Museum van El Greco

  1. Geschiedenis
  2. Belangrijke werken
  3. De laatste sluiting voor een hervorming
  4. De website

Het museum van El Greco vinden we in de Spaanse stad Toledo en we vinden er werken van de Maniërisme of de late renaissance schilder Doménikos Theotokópoulos. Hij is geboren op Kreta maar hij maakte het merendeel van zijn werken in Toledo. Het museum werd in 1911 geopend als huis-museum om er werken van de Kretenzische schilder samen te brengen en om zijn woonomgeving te tonen.

1.Geschiedenis

Het museum werd gebouwd in de Joodse wijk op de funderingen van een huis uit de zesde eeuw en op een renaissance paleis. Het ligt zeer dicht bij de plaats waar de artiest woonde maar het is niet op de exacte plaats omdat de woning van de schilder vernield werd in een brand.

Foto: toegangsweg naar het museum

Het gebouw waarin het museum gevestigd is stamt uit het begin van de twintigste eeuw en het werd gebouwd door de markies de la Vega-Inclán. Hij was een van de eerste voorstanders om de werken van de schilder te bewaren die anders grotendeels genegeerd werd. De markies was ook de grote weldoener in de oprichting van het Museo del Romanticismo in Madrid en het Museo Casa de Cervantes in Valladolid.

Na de schenking op 27 april 1910 van het museum aan de staat werd er een stichting, waarin tal van vooraanstaanden uit die tijd werden opgenomen,opgericht. Het museum opende zijn deuren voor het publiek op 12 juni 1911.

Het motief voor de oprichting van het museum lag in het feit dat men de werken van de schilder wilde beschermen en zij redden van de vernietiging. Men beschouwde de werken van El Greco nog altijd niet als echt waardevol. Een bijkomend probleem was dat men in het buitenland het belang van de schilder wel inzag en tal van werken waren al verdwenen naar het buitenland.

In 1921 kwam er een eerste hervorming en die werd gevolgd in 1950 en in 1960. In 1990, koos men dan voor een definitieve interne en externe hervorming voor het museum maar dat was toch niet voldoende, onlangs kwam er een nieuwe hervorming.

2. Belangrijke werken

Onder de werken van El Greco die hier worden tentoongesteld zien wij:

  • El Apostolado
  • San Bernardino (eigendom van het Museum del Prado)
  • Vista y plano de Toledo
  • El Redentor.

In het museum zien we verder schilderijen en beeldhouwwerken van belangrijke artiesten uit de zestiende tot in de zeventiende eeuw zoals werken van Luis Tristán. Ten minste 25 van de tentoongestelde werken zijn in bruikleen van het Prado.

3. De laatste sluiting voor een hervorming

Het museum was voor hervormingen gesloten vanaf 2006 tot in 2011 en de tentoonstelling van de hier aanwezige belangrijkste stukken liep verder in een wisselbeurt doorheen gans Spanje.

Het schilderij “Vista y plano de Toledo” viel door zijn broosheid buiten deze ruilbeurt en het werd overgebracht naar het Prado Museum in Madrid tot aan de heropening van het museum El Greco in Toledo. Deze heropening kwam er op 24 maart 2011 en het vernieuwde museum is comfortabeler voor de bezoekers.

Foto: Vista y plano de Toledo

Er is nu ook een grote aandacht voor de grootste leerling van El Greco, Luis Tristán. Het museum krijg ook een andere benaming, waar het vroeger Casa-Museo del Greco was is het nu gewoon, Museo del Greco.

In december 2012 presenteerde de voorzitter van de Provinciale Raad van Toledo een voorstel om het El Greco Museum te verplaatsen. Het voorstel maakte deel uit van de vierde herdenking van de honderdste verjaardag van de dood van El Greco. Het bestond uit het creëren van een nieuw Nationaal Museum van El Greco in het gebouw van het Museum van Santa Cruz. Het gebouw dat tot dan toe het Museo del Greco bezette, zou gewijd worden aan de schilderkunst uit de romantiek. Het voorstel kreeg brede institutionele steun, maar leverde aanzienlijke technische en praktische problemen op.

4. De website

Het museum heeft een website op Museum El Greco, deze site is in het Spaans en het Engels.

Toledo, een oude keizerlijke stad

  1. Algemeen
  2. De Oudheid
  3. De Middeleeuwen
  4. Moderne tijd
  5. Hedendaagse tijd
  6. Kasteel van San Servando – Castillo de San Servando
  7. Kathedraal van Santa Maria – Catedral de Santa Maria
  8. Het Klooster van San Juan van de Koningen – El Monasterio de San Juan de los Reyes
  9. Het Museum van El Greco
  10. Santa María la Blanca
  11. Hospitaal van Tavera – Museum Duque de Lerma
  12. Het Alcázar

1.Algemeen

Toledo is in het latijn Toletum; in het Arabisch Tulaytulah en in het joods Spaans Toldoth.

Het is een stad in centraal Spanje en zij is de hoofdstad van de gelijknamige provincie in de autonome communiteit Castilla-La Mancha.

Foto: zicht op het historische deel van de stad

Dmitry Dzhus

Toledo is ook bekend onder de naam “De Stad met de Drie Culturen”, er woonden eeuwenlang christenen, moren en joden. Het is ook de “Keizerlijke Stad” omdat het de voornaamste plaats was van het hof van Carlos I van Spanje.

Toledo ligt op de rechteroever van de Taag, op een heuvel met een hoogte van honderd meter boven de rivier.

De stad heeft een verspreidde structuur met wijken die gescheiden zijn van het centrum van de stad.

We hebben de wijk Azucaica die op de rechteroever van de rivier ligt en die haar oorsprong heeft in de een oud gehucht van de stad. Deze wijk ligt op zeven kilometer van het stadscentrum.

De wijk Sta. María de Benquerencia ligt praktisch tegenover de vorige wijk maar dan op de linkeroever van de Taag.

De geschiedenis van de stad begint in de bronstijd. Het was een belangrijk centrum voor de “carpetano”, een Keltische stam, tot aan zijn Romeinse verovering in 193 voor Christus.

Er zijn diverse overblijfselen in de stad gevonden die de Romeinse aanwezigheid bevestigen zoals de aquaduct en het circus. Na de Germaanse invasies werd de stad door Leovigildo tot hoofdstad gemaakt en later tijdens de Visigotische periode werd het ook nog de voornaamste kerkelijke zetel.

In 711 werd Toledo zonder veel tegenstand door de Moorse troepen die onder de leiding van Táriq ibn Ziyad stonden ingenomen Tijdens de Moorse periode was de stad opgenomen in de Taifa van Toledo.

Alfonso VI heroverde de stad in 1085.

Tijdens de moderne tijd werd de stad het hof van de katholieke koningen. In 1563 werd het hof overgebracht naar Madrid en de stad geraakte in verval, een verval dat nog versterkt werd door de toenmalige economische crisis. Tijdens de Spaanse burgeroorlog werd de stad een symbool, meer bepaald werd het Alcázar een symbool door de lange belegering die het moest doorstaan.

Traditioneel is de metaalindustrie de economische basis met als zwaartepunt de fabricatie van messen en zwaarden. Momenteel is het grootste deel van de bevolking actief in de dienstensector.

2. De Oudheid

De eerste permanente nederzetting die we van de stad kennen is een reeks vestingen. Het was een ommuurde Celto-Iberische stad en het was tevens een van de belangrijkste nederzettingen van de Carpetanos, een Keltische stam in Iberië.

Een van de eerste vestigingen was in Cerro del Bú (op de linkeroever van de Taag) en men heeft hier een groot aantal resten tijdens de opgravingen die er werden uitgevoerd gevonden.

Men kan deze resten bekijken in het Museo-Hospital de Santa Cruz in Toledo.

In 193 voor Christus veroverde Marco Fulvio Nobilior na een hevig verzet de stad. De Romeinen herbouwden de stad en zij noemden ze Toletum. De stad ontwikkelde toen een belangrijke ijzerindustrie waarmee men munten kon slaan.

De stad kwam verder onder een Romeinse invloed te staan waarvan het grote aantal overblijfselen van villa’s getuigen.

De Romeinen hebben nog andere sporen in de stad nagelaten zoals het imposante aquaduct waarvan alleen de fundamenten op de beide oevers van de Taag zijn overgebleven. Verder is er een Romeinse weg die men op de linkeroever van de Taag kan zien en er zijn de resten van een circus dat gedeeltelijk opgegraven is en dat nu in een publiek park ligt.

Het is opmerkelijk dat het grootste deel van die historische gebouwen ontmanteld zijn omdat men de stenen nodig had voor de bouw van andere gebouwen en voor de bouw van de muur die de stad omringde. Vermoedelijk ligt de grootste archeologische rijkdom van Toledo in de ondergrond van de stad.

3. De Middeleeuwen

Na de eerste Germaanse invallen werden de oude muren herbouwd voor defensieve doeleinden maar toch werd de stad in 411 veroverd door de Alanen welke op hun beurt werden verdreven door de Visigoten in 418.

Toen Atanagildo zijn rivaal Agila verslagen had bracht hij zijn hof naar Toledo en later, met Leovigildo werd Toledo de hoofdstad van het koninkrijk en ook de zetel van de aartsbisschop.

Daardoor was de stad belangrijkheid op burgerlijk en kerkelijk vlak.

In 711 werd de stad veroverd door Táriq ibn Ziyad en begon de Moorse heerschappij. De inname van de stad verliep zonder problemen en dat was mogelijk omdat een groot deel van de bevolking de stad ontvlucht was.

Het overwicht in de bevolking van de Mozaraben was een grote zorg voor Córdoba. In 797 (volgens Claudio Sánchez-Albornoz in 807), tijdens het emiraat van Alhakén I, kwam er een opstand tegen Córdoba.

De emir stuurde Amrús ben Yusuf (die in de christelijke kronieken de naam Amorroz kreeg) om de stad te onderwerpen. Amrús liet de plaatselijke muladies (personen van gemengde afkomst, Iberisch maar islamitisch) vermoorden door middel van een list. Amrús organiseerde een banket in het paleis van de gouverneur en hij nodigde de voornaamste muladies van de stad op dit banket uit. Aan de poorten van de residentie posteerde hij een aantal beulen en toen de gasten aankwamen werd hun de keel over gesneden. Hij liet hun lichamen in een greppel gooien.

Op deze wijze kon de emir de stad onder zijn controle houden maar de stad kwam terug in opstand in 811 en in 829.

Ten slotte sloeg Abd al-Rahman III de laatste opstand neer en nam terug bezit van de stad in juli 932 na een beleg van twee jaar. Na het uiteenvallen van het kalifaat in de elfde eeuw werd Toledo een van de belangrijkste taifa koninkrijken. Zij moesten wel belasting betalen aan de koningen van Castilla om hun onafhankelijkheid te bewaren.

Op 25 mei 1085 kwam Alfonso VI in de stad aan, na een voorafgaande overeenkomst met de Moorse machthebbers. Na de overeenkomst van de capitulatie garandeerde de koning aan de Moorse bevolking hun veiligheid en hun bezittingen.

De koning verleende privileges aan elk van de bestaande minderheden, de Mozaribische, de islamitische en de Joodse. Later werden deze privileges verlengd door Alfonso VII met het Pact van 1118. Na de verovering van de stad begon de periode van de grootste pracht en praal van Toledo.

De School van de Vertalers floreerde tijdens de twaalfde en de dertiende eeuw en er werden tal van bouwwerken uitgevoerd op burgerlijk en kerkelijk vlak.

Na de verovering was men uiterst tolerant tegenover de Joodse en Moorse gemeenschappen maar deze tolerantie duurde niet lang. De christenen bouwden hun nieuwe kathedraal op de grote moskee die op zijn beurt al was gebouwd op de oude Visigotische kathedraal.

Tijdens de Castiliaanse burgeroorlog vocht Toledo mee aan de zijde van Pedro I en na een lange belegering werd de stad in januari 1369 ingenomen. Tijdens de ganse middeleeuwen bleef de stad groeien en in de veertiende eeuw verkreeg de stad het privilege om er een markt te houden.

In deze periode werd de stad een van de voornaamste producenten van stoffen en die activiteit kwam naast de andere belangrijke activiteiten zoals het slagen van munten en het maken van wapens. Aan deze expansie had de Joodse bevolking een belangrijk aandeel tot aan hun verdrijven uit de stad in 1492.

4. Moderne tijd

De katholieke koningen maakten de stad groter en in de kathedraal van Toledo werden in 1502 Juana en Felipe el Hermoso uitgeroepen tot de erfgenamen van de Castiliaanse kroon.

Isabel la de Katholieke gaf de opdracht om in Toledo het Klooster van San Juan de los Reyes te bouwen ter herdenking van de slag van Toro. In dit klooster moest zij samen met haar echtgenoot begraven worden maar na de verovering van Granada veranderde zij dat plan en werd het echtpaar in Granada begraven.

Toledo was een van de eerste steden die zich aansloot bij de opstand van de Comunidades in 1520 die als leiders Pedro Laso de la Vega en Juan de Padilla had. Na de nederlaag van de opstandelingen tijdens de slag van Villalar gingen de inwoners van Toledo verder met hun opstand tegen Carlos V en zij stonden toen onder de leiding van de weduwe van Padilla, María Pacheco. Deze voortzetting van de opstand ging verder tot in 1522 en Toledo werd een van de voornaamste steden van het imperium.

Later, in 1563, door de beslissing om het hof naar Madrid over te brengen verloor de stad een groot deel van haar politieke en economische macht.

5. Hedendaagse tijd

Na het begin van de Spaanse burgeroorlog bleef de stad in het republikeinse grondgebied liggen. Echter, in het Alcázar, zetel van de Academia de Infantería, bleef een groep nationalisten achter die onder het bevel van kolonel Moscardó stonden en die weerstand aan de regering boden vanaf 21 juli 1936 tot aan de komst van de troepen van generaal Varela op 27 september 1936.

Het beleg van het Alcázar werd op grote schaal gebruikt door de troepen van generaal Franco.

Het Alcázar, dat praktisch volledig vernield was werd na de oorlog volledig heropgebouwd.

De repressie tussen de beide groepen tijdens en na de oorlog waren karakteristiek voor deze periode. Toen de stad nog onder republikeinse controle stond waren er terechtstellingen van personen die bekend stonden als “rechts” of die kerkelijk gezind waren.

Een van de terechtgestelden was de deken van de kathedraal en volgens de falangistische geschiedenis was de zoon van kolonel Moscardó ook onder hen.

In september 1936 installeerde men een Volkstribunaal in het aartsbisschoppelijk paleis maar dit tribunaal was een kort leven beschoren. Na vier veroordelingen werd het al overgebracht naar Madrid.

Het leven in de stad was niet gemakkelijk, men leefde permanent onder een oorlogsdreiging en grote vernielingen werd aangericht door de bombardementen op het Alcázar.

Na de inname van de stad door de troepen van Franco kwam er geen verbetering voor het lot van de inwoners. Deze troepen richtten moordpartijen aan in de hospitalen van de stad waar de gekwetste republikeinen verbleven.

Tot december 1936 stond de stad onder een algemene terreur die onder leiding stond van commandant Planas en die gericht was tegen alle inwoners van de stad die geen steun verleend hadden aan de Franco troepen.

Monumenten en andere interessante plaatsen

De stad Toledo werd in 1940 opgenomen op de lijst van Historische-Culturele Plaats en in 1987 werd de stad opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.

6. Kasteel van San Servando – Castillo de San Servando

Dit is een middeleeuws kasteel dat op de oever van de Taag ligt en naast de Academia de Infantería. Oorspronkelijk, in 1088 werd, tijdens de regeerperiode van Alfonso XI, met de bouw van het kasteel begonnen en het moest dienen als een klooster.

Later werd het omgebouwd tot een vesting om de mogelijke dreiging van de Moren af te slaan aan de brug van Alcántara. Met de totale verdrijving van de Moren van het Iberisch schiereiland verloor de vesting haar doel.

Na een aantal verbouwingen en onder druk van een totale vernietiging kwam het in 1874 op de lijst van Belangrijke Nationale Historische Culturele Plaatsen.

Vandaag de dag is het kasteel volledig gerestaureerd en het deed achtereenvolgens dienst als school, zetel van de Cortes van Castilla-La Mancha en Universiteit.

Momenteel doet het dienst als Jeugdherberg en plaats voor cursussen en vergaderingen.

Vanuit het kasteel heeft men een panoramisch uitzicht over Toledo en de Taag.

7. Kathedraal van Santa Maria – Catedral de Santa Maria

De kathedraal van Santa Maria draagt ook nog de naam van “Catedral Primada de Toledo” en is de zetel van het aartsbisdom Toledo.

Foto: de kathedraal van Toledo

Michal Osmenda

Het gebouw wordt beschouwd als de “magnum opus” van de gotiek in Spanje. De bouw van de kathedraal begon in 1226 tijdens de regeerperiode van Fernando III de Heilige en het is de laatste bijdrage van de gotische bouwstijl in Spanje. Hij is gebouwd met witte stenen uit Olihuelas.

Oorsprong

Volgens de overlevering heeft op de plaats waar de huidige kathedraal staat al een tempel gestaan die dateert uit de periode van aartsbisschop Eugenio. De tempel werd voor de tweede maal ingewijd in 587 nadat er aan de eerste tal van vernielingen waren aangericht.

In de Visigotische tijd was in de stad de bisschopszetel en tal van Concilies gingen hier door.

Men denkt dat de toenmalige Visigotische bisschopskerk na de inval van de Moren werd omgebouwd tot een moskee. Een groot aantal onderzoekers zeggen dat de gebedsruimte in de moskee overeenstemt met de 5 kerkschepen van de huidige kathedraal.

De patio stemt overeen met een deel van de huidige kloostergalerij, de kapel van San Pedro en de minaret met de klokkentoren.

Tussen de archeologische gegevens kunnen we verschillende sporen ontdekken die duidelijk maken dat er Moorse invloeden aanwezig zijn: een islamitische zuil in de kapel van Santa Lucia, de marmeren zuilschachten die de buitenzijde van het koor garneren hebben een duidelijke Moorse stijl, de gekruiste bogen zijn in de kalifaat stijl.

De bouw van de kathedraal

Met de bouw van de kathedraal werd begonnen in de dertiende eeuw, ten tijde van Fernando III en van de aartsbisschop van Toledo, Rodrigo Ximénez de Rada.

De ceremonie van de eerste steenlegging werd uitgesteld totdat de koning deze kon bijwonen en dat gebeurde in 1227. Ximénez de Rada werd in 1209 tot aartsbisschop van Toledo verkozen.  In zijn ogen was de bouw van een grote kathedraal in de stad zeer belangrijk voor zijn waardigheid.

De toenmalige moskee-kathedraal was toen al oud en geraakte vervallen tot een ruïne en sommige gedeelten waren zelfs afgebroken door de voorganger van de kardinaal. De moskee-kathedraal bestond uit een grote ruimte maar zij was laag en ontbeerde slankheid zoals gelijkaardige gebouwen wel hadden.

Ximénez de Rada werd een enthousiaste promotor voor de bouw van een nieuwe kathedraal die gebouwd moest worden in de toenmalige meest gebruikte bouwstijl, de gotiek.

De bouwmeesters

Gedurende eeuwen dacht men dat de eerste bouwmeester-architect van de kathedraal Petrus Petri (Pedro Pérez) was. Men baseerde zich hiervoor op een inschrijving in het latijn op een gedenksteen in de kathedraal. 

In het midden van de twintigste eeuw onderzocht de bisschop van Ciudad Real dit thema en dat onderzoek bracht een andere architect, die voor Petrus Petri aan de kathedraal gewerkt heeft, aan het licht.

Die nieuwe eerste architect was meester Martín, gehuwd met María Gómez. Martín was van Franse origine en hij werd aangesteld door Ximénez de Rada. Een van de documenten draagt de datum van 1227 en in dat document spreekt men van meester Martín van het bouwwerk van Santa María de Toledo.

Een ander document uit 1234 waarop de rekeningen en de betalingen vermeld staan draagt de naam Martín. Geschriften uit vorige jaren dragen de naam van Martín (metselaar) en Juan Martín (meester van de metselaars) maar men denkt dat dit familieleden zijn.

Er zijn geen andere documenten opgedoken waarin men van een architect voor Petrus Petri spreekt.

Onderzoek uitgevoerd na de ontdekking van de architect Martín wees uit dat het de ontwerper van de kapellen rond het hoofdaltaar kan zijn.

Op het einde van de veertiende eeuw spreekt men van architecht Rodrigo Alfonso.  Hij was verantwoordelijk voor de eerste steenlegging van het klooster in 1389. Dat gebeurde onder de bescherming van aartsbisschop Pedro Tenorio. Deze aartsbisschop liet nog andere werken aan de kathedraal uitvoeren zoals de kapel van San Blas en van het klooster dat beroemd is voor zijn artistieke rijkheid van zijn frescos.

De volgende belangrijke architect was Alvar Martínez (soms González genoemd). Hij was aannemer in de steengroeven van Olihuelas. Hij was verantwoordelijk voor de gevel waaraan men in 1418 begon te werken en voor de enige toren aan het gebouw die gebouwd werd tijdens de periode van aartsbisschop Juan Martínez de Contreras. Zijn schild staat op de fries van het eerste deel.

De bekroning van de toren was het werk van een andere grote meester Hannequin de Bruselas. Hij werkte tijdens de periode van aartsbisschop Juan de Cerezuela. Met Hannequin kwam er een groep van belangrijke architecten aan het werk: Egas Cueman, Enrique Egas en Juan Guas.

De buitenkant van de kathedraal

Voorgevel en belangrijke poorten

Van op de Plaza del Ayuntamiento zien we aan de linkerkant de klokkentoren die bekroond is door een torenspits. Er zijn twee delen, het lager gedeelte is ontworpen door Alvar Martínez en het hoger gedeelte, dat achthoekig is, is ontworpen door Hannequin de Bruselas. Dit is ook bekroond door een spits. Aan de rechterzijde ziet men het uitspringend gedeelte van de kapel in Mozarabische bouwstijl. Dit werd gebouwd in opdracht van kardinaal Cisneros.

Poort van de Horloge (Puerta del Reloj)

Dit is de oudste van de poorten en zij dateert uit de veertiende eeuw.   Het timpaan is verdeeld in vier horizontale banden waarin we het leven van Christus kunnen onderscheiden.

In het bovenste gedeelte van het timpaan staat een afbeelding van de Maagd en in de middenzuil staat een afbeelding van de Maagd en het Kind. In de raamstijlen staan afbeeldingen van koningen en heiligen en dat is een werk van Juan Aléman die ook gewerkt heeft aan de Leeuwen poort.

Het centrale deel is bezet door de klok die haar naam aan deze poort gaf. De beeldjes zijn van Diego Copín. De poort en de omgeving zijn zeer mooi en er is een kleine ruimte dat afgesloten is door een hek in gotische stijl van de hand van Juan Francés.

Leeuwenpoort (Puerta de los Leones)

Deze poort stamt uit de vijftiende en de zestiende eeuw en het is de meest moderne van de grote poorten. De poort kreeg haar naam door de leeuwen die de kolom van het ijzeren hekwerk bekronen. Deze poort werd gemaakt tussen 1460-1466 onder het mandaat van de aartsbisschop Alonso Carrillo de Acuña, naar een plan van Hannequin de Bruselas en Egas Cueman. Zij deden dit in samenwerking met de Vlaamse beeldhouwers Pedro en Juan Guas en Juan Alemán.

De beelden in deze poort zijn een van de mooiste Spaans-Vlaamse werken uit de vijftiende eeuw met name de Maagd in de middenrij en de beelden in de raamstijlen.

De cherubijntjes en de engelen die Maria vergezellen met haar hemelvaart zijn werken van een uitzonderlijk vakmanschap.

De gevel werd in de achttiende eeuw veranderd door Durango en Salvatierra, hij werd gelijk gemaakt aan de andere poorten om het gebouw te verstevigen.

Er zijn elf afbeeldingen die profeten en patriarchen tonen en in het midden staat de Maagd Maria. Verder zien we een groot standbeeld van een biddende San Agustín.  De bronzen deurposten zijn een werk van Francisco de Villalpando.

Andere poorten van de kathedraal

Poort van de Vlakte (Puerta Llana)
De poort is in neo-klassieke stijl uit 1800 en ze is het werk van Ignacio Haam. Het is de enige toegangspoort van de kathedraal die op het gelijkvloers ligt, er zijn hier geen trappen en daar komt dus ook haar naam vandaan. Momenteel is het de toegang voor bezoekers.

Poort van Santa Catalina (Portada de Santa Catalina)
Het is een van de twee toegangen tot het klooster en ze is in laatgotische stijl. De archivolten zijn uitgevoerd met plantaardige motieven van gebladerte. Binnenin zijn er twee gedeelten, het bovenste gedeelte is versierd met een reeks beelden met baldakijntjes. In de timpaan boven de gotische boog is er een schildering van Luis de Velasco.

Poort van de Presentatie (Puerta de la Presentación)
Deze poort is uit de tijd van kardinaal Tavera, zij heeft een rijk beeldhouwwerk met miniatuurtjes in platereske bouwstijl en men heeft hier een mooie witte steen gebruikt. Het is de tweede toegangspoort tot het klooster.

De toren

Oorspronkelijk voorzag het bouwproject in twee torens, een aan elke zijde van de westelijke gevel maar men heeft er slechts een opgericht op de noordwestelijke hoek terwijl er op de overliggende hoek enkel de fundering kwam. Op deze plaats bouwde men later een kapel.

De toren werd ontworpen en gebouwd door Alvar Martínez.

De toren is in gotische stijl met mudéjar invloeden. Na een vierkant vloeroppervlak werden er vier verdiepingen bovenop geplaatst en daar kwam dan nog een verdieping bovenop van een lagere hoogte.

De tweede verdieping was de behuizing van de klokkenluider en de derde verdieping deed dienst als kerkelijke gevangenis.

Tussen de eerste en de twee verdieping zien we een horizontale fries in zwart marmer waarin in witte marmer de schilden van aartsbisschop Juan Martínez de Contreras werden aangebracht.

