begin van de Moorse inval.

De vlag van Asturië met de naam “La Victoria” is een gouden kruis op een blauwe achtergrond waarop de Latijnse woorden “Hoc signo, tvetvr pivs, Hoc signo vincitvr inimicvs” (Met dit teken is de vroomheid beschermd. Met dit teken zal je de vijand verslaan) staan. Deze vlag was het symbool dat de christenen verenigde in hun strijd tegen de Moren.

3. Pre-Romaanse kunst als artistieke uiting van de monarchie

Asturische pre-romaanse kunst is uniek in gans Spanje omdat het een combinatie is van verschillende stijlen zoals de Visigotische, de Mozarabische en de lokale bouwstijl. Het is ontwikkeld met zijn eigen karakteristieken en de stijl heeft een zekere finesse bereikt, niet alleen in zijn bouwkunst maar ook in de gebruikte versieringen en in hun edelsmeedkunst.

Dit laatste aspect kan men zien in stukken zoals in het Kruis der Engelen, het Kruis van de Overwinning, de reliekhouder in de kathedraal van Astorga en het Kruis van Santiago.

Als hof architectuur volgen de pre-romaanse monumenten de verschillende plaatsen van de hoofdstad van het koninkrijk. Vanaf de oorspronkelijke plaats in Cangas de Onís (Oost Asturië), langs Pravia (in het westen van de kust ) tot op zijn definitieve plaats in Oviedo in het midden van de regio.

Deze kunst en bouwstijl heeft een evolutie doorgemaakt en die evolutie is nauw verbonden met de toenmalige politieke situatie en uiteindelijk onderscheiden we vijf periodes.

De eerste periode gaat van 737 tot 791 en ze omvat de regeerperiode van de koningen Fáfila, Alfonso I, Fruela I, Aurelio, Silo, Mauregato en Vermudo I.

Een tweede periode gaat van 791 tot 842 en ze omvat de regeerperiode van Alfonso II.

Een derde periode omvat de periode van 842 tot 866 en ze omvat de regeerperiode van koning Ramiro I en Ordoño I..

De vierde periode gaat van 866 tot 910 met koning Alfonso III.

De vijfde en laatste periode geeft het einde van deze bouwstijl aan omdat het hof overgebracht werd naar León.

4. De eerste periode (737 tot 791)

Uit deze periode, toen het koninkrijk in opkomst was, stammen twee kerken. De kerk van Santa Cruz uit 737 werd gebouwd waar oorspronkelijk het hof van de koning stond, in Cangas de Onís.

Van deze kerk hebben we enkel schriftelijke referenties omdat zij vernield werd in 1936. De kerk die hier vandaag staat dateert uit 1950 en zoals de originele kerk is zij gebouwd op een grafheuvel.

De legende wil dat de naam “Santa Cruz” (Heilig Kruis) komt van het eiken kruis dat koning Pelayo droeg tijdens de slag van Covadonga. Dit was de eerste overwinning op de Moren en later, tijdens de regeerperiode van Alfonso III, werd dit kruis bedekt met goud en edelstenen. Het kreeg de naam “La Victoria” en het werd het embleem op de Asturische vlag.

Volgens kronieken was de kerk van Santa Cruz gebouwd in metselwerk en had zij een kerkschip met een tongewelf en er was een kapel aan een zijde.

De tweede kerk uit deze periode is de Kerk van San Juan Apóstol y Evangelista in Santianes de Pravia, Deze kerk is het resultaat van het overbrengen van het hof van Cangas de Onís naar Pravia, een oude Romeinse nederzetting (Flavium Navia).

De kerk werd gebouwd tussen 774 en 783 en heeft al de eerste kenmerken van de pre-romaanse bouwstijl: zij is oostwaarts gericht, het vloerplan is van een basiliek met een centrale beuk en twee gangpaden, het is gescheiden door drie halfronde bogen, het transept is gericht naar de centrale beuk en met dezelfde lengte als de drie bogen. Het heeft ook een enkele halfronde apsis, een externe ingang en een houten plafond over het kerkschip.

Diverse decoratieve elementen hebben plantaardige en geometrische ontwerpen en zij kunnen bezocht worden in de sacristie die nu een museum is.

5. De tweede periode (791 tot 842)

Alfonso II “de Kuise” was een beslissende koning in de Asturische monarchie. Vanuit een militair oogpunt gezien vestigde hij definitief het koninkrijk tegen de Moren. In de slag van Lutos behaalde hij een grote overwinning. Later verhuisde hij het hof naar zijn definitieve plaats in Oviedo. Op politiek vlak zette hij een betrouwbare, stabiele samenwerking op met keizer Karel de Grote.

Foto: De kerk van San Julián de los Prados

Als beschermheer van de kunst liet Alfonso II het grootste aantal gebouwen bouwen in de pre-romaanse bouwstijl. Met de koninklijke architect Tioda bouwde hij een aantal kerken zoals de kerk van San Tirso, de kerk van San Julián de los Prados, de kerk van Santa María de Bendones en de Kerk van San Pedro de Nora.

Deze kerken werden gebouwd in aanvulling van het paleis complex in Oviedo dat nu verdwenen is en dat de kerken bevatte van San Salvador, Santa María en het aangrenzende paleis en kapel. Dit is nu de Heilige Kamer van de kathedraal in Oviedo, het is de enige overgeblevene uit die periode.

Het bevat relikwieën zoals de Heilige Ark met juwelen zoals het Kruis der Engelen dat de koning zelf schonk aan de Kerk van San Salvador.

Buiten Asturië liet koning Alfonso II, na het ontdekken van het graf van de apostel Jacobus, in een plaats met de naam Campus Stellae (Compostela) in 892 een kerk bouwen ter ere van de heilige.

Toen de Kerk van San Julián de los Prados, of Santullano gebouwd werd, vermoedelijk tussen 812 en 842, maakte dit deel uit van een grotere groep van koninklijke gebouwen die toen gebouwd werden. Het grondplan van de kerk was dat van een basiliek, een centraal kerkschip en twee gangpaden, en er was een scheiding met drie halfronde bogen op vierkante kolommen. Er is nog een transept tussen de gangpaden en het heiligdom.

Tenslotte was er een recht heiligdom dat verdeeld was in drie kapellen en boven de belangrijkste kapel, die enkel toegankelijk is langs de buitenzijde, was er een kamer waarvan de functie nog altijd onduidelijk is. Het dak bestaat uit een interessant eiken plafond met insnijdingen van geometrische figuren.

Aan de buitenzijde is er een vestibule, gericht naar het oosten, en twee sacristie’s die gericht zijn naar noorden en het zuiden en die in verbinding staan met de transept. Deze kerk is de grootste van de kerken in pre-romaanse bouwstijl.

Vanuit decoratief oogpunt zijn de muurschilderingen op de muren en de plafonds van deze kerk bij de best bewaarde van de middeleeuwse muurschilderingen in gans Spanje.

De techniek die men heeft gebruikt is de “fresco” schildering, dat is de schildering aanbrengen als het plaaster nog nat is en het gebeurt in drie vooraf afgebakende gedeelten.

De ontwerpen tonen een duidelijke invloed uit de Romeinse periode door de creatie van een duidelijk sfeerbeeld. Het aantal decoratieve elementen is groot, imitatie van marmer, rechthoeken, banden, cirkels, imitatie koraalvorming, kolommen, medaillons met planten motieven, gordijnen.

Er is het totaal ontbreken van religieuze scenes met als enige uitzondering, het Kruis van Anastasis (alpha en omega) als een symbool van de koninklijke macht. Dit ontbreken van afbeeldingen staat bekend als aniconisme maat in kerken die later gebouwd werden kwamen er wel afbeeldingen voor.

Aniconisme is het ontbreken van afbeeldingen van God en andere levende wezens. Zowel het Jodendom, de islam en het christendom hebben hierin een traditie.

De Kerk van San Tirso ligt naast de kathedraal van Oviedo en enkel het einde van de muur van de apsis van het oorspronkelijke gebouw is bewaard gebleven, de rest is vernield door een brand in de zestiende eeuw. Het deel dat bewaard bleef toont de constructie in steen en in het midden is er het karakteristieke raam met drie punten dat in gebruik was in de Asturische pre-romaanse bouwstijl, hierbij horen dan nog de halfronde stenen bogen in baksteen.

De middelste opening is groter dan de opening aan beide zijden en zij is ondersteund door vrijstaande pilaren.

De Heilige Kamer is gebouwd als de paleis kapel van Alfonso II en de kerk van San Salvador zijn beide vernield in de veertiende eeuw om de huidige gotische kathedraal te bouwen. De Heilige Kamer, grenzend aan de pre-romaanse Toren van San Miguel moest ook onderdak bieden aan de relieken die hierheen waren gebracht na de val van Toledo en het Visigotisch koninkrijk.

Het bestaat uit twee overlappende gangen met een tongewelf, de crypte op de benedenverdieping had een hoogte van 2,30 meter en zij is gewijd aan Santa Leocadia,. De crypte bevat tal van graven van martelaren.

