Nationaal park van Doñana

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Flora en fauna
  4. Bezoekerscentra
  5. Milieukwesties

1.Algemeen

Doñana is een beschermd natuurgebied in Andalusië en een oppervlakte heeft van 54.252 hectare. Het totale gebied bestaat uit het Nationaal Park van Doñana en het natuurpark van Doñana. Het park ligt in het zuidoosten van het Iberisch schiereiland, het grootste deel ligt in de provincie Huelva en een kleiner deel in de provincies Sevilla en Cadiz.

Foto: landschap bij het bezoekerscentrum ‘El Acebuche’ 
Marc Ryckaert

Het park bevindt zich in de gemeentes van Almonte, Moquer, Lucena del Puerto en Hinojos in de provincie Huelva, Sanlúcar de Barrameda in de provincie Cadiz en Pilas, Villamanrique  de la Condesa, Aznalcázar, Isla Mayor en La Puebla del Rio in de provincie Sevilla.

De grootste uitbreiding van de marismas (moerassen met brak water) gebeurt in de winter wanneer grote hoeveelheden watervogels in het park aankomen, een aantal dat de 200.000 kan bereiken.

Verscheidene wetenschappelijke instellingen zorgen voor een goede ontwikkeling met de aangrenzende gebieden en voor de instandhouding van de vele diersoorten die daar leven.

Het park is in 1994 door de UNESCO uitgeroepen tot werelderfgoed.  In 2006 kreeg het park 376.287 bezoekers.

2. Geschiedenis

De geschiedenis van Doñana is begonnen met de vestiging van de Romeinen in de IIde eeuw.  Archeologische opgravingen tonen aan dat het verblijf van de Romeinen in deze streek duurde tot de Vde eeuw.  Men heeft daar sporen gevonden van visvangst en het pekelen van de vis, de juiste plaats situeerde zich in wat wij nu kennen als de moerassen van de Guadalquivir.

Na de verdrijving van de Arabieren in de XIIIde eeuw, ging koning Alfonso X verder met de christening van deze gebieden en met de bouw van de eerste bedehuizen.

Zonder twijfel duurde het tot de XVde eeuw voor er een organisatie van het grondgebied begon, met de afbakening van invloed en macht, de afbakening van grenzen en het verbod op iedere exploitatie van het gebied en een verbod op de jacht.

De naam van deze gebieden kwam er een eeuw later, met de bouw van een paleis door de zevende hertog van Medina-Sidonia voor zijn echtgenote Doña Ana Gómez de Mendoza y Silva.  De omliggende gronden kregen spoedig de naam “het bos van Doña Ana” tot uiteindelijk de naam werd afgekort tot wat wij nu kennen als Doñana.

Na de eerste periode waarin deze gronden praktisch uitsluitend dienden voor de jacht begon er een tweede tijdperk.  Een periode welke meer de nadruk legde op de exploitatie van de bossen, het onderhoud van het omsloten gebied en van de weiden voor de veeteelt en de promotie van de jacht.

De wetenschappelijke interesse begon in de XIVde eeuw, met de publicatie van een catalogus van vogels welke geobserveerd waren in de provincies van Andalusië.  De publicatie werd gemaakt door Don Antonio Machado y Núñez.  Het is ook het begin van een grote zoektocht naar eieren en dierenhuiden voor rekening van wetenschappers en jagers welke uiteindelijk een grote bedreiging werden voor de populatie van sommige diersoorten in het park.

De nieuwe eigenaars van Doñana introduceerden in de XXde eeuw er nieuwe diersoorten, planten dennen en sparren en organiseerden de jacht op groot wild.  Enkele jaren later, in 1940 stichtten zij een maatschappij Cinegética del Coto del Palacio de Doñana.

De enorme rijkdom aan fauna in het gebied trok ornithologen aan van over de hele wereld en in 1952 stelde deze groep voor om het gebied een internationaal karakter te geven.

Het is het begin van een natuur bewustzijn, binnen en buiten de Spaanse grenzen, welk uiteindelijk resulteert in 1963 van het verkrijgen van ongeveer 7.000 hectare voor rekening van de Spaanse staat in samenwerking met het World Wildlife Fund (WWF).

6 jaar later later maakt men het Parque Nacional de Doñana, met een  uitbreiding van het park er boven op.

3. Flora en fauna

De flora van het park is zeer verscheiden (er zijn meer dan 900 soorten planten), dit komt door de verschillende ecosystemen (water en land) die in het park aanwezig zijn.

Er groeien hier plantensoorten die zeer zeldzaam zijn of enkel inheems zoals de gramínea Vulpia fontquerana en de diminuta escrofulariácea Linaria tursica, beide opgenomen in de Catálogo Nacional de Especies Amenazadas, ook de enebro costero (Juniperus oxycedrus subsp. macrocarpa) en andere zeldzaamheden zoals de Micropyropsis tuberosa, Hydrocharis morsus ranae of de Thorella verticillatinundata, allen opgenomen in de Catálogo Andaluz de Especies de Flora Silvestre Amenazada kan men hier vinden.

Foto: roestgans

In 2000 werden er bovendien talrijke zeldzame soorten, inheems en/of zeldzaam, opgenomen op de rode lijst, uitgegeven door de UICN, een internationale organisatie voor het behoud van de natuur.

In Doñana worden er regelmatig werken uitgevoerd om exotische plantensoorten te verwijderen zoals de Eucalyptus bomen.

Het ecosysteem heeft een eigen gedifferentieerde fauna.  Hier vinden we 20 soorten zoetwatervissen, 11 amfibieën, 21 reptielen, 37 zoogdieren en 360 soorten vogels waarvan er 127 broeden in het park.

Een vogelsoort die men hier kan vinden is de roze flamingo.

We treffen hier 3 ecosystemen naast elkaar aan: moerassen, stuifduinen en de vroegere jachtterreinen.

Foto: duinen in het nationaal park Doñana
Diego Delso, delso.photo, License CC-BY-SA
  • moerassen: zij hebben een totale grootte van 27.000 ha en hebben hier een hoog zoutgehalte.  In de moerassen vinden we tevens kanalen, poelen die het ganse jaar water bevatten en kleine heuveltjes waar we veel loogkruid kunnen vinden.
  • stuifduinen: zij lopen parallel aan de Atlantische Oceaan.  De zeewind drijft ze landinwaarts.
  • jachtterreinen: dit zijn droge gebieden met struikgewas.

Een speciaal plan voor de keizerarend

De voornaamste handeling is nu het verzekeren van de nesten voor de voortplanting en hun bewaking tijdens de broed, de bijkomende voeding en de beperking van het verkeer tijdens de broed.

Een speciaal plan voor de Iberische lynx

De Iberische lynx is een van de meest bedreigde katachtigen ter wereld.  De drastische vermindering van dit dier op het Iberische schiereiland maakte dat het een beschermd dier werd in 1966.  Er bestaan kolonies van lynxen in de natuurparken van van de Sierra de Ándujar y Cardeña, Montoro en van Doñana.

Foto: Iberische Lynx

Het kweek centrum van El Acebuche in Doñana ontwikkelde een kweekprogramma voor dieren in gevangenschap en heeft de overleving van 11 exemplaren geboren in het centrum bereikt.  Ook een 30 exemplaren uit het park overleefden door het centrum.

De pogingen om het aantal dieren in stand te houden gaan in de eerste plaats naar het probleem van de hoge sterftecijfers van de dieren,dit sterftecijfer heeft als belangrijkste oorzaak de wegen die het park doorsnijden en de wagens die de wegen gebruiken en zo de dieren doodrijden.

4. Bezoekerscentra

In het Nationaal Park van Doñana zijn 6 bezoekerscentra, open het ganse jaar, uitgezonderd tijdens de week van de Romería del Rocío en tijdens de kerstperiode. De toegang is vrij en gratis en men moet niet reserveren.

In de provincie Huelva: westelijke sector

4.1 Bezoekerscentrum “El Acebuche”

Op ongeveer 3 km van Matalascañas, langs de weg A-483. Een toegangsweg van 2 km gaat naar het centrum

Openingsuren:

  • 16 september tot 31 maart: 8.00–15.00 en 16.00-19.00
  • april: 8.00-15.00 en 16.00-20.00
  • mei -15 september: 8.00-15.00 en 16.00-21.00
  • zondagen van 15 juni tot 15 september: 8.00-15.00
  • Gesloten: 1,5 en 6 januari, Romería del Rocío, 24, 25 en 31 december.

Telefoon: 959 439 629.
email: cvacebuche.pndonana.cagpds@juntadeandalucia.es

U kan hier terecht voor:

  • Receptie: men kan hier een gids krijgen welke informatie geeft over het park en de mogelijkheden voor een bezoek
  • Tentoonstelling over het park
  • Audiovisuele zaal: er is een projectie over Doñana in het algemeen
  • Voetpad “Laguna del Acebuche”, doorloop de zuidelijke rand van een oude lagune. Het pad is 1,5 km lang.
  • Voetpad “Lagunas del Huerto y las Pajas”, doorloopt de oude jachtgebieden. Het pad is 3,5 km lang.
  • Reserveringspunt voor de route doorheen het park
  • Cafetaria, open tijdens de uren van het centrum
  • Picknickplaats, er staan banken en het is niet toegelaten m vuur te maken
  • Winkel.

4.2 Bezoekerscentrum “La Rocina”

Ligt tegenover het gehucht La Rocio, op 1 km van het gehucht in de richting van Matalascañas op de weg A-483.

Openingsuren:

  • november-januari: 9.00-15.00 en 16.00-18.00
  • februari-oktober: 9.00-15.00 en 16.00-19.00
  • zondagen van 15.00 juni tot 15 september: 9.00-15.00
  • Gesloten: 1,5 en 6 januari, Romería del Rocío, 24, 25 en 31 december.


Telefoon: 959 439 569.
email: cvrocina.pndonana.cagpds@juntadeandalucia.es

U kan hier terecht voor:

  • Receptie: men kan hier een gids krijgen welke informatie geeft over het park en de mogelijkheden voor een bezoek
  • Audiovisuele zaal: er is een projectie over Arroyo de la Rocina
  • Tentoonstelling “La Romeria del Rocio” over dit historisch religieus evenement met een band naar Doñana.
  • Voetpad “Charco de la Boca”, heeft 4 observatie punten en is 3,5km lang.

4.3 Bezoekerscentrum “Palacio del Acebrón”

Men vindt op ongeveer 6 km van het bezoekerscentrum “La Rocina”, ga verder vanaf de parking langs een geasfalteerde weg. U heeft toegang met de wagen of met de fiets.

Openingsuren:

  • november-januari: 9.00-15.00 en 16.00-18.00
  • februari-oktober: 9.00-15.00 en 16.00-19.00
  • zondagen van 15.00 juni tot 15 september: 9.00-15.00
  • Gesloten: 1,5 en 6 januari, Romería del Rocío, 24, 25 en 31 december.


Telefoon: 959 506 162.
email: cvacebron.pndonana.cagpds@juntadeandalucia.es

U kan hier terecht voor:

  • Receptie: men kan hier een gids krijgen welke informatie geeft overhet park en de mogelijkheden voor een bezoek
  • Volkskundige tentoonstelling over de historische, sociale en culturele banden tussen Doñana en zijn bewoners.
  • Voetpad “Charco del Acebrón”. Men ziet hier de diversiteit van de bossen. Het pad is 1,5 km lang.


4.4 Bezoekerscentrum “Los Centenales”

Gevestigd aan de rand van de bebouwde kom van Hinojos en het park en draagt dezelfde naam, verbonden met de weg A-484 Hinojos-Almonte.

Openingsuren:

  • Oktober tot mei: 9.30-15.00 en 16.00-18.30
  • juni-september: 10:00-15:00 en 16:00-20:00
  • zondagen van 16 juni tot 15 de september: 10.00-15.00


email: CVcentenales.pnDonana.cagpds@juntadeandalucia.es

4.5 Bezoekerscentrum “José Antonio Valverde”

Dit centrum is gevestigd aan het moeras en toont een architectonische structuur die gelijk is aan de traditionele hutten aan het moeras. Het is voldoende ver verwijderd van het dichtst bijzijnde dorp. Vanaf Villamanrique de la Condesa, Puebla del Río en Isla Mayor is het ongeveer 25 km.

De toegang is via een niet geasfalteerde weg. Het is aan te raden om u te informeren naar de staat van deze weg voor men naar het centrum komt.

Openingsuren:

  • november-februari: 10.00-18.00
  • maarto:10.00-19.00
  • april-september:10.00-20.00
  • oktober:10.00-19.00
  • zondagen van juli en augustus: 10.00-15.00


Telefoon: 671 564 145
email: CVJavalverde.pnDonana.cagpds@juntadeandalucia.es

U kan hier terecht voor:

  • Receptie: men kan hier een gids krijgen welke informatie geeft over het park en de mogelijkheden voor een bezoek
  • Tentoonstelling Parque Nacional de Doñana, met speciale aandacht voor de ecosystemen, de flora, de fauna en de veranderingen door de mens aan het park
  • Projectiezaal met de film “Voces de la Marisma”
  • Observatiepunten voor de fauna, vanuit deze kan men de dieren observeren.
  • Zaal met tijdelijke tentoonstellingen
  • Cafetaria, geopend tijdens dezelfde uren als het centrum
  • Winkel

4.6 Bezoekerscentrum “Fábrica de Hielo”

In de visserswijk van Bajo de Guía in de stad Sanlúcar de Barrameda. De oude genootschap van de vissers en fabriek van ijs, vandaag omgebouwd naar het bezoekerscentrum.

Openingsuren:

  • 15 december-januari: 9.00-18.00
  • februari-maart: 9.00-19.00
  • april-september: 9.00-20.00
  • Gesloten of aangepaste uurregeling: Romería del Rocío een plaatselijke festiviteiten


Telefoon: 956 386 577
email: CVFabricaHielo.pnDonana.cagpds@juntadeandalucia.es

U kan hier terecht voor:

  • Receptie: men kan hier een gids krijgen welke informatie geeft overhet park en de mogelijkheden voor een bezoek
  • Tentoonstelling over de natuurlijke waarden van het park, men kan er alle ecosystemen ontdekken die in het park aanwezig zijn. 
  • Winkel
  • Terras met zicht op de rivier

5. Milieukwesties

Sinds de ramp met de Aznalcóllar dam in 1998 is het bewustzijn voor de milieurisico’s waaraan de natuurlijke ruimte wordt blootgesteld, toegenomen. Diverse onderzoeken en milieugroepen hebben een terugkerende impact op een reeks problemen die flora, fauna, water en bodem in gevaar brengen onder de aandacht gebracht. Hoewel de verstedelijkingsdruk en de verschillende eisen door de jaren heen een probleem zijn geweest, is dit niet het enige bijbehorende probleem. De Unesco heeft de opname van het park op de lijst van werelderfgoed al meermaals in vraag gesteld en zij dreigen om het park te schrappen van de lijst van het Werelderfgoed.

5.1 Impact van een aantal infrastructuurwerken

Zo zijn er een aantal infrastructuurwerken nabij het park gekomen. In die zin hebben verschillende ecologische sectoren kritiek geuit op het project om een pijpleiding tussen Extremadura en de haven van Huelva te creëren die het verkeer van olietankers in het gebied aanzienlijk zou vergroten, met als gevolg het risico op olielekkages. Anderzijds is erop gewezen dat de noodzaak om de Guadalquivir regelmatig uit te baggeren om schepen de haven van Sevilla binnen te laten lopen, de oorzaak is van ernstige veranderingen in de dynamiek van het estuarium (een verbrede, veelal trechtervormige monding van een rivier, waar zoet rivierwater en zout zeewater vermengd worden en zodoende brak water ontstaat) en waar er een getijverschil waarneembaar is.

Adena heeft de doorvaart van deze schepen in verband gebracht met de intrede van nieuwe diersoorten in de ecosystemen, toen ze ballastwater loosden waarin deze uitheemse soorten waren opgenomen.

De haven van Huelva, op een paar kilometer van het park, vormt een van de belangrijkste milieurisico’s. Velen hebben hun mening gegeven over deze kwestie, waaronder Francisco Bella, senator van de PSOE en voormalig burgemeester van de stad Almonte. Bella is van mening dat het niet logisch is dat in de context waarin de centrale overheid en de Andalusische regering zich inzetten voor hernieuwbare energie, het pijpleidingsproject wordt geconsolideerd. Hoewel de burgemeester van Almonte ook kritiek heeft geuit op de moeilijkheden om de werkgelegenheid in de buurt van het park te bevorderen, ‘weten we bijna alles over de mier en de lynx, maar we moeten weten hoe de werkgelegenheid in Doñana evolueert’.

In dezelfde lijn als Bella, met betrekking tot het aquaduct naar de Extremadura, is Ginés Morata, bioloog en voormalig voorzitter van de medezeggenschapsraad van Doñana, die bevestigt dat dit project zeer complex en discutabel is, aangezien het gaat om de passage van honderden olietankers per jaar die langs Doñana zullen varen en dat zou kunnen leiden tot olielekkage.

5.2 Overexploitatie van watervoorraden

Doñana’s grootste probleem is de verdieping en achteruitgang van de watervoerende laag als gevolg van het onttrekken van water voor irrigatie, waarvan vele illegaal zijn, die sinds eind de jaren tachtig verdubbeld zijn om intensieve gewassen zoals katoen, rijst en meer recentelijk die van de aardbei te bevloeien. Deze laatste wordt geteeld in plastiek kassen, waarbij de oppervlakte in de omgeving van Doñana wordt geschat tussen 4.500 en 6.000 hectare. Meer dan 60% van de Spaanse aardbeienproductie komt trouwens uit de streek.