De top van de toren met zijn achthoekige vorm is een werk van de architect Hanequin de Bruselas. Deze architect werkte aan de kathedraal samen met andere grote figuren zoals Egas Cueman, Enrique Egas en Juan Guas.

Interieur van de kathedraal

Foto: interieur van de kathedraal

Selbymay

De Grote Kapel

De grote kapel van de kathedraal bevat een grote rijkdom aan kunstwerken te beginnen met de eigen architectuur van de kapel. Oorspronkelijk was de kapel verdeeld in twee delen met twee zelfstandige gewelven.

Het veelhoekig gewelf behoorde bij de kapel van de Oude Koningen “capilla de los Reyes Viejos” die zo gescheiden bleven. Met deze verdeling was het koor niet representatief voor een dergelijke kathedraal en kardinaal Cisneros heeft na talloze confrontaties met het kapittel dit deel van de kathedraal herbouwd.

Uiteindelijk werd de kapel van de oude koningen gesloopt en werd het koor vergroot en kwam er voldoende ruimte voor een groot retabel.

Vanaf de oorsprong werd de kapel afgesloten door twee mooie ”traliewerken” uit steen. Een deel werd afgebroken om plaats te maken voor het mausoleum van kardinaal Mendoza. Volgens een aantal kunstkenners is dit stenen hekwerk het mooiste in de hele kathedraal. Het is mogelijk dat het werk voltooid was tijdens de periode van aartsbisschop Pedro de Luna wiens wapens en de blazoenen van Castilië en León op het werk staan.

Het is overvloedig versierd met beeldhouwwerken en het is bekroond door een koor van engelen. In harmonie met dit werk van steen zijn er twee pilaren geplaatst die mee vorm geven aan de kapel. Op de linker pilaar zien we een figuur met een baard en dit is volgens de legende de beroemde herder Martín Alhaja die nieuws bracht van de veldslag van “Las Navas de Tolosa”. Op de andere pilaar staat Abu Walid, het was hij die aan koning Alfonso VI een bericht van tolerantie stuurde.

Het ganse koor is bewerkt met beeldhouwkunst in alle figuren en formaten. Aan de ene zijde zien we de graftombes van Alfonso VII en van zijn echtgenote, doña Berenguela, van kroonprins Pedro Aguilar de Campoo en van Oernia, bastaardzoon van Alfonso XI en Leonor de Guzmán.

Aan de andere zijde is de graftombe van Sancho III van Castilla, el Deseado, en van Sancho IV, el Bravo. De beelden van de koningen werden gemaakt in hout door Copín de Holanda en ingekleurd door Francisco de Amberes. Het is afgesloten door een prachtig hekwerk van Francisco de Villalpando.

Kapel van de graftombe in de grote kapel

Onder het hoofdaltaar van de grote kapel is er een crypte en die kreeg de naam van kapel van de graftombe. Het heiligdom is van buitenaf toegankelijk door middel van een deur met tralies.

Het is een gewelfde kapel waarin drie altaren staan. Het altaar in het midden is toegeschreven aan Santo Entierro en het bevat een groep mooie beeldhouwwerken van Copín de Holanda.

Het altaar aan de rechterzijde heeft mooie schilderijen van Luis Medina en Francisco Ricci.

Het altaar aan de linkerzijde is toegeschreven aan san Julián en er staat een beeldhouwwerk van deze aartsbisschop.

Het retabel van de grote kapel

Het is een retabel in gotische stijl en het is tevens een van de laatste werken in deze stijl voordat men overgaat naar de renaissance stijl.

Foto: retabel van de grote kapel

Querubin Saldaña Sanchez

De opdracht voor het werk ging uit van kardinaal Cisneros en er werd met het werk begonnen in 1497, het retabel was klaar in 1504. Onder de architecten, schilders en beeldhouwers vinden we Enrique Egas en Pedro Gumiel voor het ontwerp, Francisco de Amberes en Juan de Borgoña voor de aankleding en het inkleuren, Rodrigo Alemán, Felipe Vigarny, Diego Copín de Holanda en Sebastián de Almonacid voor de beelden en Petit Juan of Peti Joan voor het tailleren en de afwerking.

De Mozaraben Kapel

Deze kapel ligt in de zuidwestelijke hoek van de kathedraal en ze bevat binnenin het begin van een toren die nooit gebouwd is. De originele naam voor deze kapel is door Kardinaal Cisneros gegeven en dat was Kapel van Lichaam van Christus “Capilla del Corpus Christi”.

Het doel van deze kapel was sinds 1501 het uitvoeren van diensten volgens de mozarabische liturgie.

Er zijn een aantal redenen te bedenken voor de welwillendheid van Cisneros. De meest waarschijnlijke is de wens van de kardinaal om de verzoening te bewerkstelligen tussen verschillende religieuze gevoelens.

Er moet rekening gehouden worden dat op 20 maart 1101 Alfonso VI aan de Mozaraben van Toledo een privilege gegeven heeft dat in 1371 door Enrique II bevestigd werd.

Na voltooiing van deze kapel was er een vierkant grondvlak onder een achthoekige koepel. Er was vermoedelijk een in vakken verdeeld plafond in mudejar stijl maar dit is in de loop der jaren verloren gegaan.

De huidige koepel is uit de zeventiende eeuw en hij is een werk van de zoon van El Greco, Jorge Manuel Theotocópuli.

Kardinaal Cisneros wou dat Juan de Borgoña, in navolging van de schilderijen over de veroveringen van de Katholieke Koningen, er in de kathedraal schilderijen kwamen die aandacht hadden voor de verovering van Orán.

Het gotisch hekwerk in de kapel is van de hand van Juan Francés en er staan naast andere versieringen ook het wapenschild van Cisneros op. Het altaar uit de achttiende eeuw is van brons en marmer uit verschillende kleuren en dat is een werk van Juan Manzano.

In het midden is er een beeld in mozaïek uit de achttiende eeuw van de Maagd met het Kind.

Op het retabel is er een kruisbeeld dat uit een stuk uitgesneden is. Een ander gotisch hekwerk gemaakt door Julio Pascual scheidt het koor van de rest van de ruimte. Het gewelf van de kapel is uitzonderlijk mooi.

De nieuwe kapel der koningen

De originele kapel werd in 1374 opgericht door Enrique II van Castilla en zij kreeg de naam van Koninklijke Kapel. Zij lag aan de voet van de noordelijke beuk. Het kapittel wou in 1534 de plaats van deze kapel veranderen en aartsbisschop Alfonso de Fonseca y Acevedo verzocht de vorst om de kapel te mogen verplaatsen. Dit was geen gemakkelijke klus maar door de kunde en het vernuft van de architect kreeg men dit toch voor mekaar.

De huidige kapel ligt aan de noordzijde van Santiago en Santa Leocadia en de hoofdzijde. De kapel heeft een rare toegang en het was een moeilijke oplossing voor de architect Alonso de Covarrubias.

Meer dan een kapel is dit een kleine kerk met een kerkschip met twee gedeeltes en een veelhoekig absis. Er is ook een sacristie en een inkomhal en dat is een originele oplossing van Covarrubias. Men heeft aan deze kapel gewerkt van 1531 tot 1534 en het was het eerste grote werk van Covarrubias in Toledo.

De twee gedeeltes van het kerkschip hebben een gotisch kruisgewelf maar alle ornamenten en de graven zijn in renaissance stijl. De twee delen zijn gescheiden door een hekwerk van Domingo de Céspedes. Het eerste deel vormt de basis van de kerk met zijn altaren en in het tweede deel zijn de graftombes.

De graftombes
In deze kapel zijn de graven van een groot deel van de Trastámara dynastie met uitzondering van Isabel la Católica (begraven in Granada), Juan II van Castilla (begraven in de Cartuja de Miraflores in Burgos) en Enrique IV (begraven in het klooster van Guadalupe in Cáceres).

Kapellen aan de zuidelijke muur

Kapel van de Driekoningen – Capilla de la Epifanía
Het schilderij van het retabel, dat toegeschreven is aan Juan de Borgoña, laat de aanbidding van de Driekoningen zien en heeft zijn naam gegeven aan de kapel. De kapel werd opgericht door Pedro Fernández van Burgos en zijn echtgenote María Fernández die hier beiden begraven liggen.

Kapel van de Ontvangenis – Capilla de la Concepción
Men komt de kapel binnen door een hekwerk met een grote artistieke waarde en waarop het wapenschild van de familie Salcedo is aangebracht. De kapel werd opgericht in 1502 door Juan de Salcedo, kanunnik van Toledo. Op het gotisch retabel zien we een schilderij van Francisco de Amberes.

Kapel van San Martin – Capilla de San Martín
De kapel is afgesloten door een hek van de hand van Juan Francés. Er is een mooi retabel dat van de hand is van Juan de Borgoña en Francisco de Amberes.

Kapel van San Eugenio – Capilla de San Eugenio
Voorheen droeg deze kapel de naam van San Pedro maar de naam werd veranderd ten tijde van aartsbisschop Sancho de Rojas.

De kapel heeft wel de originele architectuur behouden uit de achttiende eeuw. Er is een afsluiting van Juan Francés. Op het retabel staat een beeld van San Eugenio, aartsbisschop van Toledo en het is een werk van Copín de Holanda. Deze kapel bewaard een zeldzaam stuk, het is het graf van een ridder Alguacil de Toledo die de naam droeg van Fernán Gudiel. Hij stierf in 1278.

Kapel van Santa Lucia – Capilla de Santa Lucía
Deze kapel draagt ook de naam van San José en zij is een van de oudste kapellen in de kathedraal. Zij werd opgericht door Jiménez de Rada. De kapel heeft haar oorspronkelijke architectuur uit de dertiende eeuw bewaard.

Kapel van de Oude Koningen – Capilla de los Reyes Viejos
Deze kapel heeft nog een andere naam en dat is kapel van de Heilige Geest. Zij werd opgericht door aartsbisschop Gonzalo Díaz de Palomeque. De oude kapel die de naam kreeg van de Kapel van de Oude Koningen werd gesticht door Sancho IV en we vinden ze in het hoger gedeelte van het koor in de grote kapel. De kapel is afgesloten door een mooi hek van de hand van Domingo de Céspedes. De kapel heeft drie interessante retabels van de hand van Francisco Comontes.

Kapel van Santa Ana – Capilla de Santa Ana
Zij werd opgericht door Jiménez de Rada en later werd zij gerestaureerd door Juan de Mariana die er ook begraven ligt. Het is een van de kleinste kapellen in de kathedraal.

Kapel van San Juan Bautista – Capilla de San Juan Bautista
Deze kapel is afgesloten door een hekwerk in gotische stijl. De stichter was de aartsdeken van Niebla en de kanunnik van Toledo, Fernando Díaz de Toledo. In deze ruimte bewaard men een kostbaar ivoren relikwie met de beeltenis van Christus.

Kapel van San Gil – Capilla de San Gil
Deze kapel is een klein juweeltje. Zij werd in de zestiende eeuw gerestaureerd door Miguel Díaz, kanunnik en pauselijke notaris. Hij was een man met een verfijnde smaak en een kunstliefhebber. Hij liet het interieur van de kapel schilderen in de stijl van Pompei, een stijl die ook gebruikt werd in het Escorial.

Ruimtes van de kapittelzaal – Espacios de la Sala Capitular

Er zijn drie ruimtes die behoren tot de kapittelzaal. De eerste is een kleine en oude kapel die dienst doet als vestibule en die toegang geeft tot de tweede ruimte, de wachtzaal van de kapittelzaal. Deze wachtzaal heeft een met vakken versierd plafond in mudéjar stijl van de hand van Francisco de Lara.

De toegangsdeur tot de kapittelzaal is een mengeling van twee stijlen, de mudéjar en de platereske. Het is een werk van Bernardino Bonifacio de Tovar die ze maakte in 1510. Deze hal is ingericht met mooie kasten.  De kasten aan de linkerzijde zijn in de zestiende eeuw gemaakt door Gregorio Pardo en de kasten aan de rechterzijde zijn in de achttiende eeuw gemaakt door Gregorio López. De kapittelzaal zelf heeft ook ook een mooi mudejarplafond. De muurschilderingen zijn van Juan de Borgoña. Hier kan men ook twee schilderijen van Goya bekijken.

Kapel van San Ildefonso – Capilla de San Ildefonso
Deze kapel kan men vinden in de kern van de rondgang en tegenover de Transparente. De kapel werd opgericht op het einde van de veertiende eeuw onder kardinaal Gil Carrillo de Albornoz.

De kapel moest dienen als begraafplaats voor de kardinaal en zijn familie.maar zij geraakte niet tijdig klaar. De kardinaal stierf in Viterbo (Italië) in 1364 of in 1367) en zijn lichaam werd drie jaar later naar Toledo gebracht..

De kapel herbergt drie oude kapellen, een centrale grote kapel en twee kleine kapellen aan de kant. De kapel heeft een achtvormig oppervlak en zij is de eerste van die vorm die gebruikt werk als begraafplaats.

In de kapel zijn drie bouwstijlen aanwezig, de bogen en gewelven zijn gotisch, de platereske stijl aan het graf van de bisschp van Ávila en neoklassiek aan het centrale retabel. Dit retabel komt uit de achttiende eeuw en het is gemaakt uit marmer, jaspis en brons.

Kapel van Santiago – Capilla de Santiago
(Deze kapel draagt ook de naam van kapel van Álvaro de Luna omdat deze historische figuur de opdracht gaf tot de bouw van de kapel). Zij moest dienen als begraafplaats voor hem en zijn familie. Het is een van de grootste kapellen in de rondgang, zij neemt de plaats in van drie kapellen.

De kapel heeft een achthoekige vorm en zij is gebouwd in laat-gotische stijl.

Het retabel in de kapel is in gotische stijl en het is een werk van Pedro de Gumiel. Het bevat veertien panelen die geschilderd werden in 1488 door Sancho de Zamora in opdracht van María de Luna. In het midden zien wij een beeld van Santiago en dat is een werk van Juan de Segovia.

Kapel van Santa Leocadia – Capilla de Santa Leocadia
Deze kapel doet dienst als begraafplaats van kanunnik Juan Ruiz Ribera. Zijn overblijfselen bevinden zich in een urne die in een nis staat. In de tegenoverliggende muur ligt zijn oom, Juan Ruiz el Viejo begraven. Op het retabel zien we het beeld van Santa Leocadia uit de achttiende eeuw en dat is geschilderd door Ramón Seyro.

Kapellen in de noordelijke muur

Kapel van San Pedro – Capilla de San Pedro
Deze kapel ligt tussen de poort van de horloge en de Santa Catalina. De oprichter was Sancho de Rojas die hier op deze plaats zijn graf heeft. Deze kapel is meer dan een kapel, het is meer een kleine kerk die dienst doet als parochiekerk. Zij ligt tegen de oostelijke muur van het klooster.

Men treed binnen door een hek in gotische stijl met archivolten die versierd zijn met plantaardige en heraldische motieven waaronder het schild van de Rojas dat 5 sterren draagt.

Op de top van de laatste archivolt staat de buste van aartsbisschop en links en rechts staan er afbeeldingen van andere dignitarissen. In het midden en boven het beeld van de aartsbisschop zijn er gotische beelden van San Pedro.

Kapel van de Vroomheid – Capilla de la Piedad
De kapel is opgericht door de kanunnik Alfonso Martínez voor zjn begraafplaats. Het altaar is opgedragen aan Santa Teresa wiens beeld wordt toegeschreven aan Pedro de Mena of aan zijn werkplaats.

Kapel van Doña Teresa de Haro – Capilla de Doña Teresa de Haro
Deze kapel staat ook bekend als die van Cristo de las Cucharas als referentie aan de grote lepels op het blazoen van de familie López de Padilla. De kapel werd opgericht door Teresa de Haro, echtgenote van maarschalk Diego López de Padilla.

Sacristie

De sacristie is een grote ruimte met andere aangrenzende ruimtes zoals de kleedkamer en de ruimte met de collectie van kleren. De sacristie heeft een rechthoekige vorm en de ruimte is versierd met grote schilderingen van Vicente Carducho, Eugenio Caxés, Francisco Ricci en Lucas Jordán.

Het ontwerp van de sacristie is van de hand van Francisco Vergara el Mayor en Juan Bautista Monegro en zij deden dit in de herreriano stijl.

Het tongewelf is prachtig versierd met schilderingen van Lucas Jordán. Op de muren is er een groot aantal schilderijen tentoongesteld die er een waar museum van maken.

De mooiste schilderijen zijn de vijftien van El Greco. De andere schilderijen zijn van de hand van Luis de Morales, Pedro de Orrente, Juan Pantoja de la Cruz, Juan de Borgoña, Luis Tristán, Anton van Dyck, Goya, Bassano el Mozo en anderen.

In de volgende kamer is de kleedkamer waarvan de zoldering geschilderd is door Claudio Coello en José Donoso. In deze ruimte zijn er schilderijen van Tiziano, Velázquez en Giovanni Bellini.

Naast deze uitzonderlijke werken zijn er nog een aantal andere schilderijen van andere meesters.

In de andere ruimte vinden we een verzameling klederen waaronder een aantal met een grote waarde. Er zijn hier 70 stukken waaronder de mantel van de aartsbisschop Sancho de Aragón, zoon van Jaime I, waarop heraldische emblemen gezet zijn.

Er is hier ook een Arabische standaard die gewonnen werd tijdens de slag van Salado. De collectie tapijten telt zeventig stuks en er zijn kunstontwerpen van de hand van Rubens. Veel van dit alles wordt tentoongesteld tijdens de de feesten van Corpus Christi.

Kapel van de Virgen del Sagrario – Capilla de la Virgen del Sagrario
Samen met de volgende kapel zijn de twee kapellen het mooiste voorbeeld van de herreriana bouwstijl in de kathedraal. De grootsheid van de structuur en de versieringen zijn afkomstig uit de zestiende eeuw en kardinaal Bernardo de Rojas y Sandoval is hier verantwoordelijk voor.

De werken werden begonnen door Nicolás de Vergara el Mozo en zij eindigden in 1616.

De kapel staat onder de bescherming van de Virgen del Sagrario. Er is hier een romaans beeldhouwwerk dat in de dertiende eeuw bedekt werd met zilver en nadien aangekleed werd met een mantel bedekt met parels.

De muren zijn bedekt met marmer en de grote koepel steunt op pendentieven. In de noordelijke muur staat het altaar met het beeld van de Maagd .

In de kapel liggen een aantal kardinalen van Toledo begraven: Gomé (1940), Plá y Deniel (1968), Alameda (1872), Monescillo (1897).

Kapel van de Ochavo – Capilla del Ochavo
Men komt in deze kapel door middel van twee deuren die aan beide zijden van het altaar staan. Men noemt deze kapel ook de kapel van de Relikwieën omdat er hier zoveel relikwieën zijn. De vloer is achthoekig en zij is bekroond door een koepel die op een tamboer rust, het is een werk van Jorge Manuel Theotocópuli.

De muren zijn versierd met marmer en de koepel heeft schilderingen van Francisco Ricci en Juan Carreño. In de retabels tegen de muren worden de relieken bewaard waaronder ook enkele zeer interessante uit artistiek en historisch oogpunt.

Ramen in gebrandschilderd glas

De ramen in de kathedraal zijn prachtige en belangrijke kunstwerken. De kathedraal heeft de meeste gebrandschilderde middeleeuwse ramen die bewaard zijn gebleven. Zij dateren vanaf de veertiende eeuw tot in de zeventiende eeuw.

Een aantal van de ramen uit de vijftiende eeuw zijn gedocumenteerd en zo weten we dat het raam in de grote kapel het werk is van Jacobo Dolfin en zijn bediende Luis.

Een aantal ramen uit de zestiende eeuw hebben renaissance invloeden en hier werkten Vasco de Troya (in 1502), Juan de Cuesta (in 1506) en Alejo Ximénez (in 1509-1513) aan. De ramen aan de Leeuwen poort zijn een werk van Nicolás de Vergara el Mozo.

Aan het begin van de achttiende eeuw moesten er een aantal ramen gerestaureerd worden en dat was een werk voor Francisco Sánchez Martínez die een van de beste restaurateurs was in de kathedraal.

Tijdens de Spaanse burgeroorlog waren er terug grote vernielingen aan de ramen en de restauratie was volledig afgewerkt op het einde van de twintigste eeuw.

De doorzichtige – El transparente

Wat men de doorzichtige in de kathedraal noemt is een beeldhouwwerk dat gemaakt werd tussen 1729 en 1732 door de grote beeldhouwer uit de barok, Narciso Tomé. Hij werd daarbij geholpen door zijn kinderen. Hij werd plaatsvervangend architect benoemd in deze kathedraal in 1721.

Door de opening in de deambulatorio leggen de zonnestralen de nadruk op de engelen, wolken en stralen rond Maria.

De Kerkschat van de kathedraal, de Monstrans

Het belangrijkste object dat in de kathedraal aanwezig is, is de grote monstrans van Enrique de Arfe. Deze monstrans werd gemaakt in opdracht van kardinaal Cisneros.

Er werd aan gewerkt vanaf 1517 tot 1524. De monstrans heeft een gotisch ontwerp en is van een prachtige architectonische structuur. Van oorsprong werd zij in zilver gemaakt maar op het einde van de zestiende eeuw liet aartsbisschop Quiroga de monstrans vergulden.

In Toledo neemt men de monstrans sinds 1595 in de processie van Corpus Christi mee. Tijdens de processie gaan de burgerlijke en de kerkelijke autoriteiten voor de monstrans en de kadetten van de infanterie school volgen de monstrans.

De monstrans is gemaakt met de hulp van 12.500 bouten, 5.600 diverse onderdelen en 260 figuurtjes. Er is 183 kg zilver en 18 kilo goud gebruikt.

Het klooster

Tegenover de oude Hebreeuwse wijk, aan de noordkant van de kathedraal liet aartsbisschop Pedro Tenorio het klooster en een kapel voor begrafenissen bouwen.

De werken aan het klooster begonnen op 14 augustus 1389 met de eerste steenlegging en de werken eindigden in 1425. Aan het klooster werkten de meesters Rodrigo Alfonso en Alvar Martínez en zij bouwden een constructie met vier gangen.

De bouw van het klooster en vooral de plaats waar Pedro Tenorio het klooster wilde bouwen riepen weerstand op bij de inwoners en bij de eigenaars van de winkels in de toenmalige wijk.

Tijdens de periode waarin de aartsbisschop en de eigenaars discuteerden over de verkoop en de prijs brak er een brand uit die alle winkels vernielde.

Na de ophoging van het terrein begon men met de bouw van het klooster op het niveau van de kathedraal.

In de galerijen op de benedenverdieping is er een reeks fresco’s met taferelen van heiligen, Eugenio, Casilda, Eladio. Elf van deze fresco’s zijn van de hand van Bayeu en twee zijn van Maella.

De kapel van San Blas in het klooster

De kapel van San Blas vinden we in een opening in de noordelijke hoek van de kloostergang en hij is bedekt met een gewelf. Het doel van de kapel was een ruimte te maken als begraafplaats.

De kapel ligt zeven meter onder het straatniveau en is versierd in twee verschillende delen.

In het eerste deel, vanaf de kroonlijst tot aan het plafond staan er veertig taferelen in de richting van de wijzers van de klok. In het lager deel van de kroonlijst zien we taferelen van heiligen. De makers van deze taferelen zijn niet met zekerheid bekend maar het zou kunnen gaan over Gherardo Starnina en Nicolás de Antonio.

Door de vochtigheid in de kapel zijn de taferelen ernstig beschadigd en er konden tijdens de grote restauratiewerken slechts een aantal hersteld worden.

8. Het Klooster van San Juan van de Koningen – El Monasterio de San Juan de los Reyes

Dit klooster behoort toe aan de Franciscaner orde en het werd gebouwd onder de bescherming van koningin Isabel I van Castilië. Het was haar bedoeling om van dit klooster een koninklijk mausoleum te maken. Het was een plaats als herinnering aan de slag van Toro en de geboorte van de kroonprins Juan. Het klooster is een van de meest waardevolle voorbeelden van de isabellastijl, gotiek samen met mudejar, in Spanje.

Het klooster is bovendien een herdenkingsmonument voor de verwezenlijkingen van de Katholieke Koningen en hun politieke programma.

Geschiedenis
Het werd gebouwd voor de Franciscaner orde namens het Katholieke Koningspaar door de architect Juan.

Het belangrijkste doel was dat er hier een koninklijk mausoleum moest komen voor de koningen van Castilië. De Katholieke koningen maakten een eigen bouwstijl die innovatief en stijlvol was.

Beschrijving
Er is slechts een kerkschip. De architectonische vorm is zeer lang en smal. Het kerkschip is verdeeld in secties en tussen de steunberen zijn er een aantal zijkapellen .

Er zijn twee voorgevels, een op het westen en een op het noorden en het heeft een opgehoogd gedeelte. Men heeft een pleintje gemaakt om met bouwkundige middeleeuwse gebruiken te breken. De zijdeur is hier belangrijk.

We onderscheiden het dwarsschip dit verdeeld is in vier vierkanten en het einde is verdeeld in twee vierkanten. Dit model heeft men doorheen het ganse gebouw gebruikt. Het einde is buitensporig groot. De ruimte is perfect hiërarchisch ingedeeld met een ruimte voor de kroon (met traliehek) en een ruimte voor de bevolking.

In de ruimte voor de dood gaan we van vier- naar achthoekig. De ronde kapellen zijn gewijd aan de Maagd, het vuur, de helden, het water en de dood in de klassieke wereld. Het heeft een concept van de eeuwigheid, de slang bijt in zijn staart, er is geen begin en geen einde.

Er is een hiërarchie eigen aan de religieuze ruimtes. De koningen bevonden zich in het koor op dezelfde hoogte als de heilige hostie waarmee men de band benadrukte tussen de koningen en het spirituele.

Het klooster is met de kerk verbonden maar zij zijn toch verschillend. De hoofdingang ligt tussen steunberen De koepel is de architectonische metafoor van de kroon, hij wordt ondersteund door enorme trompen die de achthoekige vorm van de koepel aangeven.

De nieuwigheid die men in de architectuur gebruikt heeft is een versiering die Italiaans van oorsprong is, dit was gebaseerd op de humanistische traditie.