De bovenverdieping is gewijd aan San Miguel en zij werd uitgebreid in de twaalfde eeuw, het centrale gedeelte werd verlengd met 6 meter, een reconstructie die ook in de huidige decoratie voorzien is is een meesterwerk van Spaanse Romaanse bouwstijl. Vanuit architecturaal oogpunt is de bouw van de Heilige Kamer een oplossing voor een van de grootste problemen in de Asturische pre-romaanse bouwstijl, het overwelven van twee overlappende ruimtes dat later zou gebruikt worden in de gebouwen van koning Ramiro I.

Zoals hier eerder geschreven is, is de Heilige Kamer van de koninklijke kapel van functie veranderd naar de schatkamer van de juwelen en relieken van de kathedraal van San Salvador in Oviedo, een functie die bewaard bleef gedurende 1.200 jaar. Een aantal van deze juwelen zijn geschonken door de koningen Alfonso II en Alfonso III en zij vertegenwoordigen buitengewone juwelen uit de Asturische pre-romaanse periode.

Foto: het Kruis van de Engelen

Zarateman

Het eerste van deze juwelen is het Kruis van de Engelen dat gemaakt is in 808 in Gauzón, op de linkeroever van de riviermond van de Avilés. Dat gebeurde volgens de instructies van koning Alfonso II van Asturië die de edelstenen uit zijn persoonlijk bezit schonk om dit juweel te maken.

De naam van het kruis, het Kruis van de Engelen, is afkomstig van de legende dat het kruis gemaakt is door engelen en door hen aan de koning geschonken werd. Deze engelen verschenen aan de koning in de vorm van pelgrims. Het Grieks Kruis (met gelijke armen) heeft een kern van kersenhout en in het midden is er een ronde plaat die dienst doet als verbinding voor de vier armen.

De verbinding is bedekt met een plaat van gedraaide draden en banden met geometrische motieven. Er zijn hier 48 edelstenen gebruikt zoals agaten, saffieren, amethisten, robijnen en opalen van een uitzonderlijke schoonheid.

De plaat is bedekt met een fijne laag goud die met zilveren nagels zijn vast gezet. Versieringen aan deze zijde tonen een grote ovalen agaat camee en een grote steen aan het einde van elke arm.

Exact een eeuw later, in 908, om honderd jaar Asturische overwinningen en veroveringen te vieren schonk Alfonso III het belangrijkste pre-romaanse gouden juweel aan de kathedraal in Oviedo, het was het Overwinningskruis of het Kruis van Santa Cruz. Dat is een Latijns kruis (met oneven armen) van 92 cm bij 72 cm.

De kern is gemaakt van twee stuken eikenhout met ronde einden die eindigen in drie degens en in het midden is er een ronde plaat. Het hele kruis is bedekt met bladgoud en het is rijkelijk versierd met kleurrijk email, parels, edelstenen en gouden draden.

De achterzijde toont een inscriptie in gesoldeerde gouden letters waarop de begunstigers van de Kerk van San Salvador staan en dat zijn koning Alfonso III en koningin Jimena. Verder is de plaats en het jaar op het kruis vermeld.

Het laatste van de pre-romaanse juwelen in de Heilige Kamer van de kathedraal in Oviedo is het Agaten Kistje. Dit werd in 910 aan de kerk geschonken door Fruela II van Asturië (zoon van Alfonso II) en zijn echtgenote Nunilo toen Fruela nog prins was.

Dit buitengewoon gouden artefact is gemaakt in mozarabische stijl, het is rechthoekig en het is gemaakt van cipressenhout. Het heeft een semi-piramidevormig deksel. Het kistje is bedekt met bladgoud en het heeft 99 kleine boogvormige openingen die omlijst zijn met geweven gouddraad waarin agaten geplaatst zijn. Het meest waardevolle gedeelte van dit schrijn is het bovenste gedeelte van het deksel dat denkelijk hergebruikt is van een ander, kleiner reliek van Karolingische herkomst. Dat gedeelte is vermoedelijk honderd jaar ouder dan de rest van het reliek. Deze plaquette is versierd met panelen van email die om beurt omringd zijn door 655 granaatstenen.

Als we nu verder gaan met de architecturale bouwwerken uit de tweede periode van de pre-romaanse bouwstijl dan komen we bij de laatste twee kerken, de kerk van Santa Maria de Bendones en de kerk van San Pedro de Nora.

De eerste vinden we op vijf kilometer in zuidoostelijke richting van de hoofdstad in de buurt van de Nalón vallei en het was een schenking van koning Alfonso III en zijn echtgenote Jimena aan de San Salvador kathedraal op 20 januari 905. Deze is kerk is vergelijkbaar met de kerk van Santullano, hoewel het grondplan niet die typische basiliek stijl heeft van de pre-romaanse kerken.

Hier hebben we drie ruimtes aan de westelijke zijde, de middelste is de ingang-vestibule en de twee andere zijn mogelijk ruimtes voor kerkgemeenschap. Deze ingang gaat naar een enkel kerkschip met een houten plafond en waarop een dak ligt dat dezelfde lengte heeft als de toegangsruimtes.

Het schip grenst aan twee rechthoekige zijkanten die ook een houten plafond hebben waarvan het gebruik ervan lijkt verbonden te zijn met de vroegere rites in deze periode. Dit schip verbind het heiligdom door drie halfronde stenen bogen en elk van hen leid naar de overeenstemmende kapel waarvan alleen de middelste bedekt is met een stenen tongewelf. De andere twee hebben enkel een houten plafond.

Boven de voornaamste kapel is er de typische kamer die enkel langs de buitenzijde door een raam in de vorm van een klaverblad bereikbaar is. Dat heeft verder de typische pre-romaanse vorm, een centrale boog die groter is dan die aan de zijkant en die rusten op twee vrijstaande kapitelen met touw omlijsting, de bovenste rechthoek is omlijst met een gewone omlijsting.

Onafhankelijk van de kerk maar dicht bij de zuidelijke gevel staat de klokkentoren op een rechthoekig grondplan.

De kerk van San Pedro de Nora ligt aan de rivier Nora op ongeveer twaalf kilometer van Oviedo. Deze kerk heeft dezelfde constructie als de kerk van Santullano: in de oostelijke richting is er een hal die gescheiden is van het hoofdgebouw. De kerk heeft het grondplan van een basiliek, het middenschip ligt hoger dan de zijbeuken, er is een houten dak en de verlichting gebeurt via ramen met een rasterwerk.

Dit heiligdom is verdeeld in drie apsissen met tongewelven. Als onderscheidend element zien we hier dat de drie apsissen met elkaar verbonden zijn door de verdelende muren met halfronde boogvormige deuren. Zoals alle kerken uit deze periode is er een kamer boven de apsis die enkel toegankelijk is langs de buitenzijde door een klaver vormig raam.

De klokkentoren, los van de kerk zoals in de kerk van Santa Maria de Bendones hoort niet bij de originele constructie en hij is afkomstig uit de zeventiger jaren. Hij werd gebouwd op initiatief van de grote restaurateur van de Asturische pre-romaanse kunst, Luis Menéndez Pidal.

6. De derde periode (842 tot 866)

De derde periode overlapt de heerschappij van Ramiro I en Ordoño I. De eerste, zoon van Vermudo I, volgde Alfonso II op toen hij overleed zonder nakomelingen. Hij nam de heerschappij over van een snel groeiend koninkrijk. Hij werd door de geschiedschrijvers van de “Virga justitiae” omschreven als de “wapenstok van de rechtvaardigheid”. Dat kwam doordat hij tot tweemaal toe had af te rekenen met een interne rebellie door edelen omdat hij te enthousiast jacht maakte op beoefenaars van tovenarij en de zwarte kunsten, praktijken die veelvuldig voorkwamen in het Asturië van die tijd.

Hij vocht succesvol tegen de Noormannen en hij versloeg hen bij Gijón en La Coruña.

Paradoxaal genoeg had hij een periode van vrede met zijn traditionele vijanden, de Moren.

Vanuit artistiek oogpunt liet deze periode hem toe om de pre-romaanse architectuur te hernieuwen. Dit gaf aanleiding tot de ontwikkeling van de zogenaamde Ramiro stijl.

Ramiro I werd opgevolgd door zijn zoon Ordoño I die een, vanuit militair perspectief oogpunt gezien, een zeer hecht koninkrijk erfde. Dat liet hem toe om een aantal van zijn onderdanen te gebruiken voor de herbevolking van een aantal verlaten steden aan de andere zijde van de bergen zoals Tui, Astorga en León.

Hij vocht met wisselend succes tegen de Moren, in de Slag van Clavijo in 859 versloeg hij ze zeer gemakkelijk maar zes jaar later, bij Hoz de la Morcuera werd zijn leger, onder aanvoering van een van zijn generaals, door de Moren verslagen. Dit maakte een einde aan de herbevolking van de streken die zo kenmerkend was voor het eerste deel van zijn regeerperiode.