De waterbehoefte van nabijgelegen wooncomplexen zoals Matalascañas (Almonte) zouden ook de waterdynamiek in het park kunnen beïnvloeden. Ten slotte bestaat het risico van verzilting van het water in verband met klimaatverandering en verdieping van het grondwaterpeil. Zo kan het binnendringen van zout water uit de Atlantische Oceaan verschillende diersoorten en de flora van het park in gevaar brengen. Ook het risico op woestijnvorming is aanwezig.

Onlangs is een overdracht van 5 hm³ van het watersysteem van Chanza-Piedras goedgekeurd om het probleem gedeeltelijk te verlichten, hoewel er nog eens 20 hm³ nodig zijn om alle onttrekkingen door putten in de watervoerende laag te compenseren. De Europese Unie heeft de Spaanse regering een sanctie opgelegd voor het beheer van hetpark.

5.3 Ramp met de Aznalcóllar-dam

Hoewel het geen invloed had op het park, was het de grootste natuurramp waarmee Doñana werd geconfronteerd. Het gebeurde op 25 april 1998. Die dag brak er een reservoir van het bedrijf Boliden-Apirsa in Sanlúcar la Mayor met daarin ongeveer 8 hm³ zwaar metaalafval, waardoor er een aanzienlijke lekkage in de nabijgelegen rivier de Guadiamar ontstond. Hoewel het daar door middel van dammen werd gestopt en naar de Guadalquivir werd geleid waren de milieurisico’s waaraan het zwakke ecosysteem van de natuurlijke ruimte van Doñana is blootgesteld duidelijk.

Om een duurzame ontwikkeling in zowel het natuurgebied als in de nabijgelegen regio’s te garanderen en zo milieuproblemen tegen te gaan, kwam in 1992 een Internationale Commissie van Deskundigen bijeen om oplossingen voor te stellen. Dit alles was de oorsprong van het zogenaamde Plan voor duurzame ontwikkeling voor Doñana en haar omgeving, de Fundación Doñana 21 , die letterlijk wordt gedefinieerd als:

“Een plan, gesteund door het Doñana Operationeel Programma, medegefinancierd door de Andalusische regering en de Spaanse staat en de Feder-, Fse- en Feoga-fondsen en die een reeks acties voor zowel de infrastructuren als voor het revitaliseren van het sociale weefsel op zoek is naar een nieuw ontwikkelingsmodel dat economisch en sociaal verenigbaar is met het behoud van een natuurlijk erfgoed van buitengewoon belang en biodiversiteit zoals dat van Doñana”.

5.4 Pijpleiding

In 2013 is de aanleg van een gasleiding nabij het park toegestaan.

5.5 Bosbranden

Als natuurlijke ruimte met grote bosgebieden en compact struikgewas vormen branden een grote bedreiging voor het voortbestaan van het gebied.

Op 24 juni 2017 begon er een ernstige bosbrand in de gemeente Moguer die het natuurpark “Abalario-Asperillo” aantastte, wat de gemeenten Moguer, Lucena del Puerto en Almonte trof.

De 8.486 hectare die werd verbrand, was struikgewas en bos, met een verbrande perimeter van 10.900 hectare, maar van dat gebied bleef 2.414 hectare bosgebied intact en in andere gebieden werd alleen struikgewas verbrand.

Rapa das bestas

  1. Overzicht
  2. De belangrijkste rapas

1.Overzicht

Foto: Rapa das bestas, het brandmerken van de dieren in 2005
Jose Segura from Cartagena

De naam Rapa das Bestas staat voor een cultureel en toeristisch feest dat op een aantal plaatsen in Galicië doorgaat. Tijdens dit feest drijft men een aantal half wilde paarden samen in een curro (kraal) om er de manen van te knippen. Tijdens het feest gebruikt men het caballo de pura raza gallega (de Galicische pony).

Het meest bekende feest is dat van Sabucedo, in La Estrada, en het feest duurt daar drie dagen, de eerste zaterdag,zondag en maandag van juli. In feite gebruikt men de naam rapa das bestas enkel voor dit feest, Rapa das Bestas de Sabucedo, terwijl men in de meerderheid van de andere plaatsen spreekt van “curros” zoals in curro de Valga.

Momenteel heeft men hier meer dan 600 paarden die men bestas voor de merries en garañones voor de hengsten noemt. Deze dieren zijn verdeeld over 14 kuddes die allen vrij leven in een gebied van meer dan 200 km² berggebied.

Deze viering bevat zoals in de andere plaatsen het verzamelen van de paarden in het berggebied, de paarden in de kraal zetten, de manen knippen en ze voorzien van een microchip, vroeger was het een brandmerk. De rapa van Sabucedo is het meest bekende festival en dit feest heeft zijn eigen kenmerken waarmee hij zich kan onderscheiden van de anderen.

Een van de belangrijkste verschillen bestaat erin dat men in Sabucedo geen gebruik maakt van touwen, stokken of andere apparaten waarmee men het paard in zijn vrijheid van beweging kan beperken.

De “aloitadores”, dat zijn de personen die belast zijn met het vasthouden van het paard terwijl zij het knippen van de manen uitvoeren en waarbij zij enkel hun kunde en hun lichaam gebruiken om het paard in bedwang te houden.

Een andere specialiteit bij dit feest is dat het naar beneden brengen van de paarden naar Sabucedo deel uitmaakt van het feest en dat er honderden mensen vanuit Galicië en daarbuiten er aan meewerken.

Een andere traditie binnen de grote traditie van de Rapa das Bestas in Sabucedo bestaat er in dat men op zaterdagmorgen, zeer vroeg en voordat men de bergen opgaat er een mis wordt opgedragen waarin met San Lorenzo (patroonheilige van Sabucedo) vraagt dat er geen ongevallen of ongelukken zouden zijn tijdens het feest.

De “rapa” wordt uitgevoerd door de “aloitadores” en volgens een studie van Manuel Cabada markeert het ook de symbolische overgang van kind naar jongere.

De gemeente La Estrada is een zusterstad met Almonte, in de provincie Huelva en ook hier gaat een vergelijkbaar feest door, de Saca de las Yeguas.

2. De belangrijkste rapas zijn:

Foto: paarden in de kraal tijdens de Rapa da bestas
Aurora Díaz

In de provincie La Coruña

  • A Capelada (Cedeira) op 29 juni
  • As Canizadas (Puebla del Caramiñal) van 12 tot 19 juli
  • Campo da Areosa (Vimianzo) midden juli

In de provincie Lugo

  • Candaoso (Vivero) op de eerste zondag van juli
  • Campo do Oso (Mondoñedo) op de laatste zondag van juni
  • San Tomé (Valle de Oro) op de eerste zondag van augustus

In de provincie Pontevedra

  • Mougás (Oya) op 8 juni
  • Morgadáns (Gondomar) op 15 juni
  • San Cibrán (Gondomar) op 22 juni
  • Sabucedo (La Estrada) op de eerste zaterdag van juli
  • Monte Castelo (Cotobade) op 3 augustus
  • Domaio,Gagan (santomé, Marín) op 14 augustus
  • Paradanta (La Cañiza) op 31 augustus
  • O Galiñeiro (Gondomar) in augustus

De flamingo in Spanje

  1. Algemeen
  2. Beschrijving
  3. Leeftijd
  4. Habitat
  5. In gevangenschap
  6. Plaatsen in Spanje waar men flamingo’s kan vinden

1.Algemeen

Een aantal lezers zullen denken dat ik de bal hier mis sla maar de flamingo hoort ook thuis in Spanje. We vinden hem vooral in de lagune van Fuente de Piedra, Doñana, Cabo de Gata en in de Ebro delta.

Foto: de gewone flamingo
Yathin S Krishnappa

De gewone flamingo (Phoenicopterus roseus) is een vogelsoort uit de familie Phoenicopteridae, deze vogel leeft in grote groepen.

We vinden de flamingo in delen van Afrika, Zuid-Azië en Zuid-Europa waaronder Spanje, Sardinië, Albanië, Turkije, Griekenland, Cyprus, Portugal en in de zuidelijke Camargue regio in Frankrijk.

2. Beschrijving

De gewone flamingo is de grootste ondersoort van de flamingo met zijn gemiddelde hoogte van 110–150 cm en zijn gewicht van 2–4 kg Het grootste mannetje dat ooit gemeten is was 187 cm hoog en hij had een gewicht van 4,5 kg.

De gewone flamingo is nauw verwant aan de Amerikaanse en aan de Chileense flamingo. Zoals alle flamingo’s bouwt deze soort een heuveltje van modder waarop een wit kalk ei gelegd wordt.

Het grootste deel van het verenkleed is rozig-wit maar de dekveren op de vleugels zijn rood en de onderliggende veren zijn zwart.

De bek is roze met een zwarte punt en de poten zijn helemaal roze. De roep van een flamingo is zoals die van een gans..

3. Leeftijd

De gemiddelde leeftijd in gevangenschap is volgens de Zoo van Basel meer dan 60 jaar.

De oudste bekende flamingo is een inwoner van de Zoo in Adelaide in Australië, hij werd 77 jaar oud. De juiste leeftijd van de vogel is onbekend omdat hij als volwassen dier in de zoo van Adelaide in 1933 aankwam.

4. Habitat

De vogel verblijft in slikken en in ondiepe lagunes in kustregio’s met zout water. De flamingo gebruikt zijn poten om de modder om te woelen, dan zuigt hij door zijn snavel het water op en hij filtert kleine garnalen, zaden, algen, microscopische organismen en weekdieren er uit.

5. In gevangenschap

Het eerste in gevangenschap geregistreerde broedsel was in 1959 in de Zoo van Basel. In dit broedprogramma zijn er zoveel vogels beschikbaar dat ze niet in de dierentuin van Basel kunnen blijven zodat zij terecht komen in tal van andere dierentuinen overal ter wereld.

6. Plaatsen in Spanje waar men flamingo’s kan vinden

De grootste broedkolonie in Spanje vinden we in het Reserva Natural de la Laguna de Fuente de Piedra. Broedplaatsen vinden we ook in het Parque Nacional de Doñana.

Daarnaast zijn er nog kolonies in het Parque Natural del Delta del Ebro en in de Salinas de Santa Pola. Er bestaan ook plannen om flamingo’s te introduceren in Cabo de Gata, Odiel en de Bahía de Cádiz.

6.1 Reserva Natural de la Laguna de Fuente de Piedra (Málaga)

Het Reserva natural Laguna de Fuente de Piedra vinden we in het noorden van Málaga, in de buurt van Antequera. Het is de grootste lagune van Andalusië (1.400 ha) en het Nationaal Reservaat met de grootste kolonie flamingos. Deze site is opgenomen op de lijst van Zona de Especial Protección para las Aves (ZEPA).

Foto: Laguna de Fuente de Piedra
Mmcyjcp

Deze lagune heeft een grote ecologische waarde en ze is broodnodig voor het overleven van een groot aantal soorten. Verder is het een bevoorrechte omgeving als broedplaats van de roze flamingo. Bovendien kunnen we hier een groot aantal watervogels vinden zoals de grijze reiger, dunbekmeeuw, steltkluut en slobeend.

Er zijn ook roofvogels en strandlopers te vinden in de winterperiode en tijdens de jaarlijkse trekperiode.

6.2 Parque Nacional de Doñana (Andalucia)

Doñana is een nationaal park dat opgenomen is op de lijst van het Werelderfgoed en is 54.251 ha groot. Het park bestaat voor een groot deel uit moerassen waar veel watervogels verblijven waaronder een groot aantal flamingos. Tijdens de lente en de zomer verblijven er ook een aantal andere vogels die uit Afrika komen waaronder ooievaars, reigers en zwaluwen die op zoek zijn naar voedsel en een zachter klimaat.

Naast de flamingo’s en andere watervogels vinden we in Doñana ook de Iberische Lynx, misschien de meest bedreigde katachtige ter wereld. In het Centro de El Acebuche in Doñana heeft men een kweekprogramma voor deze dieren opgezet. Ook is het verblijfsoord voor twee paardenrassen die met uitsterven zijn bedreigd, het marismeño paard en het retuertas paard dat als het oudste paardenras van Europa wordt beschouwd.

6.3 Salinas de Santa Pola y El Hondo (Alicante)

De salinas de Santa Pola, samen met de reservoirs van El Hondo, vormen een belangrijk kust wetland die verschillende vormen van bescherming genieten, Parque Natural de la Comunidad Valenciana, Zona de Especial Protección para las Aves en Zona Húmeda de Importancia Internacional.

Terwijl men deze streek bezoekt kan men ook een bezoek brengen aan het Museum van het zout (Museo de la Sal) dat ook dienst doet als informatiecentrum van het park. In de nabijgelegen vijvers vinden we een aantal vogels waaronder flamingo’s, kluten, steltlopers, dodaars, waterhoenen, krooneenden, tafeleenden…

Het aantal flamingo’s is hier stabiel alhoezel het aantal in de winter kan dalen met een duizendtal exemplaren.

6.4 Parque Natural del Delta del Ebro (Tarragona)

De Ebro delta is een unieke natuurlijke plaats. Het is de grootste waterrijk gebied in Catalonië en het is essentieel voor het ecologisch evenwicht van het gebied. Het gebied is uitzonderlijk rijk aan fauna en flora.

Foto: Flamingo’s in de Ebro delta
Xavier Grané Feliu

Het natuurpark beslaat meer dan 7.700 hectare waar meer dan 500 soorten leven en daarvan zijn er 300 vogelsoorten. Daarvan is de flamingo, een van de meest symbolische vogels in het gebied, er een van.

6.5 Salinas y Arenales de San Pedro del Pinatar (Murcia)

Salinas y Arenales de San Pedro del Pinatar is een beschermd gebied in de regio Murcia. Het beste moment om flamingo’s op deze plaats te zien is op het einde van juli. Dat is het moment dat het grootste aantal flamingo’s zich op deze plaats bevindt.

Men kan zijn bezoek beginnen in het Centro de Visitantes “Las Salinas”. Hier kan men de beste weg aanbevelen die men moet volgen om de meeste dieren te zien. Het park bevat bovendien meer dan 8 km strand. Aan de Middellandse Zee vinden we de populaire stranden van La Llana. Het hoogtepunt is het strand van La Mota omdat er hier een vijver is waarin men modderbaden kan nemen.

Hoe gaan we naar Spanje? Met de wagen

  1. Algemeen
  2. Autostrades
  3. Campings
  4. Hotels
  5. LPG
  6. Transport van gevaarlijke goederen
  7. Hoe kan men een voertuig herkennen dat gevaarlijke goederen vervoert?
  8. Wat moet men doen als men en voertuig met gevaarlijke goederen opmerkt?
  9. Wat moet men doen bij een ongeval?

1.Algemeen

Bedenk dat de afstand van Brussel naar Figueres al vlug 1.230 km is, naar Benidorm is het 1.854 km en naar Málaga 2.141 km. Deze opgegeven afstanden zijn via autostrades en in de meeste gevallen met tol.

Er staat hier ook een link naar de site van de VAB met de Europese brandstofprijzen.

Hierbij vind u meerdere links naar sites waarvan wij denken dat ze u behulpzaam kunnen zijn in het plannen van uw reis. Overnachtingen zullen ook opgenomen zijn in uw reisplan, daarom zijn er ook links naar campings en hotels opgenomen.

2. Autostrades

Hier kan u de site vinden van de twee maatschappijen die de autostrades beheren. Voor Frankrijk is dit autostrades en voor Spanje Autopistas en Carreteras van de Spaanse overheid.

3. Campings

Dit zijn twee Nederlandstalige sites waar veel informatie te vinden is over campings. De eerste vind u hier Camping-Frankrijk en de tweede hier Eurocampings. Een site met campings in Spanje is de site van Camping-Spanje.

4. Hotels

Hierbij twee hotelketens die samen veel hotels bezitten in Frankrijk, weliswaar minder in Spanje maar hier ligt toch de eindbestemming.

Beiden laten huisdieren toe op de kamer, zowel in Frankrijk als in Spanje. Voor huisdieren is de regel dat in 90 % van de hotels in Frankrijk er geen probleem is, echter in maar 10 % van de hotels in Spanje is een huisdier toegelaten.

De grootste keten van de twee is de groep Accorhotels, deze groep heeft de hotels Novotel en Mercure (prijsklasse € 80 – € 100), Ibis en Etap (€ 65 – € 75), en Formule 1 (€ 29 – € 35) in zijn bezit. De andere groep Envergure heeft de hotels Kyriad (€ 55 – € 65), Kyriad Prestige (€ 100 – € 155), Campanile (€ 65 – € 75) en Premiere Classe (€ 30 – € 35) in zijn bezit.

Verder zijn er nog tal van andere overnachtingsmogelijkheden zoals Chambres d’Hôtes, Gîtes de France, enz.

5. LPG

Ik vermeld hier speciaal LPG omdat dit niet zo gemakkelijk verkrijgbaar is in Spanje. De website voor Frankrijk is de site van de Federatie van LPG Stations. Voor Spanje geef ik hier een site waar men de Spaanse LPG stations kan vinden. Ga rechts bovenaan naar Dónde repostar? en men kan onderaan de pagina de regio en provincie invullen.

6. Transport van gevaarlijke goederen

Bij uw rit van België of Nederland naar Spanje ziet men ze dikwijls rijden. Ze, zijn vrachtwagens en die hebben soms oranje schilden en symbolen op de zijkanten en de achterkant van de oplegger hangen. Misschien heb je je al eens afgevraagd wat die feitelijk te betekenen hebben.

In het kort is de betekenis hiervan dat de vrachtwagen in kwestie gevaarlijke goederen als lading heeft.

Hierna kan je in het kort de betekenis vinden van deze schilden en wat de cijfers willen zeggen. Gebeurt er een accident met een dergelijke vrachtwagen op uw weg naar Spanje of terug naar huis dan weet je wat te doen en wat het gevaar is van de vracht in de vrachtwagen.