De voorgevel van het klooster heeft een boog met drie middens, rijk versierd met planten versieringen vermengd met een natuurlijke vormgeving.

De kerk
De kerk waarvan de werken beëindigd werden in 1495 is opgetrokken in de typische isabellastijl met een kerkschip en kapellen tussen de steunberen.

De weelderige versiering in de kerk zijn de symbolen van de Katholieke Koningen alsook de adelaar van San Juan.

Binnenin wordt de kerk doorlopen door een herdenkingstekst, die kan beschouwd worden als een aanpassing van de Arabische tekst aan de christelijke architectuur. De beeldhouwer Egas Cueman is verantwoordelijk voor dit werk.

Het retabel van de kerk is van de hand van Antonio de Comontes voor het Hospital de Santa Cruz en het draagt de wapens van kardinaal Mendoza, stichter van het hospitaal. Op het retabel vinden we de volgende taferelen:

  • Jezus op de Weg naar Golgotha
  • De Kruisafneming 
  • Santa Elena met de Wonderen van het Kruis

Het klooster
Het klooster wordt beschouwd als een van de Spaanse pareltjes in de overgang van de gothiek naar de renaissance en het werd ingrijpend gerestaureerd. Er zijn uitbundige booggewelven met een platerescostijl. De verdieping heeft een plafond in mudejarstijl.

9. Het Museum van El Greco

Het museum van El Greco bevat werken van Doménikos Theotokópoulos. Het museum werd opgericht als huis-museum om de werken van de schilder te verzamelen en om zijn leven te laten zien.

Geschiedenis
Het museum werd opgericht op de funderingen van een oud huis uit de zesde eeuw en van een renaissance paleis in de Joodse wijk van Toledo. Het museum ligt dicht bij de plaats waar de schilder heeft gewoond.

Foto: museum El Greco

Turol Jones

Het nieuwe gebouw dateert uit het begin van de twintigste eeuw en het werd opgericht op initiatief van de markies de la Vega Valle-Inclán. Hij was een van de eerste verdedigers van de kunst van El Greco die lange tijd genegeerd werd door bepaalde academici.

Het museum opende zijn deuren voor het publiek op 12 juni 1911.

Het initiatief om dit museum op te richten kwam er uit schrik dat na verloop van tijd veel van zijn werken zouden verdwijnen, hetzij naar privaat personen hetzij naar buitenlandse musea.

Het museum is onlangs gerenoveerd.

Belangrijke werken
Onder de werken van El Greco die hier worden tentoongesteld zijn:

  • El Apostolado
  • San Bernardino (eigendom van het museum del Prado ) 
  • Zicht op Toledo 
  • El Redentor.

In het museum worden nog werken tentoongesteld van andere belangrijke artiesten uit de zestiende en de zeventiende eeuw.

10. Santa María la Blanca

Santa María la Blanca was oorspronkelijk de Ibn Shushan Synagoge en is nu een museum en de voormalige synagoge van Toledo. Opgericht in 1180 is dit zonder twijfel de oudste synagoge in Europa die nu nog bestaat. Hij is nu in het bezit van de katholieke kerk.

Op zowel stilistisch als cultureel gebied is hij uniek en hij werd opgericht in het oude koninkrijk van Castilië door islamitische architecten voor het gebruik door Joden. Deze synagoge wordt beschouwd als een symbool voor de samenwerking tussen de drie grootste godsdiensten op het Iberisch schiereiland tijdens de middeleeuwen.

De synagoge werd gebouwd door Moorse architecten op christelijk grondgebied voor het gebruik door niet islamitische doeleinden. Maar het kan ook beschouwd worden als een van de mooiste voorbeelden van Almohaden architectuur.

De witte binnenmuren alsook het gebruik van bakstenen en pilaren in de plaats van kolommen zijn karakteristiek voor de Almohaden architectuur.

Alhoewel hij gebouwd is als synagogoge doet de gebruikte bouwstijl toch meer denken aan een moskee.

De synagoge werd een kerk vanaf 1405 of 1411 maar er werden geen belangrijke verbouwingen gedaan om het bouwwerk te veranderen.

Ligging
De synagoge van Santa Maria la Blanca ligt in de buitenwijken van Toledo tussen de kerk van San Juan de los Reyes en de synagoge van El Transito.

Ontwerp
Santa Maria la Blanca was een ongewone synagoge zowel in het ontwerp als in de bouw. De plattegrond van de synagoge is een onregelmatige vierhoek verdeeld in vijf gangen met een gangpad in de middenbeuk die lichtjes langer is dan de andere vier. De ruimte is tussen de 26 en 28 meter lang en tussen de 19 en 23 meter breed.

Binnenin zijn er een reeks portieken die ondersteund worden door vierentwintig achthoekige pilaren en acht andere pilaren. De achthoekige pilaren ondersteunen de middenbeuk van de synagoge en zij geven ondersteuning aan de hoefijzer vormige bogen hierboven.

De bogen rusten op uiterst gedetailleerde kapitelen met zeer fijne uitgesneden dennenappels en andere plantaardige motieven. De kapitelen zijn in mudejarstijl.

Begunstiger
Het is onduidelijk wie de beschermheer was van de originele synagoge maar men denkt dat het Joseph ben Meir ben Shoshan, of Yusef Abenxuxen, zou zijn.

Joseph was de zoon van de minister van financiën van koning Alfonso VIII van Castilië. Er zijn ook theorieën die beweren dat Joseph de synagoge heeft weder opgebouwd na rellen tegen de Joden in Toledo en dit zou een verklaring kunnen zijn voor de onregelmatige plattegrond van de synagoge.

11. Hospitaal van Tavera – Museum Duque de Lerma

Het Hospitaal de Tavera is een belangrijk renaissancegebouw in Toledo en het werd opgericht tussen 1541 en 1603 door kardinaal Tavera.

Het hospitaal werd opgedragen aan San Juan Bautista maar het moest ook dienst doen als grafkelder voor zijn stichter, kardinaal Tavera.

Momenteel is het eigendom van de Casa de Medinaceli en binnenin vinden we het Museo Fundación Lerma die de artistieke collectie herbergt.

Het gebouw
Het gebouw is samengesteld uit twee binnenplaatsen met zuilen, een kerk en een paleis-museum die deel uitmaken van het oude hospitaal.

Het uiterlijk van het gebouw is dat van een Florentijns renaissance paleis met uitzondering van de voorgevel die gebouwd werd in de achttiende eeuw tussen 1760 en 1762.

Het is een normaal gebouw met een Italiaanse gevel met ramen op gelijke afstand van elkaar en rechthoekig van vorm op de benedenverdieping en halfrond in de bovenverdieping. Het geheel is verbonden door twee gelijke patio’s met kolommen et twee hoogtes, gescheiden en toch verbonden door een dubbele arcade.

De voorgevel van de kerk is van Genuees marmer. Binnenin de kerk is er een kerkschip en een gesloten kruisbeuk door middel van een koepel met lamp zoals in het El Escorial.

Hieronder vinden we het graf van kardinaal Tavera, een graf dat gemaakt werd in witte marmer door Alonso Berruguete. Het retabel van de kerk was een project van El Greco en het werd gemaakt door zijn zoon Jorge Manuel. De edelsmeedkunst van het sanctuarium was het werk van Julio Pascual.

Het museum
In het museum is er een groot archief van documenten en er zijn tevens een groot aantal artistieke werken met een grote waarde zoals een aantal schilderijen van El Greco, Ribera, Tintoretto, Luca Giordano, Tiziano, Snyders en Jacopo Bassano.

Uniek is een zeldzaam zelfportret van Zurbarán en een kopie van een schilderij van Carlos V te paard in Mühlberg de Tiziano dat geschilderd is door Sánchez Coello, het origineel werk is in het Prado.

12. Het Alcázar

Het alcázar is een vestingwerk dat op rotsen staat en het ligt in het hoger gelegen deel van de stad. In de derde eeuw was dit een Romeins paleis en het werd gerestaureerd tijdens de regeerperiode van Alfonso VI en Alfonso X.  Het werd in 1535 verbouwd onder het mandaat van Carlos I en hij gaf de opdracht aan de architect Alonso de Covarrubias.

Foto: het Alcázar

Américo Toledano

Hij ontwierp een gebouw dat compact en gesloten was en georganiseerd werd rond een rechthoekige binnenplaats met een dubbel niveau.

De sobere gevel werd verdeeld in drie verdiepingen waarin op egelmatige afstand openingen (ramen) gemaakt waren. Er is ook een gigantisch wapenschild boven de poort.

In het midden van de negentiende eeuw, tijdens de regeerperiode van Isabel II installeerde men in de toren een telegraaf om gecodeerde berichten te kunnen verzenden en ontvangen tussen Madrid en Cadiz.

De torens die men voor deze lijn gebruikte stonden in tal van andere steden zoals in Aranjuez, Consuegra, Ciudad Real, Puertollano, Fuencaliente; ardeña, Montoro, Córdoba, Carmona, Sevilla, Las Cabezas de San Juan, Jerez de la Frontera, Cádiz en San Fernando.

In het gebouw was de Infanterieschool van Toledo.

In het gebouw vinden we tevens het Legermuseum.

Burgeroorlog
Tijdens de Spaanse burgeroorlog van 1936-39 verdedigden de troepen van kolonel José Moscardó gedurende 70 dagen het alcázar tegen de troepen van de Tweede Republiek.

Op 28 september 1936 kregen zij versterking van het Afrika korps van generaal José Enrique Varela en Franco bezocht het alcázar de volgende dag.

Het legermuseum in Toledo

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. De website

1.Algemeen

Foto: het legermuseum in Toledo

Américo Toledano

Het Legermuseum bevindt zich in Toledo en het is een samenvoegen van verschillende militaire musea uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. De oorspronkelijke kern bestaat uit stukken van de artillerie en de genie.

2. Geschiedenis

In 1803, op verzoek van de toenmalige eerste-minister Godoy werd er in Madrid het Koninklijk Militair Museum opgericht en dat is de oudste voorloper van het het Legermuseum. Het legermuseum is dus een van de oudste Spaanse musea en het speelde in op een groeiende interesse in Europa voor militaire geschiedenis. Op dat moment beantwoordde de collectie aan de duidelijke vraag om te helpen bij de opleiding van de soldaten en om een aanvullende opleiding te geven aan de militaire academies.

In 1827 werd het Koninklijk Militair Museum opgedeeld in twee secties: het Museum van de Artillerie en het Museum van de Genie. Zij kregen hun eigen organisatie en zij opereerden verder volledig apart. Op het einde van de negentiende eeuw kwamen er nog meer nieuwe militaire musea waaronder het Museum van de Logistiek in 1885, het Museum van de Ruiterij in 1889 en het Museum van de Infanterie in 1908. Samen met de twee reeds bestaande musea werkten zij onafhankelijk.

In 1929 kwam men met het plan om alle militaire musea te verenigen in een museum maar het bleef bij een plan. Men moest wachten tot de Tweede Republiek toen men in 1932 het Militair Historische Museum oprichtte. Het omvatte de bestaande musea maar het werd aangevuld door de diensten van de Militaire Gezondheidsdienst. Na de Spaanse Burgeroorlog kreeg het museum zijn huidige structuur en organisatie en het kwam in Madrid tot de verhuis naar Toledo.

Na ingrijpende verbouwingswerken kwam het Legermuseum in 2010 naar het Alcázar in Toledo.

3. De website

Het Legermuseum, de site is beschikbaar in het Spaans en Engels.

Het oude stadscentrum van Córdoba

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Het historisch centrum van Córdoba
  4. De moskee van Córdoba (Mezquita de Córdoba)
  5. Het Bisschoppelijk Paleis
  6. Het oud hospitaal van San Sebastián
  7. De synagoge
  8. Het fort van de katholieke koningen (Alcázar de los Reyes Cristianos)
  9. De Romeinse brug
  10. De Toren van Calahorra
  11. De baden van de kalief
  12. De koninklijke stallen
  13. De Molens van de Guadalquivir

1.Algemeen

Córdoba is een stad in Andalusië, Spanje en is de hoofdstad van de gelijknamige provincie. De stad ligt in een laagte aan de oever van de Guadalquivir en aan de voet van Sierra Morena.

Een fotografische hulde aan Córdoba met muziek van de Spaanse groep uit Córdoba, Medina Azahara

Vandaag is het een stad van een gemiddelde grootte maar zonder twijfel roept de oude binnenstad architectonische herinneringen op aan de tijd dat Córdoba de hoofdstad was van de provincie Bética tijdens de Romeinse overheersing.

Maar er zijn ook herinneringen aan de periode van het Kalifaat van Córdoba dat tijdens de Islamitische overheersing een groot deel van het Iberische schiereiland overheerste.

Volgens archeologische overblijfselen die in de stad gevonden zijn lijkt het er op dat de stad een half miljoen inwoners had in de X de eeuw, het was de belangrijkste stad op cultureel en onderwijs gebied ter wereld. Kroniekschrijvers uit de X de eeuw beweren dat de stad een miljoen inwoners had.

De moskeeën, de bibliotheken, de baden en de soeks, allemaal overvloedig aanwezig in de stad, liggen aan de oorsprong van de Europese renaissance. 

We spreken nu over een stad die, terwijl de rest van Europa ondergedompeld was in de duisternis, het lichtpunt was met zijn cultuur, zijn letteren en wetenschappen. In de periode van het Kalifaat had de stad al een riolering en een stadsverlichting.

Zijn historische binnenstad is dan ook opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco in 1984.

Córdoba is tevens de geboorteplaats van drie grote filosofen: de Romein Séneca, de Islamiet Averroes en de Jood Maimónides.

2. Geschiedenis

Córdoba was de hoofdstad van de Romeinse provincie Hispania Ulterior Baetica (Bética) en het was een periode van pracht en praal. Er waren in Córdoba een aantal gebouwen zoals in Rome en er leefden grote filosofen zoals Lucio Anneo Séneca, redenaars zoals Marco Anneo Séneca en de poëet Lucano had hier ook zijn woning.

Later werd Córdoba een belangrijke plaats in de Spaanse provincie van het Byzantijnse Rijk tijdens de Visigotische periode.

Córdoba bleef de hoofdstad tijdens het Onafhankelijk Emiraat en tijdens het Omajjaden Kalifaat van het Westen. Dit was een periode waarin de stad zijn toppunt van ontwikkeling bereikte, er waren toen tussen de 250.000 en de 500.000 inwoners.

In de X de eeuw was Cordoba de grootste stad ter wereld, maar het was tevens een centrum van cultuur, politiek en economie. De stad had op dat moment een zeer beroemde universiteit. Uit deze periode dateert een van de beroemdste monumenten van Spanje, de Mezquita de Córdoba.

In 1236 volgde de “reconquista”, de herovering van de stad door de koning van Castilla en León, Fernando III de Heilige. De architectuur in de stad ondergaat een grote verandering, de moskee wordt een kathedraal en er worden 14 “Fernandistische” kerken gebouwd in de stad. Córdoba wordt een bruggenhoofd in de strijd tegen de Moren.

3. Het historisch centrum van Córdoba

Het historisch centrum van Córdoba is een van oudste en een van de grootste stadskernen van Europa. In 1984 heeft de Unesco de Moskee van Córdoba opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed. Veel later, in 1994 heeft de Unesco dan een uitbreiding opgenomen op de lijst en daarin was het grootste deel van de oude binnenstad opgenomen. Het historisch centrum bezit een grote rijkdom aan monumenten die bewaard gebleven zijn uit de periode van de Romeinen, de Moren en de Christenen.

4. De moskee van Córdoba (Mezquita de Córdoba)

De oude Moskee van Córdoba die in de XIII de eeuw veranderd werd in de huidige Kathedraal van Santa Maria wordt samen met het Alhambra in Granada beschouwd als het belangrijkste monument van Moorse Andalusische architectuur.

Foto: de moskee kathedraal vanuit de lucht

Salvatorecoco

Men begon met de bouw van de moskee in het begin van de VIII de eeuw op de plaats waar de Visigotische kathedraal van San Vicente heeft gestaan. Tijdens het Kalifaat van Córdoba zijn er verschillende vergrotingen geweest en uiteindelijk veranderde men in 1236, na de herovering van Córdoba door de Christenen, de moskee in een kathedraal.

Men begon direct met aanpassingen en veranderingen aan het gebouw maar de belangrijkste en tevens de verbouwing die het meeste weerstand opriep gebeurde in 1523 toen men de oude gebedsruimte verbouwde volgens de criteria van de Renaissance. Men plaatste toen gewoon de kathedraal in de moskee.

Foto: binnenin de moskee kathedraal

Timor Espallargas

Het was een verbouwing waarvan zelfs Karel V zei:”Jullie hebben alles vernietigd wat men nergens anders ziet en jullie hebben er iets voor in de plaats gebouwd wat men overal kan zien”.

Met 23.400 vierkante meter is de moskee van Córdoba de tweede grootste na Mekka.

5. Het Bisschoppelijk Paleis

Dit gebouw is gebouwd over het oude Alcázar uit de periode van het Kalifaat. Het staat tevens tegenover de westelijke gevel van de moskee. Sinds de herovering door de christenen tot op vandaag is het de zetel van de bisschop van Córdoba.

In het midden van de jaren 80 van de vorige eeuw verbouwde men een deel van het gebouw tot het Diocesaan Museum voor Schone Kunsten.

De eerste belangrijke verbouwing van het paleis dateert uit de XV de eeuw, met een constructie in Gotische spitsbogen stijl. In 1745 had het gebouw te leiden onder een grote brand welke zichtbaar bleef tijdens deze en de volgende eeuw.

Men voegde in de XVII de eeuw andere bijgebouwen toe aan het complex zoals de gevel aan de Plaza del Campo de los Santos Mártires en een patio in de XVIII de eeuw.

6. Het oud hospitaal van San Sebastián

Het werd gebouwd tussen 1512 en 1516 en is het werk van Hernán Ruiz I. Vanaf haar oprichting tot in 1724, toen het Hospitaal van Cardenal Salazar gebouwd werd, was het hospitaal van San Sabastián het grootste van de stad.

In 1816 verhuisde het Casa de Expósitos de San Jacinto naar deze plaats. De kern van het gebouw vormt de kloostergang in mudejar stijl en de kapel in flamboyant-gotische stijl met een versiering in plateresca (Spaanse stijl uit de XVI de eeuw) stijl. Het is het werk van Hernán Ruiz I, die ook de voorgevel maakte in 1514.

De muren zijn van steen en de zuilen zijn van baksteen met verhoogde bogen op de beneden verdieping en met verlaagde bogen op de boven verdieping. Momenteel is het de zetel van van het Palacio de Congresos.

7. De synagoge

Deze Hebreeuwse tempel vinden we in de Joodse wijk van Córdoba en is een van de zeldzame Middeleeuwse synagogen in Spanje. De andere 2 middeleeuwse synagogen in Spanje staan in Toledo.

Foto: de westelijke muur van de synagoge

Américo Toledano

Deze synagoge werd gebouwd in 1315 in mudejar stijl. Er is een patio die toegankelijk is vanaf de straat en welke toegang geeft tot een hal naast de gebedsruimte. Aan de oostelijke zijde van de hal is er een trap die naar de galerij voor vrouwen gaat. Deze galerij is verbonden met de gebedsruimte door middel van drie balkons die versierd zijn met gelobde bogen.

De gebedsruimte heeft een bijna vierkante oppervlakte van 6,95 op 6,37 meter met een hoogte van meer dan 6 meter. Aan de oostelijke zijde opent het tabernakel, dat is een ruimte gereserveerd voor de Tora en is bekroond met gelobde bogen, rondom zijn er versieringen met geometrische motieven.

8. Het fort van de katholieke koningen (Alcázar de los Reyes Cristianos)

Dit gebouw heeft een militair karakter en werd gebouwd voor koning Alfonso XI van Castilië in 1328. Het gebouw bood onderdak aan de katholieke koningen die hier meer dan acht jaar verbleven.

Vanaf hier leiden zij de campagne tegen het Moorse koninkrijk van Granada. Het was ook in dit fort dat Christoffel Columbus geldelijke middelen vroeg voor zijn Amerikaans avontuur. Na de herovering van Spanje op de Moren werd dit fort de zetel van de Inquisitie, die duurde tot in 1821.

Het gebouw heeft een sobere architectuur aan de buitenzijde maar aan de binnenzijde heeft het een schitterende architectuur, met zijn mooi onderhouden tuinen en patio’s die hun inspiratie haalden in de mudejar stijl. Het is aangevuld met vier torens die het gebouw een bijna vierkant uitzicht geven.

De belangrijkste zaal van het gebouw noemt men de Zaal van de Mozaïeken welke ongelooflijk mooie mozaïeken bevat uit de Romeinse periode alsook een sarcofaag uit de III de eeuw. In de kelders van het gebouw kan men de resten vinden van wat naar men geloofd de koninklijke baden uit de Moorse periode zijn.

9. De Romeinse brug

De brug is tijdens de Romeinse periode gebouwd in de I ste eeuw voor Christus en de brug ligt over de rivier de Guadalquivir. Aan de ene zijde staat de Puerta del Puente en aan de andere zijde is er de Torre de la Calahora. 

Deze brug was de enige brug die toegang gaf naar de stad in twintig eeuwen tijd. Zij heeft een lengte van 331 meter en bestaat momenteel uit 16 bogen maar oorspronkelijk waren het er 17.

In de loop van de geschiedenis onderging de brug aan aantal aanpassingen en verbouwingen maar de grootste gebeurden in de periode van het kalifaat. De volgende grote aanpassing was tijdens de herovering (Reconquista) en de laatste gebeurde in het begin van de XX ste eeuw.

Vandaag de dag zijn enkel de bogen met de nummers 14 en 15 origineel.

10. De Toren van Calahorra

Dit is een Arabische burcht aan de zuidzijde van de Romeinse brug en dient voor de beveiliging van deze brug. Deze burcht werd gerestaureerd door Enrique II de Trastámara als verdedigingswerk voor zijn broer Pedro I van Castilië. 

Aan de twee bestaande torens werd een derde toren toegevoegd, deze verenigde beide torens door een ronde verbinding van dezelfde hoogte. De burcht werd later nog gebruikt als gevangenis voor de adel, als kazerne en als school.

Veel later werd de toren afgestaan voor de “Dialoog tussen Culturen” van Roger Garaudi die er een audiovisueel museum in onderbracht. Dit museum presenteert een cultureel overzicht van de hoogstaande middeleeuwse cultuur van Córdoba, van de IX de eeuw tot de XIII de eeuw, gebaseerd op de samenleving tussen christenen, joden en islamieten.

11. De baden van de kalief

De baden van de kalief zijn Moorse baden in Córdoba, de resten hiervan zijn per ongeluk gevonden in 1903 op het Heilig Veld van de Martelaren.

Tussen 1961 en 1964 heeft een groep historici uit Córdoba aan de oppervlakte gebracht hoe groot deze baden geweest zijn. Deze baden of hammam waren grenzend aan het verdwenen Alcázar en naar alle zekerheid behoorden zij hieraan toe. De baden waren de belangrijkste van de stad.

Het wassen en het reinigen van het lichaam is een belangrijk deel in het leven van een islamiet. Er waren de voorschriften voor het gebed maar zij maakten ook deel uit van het sociaal leven.

De baden werden gebouwd tijdens het kalifaat van Alhakén II voor het genot van de kalief en van zijn hof. Zij vormen een verzameling van kamers met muren van natuursteen. De baden zijn gebaseerd op de Romeinse baden met hun koude, gematigde en warme kamers.

Tijdens de XI de tot de XIII de eeuw, werden de baden gebruikt door de Almoraviden en de Almohaden heersers van Córdoba. Bewijs hiervan kunnen we vinden in het gebruikte stucwerk en de door hen gebruikte motieven.

12. De koninklijke stallen

De Koninklijke Stallen bevinden zich in Córdoba. Zij werden gebouwd in 1570 op bevel van Felipe II die er raspaarden wou fokken ten behoeve van de monarchie.

De stallen werden gebouwd op de oude terreinen van het Fort van de Katholieke Koningen, zij hebben een rechthoekige vorm met gewelfde kamers die dienst deden als stallen. Koning Felipe II, wou een paardenras hebben dat mooi en elegant was om de oefeningen van de Hoge School dressuur te kunnen doen. Daarom kruiste men paarden om uiteindelijk het Spaanse Paard te hebben, men noemt het ook het Andalusisch Paard.

Van de gebouwen van de Koninklijke Stallen moeten we vooral de voornaamste paardenstal onthouden. Die is bedekt met een ribvormig gewelf dat ondersteund is door zuilen van zandsteen die ook de afzonderlijke boxen afbakenen.

De stallen werden terug opgebouwd na een brand in 1734 en momenteel zijn de stallen eigendom van de stad Córdoba. Ze worden gerenoveerd om de geschiedenis van het paard te tentoonstellen. Zij werden ook nog gebruikt als fokkerij van paarden tot 1995 onder het bestuur het Ministerie van Defensie. In 1995 heeft het ministerie deze fokkerij overgebracht naar Écija.

13. De Molens van de Guadalquivir

De molens van de Guadalquivir zijn karakteristieke sporen van Middeleeuwse gebouwen aan de loop van de Guadalquivir tijdens zijn doortocht door Córdoba. Zij hebben een verschillende mate van beschadiging maar de molens die gerestaureerd zijn worden gebruikt voor culturele en toeristische doeleinden zoals de molen in de Botanische Tuin.