Foto: Paleis van Santa Maria del Naranco

Alonso de Mendoza

Het eerste van de bouwwerken uit deze periode is het Paleis van Santa María del Naranco en deze kerk is een belangrijke vernieuwing van de pre-romaanse bouwstijl. Men bracht nieuwe bouwmethodes in die voordien niet mogelijk waren maar alle vernieuwingen hadden voldoende respect voor de vroegere gebruiken.

Het paleis werd gebouwd als een recreatief paleis en het lag aan de zuidelijke zijde van Monte Naranco met zicht op de stad. Oorspronkelijk maakte het deel uit van een reeks van koninklijke gebouwen in de buitenwijken van de stad. Zijn karakter als burgerlijk gebouw werd veranderd in de twaalfde eeuw toen men het paleis ombouwde tot een kerk.

De innovaties die in het paleis gebruikt werden verbaasden de kroniekschrijvers die er herhaaldelijk melding van maakten. Een voorbeeld is de “Crónica Silense” die geschreven werd in 1015 ongeveer 300 jaar na de bouw en waarin men over Ramiro I schreef als volgt “(…)hij bouwde veel gebouwen, drie kilometer buiten Oviedo, uit zandsteen en marmer in een gewelfd werk. (…) Hij maakte ook (…), een paleis zonder hout van een buitengewone constructie en met gewelven boven en onder.,…”.

Wat de geschiedschrijvers zo veel eeuwen later het meest verbaasde was de grootte en de vorm van het gebouw, zijn rijke gevarieerde versieringen en de introductie van de tongewelven door het gebruik van de dwarse bogen. Dit liet toe om geen gebruik meer te moeten maken van houten plafonds. Deze oplossing, die ontwikkeld was in de Heilige Kamer kwam tot zijn volle rijpheid in het paleis van Santa Maria del Naranco.

Het paleis dat op een rechthoekig grondplan staat had twee verdiepingen, het beneden gedeelte of de crypte was eerder laag en er was een centrale kamer met twee andere kamers aan beide zijden.

Men had toegang tot de bovenverdieping via een dubbele trap aan de buitenzijde die tegen de gevel leunde en men kwam in een identiek ontwerp als in de beneden verdieping. Er was een hal met zes halfronde bogen naast de muren die ondersteund zijn door pilaren die in de muur gebouwd zijn, er is tevens een balkon aan beide zijden. Die zijn toegankelijk door middel van drie bogen, gelijk aan die tegen de muur, die op pilaren rusten met een helicoïdaal touw kader dat typisch is voor de pre-romaanse bouwstijl. Het tongewelf is gemaakt van tufsteen en het wordt omhoog gehouden door zes dwarse bogen die op consoles rusten.

Santa Maria del Naranco vertegenwoordigde vanuit een decoratief oogpunt een stap voorwaarts door de verrijking van de gewone normen en standaarden met elementen uit de schilderkunst, de edelsmeedkunst en de textiel kunsten.

De rijke versiering is geconcentreerd in de hal en op de balkons van de bovenverdieping. Hier past een speciale vermelding voor de kubusvormige prismatische kapitelen met een Byzantijnse invloed. Zij hebben reliëfs die omlijst zijn met koordvormen (uit de lokale traditie) in trapezium en driehoekige vormen.

Binnen zijn er reliëfs in de vorm van mensen en dieren. Dit soort motief is herhaald op de schijven van de centrale medaillons die boven de blinde bogen staan. De 32 medaillons die rondom het gebouw verspreid staan zijn gelijk van vorm en grootte, ze variëren enkel door de gebruikte figuren (vogels, druiventrossen, fantastische dieren) en dat roept een herinnering op aan de Visigotische periode.

De medaillons hebben boven hen decoratieve banden die wederom omlijst zijn met een omkadering in de vorm van een touw. Binnenin zien we vier symmetrische sculpturen, de bovenste twee dragen een lading op hun hoofd en de lagere twee verbeelden twee soldaten met een zwaard. Deze figuren hebben schijnbaar een symbolische sociale betekenis, de krijgers verdedigen de mannen van gebed of als een alternatief symbool, de koninklijke en de geestelijke orde die elkaar aanvullen.

Santa María del Naranco bezit ook andere mooie en belangrijke versieringen. Voor de eerste maal heeft men hier een Grieks kruis gebruikt als embleem voor de Asturische monarchie en om het gebouw te vrijwaren van alle kwaad. Dat was iets wat al lang de gewoonte was in de gewone architectuur in dorpen en steden.

Sommige beeldhouwwerken zoals de kapitelen met een Korinthische inspiratie op de balkons met hun drievoudige gebogen ramen of de altaarsteen op het oostelijke balkon (dat origineel uit de nabijgelegen kerk van San Miguel de Liño/Lillo kwam) maken van dit paleis het meest karakteristieke gebouw in de pre-romaanse bouwstijl.

Foto: kerk van San Miguel de Lillo

De kerk van San Miguel de Lillo werd in 848 ingewijd door koning Ramiro I en zijn echtgenote Paterna. Oorspronkelijk was deze kerk gewijd aan Maria maar deze aanbidding werd in de twaalfde eeuw overgebracht naar het nabijgelegen paleis en daardoor werd deze kerk opgedragen aan San Miguel.

Origineel had de kerk het grondplan van een basiliek, met zijn drie gangpaden en het tongewelf.

Denkelijk is een deel van de originele structuur verdwenen door het verval dat in de twaalfde en de dertiende eeuw intrad. Vandaag de dag is het westelijk deel van de kerk uit die periode bewaard gebleven samen met enkele elementen in de rest van de kerk zoals de wanden in de hal en het prachtig roosterwerk in het raam aan de zuidelijke zijde dat gemaakt is uit een stuk steen.

De laatste van de kerken uit die periode is de kerk van Santa Cristina van Lena, die op ongeveer 25 km van Oviedo ligt aan een oude Romeinse weg die een verbinding was tussen het gebied op het plateau en Asturië.

Deze kerk heeft een verschillend grondplan dan dat traditioneel gebruikt is in de pre-romaanse basiliek stijl. Het is een simpele rechthoekige ruimte met een tongewelf en met vier aangrenzende ruimtes die in het midden van elke gevel liggen.

De eerste van deze gebouwen is een typische Oostenrijkse pre-romaanse hal, met een koninklijk gedeelte in het bovenste deel en dat toegang had door middel van een trap.

In het oosten is er de ruimte met het altaar, met een enkele apsis en dat is een voorloper van de traditionele Asturische pre-romaanse bouwstijl met drie apsissen.

In het noorden en het zuiden zijn er respectievelijk twee andere ruimtes met halfronde bogen en met een tongewelf. Het gebruik van deze ruimtes hangt samen met de Hispano-Visigotische liturgie uit de elfde eeuw.

Een van de meest bijzondere elementen in de kerk van Santa Cristina de Lena is het bestaan van een pastorij die boven het vloeroppervlak ligt in het laatste deel van de middenbeuk. Het is gescheiden van de ruimte voor de kerkgemeenschap door drie bogen op marmeren pilaren.

Deze scheiding die ook voorkomt in andere Asturische kerken komt niet meer voor in andere kerken met een gelijkaardige structuur. Beide roosterwerken boven de bogen en de muur rond de centrale boog zijn hergebruikt uit de Visigotische periode in de zevende eeuw.

Aan de buitenzijde van de kerk zien we een groot aantal steunberen, 32 in totaal, die in een aantal gevallen een meer esthetische functie lijken te hebben. In de buurt van deze kerk ligt het Asturisch pre-romaanse informatie centrum in het oude Norte de la Cobertoria treinstation.

7. De vierde periode (866 tot 910)

Deze periode omvat de regeerperiode van Alfonso III, die op de troon kwam toen hij 18 jaar was, na de dood van zijn vader Ordoño I. Deze periode markeerde het hoogtepunt van het koninkrijk Asturië.

Uitbreiding van het koninkrijk ten nadele van de Moorse heersers bracht hem in Oporto en Coimbra, in het hedendaagse Portugal.

Hij bracht de grenzen van het koninkrijk tot aan de oevers van de Douro en hij herbevolkte Zamora, Simancas, Toro en het ganse gebied dat bekend staat als Campos Góticos.

Het idee dat het Asturisch koninkrijk de voortzetting van het Visigotisch koninkrijk uit Toledo was werd volledig aangenomen en dat volgde uit de verplichting om alle gebied dat bezet was door de moslims te heroveren.

Dit idee kon mem terug vinden in historische kronieken zoals de “Crónica Albeldense” die in 881 geschreven werd in Oviedo. Hij vertelt de geschiedenis van het Gotisch koninkrik (Ordo Gentis gothorum), dat gevolgd werd door de Asturische monarchie (Ordo Gothorum Obetensium fíegnum).

De uitbreiding van het grondgebied en de toenemende macht van het koninkrijk ontstoken ook de ambitie van de drie zonen (García I, Ordoño II and Fruela II) van Alfonso III. Deze drie zonen, aangemoedigd door een aantal edelen ontnamen de koning zijn macht en brachten de koning naar Boiges, het huidige Valdediós.