7. Hoe kan men een voertuig herkennen dat gevaarlijke goederen vervoert?

7.1 Oranje schilden

Dit is een rechthoekig, reflecterend oranje bord (40 X 30 cm, met een zwarte band en in het midden een horizontale zwarte lijn). Deze schilden komen voor zonder nummers op bijna alle voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren in colli, vaten, jerrycans en flessen.

Op alle tankwagens is dit bord aangebracht met twee nummers.

7.2 Gevaar identificatienummers

Dit nummer bevindt zich in het bovenste gedeelte van het oranje bord. Het bestaat uit 2 of 3 cijfers en in bepaalde gevallen kan er letter X bijstaan.

Het eerste cijfer duidt het hoofd gevaar aan en de identificatie van de gevaar klasse waarin het product thuishoort.

  • 2 gas
  • 3 brandbare vloeistof
  • 4 brandbare vaste stof
  • 5 stof die de verbranding bevordert
  • 6 giftige stof
  • 7 radioactieve stof
  • 8 bijtende stof
  • 9 producten die niet in de vorige categorieën passen

Het tweede en eventueel het derde cijfer bepaalt de neven gevaren

  • 0 geen betekenis
  • 2 mogelijke gasuitwaseming
  • 3 brandbaarheid
  • 5 verbranding bevorderende eigenschappen
  • 6 giftig
  • 8 bijtend
  • 9 gevaar voor spontane reactie

Wanneer de eerste twee cijfers dezelfde zijn dan is het grootste gevaar zeer intensief
Komt de letter X voor in het nummer dan is er een volstrekt verbod om water op de stof te brengen.

Hierna volgen enkele voorbeelden:

  • 23 brandbaar gas
  • 266 zeer giftig gas
  • 30 brandbare vloeistof
  • 33 zeer brandbare vloeistof
  • X338 zeer brandbare en bijtende vloeistof die niet met water mag in aanraking komen

8. Wat moet men doen als men en voertuig met gevaarlijke goederen opmerkt?

  • Volg een dergelijk voertuig op een redelijke afstand.
  • Haal dit voertuig in als het volstrekt veilig is zodat de bestuurder van dat voertuig geen bruuske bewegingen moet maken.
  • Vergeet niet dat gezichtsveld van die bestuurder relatief beperkt is.
  • Merk je een defect aan de vrachtwagen verwittig dan zo snel mogelijk de bestuurder maar doe dit op een veilige manier.

9. Wat moet men doen bij een ongeval?

  • De plaats van het ongeval ontruimen maar zonder paniek te veroorzaken.
  • Niet roken en mogelijke brandhaarden uit de zone verwijderen.
  • De dienst 112 verwittigen met opgave van: uw naam, juiste plaats van het ongeval, omvang van het ongeval en de gevaarnummers op de oranje schilden.
  • Ben je reeds in Spanje, kijk dan even op de site Leven in Spanje.

Nationaal park van de Sierra Nevada

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. De Sierra Nevada: een reservaat van de biosfeer
  4. Sierra Nevada: Nationaal park
  5. Herstel van de gebieden met bedreigde plantensoorten in de Sierra Nevada
  6. Fauna
  7. Toerisme

1.Algemeen

Het Parque Nacional Sierra Nevada vinden we in de Sierra Nevada, een bergketen in de provincies Granada (65 % van het park) en provincie Almería (35 % van het park) en het beslaat 85.883 ha.

Foto: Pico del Veleta, Sierra Nevada
Thomas Then

Beide provincies liggen in de autonome regio Andalusië en de bron van de rivier de Alpujarra is hier in het park.

Door een decreet in 1989 van het parlement van Andalusië werd het gebied tot natuur park gemaakt, men hield rekening met de fauna, flora en de geomorfologie van het gebied. Later werd het dan een nationaal park.

Sommige van de bergtoppen in deze bergketen overschrijden de 3.000 meter. We vinden hier ook een 60 tal planten die typisch zijn voor dit gebied.

Binnen het park kan men een groot aantal activiteiten ontplooien, skiën, lange afstand wandelen, bergbeklimming, para glijden en het bekijken van vogels en dieren.

Binnen het park vinden we ook nog de: Jardín Botánico de la Cortijuela en het Centro Botánico Hoya de Pedraza, beiden afhankelijk van de regering van Andalusië en de Jardín Botánico Universitario de Sierra Nevada die afhankelijk is van de Universiteit van Granada. Al deze instellingen doen onderzoek naar het behoud van de plaatselijke planten en dierensoorten in de Sierra Nevada.

2. Geschiedenis

De Sierra Nevada is een plaats met een hoge ecologische en culturele waarde. Tijdens de middeleeuwen noemde men deze plaats de “Sierra del Sol”. Het is een plaats met een rijk historisch en cultureel verleden. Men kan er overblijfselen vinden uit de Romeinse en Visigotische periode.

Het meest betekenisvolle uit de Islamitische periode zijn de gebruikte geavanceerde irrigatie technieken. De Moren maakten op een meesterlijke wijze gebruik van de berg- en heuvelhellingen om het water tot in Granada te brengen. De Sierra Nevada is een belangrijk element in de culturele identiteit van de plaatselijke bevolking.

In de Sierra Nevada vinden we ook de Mulhacén (3.482 meter), de hoogste berg van het Iberisch schiereiland. Volgens de overlevering is de top genoemd naar de Moorse koning Muley-Hacén. De koning werd verliefd op een christelijk meisje, Zoraida. Nadat de koning overleed liet zij hem op de hoogste bergtop begraven om hem te verbergen voor zijn vijanden.

3. De Sierra Nevada: een reservaat van de biosfeer

Op internationaal niveau is er een wereldwijd netwerk van reservaten van de biosfeer, deze verwijzen naar plaatsen die ecologisch zeer waardevol zijn, zij hebben kenmerken van groot wetenschappelijk belang of het zijn voorbeelden van plaatsen met een grote interactie mens-natuur.

Tijdens een congres in Sevilla in 1995 werd er een document goedgekeurd dat het concept van de biosfeer vastlegt rekening houdende met de milieu en sociale aspecten en er werden drie basisregels van kracht:

  • het behoudt van de biologische diversiteit, de genetische hulpmiddelen en de ecosystemen
  • duurzame ontwikkeling van de natuurlijke hulpbronnen in de regio in nauwe samenwerking met de plaatselijke bevolking
  • de integratie van het betrokken gebied in een internationaal netwerk als basis voor onderzoek, onderwijs en toezicht op het milieu.

Er zijn meer dan driehonderd biosfeer reservaten in de wereld. In 1977 heeft de UNESCO de eerste twee reservaten in Spanje aangewezen; Grazalema en Ordesa-Viñamala. In 1978 is er dan Doñana en Montseny en uiteindelijk kwam er dan de Sierra Nevada bij in 1986. Momenteel zijn er 15 dergelijke plaatsen in Spanje.

4. Sierra Nevada: Nationaal park

Met de opname van het nationaal park Sierra Nevada werd er een ecosysteem in het netwerk van de nationale parken opgenomen dat de mediterrane hoge bergen bevat, tot op dat moment was een dergelijke omgeving niet aanwezig in het nationaal netwerk. 

Het nationaal park Sierra Nevada is speciaal gemaakt voor:

  • de bescherming van de ecosystemen in het gebied welke een buitengewone aanwezigheid hebben van mediterrane bergen en hoge bergen
  • om te zorgen voor het behoud en herstel, indien aanwezig, van de habitats van de aanwezige planten en diersoorten
  • bijdragen aan de bescherming, bevordering en verspreiding van de culturele waarden
  • bevordering van duurzame ontwikkeling aan de plaatselijke bevolking wiens dorpen in het park liggen
  • bijdragen leveren aan nationale en internationale programma’s tot behoud van de plaatselijke ecosystemen

5. Herstel van de gebieden met bedreigde plantensoorten in de Sierra Nevada

De Sierra Nevada is een uitzonderlijk toevluchtsoord voor de flora en de bioversiteit op het Europees continent. Dit komt voornamelijk door geschiedkundige omstandigheden waaronder zijn strategische biogeografische ligging in de Mediterrane regio, zijn geografische ligging, de verscheidenheid van de ecosystemen door het grote verschil aan hoogte en ten laatste aan zijn diversiteit aan flora. Momenteel zijn er 2.100 plantensoorten gecatalogiseerd en daarvan zijn er 116 bedreigd.

De bescherming van de gebieden met een bedreigde flora is opgenomen in het LIFE programma van de Europese Unie. Dit programma heeft als voornaamste doelstelling de vermindering van de risico factoren voor de bedreigde plantensoorten en daardoor de ontwikkeling van de natuurlijke middelen voor het behoud van de natuurlijke leefomgeving van deze planten.

Daarom is er een reeks van strategieën ontwikkeld om een controle te hebben van de oorzaak van de kwetsbaarheid zoals overbegrazing, verzamelen van planten, veranderingen aan de waterhuishouding, skistations, ontbossing en toerisme, tevens zijn er herintroducties van verscheidene plantensoorten welke dikwijls gekweekt worden in het planten centrum in het park.

6. Fauna

We vinden hier de koningsarend, grote kolonies berggeiten, verschillende soorten slangen, wilde bergkatten, hagedissen, salamanders, kikkers en padden, dassen en vossen.

7. Toerisme

In 1914 werd met de aanleg van de eerste weg in de Sierra Nevada begonnen. Tegenwoordig zijn zelfs de hoogste pieken van de bergketen bereikbaar. Sinds de Sierra Nevade een natuurpark werd in 1989 en zelfs een nationaal park in 1999 zijn er veel wegen voor verkeer afgesloten.

Twee controleposten, een voor het noordelijke deel (Cruce de Borreguiles) en een voor het zuidelijk deel (Hoya de Portillo) houden toezicht op de toegang tot het park met privévervoer. Het is altijd raadzaam om vooraf contact op te nemen hoe de situatie momenteel is.

De oude stad Cuenca

  1. Geschiedenis
  2. Interessante plaatsen

1.Geschiedenis

Foto: overzicht over Cuenca
Tomás Fano

Cuenca is een van de meest middeleeuwse steden van Spanje gebleven en de stad werd daarom opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed. Cuenca ligt op een rotsplateau tussen de rivieren Júcar en de Huécar.

1.1 Prehistorie en de oudheid

De geschiedenis van Cuenca is voor een groot gedeelte beschreven door Estrabón, Plinio en Ptolomeo. Zij hebben ons geïnformeerd over de eerste inwoners van deze regio, de bevolking hier uit de streek noemde men Olcades.

Sinds de Ijzertijd bevinden zich hier nederzettingen en burchten doorheen de provincie (Urbicua, Cartala Egelasta, Contrebia, Belgida, Caraca, Alaba, Condabora, Istonium, Libana, Urcesa, Segóbriga, Ercávica, Valeria…) maar uit niets blijkt dat er op de ligging van Cuenca een nederzetting was. De dichtstbijzijnde nederzetting was Bursada vanwaar Hannibal gedeporteerd werd naar Noord-Afrika.

1.2 De Middeleeuwen

Alhoewel de stichting van de stad onduidelijk is bestond er in 784 een stad Kunka. Deze bloeide op doordat men ze uitbouwde tot een versterkte stad die volledig gebruik maakte van de natuurlijke verdedigingsmiddelen. Het was een machtsbasis van de familie Banu Di-l-Nun wiens macht gecentraliseerd was in deze kura (administratieve regio) met de naam Santabariya.

Zij bouwden een plaats afhankelijk van het kalifaat van Cordoba in de meest pure Andalusische stijl met een kasteel op een verhoogde plaats, een wijk in de stad met zijn moskee waar nu de kathedraal staat en een citadel die allen van elkaar gescheiden zijn door greppels uitgehakt in de rots en met versterkte muren.

In de riviermond van de Huécar bouwden zij een grote vijver om de defensie van de stad te verstevigen.

De eerste militaire gouverneur was Sulayman ben Utman.  Hiij werd vermoord in 768 door het hoofd van de school Sakya ibn Abd al-Wahid. Deze kondigde de rebellie af tegen de Omjaden van Abd al-Rhahman I.

Hilal al-Madyuni werd dan tot de volgende gouverneur benoemd in 772. De emir Muhammad I benoemde dan als gouverneur Sulayman ben Tawril, die stierf in 887. Zijn zoon Musa veroverde samen met een leger van 20.000 man Toledo en hij blijft onafhankelijk tot aan zijn dood in 908.

Zijn kleinzoon Yahyá werd gouverneur en heer van Uclés tot in 933. Zijn zoon Fath bleef in functie tot 936 en hij werd dan beroofd van het gebied van Uclés maar als comensatie werd hij gouverneur van Madrid.

Abd al-Rahman al-Midras genoot het vertrouwen van al-Mansur en hij kreeg van de kalief de eretitel van “Nasir al-Dawla”. Hij was de architect van de inhuldiging in Toledo van zijn zoon Ismael al-Zafir in 1025.

Zijn zoon Al-Mamún de Toledo maakte van Toledo het meest uitgebreide en het meest ontwikkelde van de taifa koninkrijken van Valencia en Córdoba. Hij stierf in 1075.

Zijn zoon Ismaíl diende Cuenca als prins vanaf 1049.

In 1076 kwam de Aragonees Sancho Ramírez in de buurt van Cuenca maar hij kon de stad niet innemen.

In 1080 verliest Yahyá Al-Qádir Toledo en hij zoekt toevlucht in Cuenca. Hier zal men dan het Verdrag van Cuenca afsluiten met Alfonso VI. Deze koning ontvangt Zorita en andere kastelen in ruil voor militaire hulp.

In 1088 maakt de militaire leider van Cuenca ben Zennun een verdrag met de koning van Zaragoza, Al-Musta’in II. Hij geeft het fort van Segorbe op in ruil voor militaire steun tegen de omsingeling in Valencia als gevolg van de nederlaag van Alfonso VI in Sagrajas.

De koning van Sevilla Al-Mu’tamid maakt van deze gelegenheid gebruik om zich meester te maken van Cuenca maar als de Almoraviden in 1091 Sevilla aanvallen stuurt Al-Mu’tamid zijn schoondochter, de prinses Zaida, om hulp te vragen aan Alfonso, koning van León. De koning krijgt in ruil voor de hulp Cuenca en andere plaatsen. In 1093 komt een detachement christelijke troepen de koning van Sevilla ondersteunen.

In de omgeving van Cuenca werd Álvar Fáñez in de zomer van 1098 door de Almoraviden generaal Ben Aisa verslagen.

In 1108 komt Cuenca onder de controle van de Almoraviden en in 1144 komt de caid Abu Muhammad Abd Allah ben Fetah, al Tagri in opstand en in het volgende jaar op 15 mei is Murcia onafhankelijk.

In 1147 werd Muhammad ben Abd Allah ibn Said ben Mardanís, bijgenaamd Rey Lobo of Ben Lope, uitgeroepen tot koning van Cuenca, Murcia, Valencia en de rest van het oostelijk deel van het schiereiland en hij moest het hoofd bieden aan de Almohaden tot aan zijn dood op 8 maart 1172. Voor zijn dood gaf hij de aan zijn zoon de raad om een verbond te smeden met deze integristen.

Alfonso VIII ging na een beleg van 5 maanden door de kalief Abu Yaqub Yusuf in ballingschap.

De kalief Yucub, de filosoof Averroes, de historicus Sahib al-Sala (die een gedetailleerde beschrijving maakte van Cuenca) en andere notabelen van de Almohaden betraden dan de stad en zij hielpen de onderdrukten. 

Abu Yacub Yusuf en Alfonso VIII tekenden een verdrag voor 7 jaar maar in de zomer van 1176 plunderden een deel van de Almohaden de christelijke gebieden van Huete en Uclés en daardoor verbraken zij het verdrag.

Alfonso VIII roept de bevolking van Almoguera, Ávila, Atienza, Segovia, Molina, Zamora, La Transierra op om samen met de heer van Albarracín, Pedro Ruiz de Azagra, de graaf Nuño Pérez de Lara , Pedro Gutiérrez, Álvar Fáñez, Tello Pérez, Nuño Sánchez, de koning van León, Fernando, de koning van Aragón Alfonso El Casto en de Militaire Ordes van Santiago, Calatrava en Montegaudio de stad te gaan belegeren en het beleg begint op Driekoningen 1177.

De slotvoogd Abu Beka vraagt hulp aan de kalief Yacub Yusuf maar die heeft andere bezigheden in Afrika en hij weigert hulp.

Op 27 juli deden de belegerden een uitval naar het christelijke kamp met de bedoeling om de koning te doden maar dit mislukt, zij doden enkel de graaf Nuño Pérez de Lara.

De honger, de gekwetsten en de overledenen veroorzaakt door de voortdurende aanvallen van de christelijke troepen dwingen de Moren om de stad over te geven. Het christelijke leger neemt de citadel en het kasteel in en nadat de laatste Moor de stad verlaten heeft komt koning Alfonso VIII triomfantelijk de stad binnen. De stad maakt vanaf dat moment deel uit van het koninkrijk Castilla. Alfonso XIII geeft Cuenca de titel van stad.

1.3 Moderne tijd

Cuenca nam actief deel aan de rebellie van de Castiliaanse gemeenten in 1521. De stad leed onder het beleg van de Franse troepen tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog.

Tijdens de Carlisten oorlogen werd de stad belegerd en ingenomen en werd de stadsmuur voor een deel vernietigd.

In 1902 stortte de toren van Giraldo in en na de vernietiging van de barokke voorgevel werd die vervangen door een neo-gotieke gevel, een werk van de architect Vicente Lamperez.

2. Interessante plaatsen

In 1996 werd de “Ommuurde stad Cuenca” opgenomen op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco en de volgende plaatsen hebben een specifieke vermelding gekregen.