  • Molino de la Albolafia: de molen vinden we aan de rechteroever van de Guadalquivir, dicht bij de Romeinse brug. Zijn oorsprong gaat terug tot in de Romeinse periode en men gebruikte deze molen om bloem te maken.
  • Molino de la Alegría: de molen vinden we aan de rechteroever van de Guadalquivir, stroomafwaarts van de San Rafael brug. Deze molen is geïntegreerd in de Botanische Tuin. Hij is gebouwd tussen twee kanalen en heeft een waterrad en een verbinding met de grond. Er zijn drie verdiepingen, de benedenverdieping met de molensteen en de andere twee verdiepingen zijn gebouwd in de XIX de eeuw.
  • Molino de Téllez o de Pápalo Tierno: de watermolen bevindt zich aan de Guadalquivir, stroomafwaarts van de Romeinse brug. Gezien vanaf de brug is het de molen rechts van de twee die in het midden van de bedding staan. Momenteel vinden we hem bijna helemaal bedekt met plantengroei. Het is nu een ideale broed en woonplaats voor de vele vogels die hier een prachtige omgeving gevonden hebben.
  • Molino de Enmedio: de watermolen bevindt zich aan de Guadalquivir, stroomafwaarts van de Romeinse brug. Gezien vanaf de brug is het de molen links van de twee die in het midden van de bedding staan. Momenteel vinden we hem bijna helemaal bedekt met plantengroei.
  • Molino de Hierro: de watermolen die op de linkeroever van de Guadalquivir ligt, stroomafwaarts van de Brug van San Rafael. Samen met de molen van San Rafael is deze molen het dichtst bij de oever.
  • Molino de Martos: de watermolen ligt aan de Quadalquivir en was tussen 1237 en 1550 een typische middeleeuwse watermolen, dat wil zeggen dat er twee verschillende huizen waren. Tussen de jaren 1550 en 1555 werden de twee huizen omgebouwd tot een nieuw gebouw. In 2003 begonnen de renovatie werken om de op dat moment totaal vervallen molen zijn oude glans weer te geven. Nu is er in het gebouw het museum van het water.
  • Molino de San Antonio: de molen ligt aan de linkeroever van de Guadalquivir, stroomafwaarts van de Romeinse brug. Tijdens de laatste jaren dat de molen in werking was maakte hij bloem voor het leger. In de jaren 60 van de XX ste eeuw gebruikte men de benedenverdieping als kleine scheepswerf voor de bouw van houten bootjes die men hier in de streek gebruikte. De molen heeft dan een aantal jaren leeg gestaan en in 2007 begon zijn restauratie, samen met de restauratie van de Romeinse brug en met die van de Torre de la Calahorra.
  • Molino de San Rafael: de molen vinden naast de Molino del Hierro, stroomafwaarts op de linkeroever.

De archeologische verzameling van Tarragona

  1. De stad in het kort
  2. Geschiedenis
  3. Belangrijke plaatsen

1.De stad in het kort

Tarragona is een stad in het zuiden van Catalonië en het is tevens de hoofdstad van de gelijknamige provincie Tarragona in het gewest Tarragonés.

Foto: Maquette van Tarraco Imperial met de zone van de tempel

Amadalvarez

Het is de economische, intellectuele en culturele hoofdstad van het het zuiden van Catalonië en zijn invloed overstijgt de provinciegrenzen. Het belangrijkste petrochemisch centrum van Spanje is hier in Tarragona gevestigd en sinds 2008 is hier het Catalaans Chemisch Onderzoeks Centrum (Instituto Catalán de Investigación Química). Dit instituut werkt op het gebied van Onderzoek en Ontwikkeling samen met een aantal grote multinationale bedrijven .

Op nauwelijks 13 km van de stad is er een luchthaven met 27 nationale en internationale verbindingen.

De AVE, de Spaanse hogesnelheidstrein, heeft 3 stations in de stad en voor de gewone lijnen is er dan nog 1 station en daardoor bezit Tarragona goede en snelle verbindingen met Madrid, Barcelona, Zaragoza, Valencia en Frankrijk.

De ligging van de stad aan de rand van de Middellandse Zee aan de Costa Dorada met zijn stranden, zijn recreatiecentra en zijn historische traditie maken van de stad een belangrijke toeristische plaats.

Zijn oorsprong gaat terug tot het oude Romeinse Tarraco, de hoofdstad van het toenmalige Hispania Citerior Tarraconensis.

In zijn culturele leven vinden we twee universiteiten, de Universidad Laboral en de Universidad Rovira y Virgili van Tarragona. Beide universiteiten hebben, door de aanwezigheid 25.000 studenten, een intens studentenleven.

Het religieus erfgoed met zijn seminarie, het bisschoppelijk paleis en zijn kathedraal maakte van Tarragona in 2008 een ontmoetingsplaats in het Jubileum Jaar. Dit veranderde de stad in een pelgrims centrum op de Weg naar Santiago.

In 2010 waren in Tarragona de Europese Jeugd Spelen en bovendien is de stad kandidaat voor de inrichting van de Mediterrane Olympische Spelen in 2017. De stad was Europese Cultuur Hoofdstad in 2016.

2. Geschiedenis

Tarragona in de Romeinse periode

De stad is gevestigd op een plaats die typisch is voor Iberische nederzettingen aan de kust, ze ligt aan de rand van een heuvel en aan de monding van een rivier.

Foto: Tarragona tijdens de Romeinse periode

Lucash

In 218 voor Christus gingen de Romeinen hier aan land en zij bouwden er een groot militair kamp. Dankzij de strategische ligging en het goede klimaat werd Tarraco een belangrijke plaats tijdens de Tweede Punische Oorlog en later tijdens de verovering van het Iberische schiereiland.

In de tweede helft van de eerste eeuw voor Christus kreeg de stad het statuut van kolonie en in 27 voor Christus werd Tarraco de hoofdstad van Hispania Citerior dat later de provincie Hispania Tarraconensis werd.

De stad ruilde dan zijn oorspronkelijke functie van militair kamp in voor een complexere functie, die van hoofdstad van de provincie. De plattegrond van de stad veranderde radicaal.

Het hoger gelegen gedeelte werd het militair kamp en in dat gedeelte vinden we ook de tempel voor de keizerlijke cultus en het Pretorium waar de vergaderingen gehouden werden.

In het laagst gelegen gedeelte lag het circus dat ook de scheiding aangaf tussen het militaire deel en het burgerlijk deel met de woongebieden.

Tijdens de vier eeuwen Romeinse aanwezigheid was Tarraco een van de belangrijkste steden van het Romeinse Imperium, op een bepaald moment waren er 30.000 inwoners.

Tarragona na vier eeuwen Romeins bestuur

Na de val van het Romeinse rijk brak er een periode aan van verval. De invasies van de Franken en de Germanen vernielden voor een deel de stad en in 476 maakten de Visigotische troepen van Eurik de stad met de grond gelijk. In 714 werd Tarragona ingenomen door de Arabieren.

Nadien had Karel V een gebied in bezit dat het oostelijk en het noordelijk van het huidige Catalonië bestreek. Tijdens een inval in 985 van Almanzor brandde Barcelona en werd Tarragona ingenomen. De stad werd definitief heroverd in 1116 door Ramón Berenguer III.

Middeleeuws Tarragona (XII-XV)

In 1129 gaf San Olegario, aartsbisschop van Tarragona, de stad als een kerkelijk vorstendom aan de Normandische huurling Robert Bordet, die gediend had onder het bevel van Alfonso I van Aragón.

Op 14 maart 1129 werd Robert Bordet benoemd tot prins van Tarragona door een pact van trouw (vazal). Vanaf de oprichting van het Prinsdom van Tarragona vestigden de Normandiërs onder de leiding van Robert Borlet zich in de stad.

Bordet maakte gebruik van een oude Romeinse toren, de huidige Torre del Pretario, om er zijn kasteel te vestigen. Hier begon ook een eerste vorm van kolonisatie van de stad. In de stad had Borlet de leiding maar hij stond onder de controle van de aartsbisschop van Barcelona.

De situatie werd bemoeilijkt bij de dood van San Olegario. Zijn opvolger, Bernat Tort, een vertrouweling van de Graaf van Barcelona, vestigde zich in 1146 in de stad. Dit was de aanleiding tot het begin van tal van betwistingen en rechterlijke conflicten en het leidde tot de teruggave van het prinsdom aan de Graaf van Barcelona in 1151.

Op het einde van de twaalfde eeuw was Tarragona al een grote stad en besloeg de stedelijke kern van de stad een groot grondgebied. In 1148 had de lokale overheid zich georganiseerd in een raad van inwoners van de stad en zij namen intensief deel aan het stadsleven. De stad groeide en bezette het interne gebied van het Forum van Tarraco en zij behield zo de architectonische structuur uit de Romeinse periode. De stad groeide in de twaalfde eeuw verder tot buiten het gebied van de grote monumenten. Vanaf 1146 bereikte de stad het gebied dat in de Romeinse periode bestemd was voor de eredienst en in dit gebied begon men in 1171 dan ook met de bouw van een kathedraal.

Buiten het defensieve gedeelte van de stad in dit tijdperk onderscheiden we zeer duidelijk drie verschillende gebieden:

  • de Corral, dit is het oude Romeinse circus en men veranderde dit in een dorpje buiten de muren met een minimum aan bevolking maar waar men de handel en industrie liet gebeuren
  • de Vila Nova, dit is het gebied dat werd doorgetrokken vanaf de Corral tot aan de haven en waar men aan landbouw deed. In tegenstelling met de voorgaande plaats was dit gebied weinig bewoond, enkel aan de haven en aan de Corral woonden er mensen
  • De tuinen van Tarragona, dit was ook een gebied dat geschikt was voor de landbouw.

De uitbreiding van de builenpest in Europa was het begin van een belangrijke demografische recessie. De epidemie kwam in de stad tussen mei en juli 1348 en veroorzaakte een grote sterfte onder de bevolking.

Niettegenstaande deze ontvolking begon men in 1368, op bevel van de Kroon, in de stad met de werken aan de muren om ze te onderhouden en ze te versterken.

Dit gebeurde door de bouw van de Muralleta of Mur Nou (Nieuwe Muur) en de verhoging van de gevel van het circus. Door deze werken kwam het gebied van de Corral in het stedelijk gebied te liggen.

De politieke situatie verslechterde tijdens de eerste helft van de vijftiende eeuw. De geschillen tussen de overheid van Catalonië (Generalidad de Cataluña) en Juan II de Aragón veroorzaakten een Catalaanse burgeroorlog. De aartsbisschop koos de zijde van de koning en de gemeenteraad koos na lang twijfelen de kant van de Catalaanse overheid.

Op 17 oktober 1462 begon het beleg van de stad door de troepen van Juan II. De oorlog dompelde de stad in een periode van verval. De verdediging van de stad, speciaal in de omgeving van de Nieuwe Muur werd ernstig beschadigd evenals het gebied van de Corral. De bevolking daalde drastisch en de stad ging failliet. De gevolgen van de burgeroorlog bleven lang zichtbaar in de stad.

Vanaf de zestiende tot de achttiende eeuw

Tijdens deze periode werd het leven in de stad gekenmerkt door drie belangrijke oorlogen. Vanaf de zestiende eeuw bouwde of verstevigde men versterkingen om de stad en zijn omgeving te verdedigen tegen het oorlogsgeweld en tegen de aanvallen van Corsicaanse piraten.

Tijdens deze periode waren epidemieën een constante en zij veroorzaakten een grote sterfte en een grote uittocht van de bevolking.

Het eerste grote conflict was de oorlog van de Maaiers (Guerra de los Segadores) en die plaatste Catalanen en Fransen aan de ene kant en de Spaanse kroon aan de andere kant. Deze oorlog begon in 1640 en eindigde in 1659.

De strategische ligging van Tarragona was de oorzaak van grote problemen tijdens twee momenten. Het eerste probleem was in 1641 en het tweede was in 1644.

Beide keren werden er grote vernielingen in de stad aangericht aan de gebouwen en daaruit volgde terug het economisch verval van de stad.

Ook de haven onderging grote vernielingen en zij werd voor een langere periode verlaten. Ondertussen gingen de havenactiviteiten door in Salou. De economie van Tarragona was in een ernstige crisis tot aan het einde van de achttiende eeuw en toen besloot men om de haven terug op te bouwen. De haven kreeg toen ook de toelating om handel te drijven met Amerika.

Het tweede grote conflict waar de stad in terecht kwam was de Opvolgingsoorlog (Guerra de Sucesión). Deze oorlog woedde van 1702 tot 1714 en de stad was nog niet hersteld van de vorige oorlog. Tarragona werd verdedigd door een Brits garnizoen dat de verdedigingswerken verbeterde.

Toen Felipe V aan de macht kwam werd het Decreet van Nueva Planta afgekondigd en dat stelde een systeem in van centralisatie en absolutisme.

In deze nieuwe staatsorganisatie werden de oude Catalaanse rechtsgebieden (veguerías) afgeschaft en kwam er een begin aan de gemeentelijke structuur. Tevens werd de macht van de aartsbisschoppen aan banden gelegd.

Een ander groot probleem dat de stad in de zestiende en de zeventiende eeuw regelmatig bedreigde waren pestepidemies en aanvallen van piraten.

De piraterij aan de kusten van de Middellandse Zee maakten dat de bevolking veiligere streken opzocht in het binnenland. Om de aanvallen tegen te gaan bouwde men langs de kust torens zoals de Torre de la Mora, of zoals het bastion over de natuurlijke haven van Tamarit in 1617.

De Corsicaanse aanvallen veroorzaakten grote hinder in de demografische en de economische uitbouw van deze streek.

Het binnen brengen van water afkomstig van Puigpelat, was een belangrijke verbetering voor de kwaliteit van het leven voor de bevolking.

De negentiende en de twintigste eeuw

De negentiende eeuw begint met het derde grote conflict, nieuwe oorlogshandelingen die een verwoestend effect voor de stad zullen hebben tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog of de Oorlog tegen Frankrijk.

Na een lange belegering die verschrikkelijke gevolgen had voor de bevolking van de stad werd de stad ingenomen door de Franse troepen op 28 juni 1811. Vanaf dit moment bezetten de Franse troepen de stad gedurende twee jaar en dat waren twee jaar van honger. Uiteindelijk verlieten de Fransen de stad op 19 augustus 1813.

Het demografisch en economisch herstel vorderde langzaam hoewel de stad werd vrijgesteld van het betalen van belastingen tussen 1816 en 1826. Met de verbetering van de situatie begon men met het herstel van de haven en dat bracht een aantal buitenlandse handelaars naar de stad.

In 1786 had Tarragona de toelating gekregen om handel te drijven met Amerika en er kwam een grote handel in wijn en brandewijn. Hierdoor kwam er een grote uitbreiding van de wijnhandel maar dat ging ten nadele van andere producten.

Met de komst van de druivenziekte in Frankrijk in 1870 groeide hier in Tarragona de druiventeelt op een buitensporige wijze, er werden aanplantingen gedaan op gronden die hiervoor niet geschikt waren.

Het voordeel om te kunnen exporteren en het gemak van het vervoer maakte de druiventeelt een zeer winstgevende handel. Er ontstond in deze tijd een nieuwe sociale klasse, die van arbeiders en ambachtslieden.

Tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw stimuleerden de schommelingen in de prijs voor de wijn de economie, de demografie en de stedelijke uitbreiding.

Vanaf 1868 begon men met de bouw van gebouwen en woningen buiten de muren. Militair gezien waren de muren toch niet zo belangrijk meer omdat zij door de nieuwe militaire technieken zo vernietigd konden worden.

Tijdens het eerste deel van de twintigste eeuw waren er belangrijke politieke en sociale gebeurtenissen in Spanje die ook hun invloed hadden op de stad: de dictatuur van Primo de Rivera, de afkondiging van de Tweede Republiek en de Spaanse Burgeroorlog.

Deze laatste gebeurtenis was een enorme hinder op de economische en de sociale ontwikkeling van Tarragona. De stad werd meerdere malen gebombardeerd en daardoor waren er niet alleen veel dodelijke slachtoffers maar was er ook een grote vernietiging van de stedelijke infrastructuur. Na de oorlog had men geruime tijd nodig om alles te herstellen.

Vanaf het midden van de jaren vijftig vestigden zich de eerste petrochemische bedrijven zich rond de stad.

De archeologische plaatsen in Tarragona behoren bij de belangrijkste vindplaatsen met overblijfselen uit de Romeinse periode in Spanje. De vindplaats in Tarragona kwam op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco in 2000.

Er zijn nog veel belangrijke Romeinse ruïnes in Tarragona. Delen van de funderingen van de grote muur nabij het hoofdkwartier van Pilatus zouden van voor de Romeinse tijd kunnen zijn.

Dit hoofdkwartier was een gevangenis in de negentiende eeuw maar men denkt dat dat het paleis van Augustus is geweest.

Tarragona is zoals de meerderheid van de steden uit de oudheid die bewoond zijn gebleven deels ontmanteld door hun eigen inwoners om met de oude materialen nieuwe gebouwen te kunnen optrekken.

Het amfitheater nabij de kust werd gebruikt als een steengroeve. Doorheen de ganse stad kan men in de muren van gebouwen encrypties vinden in het latijn of het Fenicisch.

Er zijn twee oude monumenten op een kleine afstand van de stad, het eerste is een prachtige aquaduct die een vallei doorkruist. Zij heeft een hoogte van 21 meter en de laagste bogen waarvan er twee rijen zijn hebben een hoogte van 3 meter.

Het andere monument in het noordwesten van de stad is een Romeins graf met de naam ‘Torre de los Escipiones’, de Toren van Scipio. Maar er is geen enkele aanwijzing dat hij hier inderdaad begraven ligt.

3. Belangrijke plaatsen

3.1 De Romeinse muur

De muur van Tarragona is een militaire omheining van Romeinse oorsprong die de oude stad omringde.

Geschiedenis en karakteristieken

De muur is de oudste constructie in Tarragona. In het begin was dit enkel een houten palissade om het militaire garnizoen te beschermen.

De eigenlijke muur is gebouwd in de tweede eeuw voor Christus maar wetenschappers zijn het nog niet eens of dit tijdens de tweede Punische Oorlog was of vroeger. Er was een vergroting van de muur tijdens de bouw van de Romeinse stad Tarraco. Uit deze tijd zijn er nog 3 torens overgebleven:

  • La Torre del Arquebisbe
  • La Torre del Cabiscol
  • La Torre de Minerva

In 217 en 197 voor Christus werd de muur uitgebreid en versterkt met een stenen front van 6 meter, met een dikte van 4,5 meter en met torens op de zwakkere plekken. De totale lengte in die periode was ongeveer 4 km. Momenteel is er nog 1 km van overgebleven.

Na de Moorse invasie begon er in de stad een langzame ontvolking en het was wachten tot de inname van de stad door Ramón Berenguer IV, in de twaalfde eeuw, voordat de muur hersteld zou worden.

Er zijn nog wijzigingen en herstellingen aangebracht tijdens de bezetting door de troepen van Napoleon.

3.2 Provinciaal Forum en de plaats voor de keizerlijke cultus (Foro provincial / El recinto de culto imperial)

Het provinciaal forum van Tarraco was een immense monumentale plaats van ongeveer 18 ha groot. Het bestond uit twee grote pleinen omringd door zuilen en waarrond de belangrijkste gebouwen stonden van de administratie, religie en cultuur van de stad Tarraco.

Geschiedenis

Het werd gebouwd door de Romeinen in 73 na Christus onder het mandaat van keizer Vespasiano en het forum bleef in gebruik tot in de vijfde eeuw. Vanaf dat moment gebruikte men de gebouwen rondom het plein als privé woningen.

Vanaf de twaalfde eeuw verstedelijkte het plein en kwam er een aanleg van straten die vandaag de dag nog altijd bestaan.

Gebouwen en instanties de het forum huisvest

  • Consilium Provinciae Hispaniae Citerioris (Provinciale Raad)
  • Circo (Circus)
  • Tabularium (Archief van de Staat)
  • El Arca (Schatkist )
  • Casa de la Cúria (Huis van de Rechtszaken)
  • Audiencia (Audiëntie)
  • Templo de Culto Imperial (Tempel voor de Keizerlijke Eredienst)

Dit is een ruimte die geschikt is voor de eredienst en de ambtelijke vertegenwoordiging. Op een lagere plaats stond het circus.

De ruimte voor de eredienst was ook de zetel van het concilie en het lag in het bovenste gedeelte van de stad. Vandaag is deze ruimte ingenomen door de kathedraal, het Domplein en door andere gebouwen.

Het was een enorm plein van 153 meter op 136 meter. Het was omringd door een muur van 9 meter hoogte die de bedekking ondersteunde met een portiek met kolommen van 11 meter hoogte, zij omringden het ganse plein.

Een onderdeel van dit plein was de tempel van Augustus die grote afmetingen aannam met zijn kolommen van 13,5 meter hoogte.

Het plein van de vertegenwoordiging werd op een lager gelegen terras aangelegd dan de zone voor de eredienst en dit plein is er mee verbonden door een grote trap die vandaag gebruikt is voor de kathedraal. Dit plein had een breedte van 175 meter en een lengte van 318 meter waardoor het ook het grootste plein werd dat gebouwd is tijdens door het Romeinse Rijk.

Drie van de vier zijden van het plein werden gescheiden door een verhoogd gesloten podium. Na deze portiek stond een groot gewelf waarvan enkele delen zijn overgebleven.

3.3 Het Romeins circus van Tarraco

Het Romeins circus van Tarraco is een Romeins gebouw dat bewaard is gebleven in het huidige Tarragona. Zijn bouw was politiek geïnspireerd door het Concilium van de Spaanse provincie en het diende voor de jaarlijkse bijeenkomst van de vertegenwoordigers uit de provincie Citerior. Het bevond zich dicht tegen het Provinciaal Forum en binnen de ommuurde ruimte van Tarraco.

In het circus was plaats voor 25.000 personen en het was 325 meter lang en 115 meter breed.

Geschiedenis

Het circus werd gebouwd in de late eerste eeuw na Christus onder het mandaat van de Romeinse keizer Domiciano en men hield er paardenraces. De bouw was het hoogtepunt van de stedelijke urbanistische transformatie naar provinciale hoofdstad.

De organisatie van de spelen was voornamelijk in handen van de priesters van de keizerlijke cultus. Het circus bleef in gebruik tot half de vijfde eeuw, het moment waarop de arena en de gewelven er omheen plaats maakten voor nieuwe residentiële ruimtes.

In 1128 staat deze plek onder de naam El Corral en zij werd gebruikt als zetel voor de beurzen en de handel.

Het gebruik van het circus

  • Vooral voor wagenrennen met cuadriga, strijdwagens met vier paarden en met bigas, strijdwagens met 2 paarden en zij werden gemend door de wagenmenners.
  • Circus spelen
  • Theaterstukken

3.4 Het Romeins theater

Het Romeins Theater van Tarraco is een Romeins gebouw dat in de omgeving stond van het forum.

Geschiedenis

Het theater werd gebouwd in de periode van Augustus op het einde van de eerste eeuw voor Christus. Het was een van meest symbolische gebouwen van de stad.

Het theater werd gebruikt tot op het einde van de tweede eeuw en dan werd het verlaten. In de derde eeuw, na een brand in het gebouw werden de bouwmaterialen opnieuw gebruikt voor de bouw van nieuwe gebouwen.

Kenmerken

Bij de bouw van het theater werd er optimaal gebruik gemaakt van de helling van het terrein voor de bouw van de tribune.

De scene was een plaats voor de opvoering van theaterstukken en ze vormden een verhoogd platform over een podium dat versierd was met halfronde vaste zitplaatsen.

In het achterste gedeelte van de scene ontwierp men een plaats met tuinen voor de toegang van de toeschouwers in het theater en in het centrum was er een grote vijver met standbeelden.

De scene werd afgesloten door een grote monumentale versierde gevel.
De toeschouwers werden over de tribune verdeeld volgens sociale status en klasse.

3.5 Het amfitheater van Tarraco

Het amfitheater van Tarraco was een Romeins gebouw dat dicht bij de zee gebouwd werd.

Geschiedenis

Foto: het amfitheater van Tarragona

Bernard Gagnon

Het werd gebouwd op het einde van de tweede eeuw na Christus en het lag op een vroegere begraafplaats. Tijdens het mandaat van Heliogábalo, op het begin van de derde eeuw werd het amfitheater verbouwd en een van de verbouwingen was de bekroning van het podium met een grote encryptie waarvan nu nog stukken bewaard zijn gebleven.

Op 21 januari 259, tijdens de vervolgingen van de christenen door keizer Valeriano werden de bisschop van de stad Fructuoso samen met zijn diakens Augurio en Eulogio levend verbrand.

Tijdens de vijfde eeuw, als gevolg van de religieuze politiek van de eerste christelijke keizers, verloor het amfitheater zijn oorspronkelijke functies. Een eeuw later gebruikte men de stenen van het theater om er een christelijke basiliek mee te bouwen die drie beuken en een hoefijzervormige apsis bezat.

Het werd een herdenkingsplaats voor de drie heiligen uit Tarragona. Rond de kerk bouwde men een begraafplaats.

Met de Moorse invasie begon er een periode van verwaarlozing en in de twaalfde eeuw begon men op de funderingen van de Visigotische basiliek met de bouw van een nieuwe kerk, de kerk van de Santa María del Milagro.

De bouwstijl van deze kerk was romaans en en de kerk bezat een beuk en een vierkant apsis. De kerk bestond tot in 1915.

Gebruik van het amfitheater

In het amfitheater gingen alle soorten spektakel door, van de munera (strijd der gladiatoren) tot de venationes, (strijd met dieren). Maar ook jachtpartijen, atletische tentoonstellingen en martelingen tot de dood er op volgde (christenen) kwamen hier aan bod.

Het werd gebouwd in de buurt van de zee in het beneden gedeelte van de stad omdat er zo een gemakkelijke toegang was voor het publiek maar ook de dieren kon men gemakkelijk overbrengen van de boot naar het theater.

Het theater werd aangelegd op een steile helling waarbij men voor de bouw van de tribune gebruik maakte van de rots. Op de plaatsen waar men geen gebruik kon maken van een natuurlijke helling werd de tribune aangelegd op bogen.

Het is bekend dat in sommige gevallen het publiek tegen de zon beschermd werd door een enorme luifel.

Onder de arena waar het spektakel gehouden werd bevond zich een “goederenlift” die door middel van een systeem met katrollen en tegengewichten de kooien met wide dieren en de gladiatoren naar boven in de arena bracht.

In het noordelijk gedeelte van de kelder bevond zich een fresco van de godin Némesis die als versiering in een kleine kapel was en waar de gladiatoren haar konden aanroepen. Momenteel bevind de fresco zich in het Nationaal Archeologisch Museum van Tarragona.

De technische kenmerken

Er was plaats voor 15.000 personen en het amfitheater had een elips vormige vorm. De afmetingen waren 130 op 102 meter.