Niettegenstaande zij zijn macht hadden ontnomen lieten zij hem toe om nog eenmaal tegen de moslims ten strijde te trekken en dat gebeurde in Zamora. Eens te meer overwon hij de moslims in een veldslag. Toen hij van de veldslag terugkeerde overleed de koning in december 910.

Uitgerekend hij, de koning die voor de grootste uitbreiding van het koninkrijk sinds Pelayo had gezorgd en die in de kronieken beschreven werd als “Groot Koning en Keizer” (Magnus Imperatore ImpemtorNoster) kon niet voorkomen dat het koninkrijk in drie stukken uiteen viel.

Deze stukken werden het latere Asturië, Galicië en Castilië-León.

Foto: de kerk van San Salvador de Valdediós

Nachosan

De kerk van San Salvador de Valdediós en de kerk van Santo Adriano de Tuñón zijn de enige twee kerken die door deze koning gebouwd werden. Dat gebeurde in aanvulling van de bouw van de Foncalada fontein (fonte incalata) in het centrum van Oviedo. Deze fontein ligt buiten de stadsmuren van Oviedo en en het is het enige overblijvende burgerlijke bouwwerk uit deze periode.

De kerk van San Salvador de Valdediós staat in de vallei van de Boides (Villaviciosa) en dat is de plaats naar waar Alfonso III werd overgebracht toen hij van de macht beroofd werd door zijn drie zonen.

In die periode was er hier een oud klooster van de Benedictijner orde, een klooster dat in de dertiende eeuw werd overgenomen door de Cisterciënzer orde. De kerk staat ook bekend als de “Bisschopskerk” en zij is ingewijd op 16 september 893. Er waren zeven bisschoppen bij aanwezig en de kerk staat op het traditionele basiliek vloeroppervlak met een drievoudig heiligdom die gescheiden zijn van de centrale middenbeuk door vier halfronde bogen.

Aan de westelijke zijde zijn er drie ruimtes, de middelste werd gebruikt als hal en de andere twee waren in gebruik als ruimte voor pelgrims. Het gewelf op de middenbeuk, evenals de gewelven over het apsis zijn een tongewelf van baksteen en het is versierd met fresco’s in geometrische figuren.

De koninklijke ruimte ligt boven de hal en zij is van de ruimte voor de kerkgemeenschap (spatium fidelium) in de middenbeuk en van de plaats bestemd voor liturgie gescheiden door een ijzeren traliewerk dat nu verdwenen is.

Bijzondere elementen in deze kerk zijn de overdekte galerij aan de westelijke gevel, het koninklijk portiek, de 50 cm grote vierkante pilaren aan de bogen in de middenbeuk, het venster met drie bogen in de centrale apsis en de kamer boven de apsis die enkel kan betreden worden langs de buitenzijde en die maar twee openingen heeft in plaats van de gewone drie.

De kerk van Santo Adriano de Tuñón ligt op de oever van de Trubia naast een oude Romeinse weg.

Zij werd ingewijd op 24 januari 891 en zij heeft het klassieke basiliek vloeroppervlak alhoewel de kerk in de zeventiende of de achttiende vergroot werd met een kerkschip aan de westelijke zijde en met een klokgevel. De fresco’s in de kerk zijn de enige Mozarabische overblijfselen in Asturië van dit soort schilderwerk.

Foto: bron van Foncalada

Sitomon

Uiteindelijk is er de Foncalada fontein, de enige burgerlijke constructie uit de middeleeuwen. Zij werd gebouwd buiten de stadsmuren van Oviedo. Zij is gemaakt met stenen blokken en een kruisdak, een tongewelf en rechthoekig grondplan. Het snijpunt van het dak is bekroond met een driehoekig fronton dat gebeeldhouwd is met het Overwinningskruis dat kenmerkend is voor Alfonso III. Hier staat ook de inscriptie die typisch is voor het koninkrijk van Asturië: “Hoc signo tvetvr pivs, hoc signo vincitvr inimicvs”.

8. De vijfde periode (910 tot 925)

Toen Alfonso III overleed en het koninkrijk van Asturië verdeeld werd onder zijn drie zonen kwam ook de periode van de Asturische pre-romaanse bouwstijl ten einde. Er werden in deze periode nog twee kerken gebouwd.

De eerste is de kerk van San Salvador de Priesca die op een paar km van Valdediós gebouwd werd.

Zij werd ingewijd op 24 september 921 en zij had de architecturale en decoratieve stijl van Santullano. In de zeventiende en de achttiende eeuw onderging de kerk verschillende verbouwingen en veranderde men vooral de ruimtes naast de hal door ze te verbinden met de gangpaden aan beide zijden.

De kerk van Santiago de Gobiendes ligt bij Colunga, naast de zee en het Sueve gebergte. Het is de laatste pre-romaanse kerken die gebouwd werd en zoals de voorgaande volgde men ook hier het Santullano bouwmodel.

In de zeventiende en de achttiende eeuw waren er ook hier grote verbouwingen aan de inkomhal, de gevel en de grote en de bijkapellen. Zij werd verder gerestaureerd in 1946 en 1983.

9. De pre-romaanse stijl buiten Asturië

Buiten Asturië zijn er nog andere kerken uit deze periode en de meeste daarvan staan in León en zij hebben dezelfde stijl zoals die in gebruik was in Asturië. De meeste van deze kerken zijn mozarabisch van stijl maar eenvoudiger en er is een duidelijke byzantijnse invloed aanwezig.

  • in León, de basiliek van San Juan en dat is een voorganger voor de huidige basiliek van San Isidoro.
  • in Navarra, de crypte van San Salvador de Leyre (negende eeuw) met enkele ruwe kapitelen, die op een afstand een imitatie waren van de corintische stijl mar zij hadden de vorm van een omgekeerde piramide.
  • in Aragón, de crypte of de kerk van San Juan de la Peña uit de negende eeuw en al de kerken in Serrablo dat op de linkeroever van de Gállego ligt: Beide voorbeelden zijn beïnvloed door de mozarabische kunst.
  • in Catalonië, de eerste reconstructies van de Visigotische kerken in Tarrasa en de fundering van veel andere kerken en die later werden heropgebouwd in de romaanse stijl.
  • in Zamora, de romaanse kerken van San Claudio de Olivares en van Santiago de los Caballeros.

Ook bouwde men in deze regio een aantal kerken in byzantijnse stijl, die overbleven uit de tiende eeuw, alhoewel er latere restauraties zijn aangebracht. Andere kerken dateren uit het einde van de tiende eeuw zijn in romaanse stijl of beter gezegd in mozarabische stijl.

Het Sefardisch Museum

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis van het joodse volk
  3. De joden op het Iberisch schiereiland
  4. De Sefarden en hun manier van leven
  5. Website

1. Algemeen

Foto: binnenzijde van een synagoge

Windwhistler

Het Sefardisch Museum in Toledo vinden we in het oude Klooster van de Ridders van Calatrava, een bijgebouw van de Synagoge. In het Nationaal Museum van Hispano-joodse en Sefardische Kunst vinden we een grote hoeveelheid overblijfselen van de joodse cultuur in Spanje. Het Museum toont een aantal historische, religieuze gebruiken uit het joods verleden in Spanje. Dit is het verleden van de Sefardische joden, de afstammelingen van de joden die op het Iberisch schiereiland woonden tot in 1492.

2. Geschiedenis van het Joodse Volk

De eerste zaal toont de geschiedenis en cultuur van het joodse volk in het oude Nabije Oosten, een streek waar volgens de Bijbelse geschriften de tradities ontstonden die hun dagelijks leven bepaalden. We vinden hier archeologische voorwerpen uit de periode 2000 jaar voor Christus tot in de eerste eeuw na Christus. Ook een grote verscheidenheid van culturele voorwerpen tot wat het betekend om jood te zijn, hun opvattingen en hun gewoonten. We zien hier een Thora (een heilig boek in het jodendom) en andere religieuze voorwerpen.

3. De joden op het Iberisch schiereiland

Men stelt hier de voornaamste gegevens uit het cultureel leven van de joodse aanwezigheid in Spanje tentoon. Dit gaat vanaf hun aankomst, tijdens de Romeinse en Visigotische periode, op het Iberische schiereiland over hun ontwikkeling tijdens de Moorse periode tot in de Christelijke periode in de dertiende tot de vijftiende eeuw met zijn bekeringen, de Inquisitie en hun verdrijving in 1492.

In de noordelijke binnenplaats, zoals op een begraafplaats, staan er enkele gedenkstenen van joodse figuren vanuit een aantal plaatsen in Spanje. In de oostelijke binnenplaats zijn er archeologische overblijfselen van een mogelijk openbare badplaats uit de joodse wijk in Toledo en het plaveisel van de oude hejal (nis waar men de Thora rollen bewaard) uit de synagoge.

4. De Sefarden en hun manier van leven

De plaatsnaam Sefarad verschijnt in de Bijbel in het vers 19 uit het Bijbelboek Obadja. Het was in het joods uit de Middeleeuwen en men gebruikte het om naar Spanje of in het algemeen het Iberisch schiereiland te verwijzen. Later gebruikte men het in andere cultuurtalen om naar het joodse Spanje te verwijzen.