2.1 Catedral de Santa María y San Julián de Cuenca

De kathedraal van Santa Maria en San Julián is de belangrijkste kerk van Cuenca en hij is tevens de zetel van het diocees van Cuenca en van het aartsbisdom van Toledo. 

Foto: kathedraal van Cuenca
Der pepe

2.1.1 Geschiedenis

Op 21 september 1177 veroverde Alfonso VIII van Castilla de stad Cuenca en hij stichtte er de bisschopszetel in 1183. De oude Moorse moskee werd overgedragen aan de bisschoppen die de plaats inwijden en ze opdroegen aan de Maagd Maria. De bisschoppen van Valeria en Arcas brachten hun zetel over naar de stad.

De echtgenote van Alfonso VIII was Leonor van Engeland of Plantagenet en zij was de dochter van koning Enrique II Plantagenet van Engeland en van Leonor de Aquitanië, Hertogin van Aquitanië en zuster van Ricardo Corazón van León.

Als bruidsschat was zij vergezeld door Normandische ridders die tijdens de bouw van de kathedraal hun invloed uitoefenden op de bouwstijl. In deze tijd was het de gewoonte om de romaanse bouwstijl te gebruiken maar door de Normandische invloed aan het hof van Alfonso VIII werd de kathedraal van Cuenca de eerste kathedraal die in Castilië gebouwd werd in gotische stijl samen met die van Ávila .

De werken aan de kathedraal begonnen in 1196 en ze werden beëindigd in 1257. Zoals de meerderheid van de religieuze gebouwen werden er in de loop der tijden een aantal verbouwingen aan aangebracht.  In de zestiende eeuw werd de kathedraal aan de buitenkant helemaal verbouwd, in de zeventiende eeuw bouwde men de Kapel van het Sanctuarium en verbouwde men de voorgevel en de torens in barokstijl.

In de achttiende eeuw bouwde men het hoofdaltaar en aan het begin van de twintigste eeuw, naar aanleiding van een aardbeving in 1902, werd de voorgevel heropgebouwd.

2.1.2 Kenmerken

Het meest kenmerkende aan het gebouw is de eigen aanpak van de gotische architectuur die nauw verbonden is met de anglo-normandische en franco-normandische bouwstijl uit de twaalfde eeuw die in Frankrijk populair was.  We kunnen hier voorbeelden van zien in Sasson, Laon en Parijs.

Aanvankelijk was het een meer romaans gebouw, met vijf trapsgewijze absiden, met drie beuken in het centrale gedeelte. De werken ontwikkelden zich verder en in de dertiende eeuw bouwde men het triforium (een gang boven een zijbeuk in een kerk) met grote ramen omlijst door stucwerk en versierd met standbeelden van engelen.

In de binnenzijde van de kathedraal werd in de achttiende eeuw in opdracht van het kapittel van de kathedraal een transparente gemaakt. Dat is een raam van glas waarmee er voldoende licht in de kerk komt zodat het altaar verlicht en versierd wordt. Dat gebeurde door de architect Ventura Rodriguez en dit raam rivaliseerde met het raam van Narciso Tomé in de kathedraal van Toledo. Door de plaatsing van het raam met zijn indirect licht verkreeg Rodriguez spectaculaire effecten.

In de achttiende eeuw bouwde men het nieuwe hoofdaltaar en in het begin van de twintigste eeuw herbouwde men als gevolg van de instorting van de toren, de voorgevel en een deel van de gewelven een nieuwe voorgevel. Deze was een werk van Vicente Lampérez en de gevel werd in de neogotische stijl herbouwd.

Deze werken werden door het verzet van een aantal architecten die wezen op de gevaren van het inbrengen van vreemde invloeden in het originele ontwerp nooit voltooid.

2.2 De kerk van San Andrés (Iglesia de San Andrés)

Deze kerk werd gebouwd in de zestiende eeuw onder leiding van de architect Pedro de Alviz, die bijgestaan werd door de bouwmeester Sebastián de Arnani.

Het werk heeft stil gelegen tot in de zestiende eeuw, Juanes de Mendizábal en haar schoonzoon, Pedro de Aguirre, de werken terug hebben opgestart.

De diepgaande crisis in Cuenca tijdens het eerste deel van de zeventiende eeuw had een negatief effect op de werken die eerst op het einde van de zeventiende eeuw werden hervat.

De vochtigheid had ondertussen zijn werk gedaan, de muren en de bogen van het koor waren beschadigd en ook de fundering was aangetast.

Domingo Ruiz werd belast met reparaties aan het gebouw. In 1936 had de kerk te lijden onder zware beschadigingen en na de burgeroorlog werd het gebouw aan de gildes gegeven.

2.2.1 Beschrijving

De plattegrond van de kerk is trapeziumvormig en dat is voornamelijk door de kleine grond oppervlakte waar de kerk opstaat.

Het kerkschip is verdeeld in drie gedeelten door middel van steunpilaren die tegen de muren aan staan. De ligging van de sacristie achter het altaar betekend een grote vernieuwing omdat dat de architect verplicht de draagsteen te laten ondersteunen door een fijne beugel, een manier van ondersteunen die dikwijls gebruikt is door de architect Pedro de Alviz.

Alviz en Arnani trokken de muren van het gebouw op maar zij slaagden er niet in om er een dakbedekking op te leggen. Voor een architect zoals Alviz, die gewoon was om oplossingen te gebruiken uit de gotiek was dit ongetwijfeld een zwaar probleem. In feite was de kerk vele jaren later nog altijd niet overwelfd. Tot het einde van de zestiende eeuw en het begin van de zeventiende eeuw was er geen gewelf op de kerk.

In het eerste gedeelte, aan beide zijden van het kerkschip, zijn er enkele bogen in een eenvoudige platereske stijl en zij zijn ingelijst door pilaren met kapitelen met daarin bloemen en andere motieven uit de renaissance verwerkt.

De voorgevel is goed bewaard gebleven alhoewel de vernieling van de raamstijlen de onderlinge verhouding beschadigd heeft. Conceptueel is het een geavanceerd werk. Het is gemaakt alsof het een koepeltje is dat toegevoegd werd aan een voorgevel. Om dit effect te bereiken heeft men de steunberen zodanig geplaatst dat de twee lichamen de voorgevel accentueren.

Het bovenste deel bevat een kleine nis waarin een beeltenis staat van San Andrés wat een grote vernieuwing is door de twee steunpilaren aan beide zijden.

De toren aan de voet van de kerk steunt, door de nauwheid van de straat op een draagsteen.

Er zijn ook twee tralies die de ramen in de voorgevel afsluiten. Deze tralies zijn gemaakt in de zestiende eeuw en die tijd vertoonden zij een grote pracht.

2.3 Kerk van San Miguel (Iglesia de San Miguel)

De kerk staat op een platform in de monding van de rivier Júcar, naast de oude stadsmuur en het is een van de oudste parochies in de stad. De kerk werd door het bisdom van Cuenca in het midden van de twintigste eeuw aan de stad geschonken en sindsdien is de kerk als concertzaal in gebruik.

Foto: Kerk van San Miguel
Enrique Íñiguez Rodríguez

2.3.1 De bouw en de uitbreidingen

De kerk is gebouwd in de dertiende eeuw en zij had toen een zeer eenvoudige structuur. Een kerkschip in metselwerk met een houten draagstuk, een halfrond apsis en een toren.

In de vijftiende eeuw werd er aan kerk een andere beuk toegevoegd die ook afgesloten werd door een versierd plafond. In de zestiende eeuw gebeurde er aan de voorgevel een grote verbouwing die uitgevoerd werd door Esteban Jamete en Pedro de Yrízar. De koepel werd ontworpen door Jamete en is versierd met bloemen motieven.

2.3.2 Binnenin

In de achttiende eeuw onderging de kerk een grondige verandering. De oorspronkelijke houten sluiting van de beuken werd veranderd in het voornaamste tongewelf en in het zijdelingse kerkschip plaatste men een kloostergewelf.  Dat gewelf werd geplaatst op dubbele pilaren die Korinthische kapitelen hebben met versierde hoofdjes van engeltjes.

2.3.3 De voorgevel

In de voorgevel dateert het onderste deel uit de achttiende eeuw. Het is opgevuld en het beperkt zich tot een halfronde boog tussen pilaren die nauwelijks uitsteken.

Het bovenste gedeelte heeft een centrale nis tussen dubbele ionische pilaren en er staan enkele beelden van donoren.

2.4 Kerk van Sint Niklaas van Bari (Iglesia de San Nicolás de Bari)

Deze kerk is gebouwd in de vijftiende eeuw alhoewel architectonisch gesproken de bouwstijl niet overeen komt met de toegepaste renaissance stijl uit deze periode. De oorspronkelijke structuur is rechthoekig met een stenen absis in de voorgevel.

2.4.1 Beschrijving

De kerk is gebouwd met gewoon metselwerk, met een bedekking met mortel en zij werd versterkt in de hoeken door hardsteen.

Het gebouw heeft drie zeer eenvoudige gevels. In de belangrijkste gevel, op de plaza de San Nicolás, staat de toegangspoort tot de kerk en hij bevat een puntige boog met een richel en is ondersteund door aanleunende pilaren met een eenvoudig kapiteel.

De toren, leunend tegen de kerk heft een rechthoekige vorm en bestaat uit twee delen. Het lager gedeelte is gebouwd in gewoon metselwerk dat bedekt is met mortel en dat in de hoeken verstevigd is met hardsteen.

Het hoger gedeelte is helemaal gebouwd in hardsteen dat eindigt met een stenen kroonlijst. Het dak van de toren waarin vier dakhellingen gemaakt zijn.

De kerk heeft een kerkschip dat verdeeld is in drie delen. De verdeling gebeurt door pilaren beëindigd door een lambrizering.

In het eerste deel vinden we het groot altaar waarin een beeltenis staat van een Italiaanse heilige in een nis van rood marmer.

Aan de rechterzijde van het altaar is er een deur waarachter er een stenen trap is die toegang geeft tot de klokkentoren.

2.5 Kerk van San Pedro (Iglesia de San Pedro)

Deze kerk ligt in het hoger gelegen gedeelte van Cuenca. Zij werd gebouwd met drie beuken en een toren even nadat de stad veroverd was door Alfonso VIII. 

In de helft van de vijftiende eeuw, wanneer de strijd tussen Diego Hurtado de Mendoza, Markies van Cañete en de bisschop Lope de Barrientos oplaaide, heeft deze kerk een belangrijke rol gespeeld als sterke voorstander van de bisschop.

In de zestiende eeuw werd de metselaar Alonso de Torres gecontracteerd om een plaasterwerk in een kapel uit te voeren.

Misschien betreft het de kapel van San Marcos welke gefinancierd werd door de kapelaan van de kathedraal, Miguel Enríquez. Het werk aan de kapel was zoals een inscriptie zegt, klaar in 1604 en ze is bedekt met een prachtig achthoekig versierd plafond in mudejar stijl.

Veel later werd deze kapel het bezit van de graven van Toreno.

In de zeventiende eeuw was de toren van de kerk in een zodanig slechte staat dat de toren dreigde te verdwijnen. In 1660 werd dan de beslissing genomen om de toren terug op te bouwen zodat het proces van afbraak zou gestopt worden.

Men droeg vervolgens Pedro Salinas, Andrés Martínez en Simón Martínez op om een bouwplan te maken voor de werken, een plan dat nagekeken werd door Juan del Pontón. Deze architect, die de meester opzichter was over de werken in het bisdom gaf de voorkeur aan het werk van Pedro Salinas zonder het werk van de andere af te breken.

Bovendien bracht Pontón enkele voorwaarden naar voor zoals het gebruik van welke bouwmaterialen moesten gebruikt worden en het formaat van de toren. Er werd in het bijzonder verwezen naar de voorwaarde dat de toren bedekt moest worden met een dak dat beter moest zijn dan leisteen en er mocht geen gebruik gemaakt worden van blik.

Toen deze voorwaarden bekend werden gemaakt werd op 8 februari 1661 het werk gegeven aan Gregorio Pastor voor een bedrag van 3.300 reales.

Tijdens de achttiende eeuw, tijdens het episcopaat van José Flórez Osorio, werd de kerk, evenals andere kerken in het diocees van Cuenca gerenoveerd en de architect van dit werk was José Martín de Aldehuela.

De hervorming van de oude kerk, met het versierde plafond in de kapel van de graven van Toreno, evenals de klokkentoren is een werk van het einde van de zestiende eeuw en het is een duidelijk voorbeeld van passende oplossingen voor de oneffen gronden van de stad.

In deze kerk, is het oppervlak in acht vorm dat ingeschreven is in een cirkel. In deze perimeter staan er pilaren verbonden met halfronde bogen.

De bedekking van de kapel is duidelijk in het acht vormig ontwerp van het gebouw. Echter, in deze centrale ruimte is er het apsis dat eveneens veelhoekig is en dat gemarkeerd is een duidelijke kern. Boven de poort is er een klein koor.

Deze ronde ruimte, die wordt omlijst door een kroonlijst sluit af met een koepel boven een tamboer wier ramen meer in het werk van José Martin passen.

Ook de gebruikte kapitelen en de versierde nissen zijn een veel gebruikt motief door deze architect.

De voorgevel is ook zeer typisch voor het werk van José Martin met zijn boog met een halve punt tussen de steunpilaren en de nissen aan beide zijden.

De toren, die bestaat uit drie afnemende delen werd op het einde van de achttiende eeuw uitgerust met een klokkenspel.

De kerk werd na de Spaanse burgeroorlog gerestaureerd na de grote vernielingen die werden aangericht.

2.6 De kerk van het Heilig Kruis (Iglesia de Santa Cruz )

Deze kerk was een van de eerste parochies in Cuenca. Zij was van een bescheiden constructie met een beuk die opgetrokken is in gewoon metselwerk en met een houten dak. Vandaag is deze kerk een centrum voor ambachtswerk.

Foto: kerk van het Heilig Kruis
Enrique Íñiguez Rodríguez

In het midden van de zestiende eeuw begon Juanes de Mendizábal el Viejo met de verbouwing van de kerk en tijdens de drie jaar durende verbouwing leidde hij de werken.

Deze verbouwing was een sterke prikkeling om het gebouw te verbeteren maar de grootste impuls kwam er onder het episcopaat van bisschop Fresneda die in 1568 aan Francisco de Goycoa opdracht gaf om de verbouwing van de kerk te leiden.

Goycoa was een architect die een groot prestige genoot in Cuenca, hij werd trouwens benoemd tot inspecteur-generaal van de werken in het bisdom.

Het lijkt er op dat hij niet persoonlijk toezicht hield op de werken maar dat hij die opdracht gaf aan Juanes de Mendizábal el Mozo, opzichter met een groot aanzien. Toen Goycoa overleed, nam de architect Pedro de la Vaca de taak op zich maar hij bracht enkele wijzigingen aan het project aan, waarvan de meest in het springende de verbreding van het kerkschip was.

Mendizábal el Mozo, die een neef was van Juanes de Mendizábal el Viejo, verhoogde de buitenmuren en keerde een van de bogen om tegen de steunberen die aanleunden bij de dorische zuilen. Deze zuilen werden in de achttiende eeuw vervangen door pilaren.

Het gebouw werd bedekt met een houten plafond en dat werk werd uitgevoerd door de bouwmeesters Damián Saravia de Oropesa, Francisco Pinarejo, Jerónimo Vadello en de houtsnijders Gaspar de Berriote en Villanueva.

In de achttiende eeuw was er weer een grote verbouwing, de kerk werd nu overwelfd. De uitvoering van het werk werd in handen gegeven van de bouwmeester Manuel de Santa María.

De kerk heeft een kerkschip dat verdeeld is in zes delen door middel van schoorpijlers met aan leunende pilaren en er is een absis met meerdere hoeken.

Het gebrek aan ruimte in de kerk, doordat ze aan de kloof van de Huécar ligt, verplicht de bouwheer om de sacristie achter de grote kapel te zetten.

In de zestiende eeuw wordt de kerk bedekt met een houten lambrisering die in de achttiende eeuw vervangen wordt door een tongewelf dat gemaakt is uit tufsteen.

De voorgevel van de kerk is een werk uit de zestiende eeuw. Het is een zeer eenvoudig ontwerp en het bevat een halfronde boog tussen aan leunende ionische pilaren. In het bovenste gedeelte is er een nis tussen twee “C’s”en dat is zeer karakteristiek voor het werk van de architect Rodrigo Gil de Hontañón.

Binnenin de kerk zijn er resten van een schildering uit de achttiende eeuw.

2.7 Kerk van de Verlosser (Iglesia de El Salvador)

Deze kerk werd gebouwd tijdens de late middeleeuwen toen de stad een grote uitbreiding in zuidwestelijke richting nam doordat de bevolking snel toenam.

Deze kerk, zoals de meeste kerken die in deze periode gebouwd werden hadden een zeer eenvoudige structuur en in deze kerk vinden we een kerkschip, met kapellen tussen de schoorpijlers. Dit is een manier van bouwen uit de levantijnse traditie. De dakbedekking is gemaakt uit hout en er is een toren met een vierkant oppervlak.

In de zestiende eeuw breidde de wijk El Salvador uit en het is belangrijk te weten dat in 1534, toen er water naar de stad gebracht werd, er een fontein kwam aan de poort van de kerk in San Salvador ten behoeve van de bevolking.

Tijdens de zestiende eeuw werden er verschillende werken uitgevoerd waaronder de belangrijkste in de kapel en de sacristie zijn geweest. Zij werden uitgevoerd door Pedro de la Vaca, Pedro de la Viña, Martín de Mendizábal el Viejo en Toribio de la Haza. We zien ook nog het werk van de beeldhouwer Diego Gil, die de kerk voorzag van een nieuwe houten lambrisering.