3.6 Het Romeins aquaduct ( “Pont del Diable” of “Acueducto de les Ferreres”

Foto: het Romeins aquaduct / Pont del Diablo

Joanlm

Het aquaduct ligt op ongeveer 4 km in noordelijke richting van Tarragona en is in een zeer goede staat.  Het aquaduct is gebouwd in de eerste eeuw door de Romeinen en ze bracht water van de rivier de Francolí naar de stad. De aquaduct was in gebruik tot in de achttiende eeuw.

Kenmerken

Het aquaduct heeft een lengte van 217 meter en een hoogte van 27 meter. Er zijn 2 verdiepingen met bogen en de stenen zijn gestapeld zonder mortel. Het is waarschijnlijk een van de eerste aquaducten die in Spanje gebouwd werden.

3.7 De Toren van de Scipio’s (La Torre de los Escipiones)

De Toren van de Scipio’s (La Torre de los Escipiones) is een grafmonument in de vorm van een toren die gebouwd werden door de Romeinen.

Geschiedenis

Foto: Toren van de Scippio’s

De toren is gebouwd in de eerste eeuw na Christus, op 6 kilometer van de stad. De toren staat naast de Via Augusta, de Romeinse weg die het het ganse schiereiland doorkruiste, van de Pyreneeën tot in Gades (Cadiz).

Het is een van de belangrijkste grafmonumenten uit de Romeinse tijd in gans Spanje.

Architectonische kenmerken

Het is een monument met een vierkant grondplan en met drie verdiepingen in afnemende grootte. Het is gemaakt van vierkante bewerkte stenen. In het middelste deel zien we twee figuren die de god Attis voorstellen, een god die in verband wordt gebracht met de dodencultus. In het bovenste gedeelte zien we een bas-reliëf met twee figuren en hierin bevindt zich de grafkamer met de as van de overledene.

Aan de voet heeft het monument een afmeting van 4,40 x 4,70 meter.

Eigenaardigheid

De naam van de toren is verwarrend, de twee figuren van de god Attis werden lang toegeschreven aan de gebroeders Scipio.

3.8 De Romeinse steengroeve van Médol (La cantera romana del Médol)

Dit is een steengroeve voor kalksteen uit de Romeinse periode, de groeve is 200 meter lang en tussen de 10 en 40 meter breed. De stenen uit deze groeve werden gebruikt voor de belangrijkste bouwwerken van de stad zoals de aquaduct, de Toren van Scipio en de Villa del Munts.

De groeve heeft in het algemeen een diepte van 12 meter maar in het midden van de groeve staat een 16 meter hoge spits die de diepte aangeeft.  Dergelijke torens kan men dikwijls terug vinden in Romeinse steengroeven.

Deze steengroeve is de grootste van de 6 groeven die de stad omringden. De gewonnen stenen hadden een kleurschakering tussen wit en roodachtig maar meestal goudkleurig.

De groeve ligt vlakbij de Via Augusta, van de belangrijkste wegen van het rijk en de huidige N 340 tussen Barcelona en Tarragona volgt dezelfde weg.

In de loop der tijden leverde de groeve 50.000 kubieke meter steen aan voornamelijk Tarragona.

Een bezoek aan de groeve is zeer gemakkelijk, neem de N 340 richting Barcelona.

3.9 De Triomfboog van Bará (El Arco de Bará)

Deze triomfboog werd opgetrokken door de Romeinen op ongeveer 20 kilometer van Tarragona in de stad Roda de Bará en dateert uit de eerste eeuw.

De triomfboog was over de Via Augusta geplaatst. Hij heeft slechts een opening in het midden. Het hoofdgestel wordt ondersteund door acht gegroefde pilasters die eindigen in Korintische kapitelen.

De triomfboog is gebouwd uit kalksteen die in de omgeving gevonden werd.

De fries heeft een inscriptie ter ere van consul Lucio Licinio Sura en de inscriptie zegt: «Ex testamento L(ucio) Licini(o) L(ucio) f(ilii) Serg(ia tribu) Surae consa[…]».

De boog werd opgericht om de gebiedsgrenzen aan te duiden en om zo de disputen tussen de Cossetanos en Ilergetes, twee Iberische stammen te regelen.

De oude stad Salamanca

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Enkele belangrijke gebouwen
  4. Belangrijke plaatsen en gebouwen in de stad

1.Algemeen

Salamanca is een Spaanse stad en zij is tevens de hoofdstad van de gelijknamige provincie. Ze ligt in de autonome regio Castilla y León. Het is de tweede meest bevolkte stad van deze regio na Vallodolid. De stad licht dichtbij de rivier de Tormes.

Foto: zicht op de kathedralen

Santiagova

Salamanca herbergt de oudste universiteit van Spanje die gesticht is in 1218 en zij was de eerste in Europa die deze titel kreeg en zij kreeg de titel door een edict in 1253 van Alfonso X van Castilla y León.

Tijdens de volgende eeuw was het een van de meest prestigieuze universiteiten van het westen.

Salamanca kreeg een plaatsje in de geschiedenis door een aantal van zijn inwoners zoals: Antonio de Nebrija, Cristóbal Colón, Francisco de Vitoria en de Escuela de Salamanca, Fray Luis de León en Miguel de Unamuno.

In 1988 werd de stad opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco door zijn belangrijk architectonisch patrimonium waaronder zijn twee kathedralen, de Oude Kathedraal en de nieuwe Kathedraal, la Casa de las Conchas, de Plaza Mayor, het Klooster van San Esteban en de Escuelas Mayores.

2. Geschiedenis

2.1 De Oudheid
In de derde eeuw vóór Christus kwam Hannibal naar het Iberisch schiereiland en hij belegerde en nam vervolgens Helmantica (Salamanca) in. De legende gaat dat de mannen de stad zonder weerstand te bieden overgaven en dat zij daarna de stad verlieten. Maar de vrouwen van de stad droegen de wapens van hun mannen onder hun kleding en later belegerden zij de Carthagers.

Met de val van de Carthagers door de Romeinen behielden deze laatsten de bezetting van de stad en Salamanca kreeg vanaf dan een zekere belangrijkheid. 

De stad werd snel een belangrijke handelsplaats door zijn gunstige ligging aan de río Tormes, en door zijn ligging aan een van de belangrijkste Romeinse wegen door Spanje, de Vía de la Plata. Voor deze weg bouwde men hier in de eerste eeuw de Romeinse Brug.

2.2 De Middeleeuwen
Met het einde van het Romeins Imperium vestigden de Alanen zich in Lusitania (Portugal) en de stad werd een deel van deze regio.

Later veroverden de Visigothen de stad en zij annexeerden de stad in hun grondgebied. Er zijn weinig gegevens bekend van tijdens de Visigotische periode over Salamanca. We weten alleen dat in de vierde eeuw de Romeinse muur vergroot werd met torens. Wat we ook weten is dat in 589 de stad een bisschopszetel werd omdat de stad een afvaardiging stuurde naar het concilie in Toledo.

Met de invasie in 712 van het schiereiland door de Moren veroverde Musa ibn Nusair de stad.

Tijdens de middeleeuwen was het een waardeloos land en een groot deel van de dorpen werden vernield door de veelvuldige invallen van de Moren. Salamanca werd een plaats zonder belang en de stad was praktisch verlaten.

De opeenvolgende pogingen van de katholieke koningen om dit gebied terug in handen te krijgen botsten met de Moorse pogingen om verder naar het noorden te gaan. Het gebied bleef praktisch verlaten tot aan een belangrijke christelijke overwinning in de slag van de Simancas in 939 en het gebied werd terug door de christenen bevolkt niettegenstaande de nog steeds grote macht van het Kalifaat.

Na de verovering van Toledo in 1085 door Alfonso VI kwam de herbevolking van Salamanca goed op gang. In 1102 komt Raimundo de Borgoña op bevel van zijn schoonvader Alfonso VI naar de stad met grote groepen mensen van diverse afkomst.

Elk van deze groepen werden in een verschillend deel van de stad geïnstalleerd. Fransen, Portugezen, Galiciërs, Castilianen, mozaraben en Joden kregen hun eigen kerken en parochies. Men bracht het diocees terug in voege en men herbouwde de kathedraal.

In 1230, onder de regering van Fernando III El Santo verenigde men de twee koninkrijken van Castilië en León.

Koning Alfonso IX van León kende in 1253 aan de scholen van de kathedraal de rang toe van Algemeen Onderwijs en deze scholen zouden later de Universiteit van Salamanca worden. Dit gebeurde met een koninklijk besluit en het werd later gerectificeerd door paus Alejandro IV. De universiteit had in die tijd een zeer groot prestige.

Op 12 augustus 1311 werd in de stad de enige koning van Castilië en León geboren, het was Alfonso XI, de Rechtvaardige. Hij besteeg de troon toen hij veertien jaar was en hij veroverde Gibraltar aan het hoofd van de milities uit Castilië en León.

Tijdens de vijftiende eeuw was Salamanca het toneel van een grote rivaliteit tussen de adellijke families in de stad. Deze rivaliteit verdeelde de stad in twee gedeelten. Het ene deel was San Benito en het andere deel was Santo Tomé.

2.3 Moderne geschiedenis
Zoals de rest van de historische plaatsen behorend tot de Kroon en die vertegenwoordigd waren in de Cortes was Salamanca toegetreden tot de Comunidades van Castilla. Dit was een beweging tegen de belastingen van Carlos I. Zij verdedigden ook de belangen van de textielbedrijven tegen de privileges die de exporteurs van wol hadden. Na de nederlaag van de Comuneros liet koning Carlos I alle torens van de paleizen verwijderen van de edelen die hadden meegedaan aan de opstand.

De zestiende eeuw was de periode van de grootste pracht van de stad . Dit kwam vooral door de universiteit. Salamanca had op een bepaald moment 24.000 inwoners waarvan 6.500 studenten maar daarna kwam er een terugval in het aantal inwoners en in de welstand.

In de achttiende eeuw was er een belangrijke heropleving op economisch en cultureel gebied en door deze heropleving kon men de werken aan de nieuwe kathedraal beëindigen. Deze werken hadden meer dan een eeuw stil gelegen. Men begon in 1729 ook aan de indrukwekkende barokke plaza mayor en dat liet toe om aan een heropbouw te werken van monumentale gebouwen aan het plein die vernield waren door de aardbeving van Lissabon in 1755.

2.4 Hedendaagse geschiedenis
Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog werd Salamanca in 1809 bezet door de troepen van maarschalk Soult en de stad bleef in Franse handen tot aan de slag van Arapiles in 1812 toen de Fransen verslagen werden door de troepen van Wellington.

Tijdens de bezetting bouwden de Fransen verdedigingswerken en voor de bouwmaterialen vernielden de Fransen een groot aantal gebouwen in de stad, vooral in de wijk Caídos. Hier bevonden zich een aantal gebouwen van de universiteit.

Het ergste moment voor de stad kwam er toen Fernando VII de Spaanse universiteiten liet sluiten. Na de heropening was Salamanca nog enkel een provinciale universiteit.

En 1873, na de afkondiging van de Eerste Republiek had Salamanca te leiden onder een opstand die onderdrukt werd.

Tijdens de rest van de negentiende eeuw kwam er een heropleving in de stad en Salamanca werd de hoofdstad van de provincie. Er kwam ook een spoorweg die Frankrijk met Portugal verbond.

De militaire opstand tegen de Tweede Republiek lukte in Salamanca vanaf het begin. Tijdens de burgeroorlog, tussen oktober 1936 en november 1937 was het bisschoppelijk paleis het hoofdkwartier van Franco. Salamanca was ook de zetel van de falangistische organisaties en van de ministeries van de opstandelingen.

In 1940 stichtte paus Pius XII de Pauselijke Universiteit van Salamanca als een voortzetting van de oude theologische studies.

In 1988 werd Salamanca uitgeroepen tot Werelderfgoed van de Unesco.

3. Enkele belangrijke gebouwen

3.1 Het College van Sint Jacobus de Zebedeüs – Colegio Mayor de Santiago el Zebedeo

Het College van Sint Jacobus de Zebedeüs dat beter bekend is onder de naam van College van Aartsbisschop Fonseca of het College van de Ieren is een van de vier grote universiteits colleges van Salamanca. Het werd opgericht in 1519 door Alonso de Fonseca, aartsbisschop van Santiago de Compostela, voor de studenten afkomstig uit Galicië die aan de universiteit studeerden.

De andere populaire naam, het College van de Ieren, komt door het feit dat toen de vervolging van de katholieken in Ierland op zijn hoogtepunt kwam er veel Ieren hier kwamen studeren.

In 1813, na de Onafhankelijkheidsoorlog keerden de Ieren terug naar hun college en toen zij dit vernield terug vonden kregen zij de toelating om hier in het college verder te studeren.

Het is een van de weinige gebouwen uit de oude colleges die bewaard zijn gebleven. Het werd ontworpen door de architecten Diego de Siloé, Rodrigo Gil de Hontañón en Juan de Álava. Het werk aan het gebouw eindigde in 1578.

Het is een gebouw in platerescostijl en het is gebouwd rond een klooster. Het heeft een eenvoudige voorgevel en de enige versiering is aan de deur. Boven de deur is er een beeld van de heilige Jacobus in de slag van Clavijo. We zien hier ook nog het klooster en de kapel met een retabel van Alonso Berruguete.

3.2 De Kerk van San Marcos – Iglesia de San Marcos

De Kerk van San Marcos is een kapel in romaanse stijl die we kunnen vinden in de zone van de oude stadsmuur in de calle Zamora. Zij werd gebouwd aan het einde van de elfde of het begin van de twaalfde eeuw en zij werd ontworpen als een parochiekerk. De kerk is uniek omwille van zijn ronde vorm en door zijn kleine afmetingen, zij heeft een diameter van maar 22 meter.

Ondanks zijn ronde vorm aan de buitenzijde heeft de kerk binnenin niet de typische vorm van een ronde kerk, er zijn drie kerkschepen die uitkomen op drie apsissen zoals in een kathedraal.

Na een aantal verbouwingen aan de kerk doorheen de eeuwen werd er een grote restauratie uitgevoerd die de kerk terug bracht naar zijn meest pure romaanse vorm. Er werden toen ook muurschilderingen gevonden die tot op dat moment onbekend gebleven waren.


3.3 De Kerk van de Sancti Spiritus – Iglesia de Sancti Spiritus

De Kerk van de Sancti Spiritus is een kerk uit de late gotiek en het is een overblijfsel van een oud onteigend klooster.

Het klooster werd gesticht in1190. Alfonso IX gaf het klooster op 22 juli 1223 aan de Orde van Santiago die het op hun beurt aan don Martín Alfonso (zoon van Alfonso IX) schonken. Hij gaf het dan weer verder aan de nonnen van het klooster van Santa Ana.

De kerk werd gerestaureerd in het midden van de zestiende eeuw, de restauratie was in gotische stijl maar met plateresco versieringen. Binnenin de kerk zien we het koor en de kapel met een mudéjar plafond uit de vijftiende en de zestiende eeuw. Verder is er het groot retabel, een werk van Antonio de Paz en de graven van Martín Alfonso en van María Méndez.

Aan de buitenzijde, boven de renaissance poort staat er een belangrijke sculptuur die de zes belangrijke overwinningen van Petrarca uitbeelden. We zien hier ook enkele medaillons van San Pedro en San Pablo en er is een afbeelding van Santiago tijdens de slag van Clavijo.

Na de onteigening van Mendizabal werd het klooster een gevangenis en na verloop van tijd werden er meer diensten in ondergebracht zoals de gemeentelijke politie en het gerechtsgebouw. In 1972 werd het gebouw afgebroken.

3.4 De kerk van San Juan van Barbalos – Iglesia de San Juan de Barbalos

De kerk van San Juan Bautista van Barbalos is een romaanse kerk die gesticht werd in 1150 door de Caballeros de la Orden del Hospital de San Juan de Jerusalén. Het dankt zijn naam omdat het onder de bescherming staat van San Juan Bautista en van de bevolking van Barbalos, waar de orde eigen bezittingen had.

De kerk heeft een belangrijk deel behouden van zijn oorspronkelijke romaanse vorm zoals de apsis met de drie ramen en met de kroonlijst met zijn sculpturen.

Binnen in de kerk is er een kerkschip en een koor dat bedekt is met een origineel gewelf. Er zijn afbeeldingen van de Maagd met het Kind en een van Johannes de Doper.

Deze kerk had een grote verandering in de achttiende eeuw en de oorspronkelijke romaanse stijl werd omgezet naar een barok stijl.

Tussen de kunstwerken in de kerk zien we Cristo de la Zarza uit de twaalfde eeuw, het beeld is twee meter hoog en het is gemaakt uit notenhout.

Men zegt dat in deze kerk San Vicente Ferrer predikte.

3.5 De Kerk van San Cristobal – Iglesia de San Cristóbal

De Kerk van San Cristobal is een romaanse kerk en zij werd gesticht in 1145 door de Ridders van de Orden de San Juan de Jerusalén. De kerk heeft een kerkschip dat gebouwd is in de twaalfde eeuw maar er zijn verbouwingen gebeurt in latere eeuwen.

Van de oorspronkelijke bouw is het apsis bewaard gebleven, aan de buitenzijde van de kerk het gedeelte dat uitsteekt boven de kraagstenen en aan de binnenzijde van de kerk is de decoratie met plantaardige motieven bewaard gebleven evenals het dwarsschip van de kerk.

Uit de zeventiende eeuw is een reliëf bewaard gebleven van de Begrafenis van Christus, het is een werk van Pedro Hernández.

Door de staat waarin de kerk zich een hele tijd bevond werd ze een hele tijd niet gebruikt maar tussen 1985 en 1994 voerde men een grondige restauratie uit.

4. Belangrijke plaatsen en gebouwen in de stad

Omdat Salamanca een zo groot monumentaal patrimonium heeft gaan we nu verder met een kort overzicht van deze gebouwen en plaatsen.

4.1 Pleinen en andere openbare plaatsen

Foto: Plaza Mayor

xiquinhosilva

Plaza Mayor: dit plein is gebouwd in barokstijl en het werd ontworpen door de architecten Alberto en Nicolás Churriguera. De eerste steen werd gelegd op 10 mei 1729 en de werken werden beëindigd in 1755. Het plein is gebouwd in een perfecte symmetrie.

Plaza del Corrillo: een klein plein naast de plaza mayor. Aan de linkerkant is er de romaanse kerk van San Martín en aan de rechterkant staat er een reeks huizen met een overdekte galerij met stenen kolommen die eindigen op sokkels die de dagen van de week voorstellen.

Huerto de Calixto y Melibea: tuin dichtbij de twee kathedralen waar volgens sommigen het plot van het boek La Celestina van Fernando de Rojas zich afspeelt.

4.2 Religieuze gebouwen

Kapel van Vera Cruz – Capilla de la Vera Cruz: barokke kerk met een renaissance voorgevel. Ze herbergt tal van kunstwerken.

Kathedralen: Salamanca heeft twee kathedralen, de oude kathedraal uit de twaalfde eeuw in romaanse stijl werd tussen 1140 en 1150 gebouwd op initiatief van Don Berengario. De nieuwe kathedraal is veel groter en men begon hier aan te bouwen in 1513. Hij is in gotische stijl en de werken werden beëindigd in de achttiende eeuw. De plaats waar zij samen komen is bekend als Patio Chico en het is een van de meest pittoreske plaatsjes van de stad.

La Clerecía: momenteel is het de zetel van de universiteit. Men begon in 1617 met de bouw en 150 jaar later werd het het Colegio Real del Espíritu Santo, van de Compañía de Jesús geopend. Het is gebouwd in de barokstijl. We onderscheiden het college met een interessant klooster en de kerk met een indrukwekkende gevel met twee torens van 50 meter hoogte en een enorme koepel.

Colegio de Calatrava: gebouwd in de achttiende eeuw door de Orde van Calatrava, momenteel herbergt het het Casa de la Iglesia.

Augustijner klooster en de Kerk van de Onbevlekte Ontvangenis – Convento de las Agustinas e Iglesia de la Purísima: in de kerk zien we een schilderij van de Onbevlekte Ontvangenis dat geschilderd werd door José de Ribera. Het is de enige ruimte in Spanje waarvan de bouw en de decoratie volledig Italiaans is.

Convento de las Dueñas: het is een gebouw uit de vijftiende eeuw en het renaissance stijl.

Convento de San Antonio el Real: uit 1736, het gebouw is in barok stijl, de stoffelijke resten van San Antonio bevinden zich in het Teatro Liceo en een winkel waar men ze kan bezoeken.

Convento de San Esteban: van de paters dominicanen is gebouwd in de zestiende eeuw.  De gevel is in platerescostijl met zijn triomfboog en het is een juweel van de renaissance bouwkunst in Salamanca. Er is een indrukwekkend barok retabel van José Benito Churrriguera.

Convento de la Encarnación: het is gesticht door aartsbisschop Fonseca in 1512. Het apsis aan de buitenzijde is opvallend en het is in gotische stijl. Binnenin de kerk is er een barok retabel en het graf van de stichter is in renaissance stijl, dat graf is een werk van Diego de Siloé.

Ermita de Nuestra Señora de la Misericordia: uit de zestiende en de zeventiende eeuw. Het is een kleine barok kapel waaraan men begon te bouwen in 1389 op de Plaza de San Cristóbal. Momenteel is het erg beschadigd.

Oude Kerk van de Bernardas – Antigua iglesia de las Bernardas: dit is een werk van Rodrigo Gil de Hontañón en het is een typisch voorbeeld van de bouwstijl die in Salamanca in de zestiende eeuw gebouwd werd. Vandaag de dag ligt het in het colegio de San José de Calasanz.

Kerk van Santo Tomás Cantuariense – Iglesia de Santo Tomás Cantuariense: het is een romaanse kerk die opgericht is ter ere van Santo Tomás, aartsbisschop van Canterbury in 1175. Het heeft drie apsissen en een kerkschip dat bedekt is met een houten plafond.

4.3 Gebouwen van de universiteit

Universiteit: een verzameling gebouwen die behoorden bij de oude universiteit van Salamanca. Deze gebouwen bevinden zich in de nabijheid van de plaza Patio de Escuelas. Op dezelfde plaza vinden we het huis van dokter Álvarez Abarca of van de Dokters van de Koningin – Doctores de la Reina. De voorgevel is in gotische stijl maar met renaissance invloeden. Vandaag is het gebouw in gebruik als het Museum van Salamanca.

Casa-museo de Unamuno: uit de achttiende eeuw. Het is het oude huis van de rectoren van de universiteit. De woning is behouden gebleven zoals Miguel de Unamuno hier in het huis woonde.

Colegio de San Ambrosio: het is een gebouw uit 1719. Momenteel is hier het groot archief van de Spaanse Burgeroorlog gehuisvest. We vinden hier documenten en voorwerpen die in beslag genomen werden door de troepen van Franco tijdens en na de burgeroorlog.

De oorspronkelijke bedoeling was om informatie te verzamelen over mogelijke tegenstanders van het regime om hen alsnog later te kunnen oppakken.

Na het verdwijnen van het regime werd het een groot en belangrijk archief over de ganse Tweede Republiek inclusief de Spaanse Burgeroorlog. Het heeft zo een grote historische waarde gekregen over deze periode. In het archief bevinden zich veel documenten en voorwerpen die in verband staan met de vrijmetselarij.

Colegio Trilingüe – het Drietalig College: dit werd gesticht in 1554 voor het onderwijs in het latijn, het Grieks en het Hebreeuws. Een deel van de originele binnenplaats is bewaard gebleven en sinds 1829 is er de Faculteit Fysica gevestigd.

Palacio de Anaya: dit was de laatste zetel van het Colegio Mayor van San Bartolomé of van het Colegio de Anaya. Het werd gesticht in de vijftiende eeuw door don Diego de Anaya, maar het verdween aan het begin van de negentiende eeuw. Momenteel is er de Faculteit in de Filologie gevestigd. Dichtbij het gebouw zien we de kerk van San Sebastián, dat was de oude kapel van het college en van het logementshuis. Het is een werk van Joaquín de Churriguera.

Colegio Santa Cruz de Cañizares: het is een gebouw uit de zestiende eeuw en nu is hier het Muziek Conservatorium. Er zijn nog resten van de oude kapel die ingebouwd is in het auditorium. Ook de voorgevel in platerescostijl is bewaard gebleven.

Colegio de San Pelayo: het is opgericht in het midden van de zestiende eeuw. Vanaf 1990 is er een grondige restauratie geweest en momenteel is hier in het gebouw de Faculteit van Geografie en Geschiedenis.

4.4 Paleizen

Casa de las Conchas – Het Huis met de Schelpen: het werd gebouwd omstreeks 1490 voor Don Rodrigo Arias Maldonado.

Foto: Casa de la Conchas

Alurín

De bouwstijl is burgerlijke gotiek en de gevel heeft een versiering met ongeveer 350 sint-jacobsschelpen, het symbool van de militaire orde van Sint-Jakob waarvan Don Rodrigo lid was.. De smeedijzeren tralies voor de ramen zijn prachtig versierd. Momenteel is er een openbare bibliotheek in ondergebracht.

Casa de doña María la Brava: een gebouw in gotische stijl uit de vijftiende eeuw en het is een voorbeeld van de gebruikte bouwstijl uit die periode. De eigenares María de Monroy stond aan het hoofd van een van de twee groepen die de stad in de vijftiende eeuw in twee verdeelden. Nadat haar zonen gedood waren door de andere groep liet zij de moordenaars van haar kinderen onthoofden. We vinden het huis aan de plaza de los Bandos.

Casa Lis: dit is een modernistische grote woning uit 1905 met een gevel van ijzer. Het is gebouwd op de muur en het herbergt art nouveau en art deco collecties die geschonken zijn door Manuel Ramos Andrade.

Casa de las Muertes: dit is een woning uit de zestiende eeuw. Het werd gebouwd door de architect Juan de Álava voor de belangrijke familie Ibarra. De naam van de woning “Huis van de Doden” komt door de 4 doodshoofden die als kraagstenen gebruikt werden voor de sokkels van de bovenste ramen in de gevel.

Casa del Regidor Ovalle: dit is een woning uit de achttiende eeuw en hier overleed Miguel de Unamuno.