Hier vinden we ook de galerij voor de vrouwen, een ruimte speciaal voor vrouwen om hen toe te laten de liturgie te volgen. Zoals in andere culturen is het in het jodendom aan vrouwen niet toegelaten om de dienst te volgen in de gebedshal.

In deze ruimte vinden we een deel van het originele decoratieve plaasterwerk en uitstalkasten met voorwerpen uit het dagelijkse leven van de Sefarden zoals bij de geboorte, onderwijs, belangrijke feesten, overlijden enz.

5. Website

Het Sefardisch Museum, de site is beschikbaar in het Spaans.

Prehistorische rotskunst in Siega Verde

  1. Geschiedenis
  2. Structuur
  3. Locatie
  4. Culturele waarde

De paleolithische kunst heeft een van zijn belangrijkste vindplaatsen hier in het paleolithisch centrum van Siega Verde en dat ligt in de gemeente Serranillo, Villar de la Yegua, Salamanca.

1.Geschiedenis

Foto: prehistorisch kunst in Siega Verde

Vanbasten 23

Deze vindplaats van rotskunst werd in 1988 door professor Manuel Santoja ontdekt. Hij werkte aan een archeologische inventaris in de provincie Salamanca toen hij aan de oever van de Águeda, in open lucht, afbeeldingen ontdekte.

Het waren afbeeldingen van paarden, geiten, stieren en herten die veelvuldig voorkomen in de streek maar er zijn ook afbeeldingen van rendieren en bizons gevonden, dieren die hier al lang uitgestorven zijn. Er zijn zelfs afbeeldingen gevonden van de wolharige neushoorn, een dier dat voorkwam in een kouder klimaat. Dit alles geeft duidelijk het paleolithisch karakter aan van deze rotskunst.

2. Structuur

Vanaf zijn ontdekking is hij er in geslaagd om meer dan vijfhonderd afbeeldingen uit het Boven-Paleolithicum (20.000 jaar geleden) en meer recent uit het Magdalénien (12,000 jaar geleden) te catalogiseren.

Het zijn 94 panelen die over een lengte van drie kilometer langs de oever van de Águeda liggen. De vindplaats werd door de regering van Castilië en León op de lijst van Groot Cultureel Belang gezet.

3. Locatie

De site kan men vinden langs de rivier Águeda en om toegang te hebben tot de site neemt men de brug over de Águeda op de weg tussen Castillejo de Martín Viejo en Serranillo. Men heeft daar voor de bezoekers een ruimte gebouwd waar zij informatie krijgen over het leven in die tijd en over de plaatsen waar men de rotskunst kan vinden.

4. Culturele waarde

De Unesco heeft beslist om de archeologische site met prehistorische rotskunst van Valle del Cóa in Portugal uit te breiden met de archeologische site van Siega Verde (Castilië-y-León) en het als een geheel te beschouwen als werelderfgoed.

Deze verzameling paleontologische rotskunst Siega Verde is volgens de Unesco op het Iberisch schiereiland uniek in zijn soort door zijn ligging in open lucht.

Het geeft ons een zicht op het sociaal, economisch en spiritueel leven van onze vroegste voorvaderen.

Berberapen op het Iberisch schiereiland

  1. Algemeen
  2. Afkomst
  3. Toerisme
  4. Het Britse leger
  5. Huidige situatie
  6. Legende

1.Algemeen

Deze maal bespreken we een dier dat wel op het Iberische schiereiland aanwezig is maar niet op Spaanse bodem. Men kan ze enkel in Gibraltar vinden, een Britse kolonie op het Iberisch schiereiland en het is de berberaap.

Foto: berberaap

Omdat Gibraltar zoveel toeristen aantrekt bespreek ik het toch hier zodat men op de hoogte is van wat er kan en mag of juist niet op straffe van een zware boete die kan oplopen tot £4.000.

De populatie van de berberapen in Gibraltar is de laatste op het ganse Europese contingent. De situatie waarin ze verkeren is helemaal anders dan die van hun soortgenoten in Noord-Afrika. De toestand van de apen in Gibraltar is zeer voorspoedig te noemen.

Momenteel zijn er ongeveer 300 dieren verdeeld over 5 groepen in het gebied van de rots maar nu en dan komen ze tot in de stad wat dan resulteert in de vernieling van eigendommen.

De berberaap wordt beschouwd als het niet officiële nationale dier van Gibraltar.

2. Afkomst

Sommige wetenschappers geloven dat de berberapen in Gibraltar werden gebracht door de Moren vanuit Noord-Afrika, om ze hier te gebruiken als huisdieren. Deze Moren hebben het Iberische schiereiland bezet tussen 711 en 1492.

Aan de andere kant is het mogelijk dat deze berberapen de resten zijn van apen die verspreid over Europa leefden in de oudheid.

Een zaak is zeker, de apen waren al op de rots aanwezig voordat de Britten hiervan bezit namen in 1704. In 1610 schreef Portillo: “Laat ons eens spreken over diegenen die in de heuvels wonen, dat zijn apen, maar zij kunnen de ware eigenaars genoemd worden…”

3. Toerisme

Deze berberapen worden beschouwd als de topattractie in Gibraltar. De populairste groep is die aan de Queen’s poort aan de Ape’s Den. Op deze plaats kan men extra dicht bij de apen komen want hier vertonen zij zich dikwijls. Soms klimmen ze op de toeristen omdat ze gewoon zijn aan menselijke aanwezigheid.

Foto: ape’s den

Clare Wilkinson

Vergeet in alle geval niet dat het nog steeds wilde dieren zijn en dat ze kunnen bijten als ze schrikken of geprikkeld worden. Door het contact met grote aantallen toeristen is de integriteit van de verschillende groepen verstoord doordat ze te afhankelijk werden van de toeristen voor hun voedsel.

Dit bracht de apen ertoe om tot in de stad te komen met als resultaat dat er woningen, kleding en voertuigen beschadigd werden.

Daarom bestaat er nu een wet die het voederen van de apen ten strengste verbied, er staat een boete op van 500 pond.

4. Het Britse leger

De populatie van apen was onder de hoede van het Britse leger en nadien van Gibraltar Regiment vanaf 1915 tot 1991. Zij controleerden zorgvuldig de populatie welke oorspronkelijk maar uit 1 groep bestond. Er werd zelfs een verantwoordelijk officier aangeduid voor de controle op het welzijn van de dieren. Tevens was er een bedrag opgenomen in de begroting voor de aankoop van hun voer zoals fruit, noten en groenten.

Elke nieuwgeboren kreeg een naam die gekozen werd uit een lijst met namen van gouverneurs en hoge officieren. Elke zieke of gewonde aap werd opgenomen in het hospitaal en kreeg dezelfde medische zorg als de soldaten. Na de terugtrekking van het Britse garnizoen nam de regering van Gibraltar de verantwoordelijkheid voor de apen op zich.

5. Huidige situatie

Momenteel ligt de verantwoordelijkheid voor de apen bij de Gibraltar Ornithological and Natural History Society (GONHS) en de diensten van een dierenarts worden geleverd door de Gibraltar Veterinary Clinic (GVC).

De apen ontvangen dagelijks een rantsoen vers water en groenten, fruit en zaden als supplement op hun natuurlijke voeding van bladeren, olijven, wortels, zaden en bloemen. De dieren worden regelmatig gevangen om hun gezondheidstoestand na te kijken. Bovendien worden hun grootte, gewicht en een paar andere zaken genoteerd.

Uiteindelijk krijgen de dieren een tatoeage en een microchip als identificatie. Verder worden alle apen gefotografeerd en de foto’s worden opgenomen in een catalogus.

Elk jaar is er een telling van de apen teneinde de gegevens van alle apen bij te werken. Deze gegevens zijn belangrijk voor het beheer van de ganse populatie want zij worden ook gebruikt om zwangerschappen te plannen of juist af te breken.

Vrouwtjes van berberapen geraken gemakkelijk zwanger en zo kan de populatie snel te groot worden voor de te kleine leefruimte.

6. Legende

Een populaire legende zegt dat zolang er apen op de rots in Gibraltar aanwezig zijn, Gibraltar onder Brits bestuur zal vallen.

In 1942 (tijdens Wereldoorlog II) nadat de populatie verkleinde tot een 7 tal exemplaren, gaf eerste minister Churchill het bevel om apen te gaan halen in Marokko en Algerije.

Nationaal museum het Prado

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Collectie
  4. Enkele bijzonderheden
  5. Website

1.Algemeen

Het Nationaal Museum het Prado ligt in Madrid en het is een van de belangrijkste musea van de wereld, daarnaast is het een van de meest bezochte musea.