Ook nog in de zestiende eeuw, vergrootte men de kerk door de bouw van kapellen aan beide zijden van het kerkschip en wij weten dat Isabel de Moya, Juan del Collado, Alonso de Luna en de Justiniano hier hun kapel hadden. De eerste twee hadden een retabel dat geschilderd is door Juan Gómez de Mora, neef van Francisco de Mora.

In de zeventiende eeuw, in 1656 werden de grootste veranderingen aan de kerk aangebracht door de aanleg van een nieuwe dakbedekking. Het kerkschip met zijn grote ruimte en zijn grote hoogte werd overkoepeld door een tongewelf. In de bouw werd zoals bepaald in de bouw voorwaarden gebruik gemaakt van tufsteen.

De verbouwing werd ontworpen door Juan del Pontón, de bouwmeester van het bisdom en het ontwerp is bewaard gebleven in het Historisch Provinciaal Archief van Cuenca.

De verbouwing werd uitgevoerd op initiatief van de beheerders Mateo Carnerero en Pedro González de Aragandoña, zij waren de proosten van het kapittel van de Maagd van de Eenzaamheid. Dit kapittel heeft ook zijn kapel in de kerk en deze kapel werd afgesloten door een hek van de hand van de architect José de Arroyo.

Eveneens in de zeventiende eeuw realiseerde men de voorgevel van de kerk. De halve boog van de poort is niet goed ingepast tussen de pilaren. De nokversiering is gereduceerd tot een driehoekig fronton, onderbroken door een nis met daarin de beeltenis van de houder van de kerk. In het begin van de achttiende eeuw werd de kapel van het Heilig Graf (Santo Sepulcro) volledig verbouwd. Zij werd overdekt met een koepelgewelf.

Voor de versiering heeft men gebruik gemaakt van de combinatie van geometrische motieven en met plantaardige motieven.

Deze kapel behoort tot het kapittel van de Ridders en schildknapen van Cuenca (Cabildo de Caballeros y Escuderos de Cuenca) en was tot kort geleden nog in gebruik voor het ridderen van mannen.

In de negentiende eeuw, werd de kerk belangrijker omdat zij de parochianen van andere parochies moest absorberen en daarom werd er in 1863 besloten om de kerk nogmaals te verbouwen. Men gaf de opdracht aan Juan José Trigueros, architect van het diocees die enkele ontwerpen met grote zorg maakte. De grootste wijzigingen waren aan de buitenzijde van de kerk en de grootste wijziging was wel de verplaatsing van de kerktoren naar de voorzijde van de kerk.

Dit idee werd echter werd maar in uitvoering genomen in 1903 maar volgens een veel eenvoudiger plan. Luis López de Arce presenteerde het nieuwe project waarna de werken begonnen en zij duurden twee jaar.

Men had dan een toren die meer eclectisch was, neogotisch, van steen en baksteen en met vreemde mudejar invloeden.

2.8 Bisschoppelijk Paleis van Cuenca (Palacio Episcopal de Cuenca)

Het bisschoppelijk paleis van Cuenca werd in 1250 door bisschop Mateo Reinal ingericht in een van de huizen van het kapittel van de kathedraal. Deze huizen, die vermoedelijk van origine uit de Moorse periode dateren hebben enkele Arabische inscripties en er is een poort die versierd is met stucwerk.

Op het einde van de vijftiende eeuw richtte men in het paleis het Tribunaal van de Inquisitie in en dat tribunaal bleef daar tot in 1530.

In 1535 besliste bisschop Diego Ramírez om het paleis te verbouwen. Hij contacteerde hiervoor Pedro de Alviz, die een project opmaakte om in het paleis een centrale binnenplaats te maken met daarrond de benodigde ruimtes. Voor het houtwerk deed men beroep op de meester timmerman Alonso de León.

2.8.1 Beschrijving

De binnenplaats van het paleis is in een zeer goede staat gebleven en zij heeft een vierkante vorm.  De benedenverdieping heeft in elke galerij drie gotische bogen met in elke boog een curve van de Katholieke Koningen.

In de bovenverdieping is er een galerij geopend die de tussenruimten dupliceert en er zijn bogen die steunen op ionische kolommen. Het wapenschild van Diego Ramírez, staat hier ook evenals op tal van andere plaatsen in het gebouw.

Voor deze belangrijkste binnenplaats is er een andere en die heeft een rechtstreekse toegang tot de buitenwereld.

In het begin van de achttiende eeuw kreeg de voorste binnenplaats een belangrijke aanpassing Er kwam een uitbreiding van de gang die van de voorgevel naar de kruisbeuk gaat.

De gevel is buitengewoon klassiek in zijn algemene ordening en in de versiering van zijn nissen.

In 1781 legde men een dak op de voornaamste binnenplaats en men versierde een plafond van een van de salons in de zuidelijke vleugel met een kleine koepel en men bracht er versiering in aan van arenden in reliëf.

2.9 De toren van Mangada

De eerste toren van Mangada lag in Cuenca en had een vierkante vorm. We weten dit door een werk van de schilder Anton Wyngaerde, hoewel in een beschrijving van de toren uit 1565 er geen kruis en geen ijzeren windhaan is welke in 1532 door Esteban Limosín op het kapittel waren geplaatst dat de toren afsloot.

Foto: de Toren van Mangada
Turol Jones

Er zijn bewijzen dat er in de late zestiende eeuw door de architect Juan Andrea Rodi enkele werken aan de toren zijn uitgevoerd; maar noch deze noch andere later uitgevoerde werken hebben het uitzicht van de toren veranderd als we de schilderij van Wyngaerde en de beschrijving door Juan Llanes y Massa in de achttiende eeuw vergelijken.

De blikseminslag op het einde van de achttiende eeuw en de komst van de Fransen aan het begin van de negentiende eeuw hadden de tussenkomst van de architect Mateo López tot gevolg. Hij moest de herstellingen van de zware vernielingen voor zijn rekening nemen die de twee voorgaande feiten hadden veroorzaakt.

Tijdens het tweede deel van de negentiende eeuw werd besloten om de top van de toren die niettegenstaande de restauraties in een verschrikkelijke staat was te restaureren.

In 1926 veranderde het uiterlijk van de toren op een opmerkelijke wijze. Het was de architect Fernando Alcántara die verantwoordelijk was voor deze gedaanteverandering. Hij koos voor een mudejar stijl voor de toren.

Hij verwijderde de torenspits en in de plaats zette hij er een klein klokkenspel neer. Het had een vierkante vorm en het werd overdekt door een koepel. De muren werden bedekt met een rijke en kleurrijke versiering die geïnspireerd was op Moorse motieven terwijl de kantelen op de toren ons doen denken aan de moskee in Córdoba.

Maar deze mudejarstijl is niet de laatste verbouwing en de toren werd opnieuw onder handen genomen in 1970.

Met deze verbouwing wil men volgens de toelichting bij de werken een toren maken dat niet alleen een artistiek monument is dat belangrijk is voor Cuenca maar men wil er een echt symbool van maken.

Waardigheid aan de toren geven betekende in dit geval de toren versterken. Het project uit 1968 van Víctor Caballero, wou de toren een versterkt karakter geven met een militaire architectuur.

Caballero gaf aan de constructie een dodelijke kracht en hij verwijderde tevens de dakbedekking .

2.10 Hangende huizen

De hangende huizen zijn een verzameling van huizen in Cuenca. In het verleden was het de gewoonte om aan de oostelijke kant van de oude stad, tegenover de riviermonding van de rivier Huécar deze architectonische elementen te gebruiken maar vandaag de dag zijn er nog maar enkele overgebleven. De bekendste verzameling vandaag bestaat uit drie huizen met houten balkons.

Foto: de Hangende huizen
Mario modesto

Hun oorsprong is onzeker maar zij bestonden zeker in de vijftiende eeuw. Tijdens de loop der jaren werden er verschillende structuren gebruikt maar de meest recente dateren uit de jaren 20 van de vorige eeuw.

Zij werden gebruikt als private woningen en als stadhuis maar op dit moment doen zij dienst als restaurant en als Museum voor de Spaanse Abstracte Kunst (Museo de Arte Abstracto Español).

2.11 De brug van San Pablo (El puente de San Pablo)

Deze brug is een loopbrug over de rivier Huécar in de stad Cuenca. Zij werd gebouwd tussen 1533 en 1589 op initiatief van de kanunnik Juan del Pozo en zij was origineel in steen. Zij was de verbinding tussen het klooster van San Pablo en het centrum van de stad.

Toen de eerste brug was ingestort werd er in 1902 de huidige brug gebouwd van hout en staal en volgens de architectonische lijn van dat moment. Het is een rechtlijnige brug en zij rust op pijlers.

De brug maakt deel van het patrimonium van de stad en het is een van de beste plaatsen vanwaar men een zicht heeft op de hangende huizen.

2.12 De herberg van San Jose (Posada de San José)

De herberg van San Jose vinden we in het bovenste gedeelte van de stad en het ligt aan de calle Ronda de Julián Romero. Het gebouw bestaat uit meerdere bovenop elkaar geplaatste delen.

Het originele gebouw stamt uit de zeventiende eeuw en het was eigendom van de familie Mazo. Dit paleis is vandaag een herberg en het is in zijn geheel goed bewaard gebleven, daardoor is een goed voorbeeld hoe de herenhuizen er in die tijd hebben uitgezien.

Het heeft kamers en salons op verschillende niveaus die met elkaar verbonden zijn door trappen. De verlichting gebeurt door open nissen en galerijen.

Het werd gebouwd door Juan Bautista del Mazo in 1621, hij was schoonzoon en medewerker van Velázquez, hofschilder van Felipe IV, die later dienst deed in het Colegio de Infantes van het Koor van de Kathedraal van San José.

Deze instelling is gesticht door de kanunnik en aartspriester Diego de Mazo de la Vega, zoon van de leerling van Velázquez en het werd na zijn dood in 1660 opgericht.

Het gebouw werd gerestaureerd voor het huidige gebruik in de twintigste eeuw.

Binnenin het gebouw vinden we overblijfselen van balken en gebinten uit de middeleeuwse en Moorse periode.

De voorgevel is in een pure herreriano stijl, typisch Spaans voor deze tijd en die gebruik maakt van strenge geometrische vormen. Later werd de strenge structuur verzacht en waren er minder rechtlijnige vormen.

In de gevel zien we Toscaanse pilaren, een centrale nis en in de centrale balk is er een nis met een halfronde boog. Aan beide zijden zijn er consoles met daarin het wapen van de familie Mazo.

2.13 Het stadhuis van Cuenca (La casa consistorial de Cuenca)

Het stadhuis ligt aan de Plaza Mayor. Vanaf het einde van de vijftiende eeuw is het gemeentehuis ingesloten op de Plaza Mayor die men in die jaren de schandpaal noemde. Het stadhuis was niet altijd op de plek, er zijn aanwijzingen dat de raden doorgingen op een andere plaats, aan de Poort van San Juan.

Foto: Gemeente van Cuenca
AdriPozuelo

2.13.1 Geschiedenis

In het midden van de zestiende eeuw was het stadhuis in een zeer slechte staat en moest er een dringende restauratie komen en daarvoor werd de architect Pedro de Alviz gekozen. Tijdens de restauratie werken gingen de gemeenteraden door in het huis van de burgemeester.

Tijdens de laatste jaren van de zestiende eeuw, in 1595, bestond er de mogelijkheid om een huis aan te kopen dat eigendom was van de schepen Pedro Chico de Guzmán en dat huis lag aan de Plaza Mayor. Na verloop van tijd werd het huis te klein en in 1676 besliste men om het huis te vergroten. Daarvoor kocht men het naastgelegen huis aan dat op dat moment eigendom was van de kerk. De prijs voor dat huis was 4,500 reales.

In het begin van de achttiende eeuw dreigde het stadhuis te vervallen tot een ruïne. Door deze staat van het gebouw bracht men het archief van de stad over naar het huis van de burgemeester waar vanaf dan ook de vergaderingen van de raad doorgingen.

Om ongelukken te voorkomen werd er een omheining geplaatst rond het gebouw en werden de straten rond het stadhuis afgesloten.

Daarop werd er besloten om het oude stadhuis te slopen en het nieuwe stadhuis moest op dezelfde plaats komen als het oude. 

Echter, in 1760 was men nog altijd niet begonnen met de werken die volgens een plan van Jaime Bort zouden uitgevoerd worden. Bort ontwierp een gebouw waarin hij gezocht had naar symmetrie. Deze gezochte symmetrie was moeilijk te bereiken omdat de topografie in dat deel van de stad dit moeilijk toeliet.

Om het project van Bort te kunnen uitvoeren moest men een terrein aan de westelijke zijde in zijn bezit hebben dat juist tegenover het oude gemeentehuis lag.

Eenmaal men het terrein in zijn bezit had in 1760 kreeg Lorenzo de Santa María, de opdracht om met de werken te beginnen. In 1762 waren de werken klaar.

In 1788 viel dan de beslissing om het gebouw te vergroten en dat was een werk van de architect Mateo López. Hij moest het archief en de oratorium in een nieuw huis brengen en daarom moest dat aangekocht worden aan de zijde van de kerkfabriek.

Echter, dit project werd niet uitgevoerd omdat men een jaar later van idee veranderde. Men besloot toen dat het beter en goedkoper moest. Het archief en het oratorium werd ingericht in de zaal van het gemeentehuis die op de begane grond lag.

2.13.2 Beschrijving

Het gemeentehuis is een van de meest karakteristieke barokke gebouwen in Cuenca. De voorgevel telt drie verdiepingen en ze worden gescheiden door pilaren van een verschillende grootte.

De eerste verdieping bestaat uit een open bogengalerij die toegang geeft naar de Plaza Mayor. Ze bevat enkele Toscaanse pilaren tussen de bogen.

Dezelfde driedelige verdeling, met ionische pilaren zijn er in de gelijkvloerse verdieping waar Bort de zaal van het gemeentehuis en de burelen heeft gezet. Op deze verdieping zijn er drie nissen met een open balkon die versierd zijn met baquetones (klein lijstwerk of richel), pilaren en frontons.

Op de derde verdieping zijn de tussenruimtes vermeerderd om de proporties van de architectuur te kunnen behouden.

De ruime zolder die het einde is van de gevel verbergt vanaf het plein het zicht op het dak. In het midden is er een nokversiering in de vorm van een sierkam die uitloopt met de figuur van een leeuw.

De achtergevel die uitkomt op de straat Alfonso VIII, bevat meer licht en zijn vormgeving is meer klassiek. Hij is ook verdeeld in drie delen, met balkons op de gelijkvloerse verdieping en ramen in de bovenste delen.

De deuren die onder de portiek staan zijn van een eenvoudig ontwerp en hebben een verbinding met de Franse architectuur.

De internationale afdaling van de Sella

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. De competitie
  4. Categorieën
  5. De boten
  6. Het feest van de kano
  7. Klacht wegens discriminatie van vrouwen

1.Algemeen

De internationale Afdaling van Sella gaat door tussen Arriondas en Ribadesella in Asturië op de eerste zaterdag van augustus na de tweede dag van deze maand. Deze afdaling gaat door over 15 km op de rivier de Sella.

Foto: afdaling van de Sella
Lolo Gomez San Emeterio

De proef wordt ingericht door de Spaanse Kano Federatie (Federación Española de Piragüismo) die daarvoor volmacht geeft aan het Comité Organizador del Descenso Internacional del Sella en aan de Kano Federatie van Asturië.

2. Geschiedenis

De proef vond zijn oorsprong in 1930. In 1929 maakten Dionisio de la Huerta, dokter Benigno Morán en Manés Fernández een tocht over de rivier Piloña vanaf Coya tot Infiesto. Dat is een tocht van 5 kilometer en hij duurde twee uur en een half. Deze tocht ligt nu aan de oorsprong van de huidige Afdaling van de Sella en aan het Feest van de Kano.

De volgende twee jaren kwamen dan de eerste twee edities van deze proef toen Dionisio de la Huerta, Manés Fernández en Alfonso Argüelles een afdaling maakten vanaf in 1930 Coya tot in Arriondas en in 1931 tot in Ribadesella.

In het volgende jaar, 1932, maakte men het definitieve vertrek en aankomst in Arriondas en Ribadesella en kreeg men zo de eerste wedstrijd met dertien roeiers die afkomstig waren uit Oviedo, Gijón, Infiesto en Ribadesella. Daardoor kreeg de wedstrijd een provinciaal karakter. In 1935 schreven zich voor de eerste maal roeiers in die niet afkomstig waren uit Asturië en zo kreeg men de eerste Nationale Afdaling van de Sella.

De Spaanse Burgeroorlog zorgde voor een onderbreking tussen 1936 en 1943 maar in 1951 kwamen er de eerste buitenlandse roeiers meestrijden, zij waren afkomstig uit Italië en Portugal.

In 1994 namen er meer dan 1.400 bootjes deel aan de wedstrijd en deze afdaling is daarmee de belangrijkste wedstrijd wereldwijd in het kanovaren.

3. De Competitie

De deelnemers moeten Spaanse of buitenlandse roeiers zijn die in het bezit zijn van een vergunning om aan wedstrijden mee te doen in het jaar van deelname en ze moet minimum 60 dagen oud zijn.

Het vertrek is voorzien om 12 uur en het gebeurt op een eigen systeem. De deelnemers en hun kano’s zijn uit het water op de hun toegewezen plaatsen. De peddels van de deelnemers zijn geblokkeerd in een metalen structuur en wanneer het startlicht op groen komt komen de peddels vrij. Daarvoor klonken de verzen die gemaakt werden door Dionisio de la Huerta.

De aankomst ligt onder de brug van Ribadesella en dat is op 20 km van het vertrek, voor de kadetten, de honderdjarigen (de leeftijd van de deelnemers in de boot is samen meer dan 100 jaar) en de gemengde boten ligt de aankomst onder de spoorwegbrug van San Román, op 15 km van het vertrek. De controle wordt gesloten op 30 minuten na de aankomst van de eerste boot in elke categorie en klasse.