Casa de Santa Teresa: dit is een woning uit de zestiende eeuw en hier logeerde Santa Teresa toen zij Salamanca in 1570 bezocht om er een klooster te stichtten. Hier schreef zij het gedicht “ Vivo sin vivir en mí”.

Casa de la Tierra: dit is een woning uit de vijftiende eeuw met een monumentale toegangspoort en gotische ramen met raamwerk. Het is nu de zetel van de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Salamanca.

Casa de las Viejas: dit is een woning uit de zeventiende eeuw. Het is een oud tehuis voor armen en momenteel is het de Regionale Filmotheek van Castilië en León. Er is een permanente tentoonstelling van filmapparatuur en die is eigendom van de filmmaker uit Salamanca, Basilio Martín Patino.

Fonda Veracruz: dit is een binnenplaats met een galerij in hout in de vorm van een doodlopende straat. Momenteel is het de school voor het hotelbedrijf.

Palacio de Abrantes: dit is een paleis uit de vijftiende eeuw en het is gebouwd in burgerlijke gotische stijl. Het heeft boogvensters met een middenzuil en een binnenplaats met drie zijden. Gedurende jaren was het de zetel van het Instituto de Estudios de Iberoamérica en Portugal van de Universidteit van Salamanca.

Palacio de Arias Corvelle: dit is een paleis uit de vijftiende eeuw. De gevel is gelijkaardig ingesneden zoals dat van de San Boal.

Palacio de Castellanos: dit is een paleis uit de vijftiende-zestiende eeuw. Het is het paleis van de Markiezen van Castellanos en men begon aan de bouw op het einde van de vijftiende eeuw. De voorgevel dateert uit de negentiende eeuw en hij combineert de gotiek en de neoklassiek. Er is binnenin een grote gotische binnenplaats en momenteel is dit een hotel.

Palacio de Garci Grande: uit de zestiende eeuw. De deuropening is in renaissance stijl en de ramen zijn afschuinend en dat is uniek in de stad. Momenteel is het de zetel van een spaarbank, Caja Duero.

Palacio de Monterrey: het is een gebouw uit de zestiende eeuw en het is gebouwd in platerescostijl voor Don Alonso de Acevedo y Zuñiga door Rodrigo Gil de Hontañon en Martin de Santiago. Het hoort bij het huis van Alba en we onderscheiden de torens en de schoorstenen.

Palacio de Orellana: het is een gebouw uit de zestiende eeuw in de klassieke bouwstijl met maniëristische invloeden. Bijzonder is de binnenplaats in L vorm en de trap.

Palacio de Rodríguez de Figueroa: het is een gebouw uit 1545 en het heeft interessante gevels in de straten Concejo en Zamora, er is ook een interessante binnenplaats. Vandaag is hier het casino van Salamanca.

Palacio de la Salina: het is een gebouw uit 1546 in renaissance stijl. Het is ontworpen door Rodrigo Gil de Hontañón voor Don Rodrigo de Messia. Vanaf 1884 is het de zetel van de Provinciale Deputatie.

Palacio de San Boal: het is een gebouw uit de vijftiende eeuw en het heeft een voorgevel die snijwerk heeft als versiering. Vanaf 1999 herbergt het gebouw het Centro Cultural Hispano-Japonés van de Universiteit van Salamanca. Op dezelfde plaats vinden we de kerk van San Boal uit de zeventiende eeuw.

Palacio de Solís: het is een gebouw uit de vijftiende eeuw. In dit gebouw was het huwelijksfeest van Felipe II en María Manuela van Portugal in 1543. Momenteel is het de zetel van Telefónica.

Torre del Aire: deze toren is het enige dat overgebleven is van het paleis van de hertogen van Fermoselle. Hij werd gebouwd in de vijftiende eeuw. De toren bezit prachtige gotieke ramen en momenteel is hij een residentie voor studenten.

Torre del Clavero: dit is een toren uit de vijftiende eeuw. Het is een overblijfsel van een paleis dat gebouwd werd voor Francisco de Sotomayor. Het beneden gedeelte is rechthoekig en het is versierd met een prachtig mudejar traliewerk. Het bovengedeelte is achthoekig en het is versierd met acht kleine torentjes..

Casa de Don Diego Maldonado: het is een paleis in platerescostijl uit de zestiende eeuw. Momenteel herbergt het de Fundación Cultural Hispano-Brasileña en het Centro de Estudios Brasileños van de Universiteit van Salamanca.

4.5 Andere bezienswaardigheden

Foto: de Romeinse brug

Ziegler175

Romeinse brug: vijftien van zijn bogen dateren uit de eerste eeuw. In de buurt van de brug vinden we nog de romaans-mudejar kerk van Santiago (met een moderne heropbouw) en de stenen stier van El Lazarillo de Tormes.

Grot van Salamanca: op de helling van Carvajal waar naar men zegt de duivel de zwarte kunst beoefend.

Mercado de Abastos – Markt voor levensmiddelen: men kan ze vinden op de oude plaza de la Verdura. De constructie is uit ijzer.

Casa Museo de Zacarías González: dit is het huis waar Zacarías González leefde en schilderde in de calle Alarcón.

Medina Azahara, de schitterende stad

  1. Algemeen
  2. Ligging
  3. Geschiedenis
  4. Restauratiecampagnes (2001-2004)
  5. Architectuur
  6. Wegennet
  7. Meubelkunst
  8. Museum

1.Algemeen

Medina Azahara, het Castiliaans voor het Arabische, مدينة الزهراء Madīnat al-Zahrā “de schitterende stad”, was een palatine (paleis van het staatshoofd) dat gebouwd werd door de eerste kalief van Cordoba, Abderramán III. Dit paleis lag op ongeveer 8 km in westelijke richting van de de buitenwijken van Córdoba, aan de voet van Sierra Morena.

Foto: plan van de opgraving van het paleiscomplex

Ricardo Velázquez Bosco (1844-1923)

De belangrijkste redenen voor de bouw van het paleis ervan zijn van politiek-ideologische aard: de waardigheid van de kalief vereist de oprichting van een nieuwe stad, een symbool van zijn macht, in navolging van andere oostelijke kalifaten en vooral om zijn superioriteit te tonen ten opzichte van zijn grote vijanden. Dat is het kalifaat van de Fatimiden Ifriqiya, in het noordelijke deel van het Afrikaanse continent.

Naast politieke tegenstanders waren het ook religieuze tegenstanders aangezien de Fatimi’s sjiieten waren en dat waren vijanden van de Umayyaden, die aanhangers zijn van de soennitische tak van de islam.

De archeologische vindplaats Medina Azahara is sinds 1923 uitgeroepen tot een site van cultureel belang in de categorie monumenten. Daarna is de vindplaats op 1 juli 2018 door de Unesco officieel uitgeroepen tot werelderfgoed. In 2019 ontving het meer dan 285.672 bezoekers en daarmee is het een van de meest bezochte culturele ruimtes in Andalusië.

2. Ligging

Het paleis ligt ongeveer 8 kilometer ten westen van Córdoba, in de laatste uitlopers van de Sierra Morena, op de helling van Yabal al-Arus. Het heeft uitzicht op de Guadalquivir-vallei en het is van noord naar zuid gericht, op een uitloper van de sierra, tussen twee ravijnen. Hier vinden we Medina Azahara of Madínat al-Zahra.

Het is geclassificeerd als het Versailles van de middeleeuwen. De ligging werd gekozen vanwege de buitengewone waarden van het landschap, waardoor er een hiërarchisch bouwprogramma kon worden ontwikkeld, zodanig dat de stad en de vlakte eronder fysiek en visueel werden gedomineerd door de gebouwen van het Medina Azahara. De inplanting ervan in het gebied genereerde een wegennet en hydraulische en bevoorradingsinfrastructuren voor de constructie ervan, die tot op heden gedeeltelijk bewaard zijn gebleven in de vorm van overblijfselen van wegen, steengroeven, aquaducten en bruggen.

De paleisstad Medina Azahara, die optimaal profiteerde van de oneffenheden van het terrein, was verdeeld in drie terrassen; de stadsomheining heeft een rechthoekige lay-out, tegenover het labyrintische en chaotische idee dat kenmerkend is voor de stadsplanning van moslims, het is alleen aan de noordkant vervormd vanwege de noodzaak om zich aan te passen aan de moeilijke topografie van het terrein.

De topografie speelde een bepalende rol in de configuratie van de stad. De ligging op de hellingen van Sierra Morena maakte het mogelijk om een stedelijk programma te ontwerpen, waarbij de locatie en de fysieke relatie tussen de verschillende constructies de rol van elk van hen in het complex waarvan ze deel uitmaken uitdrukten: het paleis bevindt zich in het hoger gedeelte in een situatie van duidelijke superioriteit over het stedelijke gebied en de grote moskee.

Na de opstelling in terrassen zien we dat de eerste overeenkomt met de woonwijk van de kalief, gevolgd door de officiële ruimte (legerhuis, wachtkorps, administratie ruimtes, tuinen …) om eindelijk de stad te huisvesten (huizen, ambachtslieden …) en de aljama-moskee (grote moskee), gescheiden van de twee voorgaande terrassen door een andere specifieke muur om het palatijncomplex te isoleren.

Foto: voorbeeld uit Medina Azahara

Wwal

Het onderzoek heeft een stedelijke morfologie aan het licht gebracht die wordt gekenmerkt door het bestaan van grote onbebouwde gebieden, holtes die overeenkomen met het hele zuidelijke front van het paleis, waardoor de isolatie ervan wordt gegarandeerd en de visuele openheid over het landelijke landschap behouden blijft, waardoor een landschap ontstaat dat idyllisch is en aangelegd is met bloembedden, zoals de Cordobaanse dichter Ibn Zaydun het omschrijft.

In feite zijn de enige ruimtes die op dit lagere niveau zijn gebouwd, twee brede stroken: de westelijke, met een orthogonale stedelijke indeling, en de oostelijke, met een minder rigide stedelijke planning.

3. Geschiedenis

3.1 historische context

Het kalifaat van Córdoba was een Andalusische staat die door Abderramán III, van de Umayyad-dynastie, in 929 werd uitgeroepen. Dat leidde tot de grootste politieke, sociale en economische macht van het islamitische Spanje. Daardoor werd de stad Córdoba de meest geavanceerde in Europa en het wonder van de wereld.

In 750 werd de Umayyad-dynastie door de Abbasiden van het Damascus-kalifaat omvergeworpen. Abderramán I, als een overgebleven lid van de Umayyaden, vluchtte naar Al-Ándalus en riep in 756 het emiraat Córdoba uit, onafhankelijk van de nieuwe Abbasiden-hoofdstad Bagdad. Abderramán I riep zichzelf niet tot kalief uit, maar een van zijn opvolgers, Abderramán III, deed dat wel, na het beëindigen van de politieke instabiliteit van het emiraat (voornamelijk door de opstand van Omar ben Hafsún). De oprichting van het kalifaat betekende dat het gebied steeg naar hetzelfde niveau van het kalifaat van Bagdad met alles wat dit met zich meebracht, zowel religieus als politiek, in concurrentie met het Abbasiden kalifaat.

Onder de regering van Abderramán III (929-961) en zijn zoon en opvolger Al-Hakam II (961-976) werd de staat Cordova geconsolideerd. Het is nu dat Abderramán III een symbool van zijn religieuze en politieke macht mist dat het kalifaat vertegenwoordigt, aangezien het een paleisachtige stad is waar hij met zijn hof verbleef. Na de mislukte poging om al-Madina op te wekken, beval hij in 936 om het weelderige Medina Azahara te bouwen naast de hoofdstad Córdoba. Uit het niets concentreert de koninklijke stad alle politieke macht van het kalifaat.

De diplomatieke betrekkingen waren gericht op de christelijke koninkrijken van het schiereiland, met intense dialogen en enkele oorlogszuchtige confrontaties, in Noord-Afrika, tegen de Fatimiden die de belangrijkste handelsroutes naar Sub-Sahara Afrika controleerden van waaruit het goud arriveerde; en de Middellandse Zee waar de diplomatieke betrekkingen met Byzantium werden onderhouden.

Onder het bewind van Hisham II (976-1016) werd het echte protagonisme gehouden door de “hayib” of premier Almanzor, een militair genie in zijn strijd die de christelijke koninkrijken van het noorden in bedwang hield en León, Pamplona, Barcelona of Santiago de Compostela waar de klokken van de pre-romaanse tempel gewijd aan Santiago naar Córdoba werden gebracht.

Toen Almanzor in 1002 stierf, leidden de successieproblemen in 1010 tot een “fitna” of burgeroorlog die duurde tot in 1031. Toen werd besloten om het kalifaat te beëindigen, en Al-Andalus werd nu een compendium van verschillende kleine koninkrijken of taifa koninkrijken. Daardoor verloren de kleine koninkrijken de hegemonie en dat gaf aanleiding tot een grotere druk door de christelijke koninkrijken.

Het was tijdens de “fitna” toen Medina Azahara zichzelf in de steek liet en zijn progressieve vernietiging begon met plundering om uiteindelijk in de totale vergetelheid te geraken. De Almoraviden, die in 1086 vanuit Noord-Afrika Al-Andalus bestormden en de Taifa-koninkrijken onder hun macht verenigden ontwikkelden hun eigen architectuur. Maar sinds de volgende invasie, die van de Almohaden, bleef er heel weinig gespaard van de bestaande architectuur en zij legden het ultraorthodoxe islamisme op en vernietigden praktisch alle belangrijke Almoravid-gebouwen, samen met Medina Azahara en andere constructies uit de kalifaat periode.

3.2 Stichting van de stad

De eerste kalief van Al-Ándalus, Abd al-Rahman al-Násir (891–961) ofwel Abderramán III gaf de opdracht, als onderdeel van het politieke, economische en ideologische programma dat werd gelanceerd nadat het kalifaat was opgericht om Madīnat al-Zahrā te bouwen. De basis zou verband houden met een favoriet van de kalief die de naam al-Zahrá (Azahara) zou gehad hebben, maar de belangrijkste redenen voor de constructie zijn eerder van politiek-ideologische aard: de waardigheid van de kalief vereist de oprichting van een nieuwe symboolstad om zijn kracht in navolging van andere oostelijke kalifaten aan te tonen en ook om zijn superioriteit te tonen ten opzichte van zijn grote vijanden, de Fatimiden van Ifriqiyya, uit het noordelijke deel van het Afrikaanse continent.

Wat de oorsprong van de naam betreft, deze kan, zoals hierboven vermeld, afkomstig zijn van de naam van zijn meest geliefde vrouw Azahara, wat ‘De Bloem’ betekent. Die suggereerde dat hij een prachtige stad zou bouwen buiten de muren van Córdoba, een stad die de naam van de geliefde zou dragen. en het zou de “stad van al-Zahrá” worden, de “stad van de oranjebloesem”. Maar dit is meer legende dan de realiteit, aangezien al-Zahrá ook “de heldere” betekent, een woord dat verwant is aan andere dat in die taal “Venus” of dezelfde “bloem” betekent, dus het kan eenvoudig verwijzen naar de schitterende nieuwe stad van de kalief zelf.

Hoewel de oorsprong van de stad niet aan legendarische elementen ontbreekt, is bekend dat de bouw begon aan het einde van 936, waarbij de werken geleid werden door de werkmeester Maslama ben Abdallah, en deze werd voortgezet gedurende de volgende veertig jaar en bereikte de tijden van zijn zoon en opvolger in het kalifaat, al-Hákam II.

In 945 verhuisde de rechtbank naar deze stad, die op dat moment al de Aljama-moskee (941) huisvestte, hoewel de munt pas in 947-948 naar Medina Azahara kwam. Door deze majestueuze stad op te richten, probeerde de Cordoba-kalief de oostelijke Abbasiden-kaliefen, en vooral de beroemde stad en het hof van Samarra, te overtreffen.

De literaire en historische teksten weerspiegelen de enorme bedragen die aan de constructie zijn gewijd, de enorme werken die hiertoe zijn uitgevoerd, de monumentaliteit en artistieke pracht – tot in het kleinste detail – en de luxe en uiterlijkheid die de kalief vertoonde op recepties en in ceremonies die daar vaak werden gehouden, aangezien de administratie en de rechtbank in feite naar het nieuwe hof verhuisden.

Onder andere zouden in zijn rijke salons Spaanse christelijke koningen worden ontvangen die van hun troon waren verdreven, ambassadeurs van de keizer van Germanië, afgezanten van Borrell II van Barcelona… Torres Balbás (een van de vaders van de monumentale restauratie in Spanje) verwijst naar deze ceremonies: “Na door nauwe rijen rijk geüniformeerde soldaten te zijn geklommen, uitgerust met schitterende wapens en in perfecte formatie, kwamen vorsten en ambassadeurs aan in de oostelijke hal van Madinat al-Zahara, open voor een terras, waarvan de muren met rijke tapijten bedekt waren. Op de achtergrond, zittend op kussens en omringd door alle hoogwaardigheidsbekleders van zijn schitterende hof, verscheen de kalief. Vergelijkbaar met een bijna ontoegankelijke goddelijkheid. Ze knielden voor hem op de grond, en de vorst gaf hen, met voorname ijver, zijn hand om ze te kussen.”

Het schilderij van de Catalaanse schilder Dionisio Baixeras, in het Auditorium van de Universiteit van Barcelona, is bedoeld ter herdenking van een receptie door ambassadeurs van Byzantium in Medina Azahara, gebaseerd op de middelen en conventies die typerend zijn voor de oriëntalistische schilderkunst van die tijd. Het schilderij toont het publiek van de monarch van Córdoba met de Byzantijnse afgezanten vergezeld van monniken, die allen overweldigd worden door de pracht en praal van het weelderige hof van de kalief dat zich in zo’n buitengewone ommuring bevond.

3.3 Vernietiging en achterlating van de stad

Iets minder dan honderd jaar na de oprichting van de stad werd dit hele monumentale en weelderige complex herleid tot een immens veld van ruïnes, aangezien het in 1010 werd vernietigd en geplunderd door de Berbers als gevolg van de burgeroorlog (of fitna) die einde betekende van het kalifaat van Córdoba. Plunderen, vechten en vuur verwoestten de mooiste stad van het Westen. Almanzor gaf rond 988 de opdracht aan Al Medina Al Zahira, gebouwd aan de rand van Córdoba, om Medina Azahara te vervangen, maar zijn stoffelijk overschot is nog niet gevonden.

Na de burgeroorlog (“fitna”), die de vernietiging van het paleis veroorzaakte, ging de plundering en ontmanteling van de Palatijnse stad in de opeenvolgende eeuwen door, aangezien het werd gebruikt als kunstmatige steengroeve voor de bouw van andere gebouwen in de stad Córdoba. Zo geraakte Medina Azahara geleidelijk in verval en in de vergetelheid totdat het op een onnauwkeurige datum uit de collectieve ideologie verdween.

3.4 Herontdekking en opgravingen

Vóór de herontdekking van Madínat al-Zahra stond de heuvel waarop de site zich bevindt bekend als Córdoba la Vieja, omdat men in de middeleeuwen dacht dat het eerste Romeinse Córdoba op deze plaats gebouwd werd door Praetor Claudius Marcelo maar dat hij om gezondheidsredenen later naar de oevers van de Guadalquivir zou verhuizen. De reden voor deze oorspronkelijke overtuiging over het oude Córdoba was te wijten aan het grote aantal architecturale stukken die verspreid over de heuvel lagen.

Het zou in de 16e eeuw zijn, midden in de Renaissance, toen de humanisten begonnen te praten over de ware oorsprong van wat bekend staat als Córdoba la Vieja. Het was wel in de 17e eeuw dat Pedro Díaz de Rivas aanvoelde dat er te veel Romeinse overblijfselen werden gevonden in het huidige Córdoba en datC.

Romeinse overblijfselen bij het manoeuvreren over een terrein dat zijn Latijnse oorsprong bewijst, en dat wat daarom echt onder de grond lag van wat ze Córdoba la Vieja noemden, geen Romeinse stad was, maar het moslimkasteel van Abderramán III.

Ondanks dit slimme bewijs was het debat niet gesloten. In de afgelopen jaren ondergaat de Medina Azahara-site intensieve restauratiewerkzaamheden, ondanks het grote verlies van materialen door de middeleeuwse plundering (als voorbeeld is er de zogenaamde “Medina Azahara-boog” die momenteel wordt bewaard in het Museo Diocesano de Tarragona). Zo wil men de verloren pracht herstellen waarmee het iedereen verbaasde die het bezocht tijdens de middeleeuwen, toen Medina Azahara de zetel was van een van de belangrijkste overheidscentra ter wereld.

3.5 20ste eeuw

Het zou niet eerder zijn dan in de eerste jaren van de 20ste eeuw, met name in 1911, tijdens het bewind van Alfonso XIII, toen de eerste opgravingen officieel begonnen.

Vanaf dit moment, en tot de lange onderbreking veroorzaakt door de burgeroorlog, voerde men regelmatig opgravingen uit. De werken begonnen op de punten waar de ruïnes het duidelijkst waren, wat werd begrepen als de centrale as van het complex.

Vanaf dit moment en tot de dood in 1923 van Ricardo Velázquez Bosco, architect verantwoordelijk voor de opgraving, werden proef opgravingen uitgevoerd die bestaan uit parallelle greppels van noord naar zuid om de omtrek van de stad af te bakenen, een ambitieus doel dat echter niet werd bereikt.

In februari 1939, aan het einde van de burgeroorlog, ontdekte de republikeinse luchtmacht het gebruik van een deel van Córdoba la Vieja (bekend als Suerte Chica) als een Francistisch concentratiekamp.

Het was open tot eind november 1939 en er werden ongeveer 4.000 gevangenen vast gehouden. Het gebied is sindsdien door de lokale bevolking omgedoopt tot Geluk van de Gevangen.

Vanaf 1944, na het einde van de twee wereldoorlog, werden de archeologische campagnes, na een paar jaar onderbreking hervat. De belangrijkste campagne was die van de architect Félix Hernández, die het centrale deel van het alcázar, met een oppervlakte van ongeveer 10,5 hectare uitgroef. Deze opgraving definieert de basislijnen van de stedenbouwkundige planning van het paleis en voerde ook belangrijke restauraties uit, zoals die uitgevoerd is in de Salón Rico van Abderramán III.

In 1985, na de oprichting van de autonome regio’s, kwam het beheer van de site in handen van de Junta de Andalucía, een organisatie die vanaf dat moment de taak zou hebben om de graaf- en bergingswerkzaamheden verder te zetten.

3.6 21e eeuw

Momenteel is slechts 10% van de totale intramurale oppervlakte van de stad opgegraven, wat overeenkomt met de centrale kern van het fort, hoewel de laatste graafwerkzaamheden die de afgelopen jaren op de site zijn uitgevoerd, zich voor het eerst richten op gebieden die niet overeenkomen met dit paleisachtig complex.

In het bijzonder zijn de nieuwe archeologische campagnes die in april 2007 zijn gestart, gevolgd door nieuwe bevindingen die de afmetingen van het complex hebben heroverwogen, met name dan die gericht zijn op de zuidelijke sector van de stadsmuren.

Campagne na campagne verandert de nieuwe morfologie en opvatting die over de stad werd gehouden dus beetje bij beetje. In november 2007 verscheen er een uitzonderlijke vondst, een moskee op meer dan een kilometer van het nobele deel van de stad.

Later werd een indrukwekkende islamitische weg gevonden, uniek in zijn soort in Spanje, evenals de delen die intuïtief zijn zoals wijken van huizen bestemd voor de volksklasse, waarnaast talloze fragmenten van keramiekresten voor dagelijks gebruik werden gevonden.

Het probeert ook met de grootst mogelijke nauwkeurigheid de echte uitbreiding van de stad te achterhalen, een uitbreiding die intuïtief is, maar die specialisten door middel van deze onderzoeken definitief willen afsluiten.

4. Restauratiecampagnes (2001-2004)

Een van de meest opvallende ingrepen is gebeurt in het zogenaamde Alcazar-gebied. Het huis van Yafar, waar wordt verondersteld dat de premier van de kalief heeft gewoond, was een van de meest succesvolle uitgebreide restauraties die op de locatie zijn uitgevoerd.

De afbakening van het huis is tot stand gekomen na een uitgebreid onderzoek naar marmer, waar meer dan 200 straatstenen, muurschilderingen, een bassin en vooral de monumentale overkapping zijn teruggevonden.

Er werd ook gewerkt aan het zogenaamde zwembad, waar wordt aangenomen dat het het pand van de kroonprins zou kunnen zijn geweest, en waar de badkamer met grote precisie is bestudeerd voor toekomstige restauratie.

4.1 Restauratie van de Salón Rico (sinds 2009)

De geplande restauratie in de Salón Rico bestaat uit drie fasen. De eerste fase werd door de Andalusische regering toegekend aan het bedrijf Estudio Methodos de la Restauración SL met een budget van 1.099.400 euro. Deze eerste fase begon in februari 2009 en vanaf die datum was dit gedeelte niet toegankelijk voor het publiek.

Het doel hiervan was om het vochtprobleem van het gebouw op te lossen, dat in 2001 al was geprobeerd om op te lossen met de beglazing van de toegangshal. Ook inbegrepen in deze fase was de vervanging van een betonnen vloer door een marmeren vloer uit de groeve in Estremoz (Portugal) zoals deze oorspronkelijk was. Deze fase werd opgeschort wegens onregelmatigheden bij de gunning van de werken.

In maart 2014 begon de tweede fase, zonder de eerste te hebben afgewerkt, met als doel het catalogiseren, schoonmaken en consolideren van de meer dan 5.000 arabesken voor hun latere vervanging op de muren in hun oorspronkelijke posities. Het Wereldmonumentenfonds heeft 600.000 euro bijgedragen om deze werken uit te voeren. Deze tweede fase is ook niet voltooid wegens een gebrek aan budget.

Momenteel is, in afwachting van de voltooiing van de interventies, de Salón Rico gesloten voor het publiek. Ook het voor de hal gelegen zwembad wordt teruggewonnen, waaraan na restauratie het karakteristieke Andalusische water wordt toegevoegd, waarmee het eerste hydraulische complex van de Palatijnse stad wordt hersteld.