Foto: overzicht van het museum

Outisnn

Het Prado is buitengewoon rijk aan schilderijen van Europese meesters uit de zestiende tot de negentiende eeuw. De aantrekkelijkheid van de collectie ligt in de grote aanwezigheid van schilderijen van Velázquez, El Greco, Goya, Tiziano, Rubens en Hiëronymus Bosch. Daarnaast zijn er werken aanwezig van Murillo, Ribera, Zurbarán, Rafael, Veronese, Tintoretto en Van Dyck om de belangrijkste te noemen.

Na de inventaris in februari 2017 bevatte de totale collectie meer dan 35.000 objecten, onderverdeeld in 8.045 schilderijen, 9.561 tekeningen, 5.973 prenten en 34 stempelmatrices, 971 sculpturen (naast 154 fragmenten), 1189 decoratieve kunstwerken, 38 wapens en bepantsering, 2.155 medailles en munten, meer dan 15.000 foto’s, 4 boeken en 155 kaarten.

Net zoals de andere grote Europese musea zoals het Louvre in Parijs en het Uffizi in Florence liggen de koninklijke dynastieën uit de voorbije eeuwen aan de oorsprong van het museum. Men kan nog altijd de persoonlijke smaak van de Spaanse koningen herkennen en de politieke allianties die zij in die tijd hadden gesloten. Daarom is de collectie niet altijd even goed uitgebalanceerd en is er een overvloed van werken van bepaalde kunstenaars en is er tekort aan andere kunstenaars.

Het Prado is geen encyclopedisch museum zoals het Louvre, de Hermitage, de National Gallery in Londen of het veel kleinere Museo Thyssen-Bornemisza die allen werken uit alle periodes en uit alle scholen bezitten. Integendeel, de collectie in het Prado is een mooie, verfijnde collectie die aangelegd werd door een aantal koningen die tevens kunstliefhebber waren, een aantal werken werden zelfs op bestelling gemaakt. De kern van de koninklijke collectie werd later aangevuld met andere werken maar ze kwamen altijd uit dezelfde schilderstijl. Veel experten beschouwen de collectie in het Prado als een collectie van schilders die bewonderd werden door andere schilders. Zij heeft nieuwe generaties van schilders geïnspireerd vanaf Manet, Renoir en Toulouse-Lautrec die het museum in de negentiende eeuw bezochten tot Picasso, Matisse, Dalí, Francis Bacon en Antonio Saura die over de collectie heeft gezegd: “Dit museum is niet het grootste maar het is wel het meest intense”.

De schilderscholen uit Spanje, Vlaanderen en Italië zijn het best vertegenwoordigd in het museum gevolgd door de Franse maar dan enkel met werk van Nicolas Poussin en Claude Lorrain. De Duitse school is ondervertegenwoordigd met vier werken van Dürer en een aantal portretten van Mengs. Ook de Nederlandse school is ondervertegenwoordigd maar zij bevat wel een Rembrandt.

Samen met het Museum Thyssen-Bornemisza en het Museum Reina Sofía vormt het Prado de Gouden Kunst Driehoek, een mekka voor kunstliefhebbers van over de ganse wereld.

2. Geschiedenis

Het gebouw waarin het museum zich bevindt werd gebouwd in opdracht van José Moñino y Redondo, graaf van Floridablanca en minister van koning Carlos III. Daartoe nam men de architect Juan de Villanueva onder de arm die ook verantwoordelijk was voor de Koninklijke Botanische Tuin en het Koninklijk Astronomisch Observatorium.

Het ontwerp voor het gebouw werd in 1786 door koning Carlos III goedgekeurd. De architect Villanueva stond op het hoogtepunt van zijn carrière en het gebouw moest een van de hoogtepunten worden van de Spaanse neoklassiek. Maar door de lange duur van de werken wijkt het resultaat wel wat af van het oorspronkelijke bouwontwerp.

De bouwperiode liep door tijdens het bewind van Carlos III en Carlos IV en eindigde in het begin van de negentiende eeuw. Met de komst van Franse troepen en de daarop volgende onafhankelijkheidsoorlog verviel het gebouw praktisch tot een ruïne doordat men van het gebouw eerst een kazerne maakte en daarna verwijderde men delen van het loden dak om er kogels van te maken.

Dankzij koning Fernando VII en dan vooral dankzij zijn echtgenote Isabel de Braganza begon men in 1818 met de herstelling van het gebouw op basis van nieuwe plannen van Villanueva. Na zijn dood nam zijn leerling Antonio López Aguado de werken over.

Op 19 november 1819 werd het Koninklijk Museum van de Schilderijen (Museo Real de Pinturas), de eerste naam van het museum ingehuldigd. Dat gebeurde met de beste Spaanse stukken uit de koninklijke collectie die naar het museum werden overgebracht. In het begin waren er 311 schilderijen te zien in drie zalen alhoewel er meer beschikbaar waren. In de daaropvolgende jaren kwamen er meer zalen ter beschikking en werden er ook meer schilderijen tentoongesteld. Deze stukken kwamen van het Museum van de Drievuldigheid die door de Wet op de Onteigening van Kerkelijke Bezittingen van Mendizábal uit1836 ter beschikking kwamen. Dit museum ging op in het Prado in 1872.

Na de onttroning in 1868 van koningin Isabel II werd het museum een nationaal museum en kreeg het de naam van Nationaal Museum van Schilder en Beeldhouwkunst. Deze naam bleef tot in 1920 toen het museum bij Koninklijk Besluit van 14 mei 1920 het Nationaal Museum het Prado werd. In 1971 ging het Museum voor Moderne Kunst op in het Prado maar dat was zonder het deel van de collectie uit de twintigste eeuw. Dat deel werd de basis van het Nationaal Museum Koningin Sofia.

Tijdens de negentiende en een deel van de twintigste eeuw verkeerde het museum in een slechte staat omdat de Spaanse staat weinig hulp en middelen gaf. De veiligheidsmaatregelen waren onvoldoende en dan zeker de brandveiligheid was een ramp. Een deel van het personeel woonde in het museum en er lag een grote houtvoorraad voor hun verwarming. Een artikel van Mariano de Cavia uit 1891 in de krant El Liberal luidde voor de eerste maal de alarmklok. De lokale bevolking kwam in massa naar het museum maar het nieuws bracht al wel met zich mee dat er een aantal verbeteringen aan de brandveiligheid werden aangebracht.

Een groot deel van de meesterwerken uit het Prado werden tijdens de Spaanse Burgeroorlog geëvacueerd. Zij begonnen aan een lange lijdensweg langs een aantal plaatsen om te eindigen in Genève. Op het einde van de burgeroorlog kwamen de schilderijen na een afwezigheid van drie jaar terug naar het museum.

Zelfs na een aantal uitbreidingen van het museum bleef men problemen met het plaatsgebrek hebben en die werden groter in de jaren 60 van de vorige eeuw toen het toenemend toerisme voor meer en meer bezoekers zorgde.

Geleidelijk aan werd het museum aangepast aan de moderne tijden, er werd een luchtfiltersysteem geïnstalleerd in de jaren 80 en die viel samen met de restauratie van de schilderijen van Velázquez. Het dak dat van verschillende materialen gemaakt was en dat nu en dan lekken vertoonde werd tussen 1996 en 2001 hersteld.

Het Prado wordt bestuurd door een directeur, momenteel Miguel Falomir en hij wordt geassisteerd door een raad. De begroting voor 2012 bedroeg 44 miljoen euro en daarvan wordt 63 % gegenereerd door het museum zelf. De inkomgelden, de 16 aanwezige winkels en privésponsors brengen deze 63 % bij elkaar, de overblijvende 37 % zijn ten laste van de staat.

3. Collectie

Samenstelling

De collectie schilderijen overtreft de 8.600 werken. Iets meer dan 3.000 werken zijn afkomstig uit de Koninklijke Collectie, ongeveer 2.000 werken zijn afkomstig uit het Museum van de Drievuldigheid en de rest, 3.500 schilderijen zijn afkomstig uit onder andere het Museum van Moderne Kunst.

De Koninklijke Collectie

De oorspronkelijke kern van de collectie komt van de Spaanse monarchie. De Spaanse koningen waren gedurende eeuwen kunstverzamelaars en zij brachten hun collectie onder in tal van residenties doorheen het Iberisch schiereiland.