De Cantabriër Julio Martínez is met zijn elf overwinningen de absolute recordhouder in deze proef.

4. Categorieën

  • Kadetten
  • Juniors
  • Seniors
  • Veteranen
  • Honderdjarigen (de gezamenlijke leeftijd van de roeiers in de boot is ouder dan 100 jaar)

Deze categorieën zijn onderverdeeld in mannen, vrouwen (seniors, juniors en kadetten) en gemengd

5. De boten

  • K1
  • K2
  • C1
  • C2
  • RR stuurloze wild water kayak

6. Het feest van de kano

Rond de afdaling van de Sella viert men ook het “Feest van de Kano” en dat feest gaat door op vrijdagnacht in Arriondas en op zaterdagnacht in Ribadesella.

FEVE heeft op deze dag een een speciale trein ter beschikking die vertrekt in Arriondas en die bepaalde punten langs de rivier aandoet.

Met de aankomst van de trein start er een optocht van versierde voertuigen en folkloristische groepen. Vlak voor het vertrek klinken de tonen van het lied, Asturias, patria querida.

Na de aankomst van de optocht serveert men typische gerechten uit Asturië en dat zijn fabes (een gerecht met bonen) en rijstpap. Ook worden hier de trofeeën uitgedeeld.

7. Klacht wegens discriminatie van vrouwen

In 2017 klaagde Beatriz Manchón, drievoudig wereldkampioen kanoën, aan dat zij als vrouw niet mocht deelnemen aan de hoogste categorie van de Internationale Afdaling van de Sella competitie. De verordening voorziet niet in de tussenkomst van een vrouw in de absolute categorie, ondanks het feit dat de Real Federación Española de Piragüismo de regels in 2015 gewijzigd heeft waardoor vrouwen kunnen deelnemen aan de hoogste categorie in de nationale kampioenschappen.

Manchón was van plan om in het gezelschap van Manuel Bustos in de hoogste categorie deel te nemen. Het huishoudelijk reglement van dit sportevenement stelt een categorie Mixed K2 vast, waaraan kano’s worden bemand door een man en een vrouw.

De atlete heeft de steun van het Instituto Asturiano de la Mujer maar niet die van de Asturische Sport Raad. Die laatste ontkende trouwens dat er sprake is van discriminatie.

Het wordt ook niet ondersteund door de voorzitter van de proef, Juan Feliz, die simpelweg zegt dat aan de regels moet worden voldaan.

In 2019 verwierp het nationale gerechtshof de claim van Beatriz Manchón en haar partner, omdat het van mening is dat het genomen besluit in overeenstemming is met de wet, aangezien het niet in strijd is met het beginsel van effectieve gelijkheid van mannen en vrouwen.

Spaanse wijnen, een korte kennismaking

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Geografie en klimaat
  4. Classificatie
  5. Spaanse etiketteringswetten
  6. De Spaanse wijn regio’s
  7. Wijnbouw
  8. Druivensoorten
  9. Wijn maken
  10. Sherry
  11. Cava

1. Algemeen

Spanje heeft tussen de 955.717 en 1,2 miljoen hectare aangeplante wijnranken en het is daarmee het grootste land ter wereld wat betreft aangeplante ranken. Spanje staat wel op de derde plaats na Frankrijk en Italië wat betreft het geproduceerde volume aan wijn.

Dit is deels te wijten aan het lage rendement van de wijnstokken en de grote afstand tussen de ranken op de droge, onvruchtbare grond in de meeste Spaanse wijngebieden. Spanje staat op de negende plaats wat de consumptie betreft en de Spanjaarden verbruiken gemiddeld 21 liter per jaar per persoon.

Het land heeft een overvloed aan inheemse druivenrassen. We vinden doorheen Spanje meer dan 600 verschillende rassen maar 80 % van de wijnproductie komt van 20 rassen waaronder Tempranillo, Albariño, Garnacha, Palomino, Airen, Macabeo, Parellada, Xarel·lo, Cariñena en Monastrell.

Belangrijke Spaanse wijnregio’s zijn de Rioja en de Ribera del Duero welke bekend zijn voor hun Tempranillo wijnen, Jerez, de thuis van de Sherry wijn, Rías Baixas in de noordwestelijke regio Galicië die bekend is voor zijn Albariño wijn en ten slotte is er Catalonië met zijn licht mousserende Cava, de Penedès en de Priorat wijn.

2. Geschiedenis

De overvloed aan inheemse druivenrassen gaf aanleiding tot een vroege start van de plaatselijke wijncultuur en er werden druivenpitten terug gevonden die terug gaan tot het tertiair.

Foto: wijnmakerij in de Fenicische stad Castillo de Doña Blanca
Antonio M. Romero Dorado

Archeologen geloven dat deze druiven terug gaan tot tussen 4000 en 3000 VC, lang voor de wijnbouw door de Feniciërs in de handelspost Cádiz in 1100 VC.

Na de Feniciërs hebben de Carthagers nieuwe technieken geïntroduceerd en dat gebeurde onder de leiding van de vinoloog Mago. Carthago voerde een reeks oorlogen met de Romeinse Republiek en dat bracht de Romeinse overheersing naar Spanje dat men kende als Hispania.

2.1 Van de Romeinse overheersing tot de Herovering (Reconquista)

Onder Romeins bestuur werd de Spaanse wijn geëxporteerd en verhandeld in het ganse Romeinse rijk. De twee belangrijkste Spaanse wijn producerende regio’s waren Terraconensis (het huidige Tarragona) in het noorden en Baetica (het huidige Andalucië) in het zuiden.

Tijdens deze periode werd er meer Spaanse wijn naar Gallië geëxporteerd dan Italiaanse wijn. Overblijfselen van deze Spaanse amforen werden terug gevonden in ruïnes van Romeinse nederzettingen in Normandië, de Loire Vallei, Bretagne, Provence en Bordeaux.

Spaanse wijn werd ook gegeven aan de Romeinse soldaten die de grenzen bewaakten in Groot-Brittannië en aan de “Limes Germanicus” (fortengordel aan de grens) in Duitsland. De kwaliteit van de Spaanse wijn in de Romeinse periode was gevarieerd, volgens Plinius de Oudere en Martial had de Spaanse wijn een goede kwaliteit, vooral de wijn uit Terraconensis.

Aan de andere kant was er Ovid die beweerde dat een Spaanse wijn die op de markt was in Rome enkel goed was om uw maîtresse mee dronken te voeren. (Ars amatoria 3.645-6).

Na het verval van het Romeinse Rijk werd Spanje binnen gevallen door noordelijke stammen waaronder de Suaben en de Visigothen. In verband met de wijncultuur is er over deze periode weinig geweten maar men heeft wel bewijs gevonden dat bij de Moorse invasie in de vroege achtste eeuw er nog altijd druiven verbouwd werden en er nog altijd wijn gemaakt werd.

De Moren waren moslim en daardoor waren zij onderworpen aan de Islamitische voedingsregels en deze regels verboden het gebruik van alcohol. De Moorse heersers hadden een dubbelzinnige houding ten opzichte van het maken en drinken van wijn. Een aantal kaliefen en emirs hadden zelf wijngaarden en zij dronken hun eigen wijn.

Ondertussen waren er wel wetten die de verkoop van wijn verboden maar wijn stond wel op de lijst van de goederen die belast werden in de Moorse gebieden.

De Spaanse Reconquista (Herovering) opende terug de mogelijkheid om Spaanse wijn te exporteren. In Bilbao verrees een grote handelshaven en vanuit deze haven ging de Spaanse wijn naar de Engelse wijnmarkten in Bristol, Londen en Southampton.

De kwaliteit van deze geëxporteerde wijn was van een hoge kwaliteit. In 1364 besliste het hof van Edward III dat er een maximum prijs zou komen voor wijn die verkocht werd in Engeland en men plaatste de Spaanse wijn op gelijke voet met de wijn uit Gascogne maar hoger dan de wijn uit La Rochelle.

De volle smaak en het hoog alcoholgehalte van de meeste Spaanse wijnen maakte van deze wijn een uitstekende “meng” partner voor de zachtere wijnen uit het koelere gedeelte van Frankrijk en Duitsland. Deze praktijk was wel bij wet verboden.

2.2 De Nieuwe Wereld

Na de Herovering van Spanje in 1492, met de val van Granada, ontdekte Christoffel Columbus voor de Spaanse kroon de Nieuwe Wereld. Dit opende naast export mogelijkheden ook nieuwe mogelijkheden voor de productie van wijn. Spaanse missionarissen en de conquistadores (veroveraars) brachten Europese druivenrassen naar daar en zij gingen deze ook verbouwen.

Tijdens deze periode ging de Spaanse export naar Engeland achteruit doordat ook de Spaans-Engelse relaties slechter werden. Aan de oorzaak lag de scheiding van koning Henry VIII van Engeland van zijn Spaanse vrouw Catherine van Aragón.

Engelse handelaars uit de Sherry producerende regio’s van Jerez en Sanlúcar de Barrameda maar ook uit de regio van Málaga ontvluchtten Spanje uit vrees voor de Spaanse Inquisitie.

Na de nederlaag van de Spaanse Armada door Elizabeth I van England werd de slagkracht van de Spaanse marine grotendeels vernietigd en liep de Spaanse staatsschuld onder Felipe II verder op. Spanje werd meer afhankelijk van haar inkomen uit de kolonies en de export van wijn naar die kolonies. De opkomst van een wijnindustrie in Mexico, Peru, Chili en Argentinië waren een bedreiging voor het inkomen van Felipe II en hij kondigde wetten en decreten af die de opkomst van die wijnindustrie beletten of moeilijker maakten.

2.3 Van phylloxera (druifluis) tot op vandaag de dag

De zeventiende en de achttiende eeuw waren een periode van grote populariteit voor sommige Spaanse wijnen zoals Sherry, Málaga en Rioja wijn. Niettemin bleef de Spaanse wijnindustrie achter bij de andere Europese landen die wel de ontwikkelingen van de nieuwe industriële tijden volgden.

Een groot keerpunt kwam er in het midden van de negentiende eeuw toen de phylloxera (druifluis) epidemie de Europese maar vooral de Franse wijngaarden vernielde. Met het plotse tekort aan Franse wijn keerden veel landen zich voor hun bevoorrading naar Spanje en staken veel Franse wijnmakers de Pyreneeën over en zij vestigden zich in de Rioja, Navarra en Catalonië.

Zij brachten ook al hun kennis en productiemethoden met zich mee en een van hun vernieuwingen was de introductie van het eiken vat van 225 liter. Uiteindelijk bereikte de druifluis ook de Spaanse wijngebieden en zij hield huis in 1878 in Málaga en in de Rioja in 1901. De trage uitbreiding kwam grotendeels doordat de wijngebieden van elkaar gescheiden waren door de Meseta Central.

Tegen de tijd dat de Spaanse wijnindustrie vol getroffen werd door de schade die aangericht was door de druifluis was de remedie tegen het diertje gevonden. Deze remedie bestond er in dat men Amerikaanse enten gebruikte en die plaatste men aan de onderstam van de Europese wijnstokken. 

Aan het einde van de negentiende eeuw zagen we de opkomst van de Spaanse mousserende wijn met de ontwikkeling van de Cava in Catalonië. In de loop van de twintigste eeuw werd de Cava een ernstige rivaal voor de Champagne. Tijdens deze eeuw kwam er nog een burgerlijke en politieke omwenteling, inclusief een militaire dictatuur onder generaal Miguel Primo de Rivera. Een van zijn verwezenlijkingen was het begin van de Denominación de Origen (DO), een benamingssysteem dat het eerst werd gebruikt in de Rioja in 1926.

Tijdens de Spaanse Burgeroorlog werden wijngaarden doorheen Spanje verwaarloosd en werden er wijnhuizen vernield. Vooral Catalonië en Valencia werden hier hard getroffen.

De tweede Wereldoorlog sloot dan de Europese markt af voor de export van Spaanse wijn en dit was weer een slag voor de Spaanse economie.

Het duurde tot in de vijftiger jaren van de vorige eeuw voordat de binnenlandse stabiliteit een betere periode inluidde voor de Spaanse wijnindustrie. Verschillende grote coöperaties werden opgericht en er werd een internationale markt gevonden voor de zogenaamde bulk wijnen die verkocht werden onder de naam Spaanse sauternes en Spaanse chablis.

In de jaren 60 van de vorige eeuw werd de sherry door de internationale wijnmarkt ontdekt en even later kwam er vraag naar de Rioja wijn. De dood in 1975 van Franco en de overgang naar de democratie brachten meer economische vrijheid voor de Spaanse wijnmakers en het creëerde een grotere binnenlandse markt door de opkomende Spaanse middenklasse. De late jaren 70 en de jaren 80 brachten meer periodes met zich mee van een modernisering van de Spaanse wijnproductie.

In 1986 werd Spanje dan lid van de Europese Gemeenschap en dat bracht economische hulp en assistentie met zich mee voor de landelijke wijnproducenten in vooral Galicië en La Mancha.

De jaren 90 brachten dan een wijdere acceptatie met zich mee van andere druivensoorten zoals de Cabernet Sauvignon en de Chardonnay.

In 1996 werd de wet op de land irrigatie versoepeld en dat gaf de wijnmakers een grotere controle over de velden en het gebied dat kon beplant worden. Vlug hierna werd de kwaliteit en de hoeveelheid van de betere Spaanse wijnen groter dan de gewone landwijnen en Spanje’s reputatie op het gebied van wijn werd beter en beter zodat de Spaanse wijn steeds beter kon wedijveren met buitenlandse wijnen.

3. Geografie en klimaat

Een van de belangrijkste geografische invloeden op de Spaanse wijnbouw is de Meseta Central. Dit plateau bedekt het grootste deel van centraal Spanje. Vanop dit plateau vertrekken enkele van de belangrijkste Spaanse rivieren naar de zee en zij vormen het hart van de Spaanse wijnregio’s.

Bij deze rivieren hebben we de oostwaarts vloeiende Ebro die door de Rioja en enkele Catalaanse wijngebieden loopt. De Duero stroomt naar het westen door de Spaanse Ribera del Duero regio voor hij de grens met Portugal oversteekt en in de Douro Vallei komt welke het hart is van de Porto wijn.

De rivier de Tajo stroomt door de La Mancha regio, de Guadalquivir stroomt richting de Atlantische Oceaan waar hij in het Sherry producerend dorp Sanlúcar de Barrameda de oceaan invloeit.

In aanvulling op de Meseta Central zijn er verschillende andere bergketens die we kennen als de cordilleras. Ook zij oefenen een invloed uit op verschillende Spaanse wijnregio¡s.

Onder deze ketens hebben wij het de Cantabrisch Gebergte dat een uitloper is van de Pyreneeën en die de Rioja beschermen tegen teveel regen en de kilte van de westenwinden uit de Golf van Biskaje.

Het Cantabrisch Gebergte werkt als een regenscherm voor de kustregio’s uit het Baskenland die een gemiddelde neerslag hebben van 1.500 mm terwijl de Rioja op ongeveer 100 km van de kust maar een gemiddelde neerslag heeft van 460 mm.

In Galicië, aan de noordwestelijke kust is er een gemiddelde neerslag van 990 mm maar aan de bergachtige grens met Castilië en León is dit maar 200 mm.

Het klimaat wordt extremer naarmate men verder landinwaarts trekt in de richting van de Meseta Central en men heeft hier hete zomers met temperaturen rond de 40°C en met grote droogtes.

Veel regio’s ontvangen minder dan 300 mm regen per jaar en de regenval is dan nog dikwijls een grote plotse regenval in de lente en de herfst. Dikwijls gaat dit samen met plotse overstromingen. Tijdens de winters heeft men hier koude temperaturen die kunnen dalen tot −22 °C. 

In het zuidoosten, rond Valencia, is het klimaat gematigder met een sterke Mediterrane invloed.

In het zuiden, met de Sherry en Málaga regio’s van Andalusië zijn de heetste regio’s van Spanje. Noordelijk van de Sierra Nevada, in de vallei van de Guadalquivir, lopen de temperaturen in de zomer op 45°C.

Om zich aan te passen aan deze hoge temperaturen worden veel Spaanse wijngaarden aangelegd op de hoger gelegen gebieden en dat is hoger dan 610 m boven zeeniveau. Deze grote hoogte creëert een groot dagelijks temperatuurverschil met een lage nachtelijke temperatuur die toelaat dat de druiven hun zuurtegraad en kleur behouden. Regio’s met lager gelegen wijngaarden, zoals langs de Middellandse Zee produceren druiven met een hoger alcoholgehalte en met een lagere zuurtegraad.

4. Classificatie

In 1932 creëerden de Spaanse wijnwetten het “Denominación de Origen (DO)” systeem en die wetgeving werd aangepast in 1970. De Spaanse wetgeving vertoont veel gelijkenissen met het Franse “Appellation d’origine contrôlée (AOC)” systeem, met het Portugese “Denominação de Origem Controlada (DOC) en met het Italiaanse “Denominazione di origine controllata (DOC)” systeem.

In 2009 waren er 77 kwaliteitswijn gebieden en daarnaast heeft men nu een tweede systeem ontwikkeld “Denominación de Origen Calificada (DOC of DOQ in het Catalaans) voor wijnen die in de richting van een kwaliteitswijn evolueren. Momenteel horen er twee regio’s in deze categorie thuis, de Rioja en de Priorat. Elke DO heeft een regelgevend orgaan dat de kwaliteitsvereisten regelt, controleert en bewaakt.