5. Architectuur

Vanwege de topografie van het gebied, dat op een helling ligt, is de stad gebouwd op drie overlappende terrassen, die overeenkomen met drie delen van de stad die gescheiden zijn door muren.De residentie van de kalief domineerde het hele gebied vanaf het bovenste terras in het noorden. De middelste esplanade huisvestte de administratie en de huizen van de belangrijkste gerechtelijke ambtenaren. De onderste was bedoeld voor de stedelingen en de soldaten, er waren de moskee, de markten, de baden en de openbare tuinen.

Er is ook een opmerkelijke scheiding tussen openbare en privéruimtes, hoewel beide sectoren een soortgelijk schema bieden: een open ruimte, een portiek die fungeert als een monumentale gevel met een kleine deur waarin een straat of gang begint om de verscheidene kamers te bereiken. De meest oogverblindende ruimtes zijn die die geïntegreerd zijn in het officiële gebied en bedoeld voor politieke activiteiten en de ontvangst van buitenlandse persoonlijkheden waarvan er twee zijn, de westelijke hall en de oostelijke hall, beide geassocieerd met hun bijbehorende tuinen.

5.1 Grote Poort

De Grote Poort was de oostelijke ingang van de omheining van het fort, gelegen voor het paradeplein. Oorspronkelijk bestond het uit vijftien bogen, de centrale boog was een hoefijzerboog en de andere veertien waren segmentbogen. Het werd later verbouwd, waarbij verschillende van de meest noordelijke bogen uit de portiek werden verwijderd. De portiek was ongeveer 111,27 meter lang, 2,92 meter breed en 9,46 meter hoog.

5.2 De Hogere en de Beneden Tuin

Foto: de hogere tuin
Ana Rey

Het Medina Azahara fort heeft twee aangelegde behuizingen met een axiale planimetrie en die aan elkaar grenzen, de Hogere Tuin en de Beneden Tuin. De meest oosterse, de Hogere Tuin, bevindt zich recht tegenover en op dezelfde hoogte als de Salón Rico. In het midden staat een gebouw dat bekend staat als het Centrale Paviljoen, dat wordt omringd door vier alberca (wateropslagplaatsen) voor zowel decoratief als functioneel gebruik voor het besproeien van de tuinen. Deze tuin is omgeven door muren aan de oost-, zuid- en westzijde.

Naast de westelijke muur, maar op een hoogte van enkele meters lager, ligt de Beneden Tuin, die nog niet volledig is uitgegraven.

5.3 Noorderpoort

De noordelijke poort opent in het midden van de noordelijke muur en het is het aankomstpunt van de zogenaamde Camino de los Nogales, de manier van communiceren met de stad Córdoba in het kalifaat tijdperk. De deur heeft een gebogen opstelling om de verdediging te vergemakkelijken, waaraan het wachthuis werd toegevoegd van waaruit de toegang werd gecontroleerd. Zowel de noorddeur als de rest van de muur bestaan uit goedgevormde stenen parementen.

5.4 Bovenste Basiliek Gebouw

De functie van dit gebouw is onduidelijk en daarom krijgt het veel namen: militair of legerhuis (Dar al-Yund), huis van de viziers (Dar al-Wuzara) of, meer algemeen, het bovenste basiliek gebouw. Dit gebouw, gelegen in het oostelijke deel van het fort, heeft een basiliekplan bestaande uit vijf beuken, plus een zesde schip loodrecht op de vorige aan de zuidkant.

De vloer van de behuizing, die nog steeds bewaard is, was van baksteen. De muren waren wit geverfd en de plint in het rood, beide kleuren werden ook gebruikt bij de decoratie van de bogen.

5.5 Salón Rico

De zogenaamde Abd al-Rahman III hall, de oostelijke hal of gewoon de rijke hal vormt het meest waardevolle deel van de hele archeologische vindplaats. Dat is zowel vanwege zijn artistieke kwaliteit als vanwege zijn historisch belang. Zonder twijfel kan deze plaats beschouwd worden als het authentieke symbool en embleem van het hele complex van Madínat al-Zahra.

Foto: voorgevel

Superchilum

Niemand betwijfelt momenteel of deze zaal de centrale as was van de paleisachtige behuizing, door specialisten unaniem beschouwd als dé zaal van de grote palatijnse ceremonies, festivals, ceremonies, ontvangst van buitenlandse ambassadeurs en troonzaal. We zouden dus niet verrast moeten zijn door de weelderigheid en rijkdom van de decoraties, waaraan het de naam van rijke woonkamer heeft ontleend.

Als liefhebber van hoofse praal, maakte Abd al-Rahman III graag indruk op zijn bezoekers, die hij hier over het algemeen verwelkomde, en daarom bereiken de luxe en virtuositeit van de kunst hun hoogtepunt in deze kamers.

De bouw van de hal duurde slechts drie jaar, zoals onderzoekers hebben kunnen achterhalen uit de epigrafische inscripties die op de bases en pilasters van het interieur verschenen. Die geven ons een chronologie die gaat van 953 tot 957. Aan de andere kant, de chronologische beknoptheid en het kortstondige leven van Madínat al-Zahra verzekeren ons niettemin dat we in de aanwezigheid zijn van een zeer unitair decoratief en architectonisch ensemble, dat ons in deze kamer, zonder verdere toevoegingen, de Umayyad-kaliefkunst in al zijn glorie laat zien uit de regering van Abd al-Rahman III.

De rijke kamer is niet echt een enkele ruimte, zoals de naam doet vermoeden, maar in feite is het een reeks gecompartimenteerde ruimtes en kamers, die allemaal samen de morfologie vormen van een enkele kamer gedeeld door hallen.

Structureel heeft de kamer een basiliekplan met drie longitudinale beuken met een andere transversale beuk bij de ingang die dienst doet als portiek, met buitenafmetingen van 38 × 28 meter.

De koppen van deze drie longitudinale beuken worden bekroond door blinde hoefijzervormige bogen en in een daarvan, de centrale, wordt verondersteld dat de troon zich zou bevonden hebben van waar de kalief het paleiselijke ceremonieel leidde.

De centrale as van het complex is het longitudinale middenschip, gescheiden van de andere zijbeuken door een set van zes hoefijzerbogen aan beide zijden, terwijl de transversale wordt gescheiden door drie hoefijzerbogen. Naast deze drie centrale beuken en parallel aan beide zijden, zijn er twee externe beuken verdeeld in drie kamers van ongelijke grootte.

Als de rijke lounge ergens in opvalt, zoals we al hebben gezegd, is het vanwege zijn weelderige decoratie. Ten eerste is er het constante gebruik van de hoefijzerboog met tweekleurige polychromie en met de zo karakteristieke afwisseling van roodachtige en vlezige tinten uit de originele zandsteen die bestemd is voor de bouw, vergelijkbaar met die in de moskee (huidige kathedraal) van Córdoba. De bogen worden op hun beurt ondersteund door marmeren zuilen van topkwaliteit die roze en lichtblauwe tinten afwisselen, waardoor een merkwaardig kleurenspel ontstaat. De schachten van de kolommen worden bekroond door de karakteristieke kapitelen van de ‘avisperos’ (dat zijn kapitelen die de vorm hebben van een wespennest.)

De rest van het muuroppervlak was volledig bedekt met fijne decoratieve panelen uitgehouwen in marmer. Het thema dat voor de panelen werd gekozen, had een hoge kosmologische symboliek, iets wat erg in overeenstemming was met het houten dak dat de kamer bedekte, waar de sterren werden weergegeven in een duidelijke toespeling op de lucht.

Het motief dat op de panelen stond was uitgesneden, vertegenwoordigde de levensboom, een motief dat uit het Oude Oosten werd geëxporteerd. De borden zijn symmetrisch op een as uitgevoerd. Aan de andere kant gaf het verticaal gesneden reliëf de decoratie een abstracte grafische kwaliteit, terwijl de interne decoratie, ook hard gesneden, bestond uit facetten en knoppen van bladeren, evenals bloemkelken, wat zeer typische motieven zijn van de Spaanse-Umayyaden kunst.

5.6 Aljama-moskee

De aljama-moskee bevindt zich buiten het ommuurde gebied, ten oosten van de Hoge Tuin. Volgens verschillende bronnen werd de constructie uitgevoerd tussen 941 en 945.

Het gebouw is rechthoekig, circa 25 meter lang en 18 meter breed. In tegenstelling tot de moskee van Cordoba was deze tempel goed gericht op Mekka. De ruimte is verdeeld in twee grote delen, de gebedsruimte en de binnenplaats. De gebedsruimte bestaat uit vijf longitudinale beuken, gescheiden door bogen die elk worden gevormd door acht hoefijzerbogen die loodrecht op de kibla muur staan.

De muur geeft de richting voor het gebed aan. De binnenplaats is aan drie zijden voorzien van een portiek. De minaret heeft, van buiten gezien, een vierkant plan en een achthoekig plan van binnen en die ligt naast de noordelijke deur van de toegang tot de patio.

5.7 Zwembad

Het zwembad ligt ten westen van het huis van Ya’far en ten zuiden van de binnenplaats van de pilaren. De kern van het gebouw is een centrale binnenplaats met een zwembad, waaraan het gebouw zijn naam dankt. Twee van de bogen die uitkijken op de binnenplaats zijn bewaard gebleven, elk bestaande uit drie hoefijzerbogen die rijkelijk versierd waren met arabesken.

De badkamer van het huis, van ongeveer 80 vierkante meter, is ook bewaard gebleven. Er wordt aangenomen dat de kalief Alhakén II in dit huis woonde.

5.8 Het huis van Yafar

Het huis van Yafar is vernoemd naar Ya´far ibn Abd al-Rahman, benoemd tot premier (Hayib) in 961. Ondanks de naam weten we nog steeds niet zeker of het hier echt de residentie van Yafar was. De naamgeving is uitsluitend gebaseerd op in de intuïties en onderzoeken van specialisten.

De structuur ervan is gearticuleerd rond drie ruimtelijke gebieden, georganiseerd rond de bijbehorende binnenplaatsen, allemaal met een ander karakter: één publiek, één intiem en de andere dienst.

De officiële ruimte bestaat uit een gebouw dat kan worden gelijkgesteld met de basiliek, die drie longitudinale beuken heeft die met elkaar communiceren via deuren met hoefijzervormige bogen. Daarnaast is er een dwarsbeuk die openstaat naar de binnenplaats.

De gevel is georganiseerd door een drievoudige hoefijzerboog. Wat betreft de decoratie van het gebouw, het was geplaveid met dikke witte marmeren platen, behalve op de binnenplaats, waar violette kalksteen werd gebruikt. Bovendien valt de versiering van de gevel met arabesken met een plantaardig en geometrisch thema op, dat ook aanwezig is in de communicatie van de dwarsbeuk en de middenbeuk.

5.9 Koninklijk huis

Het Koninklijk Huis, of Dar al-Mulk, bevindt zich op het hoogste terras van het paleis en draagt deze naam omdat wordt aangenomen dat deze kamers de kamers waren waar de kalief Abd al-Rahman III woonde.

Het gebouw bestaat voornamelijk uit drie crujias (architectonisch voor een ruimte tussen twee draagmuren en pilaren) die evenwijdig aan elkaar zijn en een voorste deel in het zuidelijke deel, dat momenteel niet bewaard is gebleven, met aan elk uiteinde een trap waardoor men naar het lagere terras van het achterdek kon gaan.

Ondanks de geleden plunderingen is de overvloedige steendecoratie met arabesken aan de muren nog steeds bewaard gebleven, evenals de gebakken kleivloeren.

6. Wegennet

Na de oprichting van Madínat al-Zahra en als gevolg daarvan wordt een reeks verwezenlijkingen uitgevoerd die de nieuwe stad een eigen en onafhankelijk wegennet hebben opgeleverd. Ze richten zich op het westelijke grondgebied van Córdoba en zijn:

  • Camino de las Almunias: een directe weg tussen Córdoba en Madínat al-Zahra, die op zijn beurt de paleisstad ook verbindt met de weg naar Sevilla langs de noordelijke oever van de Guadalquivir (Cañada Real Soriana en Camino Viejo de Almodóvar), en met de routes die starten vanaf de brugpoort naar het zuiden, oosten en westen.
  • Camino de Media Ladera: een directe en onafhankelijke verbinding van Medina Azahara naar de weg naar Córdoba – Badajoz (Yadda). Een stuk van ongeveer 1 km blijft behouden, met een wegbreedte tussen 4 en 7 meter.
  • Camino de los Nogales-Carril de los Toros: Een verbinding tussen Madínat al-Zahra en de belangrijkste routes naar het oosten (Mérida,Toledo en Zaragoza) zonder Córdoba te passeren.
  • Camino del Oeste: een secundaire weg die Madínat al-Zahra verbond met de belangrijkste steden in het westen, zoals de stad Alamiriya.

7. Meubelkunst

Madínat al-Zahra is niet alleen architectuur, maar het huisvestte op zijn momenten van grote pracht ook een prachtige collectie meubelkunst in de vorm van stukken van klein formaat. Momenteel zijn de meeste stukken verspreid over collecties en musea over de hele wereld, omdat ze vanwege hun schoonheid en exotisme zeer gewilde stukken zijn van verzamelaars. Enkele van de meest bekende en representatieve voorbeelden van decoratieve kunst staan hieronder.

7.1 De Hinde Madinat al-Zahra

De hinde van Medina Azahara is een klein bronzen stuk dat gemaakt is als een kleine fontein om een van de vele fonteinen te decoreren die de Palatijnse stad unaniem beschouwde als het meesterwerk van de Spaanse beeldhouwkunst uit de Umayyad-periode.

Foto: de hinde

Ángel M. Felicísimo

Wat de chronologie betreft is het meestal gebruikelijk om het te dateren tussen de laatste decennia van de 10e eeuw en de eerste jaren van de 11e eeuw, zonder zelfs vandaag een preciezere datum te kunnen geven.

Er zijn drie replica’s van zeer vergelijkbare morfologieën van hetzelfde stuk, een in het Nationaal Archeologisch Museum van Madrid, een ander in het Medina Azahara Museum en een laatste in het Nationaal Museum van Qatar dat door een Arabische sjeik op een internationale veiling is gekocht voor vier miljoen dollar.

7.2 Madinat al-Zahra’s zoomorfe aardewerk

Zoomorfe is een woord waarmee men, in de periode van het kalifaat, een figuur van een dier bedoeld.

Dit merkwaardige stuk, dat volgens de onderzoekers deel uitmaakte van het galadiner van een van de paleiscomplexen in de stad Medina Azahara, werd in april 2003 namens de Andalusische regering door de Spaanse staat verworven voor een bedrag van € 220.000 in een veilingzaal in Londen.

Vanwege zijn morfologische kenmerken hebben experts intuïtief aangenomen dat dit kleine stuk misschien een giraf zou kunnen zijn. Met betrekking tot het specifieke gebruik wordt gedacht dat het kan worden gebruikt om een soort vloeistof te gieten.

De decoratie is gebaseerd op wit glazuur, maar ook op kleine stukjes groen en mangaan. Wat betreft de chronologie is het door bijna alle experts gedateerd in de centrale jaren van de 10e eeuw.

7.3 De aquamanil in het Louvre

Het is een zoomorf stuk dat Spanje moet hebben verlaten na de Franse plunderingen tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog en wordt momenteel gevonden in het Parijse Louvre, waar het een van de sterren is van de kamers van de islamitische oudheden.

Het is een schenkkan waarin de figuur van een pauw duidelijk te onderscheiden is.

Over het gebruik van dit stuk, zoals de naam al aangeeft, is men duidelijk en is het een container voor het opslaan van water voor het daaropvolgende handen wassen.

Het is merkwaardig om op het oppervlak een tweetalige inscriptie (in het Arabisch en Latijn) te vinden die de naam van de kunstenaar en de datum van uitvoering aangeeft, zodat we het stuk zonder problemen in 972 kunnen dateren.

8. Museum

Op 9 oktober 2009 opende koningin Sofia het Medina Azahara-museum, dat tot doel heeft de site diensten aan te bieden die in verhouding staan tot het historisch-artistieke belang ervan. Deze moderne infrastructuur, onder het Ministerie van Cultuur en Sport van de Andalusische regering, bevindt zich vlakbij de site en bestaat uit een gebouw met drie verdiepingen, waarvan er twee ondergronds zijn.

Foto: tentoonstellingszaal

Edmundo Sáez

Het centrum heeft meer dan 7.700 vierkante meter aan parkeerplaatsen en een tuin. Binnen is er ruimte voor uiteenlopende toepassingen zoals de ontvangst van bezoekers, de restauratie van archeologische stukken, een auditorium, voldoende ruimtes voor de opslag van archeologische overblijfselen van het complex zelf, historisch-artistieke onderzoeksbureaus, een bibliotheek voor wetenschappers, een cafetaria , een boekwinkel gerelateerd aan de site en moslimkunst, en een tentoonstellingsruimte waar de meest spectaculaire stukken van de site worden tentoongesteld, nadat veel van hen, zoals het beroemde reekalf in Medina Azahara, zijn overgebracht van het Archeologisch Museum van Córdoba.

In 2010 ontving dit Madínat al-Zahra Museum de Aga Khan-prijs voor architectuur, een prestigieuze internationale prijs die wordt toegekend aan of gerelateerd zijn aan belangrijkste architecturale, stedelijke of landschapsprojecten in de moslimwereld.

Dit museum is ontworpen door de architecten Fuensanta Nieto en Enrique Sobejano.

In mei 2012 ontving het de prijs “Europees museum van het jaar” van het European Forum of Museums. Elk jaar worden met deze prijs nieuwe musea erkend die vooruitgang en innovaties op museumgebied hebben gemaakt. Het bekroonde museum herbergt een jaar lang het standbeeld van Henry Moore “The Egg”, wat de prijs symboliseert.

Het museum heeft ook een website en die kan je vinden Museum Medina Azahara.

Het mijnbouwkundig museum in Madrid

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Architectuur en indeling
  4. Collectie
  5. Website

1.Algemeen

Het Mijnmuseum in Madrid herbergt collecties van mineralen, rotsen en fossielen uit Spanje en zijn vroegere kolonies en uit belangrijke vindplaatsen uit de rest van de wereld. De doelstellingen van het museum zijn de studie en de verspreiding van kennis over de Spaanse geologie, mineralogie en paleontologie. Tot 1989, het jaar waarin het museum zijn huidige benaming kreeg werd het dikwijls het Nationaal Geologisch Museum genoemd. Het museum is in een gebouw van het Instituto Geológico y Minero de España gevestigd, een instituut waarvan het administratief afhankelijk is.

2. Geschiedenis

De collecties die aan de oorsprong van het museum zijn liggen in het verzameld materiaal tijdens de aanmaak van de geologische kaart van Spanje. Deze werken begonnen in 1849, na de oprichting van de Commissie voor de aanmaak van de geologische kaart dat aan de oorsprong ligt van het huidige Instituto Geológico y Minero de España.

De collecties werden achtereenvolgens bewaard op verschillende plaatsen. Oorspronkelijk, in 1849 werden ze bewaard in het paleis van de hertog van San Pedro, de toenmalige zetel van het Directoraat-generaal van de Mijnen. Daarna waren er nog enkele andere verplaatsingen.

Momenteel is het museum gevestigd in een gebouw dat gebouwd werd door de architect Francisco Javier de Luque als de zetel van het Geologisch en Mijn Instituut . De werken begonnen in 1921. Het ontwerp van het museum en de overbrenging van de collectie gebeurde in een samenwerking tussen de architect de Luque en de mijningenieur Primitivo Hernández Sampelayo, de eerste directeur van het museum.

De grote zaal van het museum werd ingehuldigd door koning Alfonso XIII op 24 mei 1926 ter gelegenheid van het veertiende Internationaal Geologisch Congres. Het gebouw was klaar in 1927.

Na een tijdelijke sluiting van het museum werd het heropend op 2 maart 1989 door koning Juan Carlos I en het kreeg officieel de naam Museo Geominero.

We vinden het museum in de c/ Ríos Rosas 23, 28003 Madrid

3. Architectuur en indeling

3.1 Bordes en inkom

Men komt binnen in de grote hal van het museum via een monumentale trap van marmer uit Macael (Almería).

De inkomgangen worden geflankeerd door glazen kasten uit de permanente tentoonstelling en kasten met motieven die gebaseerd zijn op geologische onderzoeken.

3.2 Centrale zaal

De centrale zaal herbergt het grootste deel van de collectie en het is een rechthoekig transparent schip met afgeronde hoeken met een oppervlakte van 712 m² en een hoogte van 19 m. De zaal bevat drie galerijen rondom voor tentoonstelling en opslag. Men krijgt toegang tot deze galerijen langs de grote zaal en langs wenteltrappen.

Foto: grote zaal
PePeEfe

Het vals plafond wordt gevormd door een groot veelkleurig glazen horizontaal vlak. Dat ligt op een verticale strook, ook met ramen en het wordt geflankeerd door een gewelf. Dit alles werd gemaakt door het Huis Gebroeders Maumejean uit de Madrid.

De bewerkte houten expositiekasten zijn de originele kasten die gerestaureerd werden in 1980.

Enkele originele zetels verspreid doorheen de zaal verbergen verwarmingsradiatoren.

4. Collectie

Het museum heeft zijn collectie thematisch gerangschikt in:

  • Mineralen
  • Minerale hulpbronnen
  • Mineralen uit de autonome regio’s
  • Rotsen (inclusief meteorieten)
  • Fossielen van Spaanse planten en ongewervelde dieren
  • Fossielen van gewervelde dieren
  • Buitenlandse fossielen
  • Paleontologische ongewervelden
Foto: De originele overblijfselen van de olifantachtige Anancus arvernensis.
PePeEfe

In de centrale zaal staat er ook een reproductie van de vindplaats Las Higueruelas (Ciudad Real) waar stukken gevonden zijn uit het plioceen en omvat originele overblijfselen van de olifantachtige Anancus arvernensis. Verder zijn er nog vitrinekasten met fossielen en mineralen die speciaal zijn omwille van de staat van bewaring of van de originaliteit. In de toegang van het museum kan men ook enkele vitrinekasten zien met oude gereedschappen.

5. Website

Het museum heeft een website op Museo Geominero, de site is eentalig Spaans.

De oude stad Segovia en zijn aquaduct

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Plaatsen en gebouwen
  4. Religieuze architectuur
  5. Burgerlijke bouwkunst
  6. Parken en tuinen

1.Algemeen

Segovia is een stad in het zuidelijk deel van de autonome regio Castilla en León. De stad is ook de hoofdstad van de provincie met dezelfde naam. Zij ligt aan de samenvloeiing van de rivieren Eresma en Clamores aan de voet van de bergketen Guadarrama.

De naam is van Keltisch Iberische oorsprong. De eerste bewoners noemden de stad Segobriga en dat is dus duidelijk Keltisch Iberisch, de taal van een deel van de Keltische familie. De naam van de stad bevat het deel “Sego” wat “Overwinning” betekend. We vinden dit voorvoegsel ook in de steden Segeda en Segonta. Het laatste deel “briga” heeft de betekenis van “stad” of “fort”. Als we de beide delen samenvoegen komen we op “Stad van de Overwinning”.

Onder de Romeinse en Arabische overheersing werd de naam langzaam veranderd in Segovia voor de Romeinen en Šiqūbiyyah in het Arabisch.

2. Geschiedenis

Segovia is al lang bewoond. Op de plaats waar het Alcázar staat was er vroeger een Keltische burcht. Tijdens de Romeinse periode viel de stad onder het juridische bestuur van het klooster van Clunia.

Men denkt dat de stad verlaten werd na de islamitische invasie. Na de herovering van Toledo door Alfonso VI van León en Castilië kwam de herbevolking van Segovia op gang. Hiervoor kwamen er christenen uit het noorden van het schiereiland en zelfs uit de Pyreneeën naar de stad.

Tijdens de twaalfde eeuw had de stad te leiden onder belangrijke onlusten tegen zijn gouverneur, Álvar Fáñez en later tijdens de strijd tegen het koningschap van Doña Urraca.

Ondanks deze onlusten was de ligging op de wegen van de rondtrekkende veeteelt blijvend belangrijk en maakte het van de stad een belangrijk centrum in de wolhandel en van de textiel bedrijven die hier al in de twaalfde eeuw aanwezig waren.

Het einde van de middeleeuwen was een gouden tijd, de stad herbergde een belangrijke joodse wijk en men legt dan de basis voor een machtige stoffen handel. Er ontwikkelt zich een prachtige gotische architectuur en men is afgesneden en dus onafhankelijk van het koninklijk hof van Trastámara.

Uiteindelijk, in de kerk van San Miguel de Segovia is Isabella de Katholieke uitgeroepen tot koningin van Castilië op 13 december 1474.

Zoals alle Castiliaanse textielsteden verenigde de stad zich in de opstand van de gemeenten (Comunidades) die onder leiding stond van o.a. Juan Bravo uit Segovia.
Ondanks het verlies van de “gemeenten” bleef het economisch hoogtepunt van de stad duren tot in de zestiende eeuw, in 1594 had de stad 27.000 inwoners.
Daarna kwam het verval zoals in de meeste steden in Castilië en nauwelijks een eeuw later had de stad nog maar 8.000 inwoners.

In het begin van de achttiende eeuw probeerde men de textielindustrie te laten heropleven maar dat gebeurde zonder veel succes. In het tweede deel van deze eeuw en onder de impuls van Carlos III begon men in 1763 met de Koninklijke Maatschappij van de Textielbedrijven (Real Compañía Segoviana de Manufacturas de Lana). Door het gebrek aan concurrentievermogen van deze plaatselijke industrie trok in 1779 de koning zijn steun terug in.

In 1764 kwam er in Segovia de Koninklijke Artillerie School, (Real Colegio de Artillería), het was de eerste militaire school in Spanje. Tot op vandaag is deze school hier in de stad aanwezig.

In 1808 werd de stad door de Franse troepen tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog geplunderd. Tijdens de eerste Carlistische Oorlog vielen de troepen van de pretendent Don Carlos de stad tevergeefs aan.

Vanaf de negentiende eeuw begon er een demografisch herstel van de stad.

3. Plaatsen en gebouwen

In 1985 werd de oude stad van Segovia opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco. Binnen de omgeving van de oude stad vinden we een grote diversiteit aan historische gebouwen, sommige zijn van burgerlijke aard en andere zijn van religieuze aard. De laatsten zijn niet alleen van christelijke oorsprong maar er zijn ook gebouwen van Joodse oorsprong.