Foto: Koning Carlos V

Titiaan

  • Voorgeschiedenis: De collectie zoals wij ze nu kennen is begonnen door Felipe II. De koningen voordien verzamelden ook kunst maar het probleem hier is dat de kunstvoorwerpen hun eigendom waren en dat zij bij hun overlijden verdeeld werden onder de erfgenamen. Zo kwam van de collectie van Isabella de Katholieke slechts een klein deel terecht in de Koninklijke Kapel in Granada.
  • De Habsburgers: Carlos I liet vooral portretten en religieuze werken maken maar zonder de bedoeling om ze te verzamelen. Het was zijn zoon, Felipe II die de Koninklijke Verzameling begon te waarderen en hij bepaalde dat de collectie een en ondeelbaar was. Deze koning bracht een aantal werken uit de tijd van zijn vader terug onder in de collectie en hij verwierf de collectie van zijn tante María van Hongarije. Felipe IV had gedurende veertig jaar de kunstenaar Velázquez in dienst. Carlos II, die regeerde in een van de moeilijkste periodes uit de Spaanse geschiedenis, slaagde er in om wat zijn voorgangers nooit is gelukt een van de meest gerenommeerde Europese kunstenaars in dienst te nemen, Luca Giordano. Carlos II verbood uitdrukkelijk om werken uit de collectie te verwijderen en hij slaagde er in om te verhinderen dat zijn echtgenote, Mariana van Neuburg, het schilderij “De Aanbidding van de Wijzen” van Rubens als geschenk aan haar familie in Duitsland gaf.
  • De Bourbons: Tijdens het bewind van het eerste lid van deze dynastie, Felipe V, was er de brand in het Alcázar van Madrid (1734) en daardoor zijn er een aantal werken van de Koninklijke Collectie vernield. Op deze plaats werd het huidige koninklijk paleis gebouwd en voor de decoratie en die van het paleis La Granja, dat ook tijdens deze regeerperiode gebouwd werd, verwierf de koning en zijn tweede echtgenote, Isabel van Farnese, een groot aantal schilderijen. Carlos III kocht een aantal buitengewone werken waaronder een Rembrandt. Zijn zoon Carlos IV was mecenas van Goya. Tijdens een reis in Italië, Carlos was nog kroonprins, verwierf hij het schilderij “Kardinaal” van Rafael. De collectie neoklassieke werken in het museum met schilderijen van José de Madrazo, Juan Antonio Ribera, José Aparicio en van de beeldhouwer José Álvarez Cubero zijn van deze koning.
  • De invasie van Napoleon was een verschrikkelijke ramp voor het Spaans historisch artistiek patrimonium en dus ook voor de Koninklijke Collectie. Tijdens zijn vlucht nam Joseph Bonaparte, die eerst al de Spaanse kroonjuwelen had meegenomen, meer dan tweehonderd schilderijen mee die gemakkelijk te transporteren en van uitzonderlijke kwaliteit waren. Tijdens dit transport werd de Franse colonne na de slag van Vitoria verslagen door de troepen van de Hertog van Wellington. De hertog verwittigde de koning dat de geroofde voorwerpen in zijn bezit waren en hij vroeg de koning om instructies om de collectie terug te kunnen geven. De koning antwoordde dat de hertog ze kon beschouwen als een gift en toen de hertog, perplex van het antwoord voor de tweede maal om instructies vroeg kreeg hij hetzelfde antwoord. Zo bleef de collectie in de handen van de hertog en staat dit in de Britse geschiedenis bekend als de “The Spanish Gift”. Zo bevinden zich een een aantal stukken in de Londense residentie van de familie Wellington, Apsley House en een aantal werken bevinden zich in de National Gallery van Londen. Veel later begon Fernando VII, onder impuls van zijn echtgenote Isabel de Braganza aan de oprichting van een museum naar het voorbeeld van het Louvre in Parijs. Het moest de mooiste stukken uit de koninklijke collectie tentoonstellen. Fernando stak veel geld uit eigen zak in het project en het museum werd ingehuldigd op 19 november 1819 maar de kunstwerken bleven eigendom van de kroon. Het museum bleef eigendom van de kroon tot de afzetting van koningin Isabel II in1868. Eerder ontsnapte deze collectie aan een groot gevaar toen omwille van problemen met de erfenis tussen de koningin en haar zuster. De koningin heeft haar zuster uitgekocht en zo bleef de collectie in zijn geheel samen.

Het museum van de Drievuldigheid

In de vorming van de collectie van het museum was het Museum van de Drievuldigheid een tweede grote bron voor de collectie van het Prado. De grootte en de kwaliteit van het museum van de Drievuldigheid was wel kleiner dan de Koninklijke Collectie. Dit museum had in zijn naam “Nationaal” staan na de wetten van inbeslagname van de kerkelijke bezittingen van Mendizábal uit 1835-36. Omdat veel mensen niet gelukkig waren met de inbeslagname van de kerkelijke bezittingen werd er beslist om deze kunstvoorwerpen bij elkaar te brengen in het oude klooster van de Drievuldigheid.

Het Museum voor Moderne Kunst

Het museum voor Moderne Kunst was een nationaal museum dat gewijd was aan kunst uit de negentiende en twintigste eeuw. Dit museum bestond tussen 1894 en 1971, het jaar dat de collectie uit de negentiende eeuw opging in het Prado. Het deel uit de twintigste eeuw ging naar het Museum voor Hedendaagse Kunst, de voorloper van het Nationaal Museum Koningin Sofia.

Het Museum voor Moderne Kunst werd opgericht met een koninklijk besluit van 4 augustus 1894 en het werd ingericht in het Paleis voor Bibliotheken en Musea waar het de zuidoostelijke vleugel in beslag nam. De officiële opening was in 1898.

Nieuwe aanwinsten door aankopen, legaten en donaties

De uitbreidingen van het museum waren altijd belangrijk en dat was voor zowel kwaliteit als kwantiteit. Zo werden er sinds de start al meer 2.300 schilderijen verworven. Dit gebeurde op diverse wijzen, zo waren er de donaties, de legaten en de aankopen. Hier is het belangrijk te weten dat men zijn belastingen kan betalen door middel van kunstvoorwerpen, dit werd mogelijk met de wet op het Cultureel Historisch Patrimonium uit 1985. Deze wet maakte het mogelijk dat de kunstcollectie enorm kon vergroot worden.

We gaan hier nu niet alle giften vermelden die het museum reeds ontvangen heeft maar er zijn er toch enkele die er bovenuit steken. Zo heeft Manuel Villaescusa in 1991 een belangrijke dotatie gedaan van 7.000 miljoen peseta’s, omgerekend meer dan 42 miljoen euro. Met deze gift werden er werken gekocht van Sánchez Cotán, Georges de La Tour, El Greco en Goya.

De Mexicaan, maar Spaans van geboorte, Ramón de Errazu liet in zijn testament 25 werken uit de negentiende eeuw na aan het Prado van onder andere Mariano Fortuny, Raimundo Madrazo, Ernest Meissonier en Paul Baudry.

De Barcelonees Pablo Bosch is een van de belangrijkste donateurs in de geschiedenis van het museum. Hij gaf 89 werken aan het museum waaronder Spaanse gotische meesters en Vlaamse primitieven. In deze gift was er nog een grote collectie munten en medailles.

Alhoewel hij reeds 48 schilderijen aan een Catalaans museum had gegeven gaf Francisco de Asís Cambó Batlle in 1941 nog acht werken aan het Prado waaronder schilderijen van Botticelli, Taddeo Gaddi en Zurbarán.

Schilderijen

Spaanse schilderkunst

Met ongeveer 4.900 stukken is de sectie van de Spaanse schilderkunst niet alleen de meest complete van het museum maar ook de belangrijkste in de wereld. Chronologisch gaat de collectie van de Romaanse muurschilderingen uit de twaalfde eeuw tot het einde van de negentiende eeuw. De rijke collectie omvat gotische schilderijen van onbekende meesters en van onder andere Bartolomé Bermejo, Juan de Flandes, Fernando Gallego en Berruguete; de Spaanse renaissance is vertegenwoordigd door Pedro Machuca, Juan de Juanes, Fernando Yáñez de la Almedina, Juan Correa de Vivar en de bekendste van allemaal, El Greco.

De meest briljante periode van de Spaanse schilderkunst, de barok, is vertegenwoordigd door praktisch alle toenmalige kunstenaars zoals Zurbarán, Ribera, Murillo, Juan de Valdés Leal, Juan Bautista Maíno, Alonso Cano, Carreño, José Antolínez, Antonio de Pereda, Francisco Rizi, Herrera el Mozo en misschien de grootste van allemaal, Velázquez. De achttiende eeuw, met zijn rijke collectie met werk van Goya, omvat alle periodes en facetten van zijn werk inclusief waaronder prenten, tekeningen en zijn zwarte schilderijen.

Onder de laatste werken die het museum verworven heeft vinden we de “De Gravin van Chinchón” van Goya en het portret van Ferdinando Brandani van Velázquez.

Italiaanse schilderkunst

De collectie met Italiaanse schilderkunst omvat meer dan 1.000 schilderijen en het is zonder twijfel een van de grote attracties van het museum. Spijtig genoeg omvat ze enkele hiaten waaronder het ontbreken van schilderijen van vroeger dan de zestiende eeuw. Voor de zestiende eeuw had de Italiaanse literatuur een grote invloed in Spanje maar de koning en zijn dochter, Isabel de Katholieke gaven de voorkeur aan de Vlaamse schilderkunst.

De “La pintura del Cinquecento” is het begin van een grote periode uit de Italiaanse schilderkunst en zij stamt uit het begin van de zestiende eeuw en in het Prado zien we 8 werken van Rafael. Andere namen uit die periode zijn Sebastiano del Piombo, Correggio, Andrea del Sarto en Federico Barocci.