Dit orgaan controleert echt alles, van de soort van druiven die mogen aangeplant worden, het maximum dat op een wijngaard mag geoogst worden, de minimum periode dat de wijn moet rijpen, en wat er op het etiket van een fles wijn moet staan.

Wijnhuizen die hun wijn op de markt willen brengen onder de DO of de DOC status moeten hun wijn ter beschikking stellen van het labo van het controleorgaan en aan een proefpaneel.

Wijnen die zijn toegelaten tot de DO/DOC status mogen het zegel van het controlerend orgaan afdrukken op het etiket van hun flessen wijn.

Na de aanvaarding van Spanje in de Europese Unie werd de Spaanse wijnwetten in overeenstemming gebracht met de andere Europese systemen.

Een ontwikkeling is het vijfdelig classificatiesysteem dat beheerd werd door elke autonome regio. Niet – autonome gebieden zijn regio’s die elkaar overlappen met andere autonome regio’s zoals Cava, Rioja en Jumilla. Zij worden beheerd door het Instituto Nacional de Denominaciones de Origen (INDO) dat in Madrid is gevestigd. De bestaat uit vijf classificaties en dat zijn beginnend vanaf het laagste.

  • Vino de Mesa (VdM) – Deze wijnen zijn gelijkaardig aan de meeste tafelwijnen en zij werden gemaakt van niet-geclassificeerde wijngaarden of van druiven die zijn vrijgegeven voor een “illegale “ mengeling met andere druiven. Men doet dit met de duurdere wijnsoorten om de productie onder controle te houden, m.a.w. de productie wordt niet te groot.
  • Vinos de la Tierra (VdlT) – Deze wijn is gelijkaardig aan het Frans systeem van de vin de pays. Dit zijn meestal wijnen die uit de grotere autonome regio’s komen en op het etiket zal er een verwijzing staan naar de autonome regio zoals Andalucië, Castilla La Mancha of Levante.
  • Vino de Calidad Producido en Región Determinada (VCPRD) – Deze wijn is gelijkaardig aan het Franse Vin Délimité de Qualité Supérieure (VDQS) systeem en men beschouwd deze wijn als een opstap naar de DO status.
  • Denominación de Origen (Denominació d’Origen in het Catalaans – DO)- Dit niveau is voor de regio’s met kwaliteitswijnen die onder controle staan van het overkoepelend controleorgaan. Dit orgaan is verantwoordelijk voor de marketing van de wijn. In 2005 was bijna twee derde van de wijngebieden in Spanje onder controle van dit controleorgaan.
  • Denominación de Origen Calificada (DOCa/DOQ – Denominació d’Origen Qualificada in het Catalaans)- Deze benoeming is gelijkaardig aan de Italiaanse Denominazione di Origine Controllata e Garantita (DOCG) benoeming. Deze benoeming is voorbehouden voor regio’s die het bewijs kunnen leveren van een volgehouden kwaliteit en dit is een niveau hoger dan de Denominaciòn de Origen. Rioja was de eerste regio die deze benoeming mocht hebben en dat gebeurde in 1991. Later volgden de Priorat in 2003 en de Ribera del Duero in 2008.

Bijkomend is er de benoeming Denominación de Pago (DO de Pago) en deze wordt gebruikt voor individuele wijngaarden met een internationale reputatie. In 2009 waren er 9 wijngaarden die van deze benoeming mochten gebruik maken.

5. Spaanse etiketteringswetten

Spaanse wijnen krijgen dikwijls een etiket volgens de ouderdom van de wijn. Als er op het etiket “vino joven” (“jonge wijn”) of “sin crianza” staat dan is de wijn jong of niet in contact geweest met houten vaten.

Afhankelijk van de producent zal het de bedoeling zijn dat deze wijn jong gedronken wordt maar dat is zeker binnen het jaar. Anderen kunnen profiteren van een veroudering in de fles.

Voor het wijnjaar (vendimia of cosecha) dat op het etiket verschijnt moet een minimum van 85% van de druiven uit dat jaar komen. De drie meest voorkomende ouderdomsbeschrijvingen die gebruikt worden op het etiket van Spaanse wijn zijn Crianza, Reserva en Gran Reserva.

Foto: een reserva uit de Rioja
Agne27
  • Crianza is rode wijn van 2 jaar oud met een minimum van 6 maanden in een eiken vat. Crianza witte en rosé wijn is minstens 1 jaar oud en is minstens 6 maand in contact met eik geweest.
  • Reserva is rode wijn van minsten 3 jaar oud waarvan minstens 1 jaar in een eiken vat. Reserva witte en rosé wijn is minstens 2 jaar oud en minstens 6 maanden in eik.
  • Gran Reserva is rode wijn van minstens 5 jaar oud waarvan minstens 18 maand in en eiken vat en minimum 36 maand in fles. Gran Reserva witte en rosé wijn is minstens 4 jaar oud waarvan minstens 6 maand in eik.

6. De Spaanse wijn regio’s

Het grootste deel van de kwaliteitswijn producerende regio’s in Spanje hebben de benaming Denominaciones de Origen (gelijkaardig aan de Franse Appellations) en de wijn die ze produceren staat onder de controle van specifieke wetten.

In overeenkomst met de Europese Regelgeving 753/2002 zijn Spaanse wijnen verdeeld in twee categoriën die dan weer onderverdeeld zijn in sub-categorieën.

Vino de Calidad Producido en Región Determinada (VCPRD)

  • Denominación de Origen de Pago (DO de Pago): deze wijnregio’s voldoen aan de hoogste kwaliteitsvoorwaarden met strikte geografische criteria die meestal geconcentreerd zijn op een enkele wijngaard met een internationale reputatie. Er zijn momenteel 9 wijngaarden met deze status.
  • Denominación de Origen Calificada (DOCa) (Denominació d’Origen Qualificada (DOQ) in het Catalaans): regio’s met een bewezen beoordelingskader van constante kwaliteit. Er zijn maar 2 regio’s met deze status: Rioja en Priorat.
  • Denominación de Origen (DO) (Denominació d’Origen in het Catalaans, Denominación de Orixe in het Galego en Jatorrizko Deitura in het Baskisch): gewone kwaliteitsvolle wijnregio’s. Er zijn 66 wijnregio’s in deze categorie.
  • Vino de Calidad con Indicación Geográfica. Een beginpunt voor regio’s die willen opklimmen op de kwaliteitslijn. Er zijn twee regio’s in deze categorie.

Vino de Mesa

  • Vino de la Tierra (VdlT) landwijnen die geen EU QWPSR status hebben maar ze mogen wel de naam van de regio gebruiken Er zijn 46 regio’s met deze classificatie Vino de la Tierra regions in Spanje.
  • Vino de Mesa (Table Wine) is gemaakt van druiven uit meerdere regio’s en op het etiket staat geen vermelding van jaartal of regio. Op het etiket staat er enkel een vermelding dat het een Spaans product is. De productie van dit soort wijn daalt van jaar tot jaar.

In 2006 is er een nieuwe Vino de la Tierra “super-regio” gecreëerd en die kreeg de naam mee van Viñedos de España. Deze categorie laat toe om wijnen te mengen van 11 verschillende Spaanse regio’s. De benaming moet nog goedgekeurd worden door de Europese Gemeenschap maar de regionale regeringen van La Rioja en Castilla y León hebben bezwaar aangetekend.

7. Wijnbouw

De wijnbouw in Spanje heeft zich aangepast aan het gevarieerde van het klimaat in een regio. Het droge weer in grote delen van Spanje verminderd de dreiging van ziektes op de druiven zoals de valse meeldauw en de echte meeldauw maar het heeft een invloed op de ontwikkeling van de grauwe schimmel.

In deze delen van het land heeft de dreiging van droogte en de lage vruchtbaarheid van het land de wijnbouwers verplicht om hun wijnstokken ver uit elkaar te planten zodat de grond niet te snel uitgeput geraakt. Een wijdverbreid plantsysteem staat bekend onder de naam “marco real” en het betekend dat er 2,5 meter ruimte in alle richtingen is tussen de wijnstokken.

Deze gebieden, de meeste liggen in het zuiden en het centrum van het land, hebben een van de minste wijnstokken per hectare ter wereld, men gebruikt hier 900-1600 stokken per hectare. Dit is minder dan 1/8 van de aangeplante wijnstokken in Bordeaux en Bourgondië.

Na de droogteperiodes in 1994 en 1995 en nadat de oogst in deze jaren gekelderd was werd irrigatie populair. In 1996 werd de wetgeving aangepast en daardoor konden de wijnbouwers in alle regio’s gaan irrigeren. In de provincie Toledo kwamen Australische wijnmakers helpen met de aanleg van een ondergronds druppelsysteem om de effecten van de uitdroging van de bodem tegen te gaan. Toen de irrigatie populairder werd kon men ook meer wijnstokken aanplanten en werd de opbrengst van de wijngaard hoger in een aantal regio’s.

Traditioneel werden de druiven met de hand geoogst maar met de steeds verdergaande modernisering van de Spaanse wijnindustrie kwam ook dit op de helling en kwamen er machines voor de oogst van de druiven.

Vroeger werd er geoogst in de vroege ochtend omdat de wijnhuizen de druiven weigerden die in de namiddag werden aangeboden omdat ze te lang aan de hitte waren blootgesteld. Door  het gebruik van machines werkt men nu dikwijls tijdens de nacht.

8. Druivensoorten

Sommige bronnen schatten dat er in Spanje meer dan 600 druivenrassen zijn aangeplant maar 80% van de Spaanse wijnproductie komt van 20 druivensoorten. De meest gebruikte druif is de witte Airén. Deze druif wordt vooral in het centrum van het land gebruikt en gedurende vele jaren was zij ook de basis voor de Spaanse brandy. Wijnen van deze druif hebben een  alcoholgehalte tussen de 12 en de 14 graden en zij is vatbaar voor oxidatie. 

De Airén druif

De rode wijn druif Tempranillo is sinds 2004 de tweede meest populaire druif in Spanje voor de Garnacha. De Tempranillo staat ook bekend op Spaanse wijnetiketten onder een aantal synoniemen zoals Cencibel, Tinto Fino en Ull de Llebre. 

Zowel de Tempranillo als de Garnacha druif worden gebruikt om een rode wijn te maken met een volle body die gebruikt wordt in de Rioja, Ribera del Duero en de Penedès terwijl de Garnacha de belangrijkste druif is in de Priorat regio. In de regio Levante zijn de Monastrell en de Bobal de belangrijkste druiven waarvan men vooral donkere rode wijnen en droge rosé wijnen maakt.

In het noordwesten van Spanje zijn de witte wijn variëteiten Albariño en Verdejo populaire aanplantingen in de Rías Baixas en in Rueda.

Foto: Xarel lo druiven om Cava te maken.
batega

In de Cava producerende regio’s van Catalonië en in andere delen van Spanje zijn de populairste druivenrassen de Macabeo, Parellada en de Xarel·lo. Deze druiven worden gebruikt zowel voor mousserende als gewone witte wijn te maken.

In de zuidelijke Sherry en Malaga producerende regio’s van Andalusië zijn de populairste druivenrassen de Palomino en de Pedro Ximénez.

Nu de Spaanse wijnindustrie steeds moderner wordt worden er nu ook internationale druivenrassen gebruikt zoals de Cabernet Sauvignon, Chardonnay, Syrah, Merlot en de Sauvignon blanc.

Andere populaire Spaanse druivenrassen zijn de Cariñena, Godello, Graciano, Mencia, Loureira, en de Treixadura.

9. Wijn maken

In Spanje spreken wijnmakers meer over “wijn maken” in de plaats van “wijn produceren” en dit typeert de Spaanse filosofie van wijn maken. Dit gaat terug tot hun opvatting dat een wijnmaker meer een verzorger van zijn druiven en zijn wijn is dan dat hij een producent is.

Gedurende een lange tijd was het wijn maken in Spanje iets zeer rustiek en diep geworteld in de traditie. Dit hield bij bepaalde wijnen een oordeelkundig gebruik van eik in en dat was inclusief de witte wijnen die soms twintig jaar in het vat bleven. Dit zorgde voor duidelijk herkenbare smaken die internationaal geassocieerd werden met regio’s zoals de Rioja.

In de negentiende eeuw hadden wijnmakers negatieve opvattingen over het Spaanse wijn maken. Richard Ford schreef reeds in 1846 dat de Spanjaarden hun wijn maakten op een “onwetenschappelijke en roekeloze manier”.

Cyrus Redding schreef dan weer in zijn boek “History and Description of Modern wines” dat de Spanjaarden de druiven op een ruwe manier behandelden. Een deel van de kritiek kwam door de traditionele manier waarop men hier wijn maakte. Het pletten van de druiven en de fermentatie gebeurde in aardewerken potten die men tinajas noemde.

Later werd de wijn opgeslagen in houten vaten of in varkens lederen zakken de binnenin met hars bestreken waren en die men cueros noemde.

In het warmere klimaat en in de gebieden met een lagere hoogte kreeg men wijnen met een hoog alcoholgehalte en met een laag zuurgehalte. De standaard techniek om deze wijnen te verbeteren was de toevoeging van witte wijn druiven die de zuurtegraad verbeteren maar die ook de fruitsmaak te niet deden.

De komst van de temperatuur gecontroleerde roestvrij stalen tanks veranderde het wijn maken in de hete regio’s zoals Andalusië radicaal. La Mancha en de Levante lieten hun wijnmakers toe om frissere en fruitige witte wijnen te maken.

Een aantal wijnmakers ging zich in de jaren 90 op deze wijnen richten maar in dezelfde periode kwam er terug een opkomst in het maken van de oude traditionele wijnen. Het gebruik van eik had een lange traditie in het Spaanse wijn maken en het was in gebruik eeuwen voordat de Fransen het 225 liter vat introduceerden.

Langzaam aan begonnen de Spaanse wijnmakers in de late negentiende en de vroege twintigste eeuw over te schakelen naar de goedkopere en met een sterkere smaak Amerikaanse eik.

Wijnmakers in regio’s zoals de Rioja vonden dat vooral de Tempranillo druif goed samen ging met de Amerikaanse eik.

In de jaren negentig gingen meer wijnmakers terug de Franse eik gebruiken en sommige producenten gebruiken een combinatie van de Amerikaanse en de Franse eik.

Wijnen met een classificatie Denominación de Origen (DO) vereisen een minimum periode dat de wijn in een eiken vat rust en die periode staat op het etiket. De Spaanse traditie om wijn te laten rusten in een vat of in een fles laat toe om Spaanse wijn direct te drinken eenmaal ze op de markt zijn.

10. Sherry

Sherry is een versterkte wijn uit het zuiden van Spanje rond de steden Jerez, Sanlúcar de Barrameda en El Puerto de Santa María. In de jaren negentig beperkte de Europese Gemeenschap het gebruik van de naam Sherry, het gebruik van de naam was vanaf dan voorbehouden voor de regio.

Sherry is meestal gemaakt van de Palomino druif, 95% van de aanplantingen in de regio is voor de Palomino druif maar men gebruikt ook Moscatel en Pedro Ximenez. Terwijl de wijn in het vat rijpt voegt men een natuurlijke gist uit de streek toe, deze gist staat bekend als flor. Deze gist laat toe dat er zich verschillende soorten sherry ontwikkelen en onderscheiden.

De flor heeft verse wijn nodig om te overleven en hij wordt toegevoegd door een hevelsysteem dat tevens de wijnen van verschillende ouderdom mengt. Palomino wijn zelf geeft een wijn van rond de 12%. Sherry producenten voegen dan brandy toe om het alcoholgehalte te verhogen en om de gist te doden.

Sherry is onderverdeeld in een aantal categorieën:

Foto: Amontillado Sherry
Matt Saunders
  • Fino Sherry is een zeer lichte en delicate Sherry. Deze wijnen worden gekenmerkt door de gist en ze bevatten meestal tussen de 15 en 18% alcohol.
  • Manzanilla Sherry komt uit het Sanlucar district aan de kust. De zeelucht laat de Sherry een ziltige smaak ontwikkelen. De wijnen bevatten ook flor en men gebruikt hetzelfde productieproces als bij de fino maar de klimaatvoorwaarden zijn hier anders. Hij bevat tussen de 15 en 19% alcohol.
  • Amontillado Sherry is gelijkaardig aan Fino maar hij bevat minder flor. Hij is donkerder van kleur en droger van smaak dan fino. Hij bevat tussen de 16 en 22% alcohol.
  • Oloroso Sherry is voller van smaak en donkerder van kleur. Hij bevat meer suiker en hij is meer versterkt. Zijn alcoholgehalte ligt tussen de 17 en 22% alcohol.
  • Cream Sherry heeft een rijke, volle smaak en hij is een goede dessertwijn. Hij bevat tussen de 15,5 en 22% alcohol.
  • Pedro Ximénez Sherry heeft een volle rijke smaak en het is een populaire dessertwijn. Hij is gemaakt van de rozijnen van de Pedro Ximenez druif die in de zon gedroogd zijn. Hij bevat ongeveer 18% alcohol.
  • Palo Cortado Sherry is zeer zeldzaam. Het is een Oloroso wijn die verouderd is op een natuurlijke manier zonder menselijke tussenkomst. Hij bevat tussen de 17 en 22% alcohol.

11. Cava

Cava is een Spaanse mousserende wijn die gemaakt wordt op dezelfde traditionele manier als de Franse champagne. De definitie van Cava is “Vino Espumoso de Calidad Producido en una Región Determinada (VECPRD)”. Hij is de ontstaan in de negentiende eeuw in de Catalaanse regio in het Codorníu Wijnhuis. 

De wijn stond oorspronkelijk bekend onder de naam “Champaña” tot de Spaanse producenten in 1970 besloten om hun wijn “Cava” (kelder) te noemen. Dit was een verwijzing naar de ondergrondse kelders waarin de wijn fermenteerde en verouderde in de fles.