Een van de belangrijkste voorbeelden van deze diversiteit vinden we in de oude synagoge die momenteel de Kerk van het Lichaam van Christus is (iglesia de Corpus Christi) en met de joodse begraafplaats in “El Pinarillo”. Abraham Seneor, de belangrijkste rabijn in Castilië werd na zijn overgang naar het christendom, onder de naam Fernán Núñez Coronel, wethouder van de stad en hij had belangrijke functies in het koninkrijk.

3.1 De aquaduct van Segovia

Deze aquaduct op het Azoguejo plein is een belangrijk symbool van de stad maar men kent de exacte datum niet wanneer de bouw hiervan begonnen is. Men denkt dat het begin der werken begonnen is op het einde van de eerste eeuw of het begin van de tweede eeuw onder keizer Domitianus.

Foto: aquaduct

Manuel González Olaechea y Franco

Deze aquaduct is het belangrijkste Romeinse werk op het Iberische schiereiland. Voor het bouwwerk werden er 25.000 bewerkte granieten stenen gebruikt die zonder mortel op elkaar gezet zijn.

De aquaduct is 728 meter lang, heeft meer dan 167 bogen en is 28 meter hoog.
De aquaduct diende om de wateraanvoer uit de rio Acebeda te regelen tussen de Sierra de Fuenfria en de bovenstad.

De bijnaam van de aquaduct is “duivelsbrug” en aan deze naam hangt er een legende. Elke dag deed een jong meisje veel moeite om water te putten uit een bron. De duivel werd verliefd op haar en stelde voor om een aquaduct voor haar te bouwen. Als hij dit bouwde dan wou hij er wel haar ziel voor. Door de tussenkomst van de Heilige Maagd was het werk sneller klaar en de duivel was verrast. Hierdoor kon hijzelf de laatste steen niet leggen en het meisje was gered. Men zegt dat de gaatjes in de stenen afdrukken van de duivel zijn die achtergelaten werden tijdens het heffen van de stenen.

3.2 Het Alcázar de Segovia

We vinden dit koninklijk paleis op de hoogte van een rots tussen de rivieren Eresma en Clamores. Het wed gebouwd tussen de twaalfde en de zestiende eeuw en er waren een groot aantal verbouwingen en restauraties. De werken gebeurden vanaf Alfonso X tot Felipe II en deze laatste is verantwoordelijk voor het huidig uitzicht, voor het silhouet van het kasteel dat het uniek maakt tussen de andere Spaanse kastelen.

Foto: alcázar

Luis Antonio Fernández Corral

Het was een van de favoriete kastelen van de koningen en het heeft zowel romaanse als gotische invloeden. In de salon vinden we mudejar versieringen terug.
We komen het gebouw binnen door twee binnenplaatsen en er zijn twee torens.
Het was de favoriete verblijfplaats van Alfonso X en van Enrique IV, Isabel de Katholieke werd tot koningin van Castilië gekroond op de Plaza Mayor.

Het militair archief van Segovia is in het Alcázar gevestigd en ook het museum van de Koninklijke Artillerie School vinden wij hier.

3.3 De kathedraal van Santa Maria

Het is de laatste kathedraal die in gotische stijl gebouwd is in Spanje en deze kathedraal wordt beschouwd als het meesterwerk van de gotische Baskisch-Castiliaanse bouwstijl. De kerkstaat bekend als “De koningin onder de kathedralen” (La Dama de las Catedrales). 

De kathedraal is de derde kathedraal in de stad en het klooster van de tweede kathedraal is behouden in de derde. Deze tweede kathedraal werd vernietigd tijdens de oorlog van de gemeenten in 1520 en die kathedraal stond tegenover het Alcázar.
De opdracht om een nieuwe kathedraal te bouwen werd gegeven aan de architecten Juan en Rodrigo Gil de Hontañón.

De kathedraal werd ingewijd in 1618 en zijn afmetingen zijn 105 meter lengte, 50 meter breed en 33 meter hoogte. De toren heeft een hoogte van 88 meter. Er zijn 18 kapellen in de kathedraal en men heeft toegang door middel van drie toegangspoorten, de poort van vergiffenis ( la puerta del Perdón), de poort van San Frutos (la puerta de San Frutos) en de poort van San Geroteo (la puerta de San Geroteo), de eerste bisschop van diocees.

In de eerste kapel bevindt zich het retabel met de Graflegging van Juan de Juni. De koorstoelen en de vijftiende eeuwse kloostergang van Juan Blas zijn afkomstig uit de oude kathedraal.

Men kan ook nog een prachtig retabel in edelsmeedkunst bekijken, het is het Sacra de la consecración uit 1575 van Benvenuto Cellini.

4. Religieuze architectuur

De stad herbergt een belangrijke verzameling romaanse kerken, zowel gebouwd met baksteen als met natuursteen. We zien hier de kerken van San Esteban, San Millán, San Martín, la Santísima Trinidad, San Andrés, San Clemente, Santos Justo y Pastor, la Vera Cruz en San Salvador.

Er zijn ook verscheidene kloosters en abdijen bewaard gebleven zoals dat van San Antonio el Real, dat van Parral en dat van San Vicente el Real.

4.1 De kerk van San Justo (Iglesia de San Justo )

De kerk van San Justo ligt kort bij de plaza del Azoguejo aan de andere zijde van de aquaduct. Het is een romaanse kerk uit de twaalfde eeuw die gebouwd is op de resten van een kapel.

De kerk is gebouwd in metselwerk en zij heeft veel typische kenmerken van de romaanse architectuur. Zij heeft een mooie toren met daarin verschillende nissen.

Er zijn twee toegangen tot de kerk maar het belangrijkste aan deze kerk zijn de romaanse schilderingen.

Na de restauratie die uitgevoerd werd in de jaren 1960 vond men de romaanse muurschilderingen die een groot deel van de apsis bedekten.

De thema’s van de schilderingen zijn de meest voorkomende in de romaanse periode, we zien er Bijbelse voorstellingen en afbeeldingen van de kruisiging, de afneming van Christus en het laatste avondmaal. Maar ze zijn ook oosters geïnspireerd geweest, we zien er afbeeldingen van olifanten, vogels en arabesken.

Er is nog een merkwaardig kunstwerk in de kerken dat is een liggende Christusfiguur met beweegbare armen uit de elfde eeuw.

4.2 Kerk van San Martin (Iglesia de San Martín)

De kerk van San Martin is een katholieke kerk die binnen de muren van de stad ligt. Zij stamt uit de twaalfde eeuw en zij ligt aan de huidige plaza Juan Bravo, in het midden tussen de kathedraal en de aquaduct.

De kerk heeft originele mozarabische invloeden maar met romaanse kenmerken. Zij verschilt voor een deel van de originele kerk omdat sommige delen vernietigd of gerestaureerd zijn. Dat is o.a. het geval met het centrale apsis. De kerk bezit 3 beuken en een kruis met een bakstenen koepel.

Wat nog opvalt aan de kerk is de klokkentoren die gebouwd is in romaanse-mudejar stijl, hij bezit bakstenen bogen om stenen kolommen. Wat ook mag benadrukt worden is de galerij met zijn zuilengang die bijna rond gans de kerk gaat. Het portiek heeft halve bogen die op kolommen rusten met romaanse kapitelen.

De poort en zijn ornamenten aan de westelijke zijde is een van de grootste poorten in de Spaanse romaanse stijl. Het portiek heeft vijf bogen die versierd zijn met plantaardige motieven. Dat beschut het portiek door het atrium dat bedekt is door een grote verzameling bogen die ondersteund zijn door standbeelden met menselijke figuren uit het Oude Testament.

4.3 Kerk van San Millan (Iglesia de San Millan)

De kerk van San Millan is een kerk die buiten de stad ligt en die ook een grote invloed uitoefende op de kerken in Aragon. De plattegrond van de kerk is een verkleinde weergave van de kathedraal van Jaca.

Foto: kerk van San Millán

Selbymay

Het is een romaanse kerk met mudejar invloeden en ze is gebouwd tussen 1111 en 1124, daardoor is het een van de oudste kerken van de stad.

De kerk heeft 4 apsissen die behoren bij de kerk beuken en de vierde apsis is later bijgevoegd aan de sacristie. De kerk heeft een pre-romaanse toren in mudejar stijl wat haar onderscheid van het andere klokgelui in de stad.

Binnen de kerk vinden we drie beuken met een dakbedekking in vervanging van de originele mudejar bedekking.

De zuilen en de kapitelen zijn groot in vergelijking met de grootte van de kerk. Tussen de kapitelen vinden wij thema’s zoals de drie koningen en de vlucht uit Egypte.

4.4 De kerk van Santísima Trinidad (Iglesia de la Santísima Trinidad)

Dit is een kerk met slechts een kerkschip dat afgedekt is door een tongewelf en met een gebogen apsis. Op de zuidkant opent het atrium zoals het de gewoonte is in de romaanse kerken in Segovia. 

Op de noordkant zien we een gotische kapel en twee barokke sacristieën.
Binnen in de kerk vinden we twee verdiepingen met elk een bogen galerij, met versierde kapitelen. Er zijn versieringen met slangen en planten en deze hebben een grote waarde door hun sculptuur en iconen. Hier en daar zijn er sporen overgebleven van de oorspronkelijke schilderingen.

De kerk heeft twee voorgevels en de westelijke gevel is van eenvoudige makelij. Bovenaan deze gevel zien we een raam die het licht doorlaat naar de centrale beuk. De zijdelingse gevel geeft toegang naar het atrium en is van een grote schoonheid.

De kerk is gebouwd in de twaalfde eeuw en zij volgt op een andere kerk uit de elfde eeuw. Hiervan zijn er resten gevonden in 1984 bij de afbraak van een kapel aan de zuidelijke kant.

Het oudste deel van de kerk komt overeen met het hoofd gedeelte, zonder de westelijke gevel en het atrium.

In 1513 heeft men een kapel bijgebouwd (capilla de los Campo) met een voorgevel in gotische stijl. Tijdens de zeventiende eeuw heeft men binnenin de kerk restauraties uitgevoerd om de kerk aan te passen aan de stijl van de tijd, de barok.

5. Burgerlijke bouwkunst

Het Castiliaans paleis Ayala Berganza uit het einde van de vijftiende eeuw is uitgeroepen tot historisch-artistiek monument en hier is momenteel de toeristische dienst gevestigd. Omdat hier een meervoudige moord werd gepleegd op het einde van de negentiende eeuw staat het paleis bekend als “het huis van de misdaad”.

De burgerlijke bouwkunst in de stad met zijn rijkelijke middeleeuwse paleizen met zijn voorgevels, de patio’s, de torens en de wapenschilden zijn veelvoudig in de stad aanwezig. Enkele van deze huizen zijn: het Huis van de Stempel (Casa del Sello), het Huis met de Pieken ( Casa de los Picos) en het Huis van de Graaf van Alpuente (Casa del Conde Alpuente).

De typische bouwstijl uit Segovia vinden we vooral in de stijl van de daken en de sgraffito decoraties op de muren. Sgraffito is een techniek die erin bestaat om de pleisterlaag weg te krabben volgens een op voorhand bepaald grafisch ontwerp. De gebruikte motieven kunnen zowel geometrische motieven als historische taferelen zijn.

5.1 Het Huis met de Pieken ( Casa de los Picos)

Dit is de meest opmerkelijke residentie uit de vijftiende eeuw. Dit opmerkelijke komt vooral door zijn gevel met diamantkop versiering. De 365 pieken staan symbool voor de 365 dagen van het jaar. Een andere naam voor deze residentie is “het Huis van de Moor”.

In de residentie is momenteel een school gevestigd.

5.2 Het Huis van de Graaf van Alpuente (Casa del Conde Alpuente)

Dit is een fraaie vijftiende eeuwse woning in Italiaanse stijl. Het gebouw bezit een voorgevel met sierlijke sgraffiti versieringen die de Visigotische zonneschijf verbeelden.

6. Parken en tuinen

6.1 De tuinen van het Alcázar

Zij bevinden zich op een vlak terrein tussen de oude kathedraal en het bisschoppelijk paleis en de tuin werd aangelegd naar aanleiding van het huwelijk in het Alcázar tussen Felipe II met Anna van Oostenrijk in 1750.

Het verwijderen van ruïnes uit de tuin die er tot dan toe stonden hebben tot in de negentiende eeuw geduurd en ze werden verwijderd naar aanleiding van het bezoek van Fernando VII. Tussen 1816 en 1817 kwamen de eerste bomen in het park. De tuin werd vernield bij een brand in het Alcázar in 1862 en hij was hersteld in 1882.

6.2 De tuin van Genade (El Jardín de la Merced)

Deze tuin was de eerste publieke tuin in de stad en hij lag binnen de muren van de stad. Momenteel is het een van de mooiste tuinen in Segovia. De naam van de tuin komt van een klooster dat voordien op deze plaats gelegen was. In de negentiende eeuw begon men met de aanplanting van bomen en met de installatie van een fontein die later vervangen werd door de huidige.

6.3 El Paseo del Salón

Dit is een van de oudste tuinen van de stad en hij werd aangelegd in 1786 door het “Economisch Genootschap der Vrienden van het Land van Segovia” (Sociedad Económica de Amigos del País de Segovia) en twee jaar later begon men met de aanleg van de bomen. In 1846 was er dan de aanleg van verschillende fonteinen en de aanplanting van verschillende plantensoorten.

De koninklijke botanische tuin in Madrid

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Tentoonstelling van de levende planten
  4. Wetenschappelijke verzamelingen
  5. Wetenschappelijke departementen
  6. Website

1.Algemeen

De Koninklijke Botanische Tuin in Madrid is een onderzoekscentrum van de Hoge Raad voor Wetenschappelijk Onderzoek. De tuin werd op 17 oktober 1755 in Soto de Migas Calientes, dichtbij de rivier Manzanares door koning Fernando VI opgericht.

Carlos III liet in 1781 de tuin verplaatsen naar zijn huidige locatie, naast het Museum voor Natuurwetenschappen in Madrid. In deze botanische tuin zijn er drie terrassen en daar kan je planten uit Europa maar ook uit Amerika en het gebied in de Stille Oceaan vinden.

2. Geschiedenis

2.1 Het begin

Felipe II creëerde de botanische tuin, naast het koninklijk paleis van Aranjuez, op verzoek van de medicus Andrés Laguna. Veel later bracht Fernando VI de botanische tuin naar de hoofdstad en meer bepaald in de Huerta de Migas Calientes (momenteel de Puerta de Hierro, op de oever van de Manzanares). In 1755 creëerde hij er de Koninklijke Botanische Tuin. Er waren toen meer dan 2.000 planten die verzameld waren door de botanicus en chirurg José Quer. Hij had die planten verzameld tijdens zijn reizen doorheen het Iberisch schiereiland en Europa en dan vooral in Italië en daarnaast waren er de uitwisselingen met andere Europese botanici. De voortdurende uitbreiding van de collectie noopten Carlos III er toe om in 1774 de opdracht te geven om te tuin te verplaatsen naar de huidige locatie, de Paseo del Prado in Madrid.

De graaf van Floridablanca, de eerste minister van Carlos III, had een speciale interesse in de verplaatsing van de tuin naar het oude weiland van Atocha. Niet alleen omdat het project Salón del Prado mooier zou maken maar ook omdat het symbool zou staan voor het mecenaat van de kroon aan de kunsten en de wetenschappen. We mogen niet vergeten dat in dit gebied van de Salón del Prado er naast de Koninklijke Botanische Tuin ook nog het het Koninklijk Cabinet van Natuurgeschiedenis (het latere Prado Museum) en het Astronomisch Observatorium komen. Een van de wetenschappers die meewerkten aan het project van de Koninklijke Botanische Tuin was de wetenschapper Casimiro Gómez Ortega.

2.2 Inhuldiging

Het eerste project van de nieuwe tuin werd toevertrouwd aan de wetenschappelijke adviseur Casimiro Gómez Ortega en aan de architect Francesco Sabatini, die tussen 1774 en 1781 (jaar van de inhuldiging) het begin ontwerp maakten met een indeling in drie niveaus en een deel van de behuizing. Op deze basis realiseerde Juan de Villanueva tussen 1785 en 1789 een tweede en definitieve ontwerp dat meer rationeel en volgens de wetenschappelijke en educatieve richtlijnen aangepast was.

De tuin bezet een gebied van 10 hectare op drie terrassen die werden aangepast aan de topografie van het terrein, opgesteld in een vierkant en met in de hoeken ronde fonteinen. De twee onderste (Terraza de los Cuadros en Terraza de las Escuelas Botánicas) zijn vandaag nog altijd zoals ze ontworpen zijn terwijl het bovenste terras (Terraza del Plano de la Flor) werd gerenoveerd volgens de in de negentiende eeuw geldende tuinvoorzieningen.

Foto: koninklijke poort van de Francesco Sabatini
Luis García

De site is afgesloten met een elegant ijzeren traliehek dat gemaakt werd in Tolosa (Guipúzcoa) dat in een granieten steen staat en dat is een werk van José de Muñoz. Er zijn twee toegangspoorten, de Koninklijke Poort van Sabatini, klassiek met Dorische kolommen en fronton. De andere poort is een werk van Villanueva en zij staat tegenover het Prado Museum.

De tuin werd in deze periode de ontvanger van de zendingen van de wetenschappelijke expedities die gesponsord werden door de Kroon. In de achttiende en de negentiende eeuw waren er minstens vijf dergelijke wetenschappelijke expedities waaronder de botanische expeditie in Nueva Granada (het huidige Colombia) die onder leiding stond van de beroemde José Celestino Mutis. Daarnaast was er de botanische expeditie naar het onder koninkrijk Peru van de botanici Hipólito Ruiz en José Antonio Pavón, de botanische expeditie naar Nueva España (het huidige Mexico) van de botanici Martín Sessé en José Mariano Mociño, de expeditie rond de wereld van Alejandro Malaspina met de botanici Antonio Pineda, Luis Née en Tadeo Haenke,en de wetenschappelijke commissie van de Grote Oceaan in de negentiende eeuw waaraan de botanicus Juan Isern deelnaam.

De tuin ontving in deze periode tekeningen, zaden, vruchten, hout, levende planten en beschrijvingen van planten die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de tuin en de bibliotheek.

2.3 De negentiende eeuw

In het begin van de negentiende eeuw was de botanische tuin uitgegroeid tot een van de belangrijkste van Europa en dat was voornamelijk het werk van de directeur, de botanicus Antonio José Cavanilles, een van de belangrijkste botanici uit de geschiedenis van Spaanse wetenschap.

Cavanilles reorganiseerde de tuin, de kruidenhoek, de kweektuin en hij gaf zo de tuin een internationale uitstraling. Naast zijn wetenschappelijk gebruik werd de tuin tijdens de lente en de zomer open gezet voor de burgerij en werden er gratis medicinale planten aan het publiek uitgedeeld. Echter, tijdens de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog begon er een periode van verwaarlozing van de tuin, ondanks de inspanningen van de toenmalige directeur Mariano Lagasca.

In 1857, begon de directeur van de tuin, Mariano de la Paz Graells, zoöloog en de directeur van het Museum van Natuurwetenschappen aan belangrijke hervormingen.

Echter, in de jaren tachtig van die eeuw kromp de tuin in zoals in 1882 toen twee hectare verloren ging voor de bouw van het gebouw waar momenteel het Ministerie van Landbouw gevestigd is. In 1886 had het gebied rond Madrid te leiden onder de gevolgen van een cycloon en ook de botanische tuin had hieronder te lijden, 564 bomen werden toen ontworteld.

2.4 De twintigste eeuw

In 1939 kwam de Koninklijke Botanische Tuin onder het beheer van de Hoge Raad voor het Wetenschappelijk Onderzoek. In 1942 kreeg de tuin de naam van “Jardín Artístico”. Echter, na jaren van verwaarlozing werd de tuin in 1974 gesloten en begonnen er restauratiewerken om de tuin in zijn oorspronkelijke stijl te herstellen. De werken aan het gebouw gebeurden in 1980 en 1981, en zij werden uitgevoerd onder de leiding van de architect Antonio Fernández Alba en de architect Guillermo Sánchez Gil, samen met de landschapsarchitect Leandro Silva die aan de tuin werkten

Er zijn nu ongeveer 5.000 verschillende soorten bomen en planten in de collectie en zij komen van over de ganse wereld. In februari 2005 vergrootte de Koninklijke Botanische Tuin zijn tentoonstellingsoppervlakte met 1 hectare.

3. Tentoonstelling van de levende planten

De levende planten worden tentoongesteld op vier terrassen en gebruik makend van de bodem oneffenheden.

3.1 Terraza de los Cuadros (Het beneden terras)

Dit terras bevindt zich onderaan en het is het grootste van de vier. Hier vinden we collecties met sierplanten, geneeskrachtige planten, oude rozenstruiken, aromatische planten in de tuin en de fruitbomen. Die liggen allemaal binnen geometrische rechthoeken die afgelijnd zijn met hagen van buxus rond kleine fonteinen in het midden van de rechthoeken. Aan het einde van de centrale gang van dit terras vinden we een rotstuin.

3.2 Terraza de las Escuelas Botánicas (Terras van de Botanische scholen)

Dit tweede terras is een beetje kleiner dan het vorige. In dit terras vinden we de taxonomische collectie van de planten. De planten zijn geordend volgens de fylogenetische ordening van de plantenfamilies en ze liggen rond twaalf fonteinen. U kan hier een rondleiding krijgen doorheen het plantenrijk vanaf de meest primitieve planten tot aan de meest geëvolueerde planten.

3.3 Terraza del Plano de la Flor

Dit terras ligt hoger maar het is een beetje kleiner en is het is aangelegd in romantische stijl Het is verdeeld in vijfentwintig figuren of bloemperken, afgezet door schuttingen, vier prieeltjes en een centraal prieel met een vijver en een buste van Carlos Linneo. Dit terras is beplant met een grote variëteit aan bomen en struiken. Op de oostelijke grens staat het Villanueva paviljoen dat in 1781 gebouwd werd als een oranjerie en dat momenteel gebruikt werd als tentoonstellingsruimte voor tijdelijke tentoonstellingen. Het terras wordt begrensd door een hekwerk van gesmeed ijzer en dat werd gemaakt in 1786 en het bied ondersteuning aan diverse soorten wijnstokken waarvan sommige met een aanzienlijke leeftijd.

Aan de noordzijde van dit terras vinden we de broeikas Graells en dat is een structuur uit de negentiende eeuw. Hier vinden we tropische planten, waterplanten en mossen. Samen met het voorgaande vinden we hier de grootste en de meest moderne serre. Binnenin is deze serre verdeeld in drie omgevingen met verschillende vereisten aan temperatuur en vochtigheid (tropisch, gematigd en woestijn).

3.4 Terraza alta o de los Laureles (Hoog Terras)

Dit terras is toegevoegd tijdens de uitbreiding van de tuin in 2005 en het is aanzienlijk kleiner dan de vorige terrassen en het ligt achter het Villanueva paviljoen. Het is aangelegd om bijzondere collecties te ontvangen en zo vinden we hier de collectie Bonsai boompjes die geschonken werden door de Spaanse oud eerste minister Felipe González. Het terras werd ontworpen door de landschapsarchitect Fernando Caruncho.

4. Wetenschappelijke verzamelingen

4.1 Herbarium

Men beschouwd deze tuin als de belangrijkste van Spanje met zijn bijna 1 miljoen planten waarvan sommige uit de achttiende eeuw stammen. De verzameling wordt gevormd door de verzameling van Fanerogamen, de verzameling Criptogamen en de historische collectie. In de laatste verzameling zijn de planten opgenomen die verzameld werd in de achttiende en de negentiende eeuw door de plantkundigen in Amerika Ruiz en Pavón, Mutis, Sessé en Mociño, Neé, Boldo en Isern en door de plantkundigen die op de Filipijnen werkten zoals Blanco, Llanos en Vidal.

4.2 Bibliotheek en archief

De bibliotheek werd opgericht in dezelfde tijd als de oprichting van de tuin. In 1781 bevatte de bibliotheek 151 werken waarvan er 83 over plantkunde gingen, 19 over natuurgeschiedenis, en 49 hadden chemie als onderwerp. In 1787 bevatte de bibliotheek 1.000 boeken en dat was dankzij de toevoeging van de boeken van José Quer; in 1801 bereikte men dankzij de toevoeging van de boeken van Antonio José Cavanilles de 1.500 boeken en veel later kwamen er nog de boeken bij van Simón de Rojas Clemente, Mariano Lagasca, etc.

Momenteel bevat de bibliotheek ongeveer 30.000 boeken die in verband staan met plantkunde,

2.075 tijdschrifttitels, 26.000 folders of losse bladen, 3.000 titels op microfiches en 2.500 kaarten. Verder zijn er voorzieningen om het internet en de boeken te consulteren en gebeurlijk af te drukken op papier, men kan de microfiches en de microfilms, consulteren en men kan gebruik maken van een scanner..

4.3 Zaadbank

Sinds de oprichting van de tuin onderhoud men een uitwisseling van zaden met andere instellingen verspreid over de ganse wereld. De zaden die kunnen uitgewisseld worden verschijnen jaarlijks in een publicatie met de naam “Index Seminum” en die wordt verspreid onder 500 tuinen en onderzoeksinstellingen. In het begin van 1987, met de bouw van een koude kamer verbeterden de mogelijkheden voor de bewaring van de zaden.

5. Wetenschappelijke departementen

5.1 Departement van de Biodiversiteit en de Bewaring

Men werkt hier op alles wat met de plantaardige diversiteit en dan vooral met de vaatplanten uit het gebied van de Middellandse Zee, de tropen en de subtropen te maken heeft. Verder werkt men aan de evolutie van de kruising en de biologie van de waterplanten.

5.2 Departement van de paddenstoelkunde

Men ontwikkelt onderzoek met onderzoekers die werken op taxonomie, namenlijst, distributie, bewaring en ecologie van zwammen.

6. Website

De botanische tuin heeft een website en die kan men vinden op Real Jardin Botanico, de site is Spaans en Engelstalig.