We vermeldden hier speciaal de schilderijen uit Venetië in de zestiende eeuw en in het Prado vinden we de grootste collectie van deze kunstvorm buiten Italië. De voornaamste schilder is Tiziano en hij is de favoriete schilder van zowel V als van Felipe II.

De Italiaanse barok schilderkunst is vertegenwoordigd door Caravaggio, Orazio Gentileschi, Artemisia Gentileschi, Giovanni Battista Caracciolo (bekend geworden als Battistello), Giovanni Serodine en Bernardo Cavallino.

Vlaamse schilderkunst

De collectie Vlaamse schilderkunst is de derde collectie in het museum en er zijn meer dan 1.000 schilderijen aanwezig. Ze is belangrijk omwille van de grootte maar ook volgens de kwaliteit. Een groot gedeelte van de verzameling komt uit de Koninklijke Collectie waaronder een aantal Vlaamse Primitieven zoals Robert Campin, Rogier van der Weyden, Dirk Bouts, Hans Memling maar het grootste aantal schilderijen in de collectie is van Hieronymus Bosch.

Foto: de Drie Gratiën

Rubens

De collectie uit de zeventiende eeuw omvat 600 werken en het museum heeft de grootste en belangrijkste collectie met werken van Rubens. Felipe IV is hiervoor aansprakelijk, hij bestelde een groot aantal werken voor zijn paleizen. Verder vinden we hier nog een aantal werken van van Dyck, Jacob Jordaens en Jan Brueghel de Oude.

Franse schilderkunst

Het is de vierde school in het museum en zij omvat meer dan 300 schilderijen. Zoals met de Italiaanse en de Vlaamse collectie hebben andere invloeden hier een rol gespeeld. Door de voortdurende oorlogen tussen Spanje en Frankrijk tijdens de zestiende en de zeventiende eeuw was er geen artistieke uitwisseling mogelijk tussen deze beide landen.

Uit de zeventiende en achttiende eeuw zijn er enkele magistrale werken aanwezig zoals van Poussin, Claude Lorrain, is er een reeks uitstekende landschappen aanwezig, Simon Vouet en van Sébastien Bourdon. De clair-obscur is vertegenwoordigd door Georges de La Tour en Valentin de Boulogne.

Duitse schilderkunst

Er zijn maar weinig schilderijen van de Duitse schilderkunst in het Prado aanwezig en zelfs in Spanje in het algemeen. Alhoewel er een sterke relatie bestond tussen de Spaanse Habsburgers en het Heilig Roomse Rijk hebben de meeste Spaanse vorsten gekozen voor een ander soort van schilderijen. Deze collectie is dus klein maar zij heeft wel een grote kwaliteit.

Er zijn hier een aantal schilderijen aanwezig van Albrecht Dürer, Lucas Cranach de Oude, Hans Baldung en Adam Elsheimer, Uit de achttiende eeuw is er groep schilderijen aanwezig van Anton Raphael Mengs, de favoriete schilder van koning Carlos III.

Hollandse schilderkunst

De voortdurende vijandelijkheden en zelfs de open oorlog tussen Spanje en de Zeventien Provinciën zorgde er voor dat de collectie in het museum eerder klein te noemen is. Uit de zeventiende eeuw, de prachtigste periode uit deze school, is dus ondervertegenwoordigd maar het is niet alleen de onafhankelijkheid van de Nederlanden die hiervoor zorgde. In Holland schilderde men vooral landschappen, zeezichten en stillevens en in Spanje was men op dat moment meer gericht op religieuze en mythologische onderwerpen. Het grootste deel van de schilderijen is afkomstig uit de Koninklijke Collectie en zij werd vooral samengebracht door koning Felipe V en zijn tweede echtgenote, Isabel de Farnesio.

Hierdoor is deze collectie beperkt tot een honderdtal schilderijen, allemaal uit de zeventiende eeuw en daar is een belangrijk werk van Rembrandt bij, Artemisia. Verder zijn er werken van Pieter Claesz. Willem Claesz. Jan Davidszoon de Heem, Gabriël Metsu en Gerard ter Borch.

Britse schilderkunst

De historische rivaliteit tussen Spanje en Groot-Brittannië, die begint in de zestiende eeuw met de afscheiding van Groot-Brittannië van de kerk van Rome, maakte het niet gemakkelijk om Britse schilderkunst naar Spanje te brengen. Dit resulteerde in een zeer kleine aanwezigheid van de Britse school met slechts 25 werken. Er zit ook weinig variatie in omdat de meerderheid portretten zijn uit de tweede helft van de achttiende eeuw.

Van de schilders die wel aanwezig zijn onthouden we Thomas Gainsborough, Joshua Reynolds, Thomas Lawrence, George Romney, Francis Cotes, Henry Raeburn en John Hoppner.

Tekeningen en prenten

De tekeningen en prenten van het museum bevinden zich sinds 2007 in het Jerónimos Gebouw. Deze werken zijn op papier gemaakt en daarom verdragen zij geen licht. Daardoor worden zij slecht tentoongesteld in een lichtarme omgeving gedurende een beperkte periode van drie tot zes maanden. De collectie is meestal alleen toegankelijk voor onderzoekers.

De collectie tekeningen van Goya is de grootste ter wereld en daarnaast is er de collectie tekeningen van Spaanse kunstenaars uit de zestiende eeuw met zijn meer dan 3.000 tekeningen uiterst belangrijk.

De verzameling werken van buitenlandse kunstenaars omvat werken van een aantal Italiaanse kunstenaars zoals Giorgio Vasari, Annibale Carracci en Michelangelo.

Beeldhouwkunst

De verzameling beeldhouwwerken omvat meer dan 900 stukken en voor het grootste deel zijn ze afkomstig uit de Koninklijke Collectie.

Er zijn hier oude beeldhouwwerken met werken uit de Romeinse en zelfs Griekse periode. Deze laatste moesten dienen als decoratiewerken voor de koninklijke paleizen.

De tweede grootste groep zijn werken afkomstig uit de renaissance met werken van onder andere Juan de Bolonia, Bartolomeo Ammannati en El Greco.

In de zalen die werden geopend in 2009 vinden we werken van José Álvarez Cubero, Ramón Barba, José Ginés, de broers Venancio en Agapito Vallmitjana, José Llimona, Jerónimo Suñol, Agustín Querol en Mariano Benlliure. Werken van buitenlandse beeldhouwers zijn hier zeldzaam.

Decoratieve kunst

De collectie aan decoratie kunst omvat wandtapijten, harnassen en porselein, medailles uit de vijftiende en de zestiende eeuw en een aantal munten. Daarnaast vinden we hier de wereldberoemde Schat van de Frans Kroonprins (dauphin). Deze schat behoorde toe aan Louis van Frankrijk die in 1711 stierf aan de pokken.

Wetenschappelijk werk

Het Prado heeft een groot aantal onderzoekers in tal van vakgebieden in dienst en er zijn samenwerkingen met andere gereputeerde onderzoekers en kunsthistorici om een aantal kunstprojecten te startten. Bovendien is er sinds 1980 een jaarlijkse nieuwsbrief waarin prestigieuze auteurs een aantal werken van het museum bestuderen. Verder heeft het museum een technische afdeling en een laboratorium die studies uitvoeren op werken van het museum om de fase van een gebeurlijke restauratie te bepalen. Verder richt het museum cursussen met een hoge specialisatiegraad in voor geïnteresseerden, zijn er internationale congressen en symposia.

4. Enkele bijzonderheden

  • Geen enkel museum in de wereld heeft een grotere collectie dan het Prado van de volgende kunstenaars:
  • El Greco (36 schilderijen en 2 beeldhouwwerken).
  • Velázquez (48 schilderijen).
  • Goya (133 schilderijen).
  • Eduardo Rosales (ongeveer 200 werken waaronder schilderijen en tekeningen).
  • Tiziano (40 schilderijen).
  • Luca Giordano (meer dan 70 schilderijen).
  • Zurbarán.
  • Maíno.
  • Hieronymus Bosch
  • Patinir.
  • Rubens (bijna honderd werken).
  • Ribera (51 schilderijen).
  • Antonio Moro (15 schilderijen).
  • In het museum vinden we La Gloria, geschilderd door Titiaan voor Carlos V en dat schilderij nam de keizer, na zijn regeerperiode met zich mee naar het Klooster van Yuste in Cáceres, Extremadura..
  • We vinden hier ook het portret van koningin Margarita dat geschilderd werd door Velázquez.
  • In de beginperiode was het museum slechts twee of drie dagen per week geopend en het was gesloten als het regende. Gedurende een periode waren de zalen met de beeldhouwwerken niet voorzien van vloertegels, als het stof te hoog vloog besproeide men de vloer met water. Later werd er een houten vloer gelegd, voor de veiligheid werd de houten vloer later vervangen door een marmeren vloer.
  • In 1961 poogde een inbreker langs het dak in te breken maar hij viel en stierf ter plaatse. Hij had een zak bij zich waarin een papier stak met de voorwaarden om de schilderijen terug te krijgen.

5. Website

Het museum heeft een website op Museo del Prado, de site is in het Spaans en het Engels.