De vroege Cava wijnmakers werden in de negentiende eeuw geholpen door de phylloxera epidemie die de vernietiging en de ontworteling van de wijngaarden betekende die aangeplant waren met rode druiven.

Geïnspireerd door het succes van van de Champagne hebben Codorníu en anderen de getroffen wijnbouwers aangemoedigd om op hun percelen witte druiven aan te planten zoals de Macabeo, Parellada en Xarel·lo. Deze druiven zijn de belangrijkste druiven voor de Cava productie alhoewel sommige producenten nu experimenteren met de Champagne druiven zoals de Chardonnay en de Pinot noir.

Zolang de Cava bestaat was de productie ervan niet geregeld of opgenomen in een bepaalde regio van de Denominación de Origen (DO) maar er waren enkel regels voor het gebruik van de druiven en de wijze van produceren.

Na de opname in 1986 van Spanje in de Europese Unie werden er pogingen ondernomen om bepaalde gebieden te voorzien voor de productie van Cava. Vandaag is het gebruik van de naan “Cava” voorbehouden voor wijnen die geproduceerd worden in Catalonië, Aragon, Castilië en León, Valencia, Extremadura, Navarra, Baskenland en de Rioja.

Ongeveer 95% van de Spaanse Cava productie komt uit Catalonië en dan vooral uit het dorp Sant Sadurní d’Anoia wat de thuis is voor de grootste Spaanse Cava huizen.

Nationaal park van de Archipel van Cabrera

  1. Algemeen
  2. Geschiedenis
  3. Kasteel van Cabrera
  4. Geografie
  5. Fauna
  6. Flora
  7. Exploitatie

1.Algemeen

Foto: archipel van Cabrera
NASA World Wind

Het Parque nacional del Archipiélago de Cabrera is een verzameling van rotseilandjes de bij de Balearen behoren en die als nationaal park werden aangenomen met een wet van 29 april 1991.

Het park heeft een grote waarde op natuurgebied, ten gevolge van het isolement doorheen de geschiedenis tot op heden is alles hier onveranderd gebleven.

De kuststreek van Cabrera kan beschouwd worden als een van de best bewaarde kuststreken van Spanje.

Het eilandje huisvest eveneens belangrijke kolonies zeevogels en andere inheemse soorten. Dankzij de biologische rijkdom en de overvloed en de verscheidenheid aan vogels is het gebied ook opgenomen op de lijst van ZEPA (Zona de Especial Protección para las Aves) ofwel een speciale zone voor de bescherming van vogels.

Administratief behoort Cabrera tot de gemeente Palma de Mallorca.

2. Geschiedenis

Het eiland Cabrera en de grotere eilanden hebben doorheen de eeuwen bezoek gekregen van de eerste beschavingen rond de Middellandse Zee: de Feniciërs, Carthagers, Byzantijnen en de Romeinen.

Tijdens de XIII en de XIVde eeuw is het eiland Cabrera met zijn natuurlijke haven gebruikt door berber piraten die vanaf hier de kusten plunderden.

Om deze reden, bouwde men al in de XIVde eeuw een kasteel aan de ingang van de haven. Dit kasteel werd gebouwd om te verhinderen dat deze piraten de haven bleven gebruiken, tevens kreeg men een betere bescherming van de kusten bij Mallorca.

3. Kasteel van Cabrera

In 1808 barstte de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog uit. De Franse soldaten die gevangen genomen werden tijdens de slag van Bailén werden opgesloten op het eiland van Cabrera. In realiteit was er geen gevangenis op het eiland, de gevangenis was het isolement van het eiland. Het gebruik als gevangenis eindigde in 1814 met de ondertekening van de vrede.

Foto: kasteel van Cabrera
J.Gomà

Wegens de beperkte middelen op het eiland en het ontbreken van leveringen aan de gevangen door de overheid van Mallorca overleefden niet meer dan de helft van de gevangen deze gevangenschap.

Op het einde van de XIXde eeuw was het eiland in privaat bezit. De eigenaars, de familie Feliu, poogden toen om wijnstokken op het eiland te cultiveren. Daarom bouwden zij er een wijnhuis, dat nu gebruikt wordt als een museum.

In 1916 is de archipel onteigend door het ministerie van defensie. Zij vestigden een klein garnizoen op Cabrera. Tot zijn erkenning als nationaal park werd het eiland gebruikt voor schietoefeningen. Deze militaire aanwezigheid heeft er wel voor gezorgd dat het park beschermd bleef tegen grondspeculatie.

In maart 1991 werd Cabrera officieel een nationaal park.

4. Geografíe

Cabrera ligt op 10 km van Cap de les Salines (in het zuiden van Mallorca) en de archipel is in werkelijkheid het aan de oppervlakte komen van de Sierra de Levante, (een gebergte).

De archipel bestaat uit 19 eilandjes en rotseilandjes. Het grootste in oppervlakte is Cabrera, gevolgd door het Illa dels Conills. De andere eilanden zijn Ses Rates, els Estels, l’Imperial, les Bledes, es Fonoll, na Rodona, l’Esponja, na Plana, na Pobra, s’Illot Pla, s’Illot en Na Foradada.

Het park zelf heet een oppervlakte van 90.800,52 ha waarvan 89.482,52 maritiem en 1.318 land zijn.

5. Fauna

De archipel is samen met de wateren en de zeebodem die hem omringen een van de best bewaarde plaatsen in de Middellandse Zee, vol met leven van zowel maritiem leven als leven op land.

Deze wateren verbazen door een uitzonderlijke transparantie en zichtbaarheid, voor zijn onderwater grotten waarin nog altijd niet gecatalogiseerde soorten gevonden worden zoals de plaatselijke schaaldieren die men ontdekt heeft in de wateren van een grot.

Het feit dat de archipel ver verwijderd is van stedelijke centra en daardoor het vervuilde water tot een minimum beperkt blijft zorgt ervoor dat de biotoop hier in hoge mate bewaard blijft.

Het is precies deze grote verscheidenheid aan bioversiteit die er voor zorgde dat de Archipel van Cabrera tot nationaal park gemaakt werd.

Vanuit het oogpunt van natuurbescherming is de enorme rijkdom van Cabrera de overvloed en variëteit aan vogels die hier leven of hier langs komen in de periode van de vogeltrek. Duizenden vogels gebruiken de archipel als rustplaats, men heeft ongeveer 130 verschillende soorten gezien die hier voorkomen.

5.1 Zeevogels

Foto: kuifaalscholver
Jiel Beaumadier

Voor veel van deze vogels, waarvan sommige met uitsterven bedreigd zijn, is het park een zone van rust en is bijzonder ideaal voor het nestelen. Er zijn hier kolonies van Geelpootmeeuwen (Larus michahellis), de Audouin meeuw (Larus audouinii), de Kuhls pijlstormvogel (Calonectris diomedea), de ernstig bedreigde Vale pijlstormvogel (Puffinus mauretanicus), de kuifaalscholver (Phalacrocorax aristotelis) en het stormvogeltje (Hydrobates pelagicus).

5.2 Roofvogels

Onder de roofvogels onderscheiden we de torenvalk (Falco tinnunculus), de slechtvalk (Falco peregrinus) en de Eleonora’s valk (Falco eleonorae).  Deze vogels leven niet het ganse jaar door op het eiland maar komen er nestelen op de rotsachtige kust.

Een vogel die we hier ook kunnen aantreffen is de visarend (Pandion haliaetus) en ten slotte hebben we hier verwijderd van de kust op de oude akkers, grote aantallen zangvogels.

5.3 De zeefauna

De zeefauna bestaat uit meer dan 500 soorten waaronder 22 soorten weekdieren, 25 soorten schaaldieren, 87 soorten sponzen en 214 verschillende soorten vissen. Zij maken van het park een plaats met de grootste biodiversiteit van de Middellandse Zee.  Er is een overvloed aan goudbrasem, zeewolf, tandbrasem, inktvis en zee-egel. Op de rotsbodem leven tandbaarzen, inktvissen, murenes en congers. Zij delen hun leefruimte met de onechte karetschildpad (Caretta caretta), de lederschildpad (Dermochelys coriacea) en dolfijnen.

Wat er niet meer leeft op de archipel is de monniksrob (Monachus monachus), zie je toch een exemplaar dan is dit een verdwaald dier.

5.4 Landzoogdieren

Het aantal zoogdieren op Cabrera is eerder bescheiden te noemen behalve dat wat ingevoerd is door de mens: het konijn. Dit dier was een nachtmerrie voor de vroegere telers op het eiland. Daarom brachten zij de genetkat mee om de konijnen populatie wat op peil te houden.  Wat ook nog overvloedig voorkomt zijn de zwarte rat, de muis, de wilde kat, de egel en drie soorten inheemse vleermuizen.

5.5 Reptielen

Onder de reptielen zijn er een inheemse soort van de Balearenhagedis (Podarcis lilfordi). Alleen op Cabrera zijn er elf ondersoorten die zich onderscheiden door kleine variaties van vorm en kleur.

Foto: Balearenhagedis

Zij hebben een bescheiden afmeting, ongeveer 15 cm van kop tot staart, met de kleuren blauw en groen tot bijna zwart.

Bijna 80 % van deze dieren kan men vinden op de de archipel van Cabrera en elk eiland heeft zijn eigen ondersoort, geëvolueerd door een leven op afzonderlijke eilandjes gedurende eeuwen.

De lijst van de reptielen is compleet met de overvloedig voorkomende gekko’s en de muur gekko’s.

Amfibieën zijn de grote afwezigen op de archipel en dit is vooral te wijten aan het ontbreken van voldoende water.

6. Flora

De eilandengroep heeft een typisch mediterrane vegetatie met een grote verspreiding van maquis met pijnbomen. Cabrera heeft ook enkele eigenaardigheden zoals de wilde olijfboom, de gewone olijfboom, de wegedoorn en de wolfsmelk. Op de hoger gelegen delen kan men de Buxus Baleares (Buxus balearica) vinden. Op de schrale grond treft men ook jeneverbessen aan.

We mogen verder niet vergeten dat ongeveer 85 % van de oppervlakte van het nationaal park bestaat uit water.  Rond deze eilanden is er onder water een grote verscheidenheid aan plantensoorten die dankzij de helderheid van het water duidelijk zichtbaar en traceerbaar zijn.

Men kan meer dan 160 soorten zien waaronder een groot aantal algen.  Het meest indrukwekkende zijn de grote velden zeewier.  Deze velden zijn tevens een van de belangrijkste bronnen van leven in de Middellandse Zee maar helaas is er een grote teruggang te merken.

7. Exploitatie

7.1 Visvangst

Er is een plan in verband met het gebruik en het onderhoud van het nationaal park. Het bevat een reeks van regels die verplicht moeten nageleefd worden voor de traditionele visvangst met een professioneel karakter, het is trouwens de enige activiteit die er toegelaten is.

7.2 Toerisme

Het park kan bezocht worden, zonder veel formaliteiten en men kan inschepen op de overzetboten die vertrekken in de havens van Colonia de Sant Jordi en de Porto Petro.

Dit is de enige mogelijkheid tot een begeleid bezoek aan Cabrera. Het is echter wenselijk om op voorhand te reserveren omdat er een gelimiteerd aantal bezoekers dagelijks toegelaten worden.

Aantal bezoekers

  • 1995 – 36.173
  • 1996 – 39.265
  • 1997 – 43.215
  • 1998 – 52.796
  • 1999 – 47.302
  • 2000 – 44.983
  • 2001 – 64.068
  • 2002 – 66.302
  • 2003 – 66.535
  • 2004 – 73.540
  • 2005 – 71.987
  • 2006 -. 74.542
  • 2007 – 76.541
  • 2008 – 60.804
  • 2009 – 60.662

De lammergier

  1. Algemeen
  2. Beschrijving
  3. Leefgebied
  4. Bescherming
  5. Legendes
  6. De situatie in Spanje

1.Algemeen

Foto: een lammergier
Richard Bartz

De lammergier (Gypaetus barbatus) broed op steile rotsen in Zuidelijk-Europa, Afrika, India en Tibet. Het vrouwtje legt een of twee eieren in het midden van de winter en de eieren komen uit in het begin van de lente.

De lammergier werd onlangs terug naar de Alpen gebracht maar hij blijft een van de zeldzaamste roofvogels van Europa.

Zoals veel gieren is hij een aaseter, zijn voedsel bestaat meestal uit karkassen van dode dieren. Hij laat echter het rottende vlees liggen en dan eet hij enkel het beenmerg, trouwens 90 % van zijn voedsel bestaat uit beenmerg.

Typisch voor deze vogel is dat hij grote beenderen van op een grootte hoogte laat neervallen zodat het been in kleinere stukken openbreekt. Zijn Spaanse naam quebrantahuesos (been brekers) verwijst hiernaar.

Levende schildpadden ondergaan dikwijls hetzelfde lot. De lokale bevolking beschuldigd de lammergier ervan om mensen van kliffen te laten vallen maar het is waarschijnlijker dat het eerder onvoorzichtige mensen zijn die van de kliffen vallen.

2. Beschrijving

In tegenstelling met de meeste andere gieren heeft de lammergier geen kaal hoofd. Deze enorme vogel is 95 tot 125 cm groot en heeft een spanwijdte van 235 tot 280 cm. Zijn gewicht is tussen de 4,5 en de 7 kg.

Foto: volwassen lammergier

Een volwassen vogel heeft een bruin-gele kop en lichaam, Hij wrijft modder aan zijn kin, borst en aan de veren op zijn poten waardoor deze delen soms een roestkleur hebben. Het verhaal gaat dat hoe roder de veren zijn hoe heviger de vogel is. De veren aan de staart en de vleugels zijn grijs. De jonge vogels zijn helemaal donker en het duurt 5 jaar voordat zij volwassen zijn.

De lammergier is over het algemeen een stille vogel, enkel in de broed periode heeft hij schrille fluittonen. In gevangenschap kan hij 40 jaar worden.

3. Leefgebied

De lammergier leeft enkel in bergstreken, bij voorkeur op een hoogte tussen de 500 en de 4.000 meter. De broedperiode gaat van midden december tot midden februari, er komen 1 of 2 eieren waarop de vogels tussen de 53 en de 58 dagen broeden. De jonge vogels blijven tussen de 106 en de 130 dagen in het nest voordat zij uitvliegen.

4. Bescherming

In Europa is deze vogel een bedreigde soort, maar in Azië en Afrika is hij dat helemaal niet. Op de lijst van Birdlife International staat hij als niet bedreigd, alhoewel er tekenen zijn van een vermindering in aantal.

5. Legendes

Volgens een legende is de Griekse toneelschrijver Aeschylus gedood door een schildpad die uit de lucht neerviel. De vogel (lammergier) dacht dat het kale hoofd van Aeschylus een rots was waarop hij de schildpad kon neergooien.

In de Iraanse mythologie denkt men bij het zien van deze vogel aan geluk en voorspoed.

6. De situatie in Spanje

Lammergieren of quebrantahuesos zoals zijn Spaanse naam is, zijn de grootste roofvogels in Europa. Hij is hier tevens de zeldzaamste vogel maar van de Europse populatie leeft er 70 % in de Aragonese Pyreneeën.

Er zijn ongeveer 80 paren in de Pyreneeën en daarvan leven de meeste in Aragón. Dit aantal neemt nu toe, in 1988 waren er 40 paren en dat is toegenomen tot 80 paren in 2004. Dit is wel iets te optimistisch voorgesteld want deze populatie heeft een laag genetisch verschil waardoor het probleem van inteelt opduikt.

Het grootste gevaar voor deze vogels is vergiftiging, 42 % van de onnatuurlijke sterfte van de lammergieren (20 exemplaren zijn bekend) is te wijten aan vergiftiging. De populatie lammergieren was gedecimeerd in de twintigste eeuw, vooral door vergiftiging en dit was te wijten aan het wijd verspreide geloof dat de vogels lammeren zouden roven.

Foto: lammergier in de vlucht
Luca Casale

De laatste jaren is de lammergier uitgebroken uit zijn bolwerk in de Pyreneeën en hij is, na een afwezigheid van 50 jaar, reeds gezien in de Picos de Europa en de Sistema Central. Studies hebben uitgewezen dat in natuurlijke omstandigheden de lammergieren 150 jaar zullen nodig hebben om in de ganse bergketen van Cantabrië en de bergen in het Baskenland te kunnen terug keren. Daarom moet er meer hulp komen om hen te helpen in hun terugkeer naar hun natuurlijke gebieden.

Een koppel lammergieren is terug in de Picos de Europa verschenen na een afwezigheid van 50 jaar. Volgens Geraldo Báguena van de Fundación para la Conservación del Quebrantahuesos (FCQ) zijn dit 2 volwassen exemplaren die in het nationale park op verschillende plaatsen gezien zijn. Dit zou er kunnen op wijzen dat het een permanente aanwezigheid betreft.

Men denkt dat het zowel een mannetje als een vrouwtje betreft omdat het onwaarschijnlijk is dat twee exemplaren van hetzelfde geslacht mekaar zolang zouden dulden.

Jongere exemplaren werden al wel meermaals gezien in de Picos, 38 maal in de laatste 3 jaar om juist te zijn, maar het is de eerste maal dat er volwassen exemplaren zolang ter plaatse blijven.

De volwassen vogels werden gezien naast de levensgrote modellen van lammergieren die de FCQ geplaatst had en zo lijkt het een succesvolle operatie geweest te zijn. Het is in alle geval een grote aanmoediging voor het plan om hier lammergieren los te laten. Deze vogels werden gekweekt uit gevonden eieren in de Pyreneeën en ondertussen zijn in 2007 de eerste vogels losgelaten in het nationaal park.

Momenteel loopt er ook een programma om lammergieren terug te brengen naar Andalusië in de Sierra de Cazorla waar de laatste vogels gezien werden in 1986.